CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

bestemmingsplan gewijzigde vaststelling Van Wijklaan 2 de Lier (21-0122592)

Commissie Ruimte en Wonen 18 mei 2021, gemeente WestlandBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het gewijzigde bestemmingsplan Van Wijklaan 2 De Lier32.774 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Conclusie

Het project is op het gebied van milieuzonering uitvoerbaar.

3.3

Geluid

3.3.1

Wettelijk kader

Wet geluidhinder Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld terwille van het woon- en leefklimaat. 3.3.2

Onderzoek

Woningen De woningen zijn niet gelegen aan een doorgaande weg. De woningen worden ontsloten via een 30

30

km/uur weg. Een geluidsgevoelige bestemming die gerealiseerd wordt langs een 30 km-weg of in een woonerf wordt niet beoordeeld in het kader van de Wgh. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een aanvaardbaar akoestische kwaliteit worden bereikt. In casu ontsluiten er maximaal 4 woningen via deze weg. Door het geringe aantal vervoersbewegingen is dan ook nader onderzoek niet aan de orde. De Tuinderij De nieuw te realiseren woningen zijn naast De Tuinderij gelegen, welke moet voldoen aan het Activiteitenbesluit. Omdat de combinatie van activiteiten van de Tuinderij niet specifiek vermeld staan in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' en het aspect geluid hierin maatgevend is, zijn er geluidsrapportages gemaakt. In de rapportages is ook de indirecte hinder in kaart gebracht waarbij het rijden op de openbare weg tot circa 100 en 150 meter vanaf de inrichtingsgrens is meegenomen. Bij de berekening is gekeken naar de bedrijfsbebouwing, het recreatieveld, het terras en parkeerterrein. In de rapportage '168201-200214-KR-rapport-geluid-WM-melding-compl.pdf is de Tuinderij met de bestaande bebouwing, nieuwe parkeerplaatsen, nieuw recreatieveld en nieuwe woningen in kaart gebracht. De rapportage gaat ervanuit dat de bestaande bebouwing van de Tuinderij blijft staan en dat de zalen worden gebruikt voor bijeenkomsten, bruiloften, feesten en partijen.

Deze situatie zal de komende jaren behouden blijven. Het bestemmingsplan maakt het echter mogelijk de bebouwing binnen het bouwvlak aan te passen. Niet dat er meer bebouwd kan worden, maar de positie van de bebouwing kan veranderen. Om inzichtelijk te maken of De Tuinderij met deze mogelijkheden nog steeds aan het Activiteitenbesluit en goede ruimtelijke ordening voldoet is een aparte rapportage gemaakt: '168201-200213-KR-rapport geluid bestemmingsplan-compl'. In deze rapportage is uitgegaan van een variant die verder gaat dan een 'worstcasescenario' waarin het complete bouwvlak is ingevuld met bebouwing. Deze situatie zal zich nooit voordoen omdat binnen het bouwvlak 770Zo bebouwd mag worden. Door deze benadering is de Tuinderij in de toekomst echter vrij om op elke positie binnen het bouwvlak bebouwing te realiseren. De parkeerplaatsen in het bouwvlak zijn verplaatst naar het terrein naast het recreatieveld. Uit de geluidsonderzoeken kan worden geconcludeerd dat De Tuinderij voldoet aan de eisen die gesteld zijn in het Activiteitenbesluit. De overgebleven geluidruimte voor het bedrijf is echter beperkt, wat inhoudt dat bij toekomstige uitbreiding van activiteiten of voertuigbewegingen geluidmaatregelen noodzakelijk zullen zijn. Beide geluidsonderzoeken zijn als afzonderlijk bijlagen bij de toelichting opgenomen. 3.3.3

Conclusie

Op basis van de rapportages en overlegde modellering is er door de Omgevingsdienst Haaglanden een aanvullende modellering en nadere berekeningen uitgevoerd. Uit nadere modellering blijkt dat rekening houdend met een correctie van 10 dB voor muziekgeluid in de kleine zalen ten hoogste 85 dB(A) popmuziek mogelijk is in de nachtperiode (toetswaarde 30 dB(A)). Voor de grote zaal is dit ten hoogste 80 dB(A) popmuziek dan wel 78 dB(A) dancemuziek. In geval dat in de grote zaal en kleine zalen tegelijk muziek ten gehore wordt gebracht is in de betreffende ruimten 3 dB minder toegestaan.Hierbij wordt er van uitgegaan dat ramen en deuren in de betreffende buitengevels en daken van de betreffende ruimten bij het ten gehore brengen van muziek ten allen tijde zijn gesloten. Op grond van het overleg ter plaatse en de uitkomsten van de nadere modellering is de bestemming 'zalenverhuur met feesten en partijen met beperkte mogelijkheden voor (live)muziek' mogelijk. Het bedrijf zal ten alle moeten voldoen aan de eisen die gesteld zijn in het Activiteitenbesluit.

3.4

Luchtkwaliteit

3.4.1

Wettelijk kader

Wet luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 (Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de

31

buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Stof

Toetsing van

Grenswaarde

Geldig

stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde concentratie

60 ìg/m3

jaargemiddelde concentratie

40 ìgAr|3

2010 t/m 2014 vanaf 2015

jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie

48 ìgAr|3 40 ìgAr|3

24-uurgemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 75 ìg/m^ max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg/m^

fijn stof (PM10)1)

vanaf 11 juni 2011 vanaf 11 juni 2011

1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007). Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien: * * *

* *

de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).

Besluit niet in betekenende mate (nibm) In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: *

een project heeft een effect van minder dan 10 van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; * een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. 3.4.2

Onderzoek

De luchtkwaliteit van de planlocatie is opgenomen in de Atlas Leefomgeving, (www.atlasleefomgeving.nl). De gegevens uit deze atlas zijn afkomstig van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Gekeken is naar de stikstof- en fijnstofdioxideconcentraties op regionaal niveau, zie onderstaande figuren.

32

vrt«lc*e»i S«u«i»r4 a..4* Ml« 1*0ij U net óe berekende tlilatcrfdtoxide concentraties ow het |a*» 2016

Hccs^

'103 !W

luTnw

Stikstof gehaltes (bron: www.atlasleefomgeving.nl)

KAadUigro »e4ettr*r*i

U net de berekende topt stof concentratie*

(pmlOtCNvr h»tr-w 2016 Hŕfi... Rf niftm 20K

•HO PflliOflüī)

Fijnstof gehaltes (bron: www.atlasleefomgeving.nl Ten aanzien van stikstofdioxide (NO2) blijkt dat de berekende jaargemiddelde concentraties NO2 20-25 ìg/mS bedraagt. De concentraties liggen onder de per 2015 van kracht zijnde grenswaarde voor de jaargemiddelde NO2 van 40 ìgAri3. Ten aanzien van fijnstof (PM10) blijkt dat de berekende jaargemiddelde concentraties PM10 18-19 en 17-18 ìgAri3 bedraagt. Deze concentratie ligt onder de per 2015 van kracht zijnde grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM10 van 40 ìgAri3. Uit de gegevens blijkt dat er ter plaatse van het plangebied geen overschrijding van de normen plaatsvindt. Nieuwe Situatie

Voor de 4 nieuwe woningen geldt dat er per woning 2,5 parkeerplaats gerealiseerd moet worden. In totaal zijn dit 10 nieuwe parkeerplaatsen. Voor De Tuinderij geldt dat er 138 nieuwe parkeerplaatsen worden aangelegd ter plaatse van parking 1. Naast De Tuinderij zijn 52 parkeerplaatsen reeds aanwezig op parking 2. De bezoekers van De Tuinderij zullen verdeeld over de dag komen en gaan. Een deel zal arriveren in de dagperiode, diverse activiteiten doen en ook in de dagperiode vertrekken. Een tweede groep zal deels aan het einde van de dagperiode arriveren en deels in de avondperiode. Vertrek zal dan in bijna alle gevallen in het begin van de nachtperiode aan de orde zijn, rond sluitingstijd. Op basis van de bezoekerscapaciteit van De Tuinderij, een inschatting van de bezettingsgraad van de voertuigen en de verdeling van deze voertuigen over beide parkeerplaatsen, zijn onderstaande aantallen aangehouden. Deze aantallen zijn inclusief personeel en de auto's van de rondritten vanuit De Tuinderij. Daarnaast is het rijden van de Solexen meegenomen en

33

is een aantal vrachtwagenbewegingen meegenomen voor de bevoorrading.

dag

parking 1 135

parking 2 70

solex 50

vrachtwagens 2

avond nacht

65 50

30 30

8 0

1 0

Een deel van deze vervoersbewegingen valt onder de bestaande situatie. Echter voor de helderheid is de complete inrichting van De Tuinderij met haar vervoersbewegingen berekend in verband met de luchtkwaliteitseisen. Het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal is gebaseerd op het 'weekdaggemiddelde'. Etmaalintensiteiten van een werkdag moeten worden omgerekend naar een weekdag. Er wordt voor het gemak een weekdagfactor van 1 toegepast. De totale toename van 380 auto's en 58 solexen voor de Tuinderij en 10 auto's voor de woningen genereert 896 extra voertuigbewegingen. De toename van het weekdaggemiddelde bedraagt 896. Het aandeel vrachtverkeer bedraagt 0,4507o.

Jaar van planrealisatie Extra verkeer als gevolg van het plan Extra veertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer Maximale bijdrage extra verkeer

NO2 in pg/m

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate geen nader onderzoek nodig Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit De hoeveelheid extra stikstof en fijnstof zitten ruim onder het maximum van 1,2 pg/mC. De ontwikkeling kan dus ook worden bestempeld als NIBM. Toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit kan achterwege blijven. 3.4.3

Conclusie

Het project is op het gebied van luchtkwaliteit uitvoerbaar.

3.5

Externe veiligheid

3.5.1

Wettelijk kader

Voor dit bestemmingsplan is toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en het Besluit externe veiligheid transportroutes van belang. Op grond van de regels voor externe veiligheid moeten afstanden in acht worden genomen tussen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten. In de regelgeving wordt uitgegaan van een risicobenadering - en niet het volledig uitsluiten van het risico - waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het risico kan op een afbeelding zichtbaar worden gemaakt door een (iso)risicocontour die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt. Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers

34

plaatsvindt. Het drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting, als bedoeld in de Wet milieubeheer, of bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet onderzocht - en verantwoord - worden omdat ook buiten de genoemde risicocontour van het plaatsgebonden risico nog letale effecten kunnen optreden in het invloedgebied van de risicovolle activiteit en groepen personen slachtoffer kunnen worden van een calamiteit. 3.5.2

Onderzoek

Risicovolle inrichtingen

Uit de risicokaart van de provincie Zuid-Holland blijkt dat het plangebied niet is gesitueerd in de omgeving van een Bevi-bedrijf, zie onderstaande.

Uitsnede risicokaart externe veiligheid (bron: risicokaart.nl) Buisleidingen

Eerst is bekeken of de nieuwe woningen een kwetsbare objecten zijn. Kwetsbare objecten zijn onder meer woningen, ziekenhuizen, zorginstellingen, onderwijsinstellingen, omvangrijke kantoorgebouwen, recreatieterreinen en andere gebouwen waar grote aantallen personen een groot deel van de dag aanwezig zijn. Via een wijziging in het Bevi (Besluit van 9-9- 2008, Stb. 2008, nr. 380) worden ook woonschepen en woonwagens tot kwetsbare objecten gerekend. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer verspreid liggende woningen, kleinere kantoren, hotels en restaurants, sporthallen, overige bedrijfsgebouwen. Op basis van het Bevi wordt onder verspreid liggende woningen verstaan: een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Ook lintbebouwing, voor zover deze loodrecht of nagenoeg loodrecht is gelegen op de contouren van het PR van een buisleiding, wordt aangeduid als een beperkt kwetsbaar object. De 6 woningen zijn kwetsbare objecten als benoemd in de wetgeving op het gebied van externe veiligheid. In de omgeving van de ontwikkellocatie is sprake van een hogedruk aardgasbuisleiding. Aangezien de beoogde ontwikkellocatie zich binnen het invloedsgebied van deze buisleiding bevindt moet er conform het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) inzicht worden gegeven in de externe veiligheidsrisico's.

Daarom is er door Peutz op 7 maart 2019 een 'Kwantitatieve risicoanalyse (QRA) hogedruk aardgasbuisleiding' gemaakt. De rapportage is als aparte bijlage toegevoegd aan deze toelichting. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: * Voor de beschouwde risicobronnen geldt dat er voor de beoogde ontwikkeling wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar. * Uit de QRA voor de hogedruk aardgasbuisleiding volgt dat de oriëntatiewaarde zowel in de huidige als in de toekomstige situatie niet wordt overschreden. Ook neemt het groepsrisico ten gevolge van de beoogde ontwikkeling niet toe.

35

Doordat door de beoogde ontwikkeling geen verhoogd risico optreedt, is conform artikel 12, derde lid onder b verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk. Derhalve vormt het aspect externe veiligheid in de nabijheid van buisleidingen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Vervoer van gevaarlijke stoffen

Het plangebied ligt buiten de 200 m-zone vanaf rijkswegen en spoorwegen in het kader van de basisnetroute voor gevaarlijke stoffen. Hierdoor is er geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen. 3.5.3

Conclusie

Het project is op het gebied van externe veiligheid uitvoerbaar.

3.6 Water 3.6.1

Wettelijk kader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: * Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); * Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); * Waterwet. Provinciaal: * * *

Provinciaal Waterplan; Provinciale Structuurvisie; Verordening Ruimte.

Nationaal beleid Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering. Nationaal Waterplan

Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: * Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; * Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; * Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; * Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; « Nederlanders leven waterbewust.

36

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie sluit aan op de uitgangspunten van het Nationaal Waterplan en vult deze op onderdelen aan. Uitgangspunten zijn het verbeteren van de waterkwaliteit, het voorkomen van wateroverlast, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. Provinciaal beleid Het provinciaal waterbeleid voor de periode 2016-2021 bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) 2016 - 2021 en onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015. In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zijn de ruimtelijke componenten opgenomen van het waterbeleid. Hoofdstuk 4 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid: *

* * «

de ambitie om een duurzaam, concurrerende en leefbare Europese topregio te zijn. De Provincie bevordert de transitie naar een water -en energie efficiënte samenleving. Daar spelen het verbeteren van toekomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde een belangrijke rol; aan het watersysteem worden grote uitdaging gesteld door verzilting, klimaatverandering, inklinking, veranderd ruimtegebruik en de daarbij passende veranderingen van het watersysteem; het beter benutten van de kansen en natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de ondergrond is tevens een speerpunt van het provinciaal waterbeleid; tenslotte door een verandering naar een duurzame voorziening in de energiebehoefte kan worden ingezet op een energie-efficiënte samenleving.

De doelen, maatregelen en afspraken voor de kwaliteit van het water van grond- en oppervlakte water zijn opgenomen het Stroomgebied beheerplan Rijn-West 201-2015 (SGB-1). Voor opvolgende periode 2016-2021 is het SGB-2 op 22 december 2014 gereedgekomen. De invulling van de verantwoordelijkheid in dit SGB-2 is vastgelegd in de KRW 2016-2021. Het Waterplan Zuid-Holland 2015 was van kracht tot 22 december 2015. Op grond van artikel 48 Waterwet moet het plan om de zes jaar door de Provinciale Staten worden herzien. Het is niet noodzakelijk om een nieuw plan vast te stellen. Voldaan kan worden met het nemen van een planherzieningsbesluit. Dit besluit is genomen op 29 juni 2016 en bekend gemaakt op 8 juli 2016. De onderdelen 'Waarborgen waterveiligheid (hoofdstuk 4)' en 'Realiseren mooi en schoon water (hoofdstuk 5)' en 'operationeel grondwaterbeleid (bijlage 7)' van het Waterplan 2015 blijven van kracht. De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (Visie Ruimte en Mobiliteit), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (Verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (Uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn bijvoorbeeld regels opgenomen met betrekking tot regionale keringen in bestemmingsplannen.

Daarnaast is de Waterverordening Zuid-Holland van belang. Daarin zijn onder meer veiligheidsnormeringen voor regionale keringen en waterkwantiteitsnormen opgenomen. De waterkwantiteitsnormen geven aan, waar de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit op ingericht moeten zijn. Deze normen definiëren de gemiddelde overstromingskans vanuit het oppervlaktewater per jaar van daarbij aan te wijzen gebieden. Het beschermingsniveau verschilt per vorm van landgebruik en is gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij overstromingen. De waterkwaliteitsnormen zijn gerelateerd aan het landgebruik en daarmee bepalend voor de mogelijkheden, die het bestemmingsplan biedt. De provincie heeft samen met de gemeente Den Haag en Westland een Visie Vaartenland opgesteld, een visie op hoe de vaartenstructuur in Westland en Den Haag recreatief/toeristisch en economisch elkaar kan versterken. Het project Westlandse Waterlijnen heeft de provincie in samenwerking met heel veel stakeholders uit het gebied ten westen van het Rijn-Schiekanaal opgesteld (Westland, Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis). Dit heeft een wensenlijst met een soort top 5 opgeleverd, met betrekking tot versterking van de vaarrecreatie en economische spin-off, waar burgers, verenigingen en ondernemers hun zinnen op hebben gezet.

Verder is in de Visie Ruimte en Mobiliteit aangegeven dat de juridische borging en versterking van het vaarnetwerk overgedragen is aan

37

de gemeenten die hierop hun lokale beleid en bestemmingsplannen moeten aanpassen. Waterschapsbeleid Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap'. In dit Waterbeheerplan 5 (WBP 5) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitge-zette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kernta-ken vanzelfsprekend voorop: * de waterveiligheid; * het waterbeheer; » de waterkwaliteit; « het zuiveren van afvalwater. Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Delfland voert zijn kerntaken uit ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leef-omgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheerge-bied. Het is een uitdaging om bij de uitvoering van die taken aan te sluiten bij de beleving en de behoeften van de maatschappij. Waterbewustzijn vormt de onmisbare schakel voor draagvlak.

Delfland wil dat mensen zich in de komende planperiode bewust worden van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van Delfland in de komende planperiode. De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap: 1.

2.

3.

4.

In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden. De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. Delfland werkt bij het bestendigen van het beheer van de infrastructuur toe naar de levenscyclusbenadering; Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afval-watersysteem. Dit betekent de kans op natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer vast te houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voor de multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeteren en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen tot zoetwaterfabrieken. Bij elk project, proces en activiteit worden de innovatieve mogelijkheden en de meest duurzame wijze van uitvoering meegenomen in de afwegingen; Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven. De samenwerking in het waterbeheer is pluriform van karakter. Het waterschap speelt hierop in door goed omgevingsmanagement en door op basis van transparantie en vertrouwen de samenwerking te zoeken en structureel te onderhouden.

Delfland wil het waterbewustzijn bevorderen door samenwerking met belanghebbenden en delen van verantwoordelijkheden; Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Duidelijke kaders worden neergezet, zoals financieel gezond en bijdragen aan toekomstbestendig waterbeheer, maar dogma's zijn er niet. Dit betekent dat er in de werk- en beleidsprocessen van de ambtelijke organi-satie en bij bestuurlijke besluitvorming binnen de wettelijke mogelijkheden voldoende ruimte moet zijn om maatwerk te leveren. Innovatie fungeert daarbij als aanjager om te blijven vernieuwen, mee te bewegen met veranderingen en te voorkomen dat het waterschap statisch wordt.

In 2007 (herzien in oktober 2018) is een Handreiking Watertoets, ruimte voor water in ruimtelijke plannen opgesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland stelt voorwaarden aan de inhoud van de watertoets (waterparagraaf) als verplicht onderdeel van de onderbouwing van ruimtelijke plannen. De watertoets berust op twee uitgangspunten:

38

«

*

Standstill-beginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; Het is belangrijk om water al bij de locatiekeuze en het ontwerp van ruimtelijke ontwikkelingen als ordenend principe te gebruiken. Dat voorkomt het ontstaan van knelpunten achteraf, zoals (grond)wateroverlast of slechte waterkwaliteit; Verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Het gaat daarbij ook om de relatie tussen de verschillende waterthema's (droogte en wateroverlast, afvalwater, waterkwaliteit en ecologie, waterkeringen). Waterknelpunten en/of problemen met waterkeringen worden niet afgewenteld op de omgeving of verschoven naar de toekomst

De toelichting van bestemmingsplannen dient een beschrijving te bevatten van de volledige watersituatie binnen het plangebied, alsmede de te verwachten ontwikkelingen. Deze beschrijving dient in te gaan op de volgende aspecten: * Beleidskader omtrent water; * Veiligheid en waterkeringen; * Waterkwantiteit; « Grondwater en voorkomen van (zoet) water te kort; * Onderhoud en bagger; * Watersysteemkwaliteit en ecologie; * Afvalwater en riolering; * Klimaatadaptie. Gemeentelijk beleid Het Waterplan Westland , met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: ’’Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie", worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd.

Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd.

39

WATERPLAN WESTLAND WESTLAND WATER, NU EN LATER

*\ĶJİ

ŗVŭfP

.X

3'februari 2 ,

3.6.2

Onderzoek

Veiligheid en waterkeringen

Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. In de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland zijn de ligging en de minimale afmetingen van de waterkeringen vastgelegd. Rondom de keringen is een keurzone vastgesteld. Deze bestaat uit het waterstaatswerk (de daadwerkelijke kering) en een beschermingszone. Binnen het waterstaatswerk en de beschermingszone zijn op basis van de Keur Delfland beperkingen gesteld aan activiteiten die het waterkerend vermogen van de kering nu en in de toekomst kunnen aantasten. Aan de zuidzijde is het water de Zijde gelegen. Dit is een regionale waterkering van het Hoogheemraadschap van Delfland. Bij de waterkering dient rekening te worden gehouden met een zone waarin niet gebouwd mag worden, het zogenaamde waterstaatswerk. Volgens de legger van het Hoogheemraadschap is het waterstaatwerk circa 12 meter breed gemeten vanaf de waterlijn.

40

\ m \

Figuur: Legger regionale waterkeringen, in het bruin het waterstaatwerk aangegeven (bron: Hoogheemraadschap van Delfland). De waterkering is opgenomen in het nu vigerende bestemmingsplan en zal worden overgenomen in dit bestemmingsplan met dezelfde beschermingszone. In de planregels is aangegeven dat er - indien er gebouwd gaat worden - geen belemmeringen mogen ontstaan voor het onderhoud, de veiligheid of de mogelijkheden voor versterking van de waterkering. Dit is ter beoordeling van het Hoogheemraadschap van Delfland. Naast een omgevingsvergunning is er eveneens een watervergunning benodigd. Waterkwantiteit

De verharding neemt door de bestemmingsplanwijziging af. Voor de verschillende percelen is in kaart gebracht wat de bestaande en nieuwe verharding is, zie onderstaande tabel. De Tuinderij is ondergebracht in een bestaande kas die in 2010 is verbouwd. Daarbij is een deel van de kas gesloopt en een parkeerterrein nieuw gerealiseerd. Het parkeerterrein is opgebouwd uit 200mm repak en 20mm vuursteen. Op het perceel waar het andere parkeerterrein en recreatieveld worden gerealiseerd stond tot 1997 een kas met bedrijfsruimte. Alleen de bedrijfsruimte is blijven staan. Het nieuw aangelegde parkeerterrein is opgebouwd uit 200mm repak en 20mm vuursteen. Het perceel waar de nieuwe woningen worden gerealiseerd was tot eind 2018 bebouwd met een glastuinbouwbedrijf. De kas met bedrijfsruimte is inmiddels gesloopt.

41

«o ^

PI 10

Zijde Bliek

îjďe Bliek

Figuur: Afb eeldingen plangebied jaartal 1997, 2010 en 2018 (bron: Kadaster, Topotijdreis.nl).

Omschrijving Perceel De Tuinderij Bebouwing Tuinderij Verharding parkeren (503t open) Tuinderij Verharding weg Perceel parkeren en recreatieveld Kas met bedrijfsruimte Verharding parkeren (503t open) Verharding weg Perceel nieuwe woningen Kas en bedrijfsruimte Woningen Verharding weg en parkeren TOTAAL

Bestaand (ms)

Nieuw (mî)

8.810 (2010) 0 (2010)

7.274 700 (503'd van 1.400)

136

136

7.500 (1997) 0 602

160 1.785 (503b van 3.570) 602

7.031 (2018) 0 191 (2018) 24.270

0 3.000 1.286 14.943

Voor het totale project geldt dat de bebouwing en verharding die mogelijk wordt gemaakt door het nieuwe bestemmingsplan wordt gereduceerd ten opzichte van het huidige bestemmingsplan, waardoor er geen verslechtering van de waterkwantiteit plaatsvindt. Zelfs als de kas van 7.500 m2 die tot 1997 aanwezig was, van het totaal wordt afgetrokken vindt nog steeds reductie plaats. Voorkomen van wateroverlast Volgens de provinciale verordening is het beschermingsniveau tegen wateroverlast voor wonen eens in de 100 jaar, voor bedrijfsterreinen eens in de 50 jaar en voor agrarisch, eens in de 10 jaar. Bij kleinschalige bestemmingswijzigingen wordt het watersysteem echter niet aangepast. Daarom wordt nadrukkelijk geadviseerd om, zover mogelijk, de praktijksituatie hierop aan te passen. Dit kan bijvoorbeeld door het maaiveld ter plekke van de woning voldoende op te hogen. Meer informatie hierover is te vinden in de Handreiking watertoets voor gemeenten, de meest actuele versie van deze handreiking is te vinden op de website www.hhdelfland.nl/overheid/ruimtelijke-plannen.

42

'Sse“"~

Watersysteemkwaliteit en ecologie

In het kader van de herstructurering wordt er gestreefd naar het zoveel mogelijk benutten van kansen en voor het verbeteren van de watersysteemkwaliteit en de ecologie. Ten aanzien van de KRW maatregelen moet er rekening worden gehouden met de afspraken uit de Bestuursovereenkomst KRW Delfland en de afspraken die op dit moment gemaakt worden voor het Stroomgebiedbeheersplan 2015-2021. Het boezemsysteem van Delfland maakt onderdeel uit van de KRW waterlichamen. Delfland en gemeenten zijn in de KRW Delfland overeengekomen om de toestand van de waterlichamen te verbeteren. Onderdeel van deze overeenkomst is dat daar waar langs waterlichamen ruimtelijke mogelijkheden zijn om invulling te geven aan de KRW-opgave, deze worden benut, en dat bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt onderzocht of een deel van de ruimtelijke KRW-opgave hieraan kan worden gekoppeld. In het Waterplan Westland is aangegeven dat als er ruimte is, er een natuurvriendelijke oever moet worden aangelegd. En als er geen ruimte is maar wel dynamiek, kansen worden benut. Daarnaast mogen ruimtelijke ontwikkelingen niet leiden tot een verslechtering van de ecologische en chemische toestand van deze waterlichamen. Omzetten van glastuinbouw naar wonen is meestal sprake van minder uitstoot van nutriënten, waardoor de waterkwaliteit mogelijk verbeterd. In het plangebied liggen geen (natte) ecologische verbindingszones.

De aanwezigheid van de bestaande bebouwing en de nieuwe woningen hebben geen noemenswaardige invloed op de kwaliteit van het oppervlaktewater. Onderhoud

Delfland is verantwoordelijk voor het onderhoud van het primaire watersysteem en de waterkeringen. Het plangebied ligt in de polder met daarbij een kleine secundaire poldersloot. De beleidsregel 'Dempen en graven' gaat bij deze watergangen uit van rijdend onderhoud aan één zijde van de watergang. De onderhoudsstrook aan die zijde moet minimaal 4,0 m breed en 3,5 m hoog zijn. De zuidzijde van het plangebied grenst aan primair boezemwater. Deze wordt varend onderhouden, waardoor de onderhoudsstrook 1,0 m breed en 2,0 m hoog is. Met deze onderhoudsstroken moet rekening worden gehouden worden. Deze onderhoudsstroken kunnen niet bebouwd worden. Bodem en grondwater

In dit project wordt vooralsnog niet ondergronds gebouwd. Er zullen dan ook geen gevolgen voor de grondwaterstroming optreden. Nu de woningen vlakbij het boezemwater liggen, moet het vloerpeil idealiter 1,2m boven het boezempeil van NAP -0,43 m worden aangelegd. Geadviseerd wordt om minimaal 1,0 m aan te houden. Afvalwater en riolering

Het afvalwater van de Tuinderij en de nieuwe woningen wordt geloosd via de aanwezige riolering. Het hemelwater wordt geloosd op het oppervlaktewater. Voor de afvoer van het hemelwater zijn creatieve en efficiënte maatregelen mogelijk, zoals het ophogen van gronden, een hoger bouwpeil van woningen, open verharding ter plekke van parkeerplaatsen of water vasthouden op particulier terrein, bijvoorbeeld door middel van de aanleg van wadi's, (slimme)regenton, groene daken, het afkoppelen van hemelwaterafvoer, en dergelijke.

43

3.6.3

Conclusie

De waterkering is opgenomen in het nu vigerende bestemmingsplan en zal worden overgenomen in dit bestemmingsplan met dezelfde beschermingszone. Er gelden vanuit het aspect water geen belemmeringen voor het voorliggende bestemmingsplan

3.7

Bodem

3.7.1

Wettelijk kader

Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijke leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (hierna: Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging en de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wbb regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. b. c.

Het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; Het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; Het wegnemen van actuele risico's.

Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak.

3.7.2

Situatie plangebied

Het plangebied is momenteel in gebruik als woning, parkeerterrein en glastuinbouw. Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn glastuinbouwbedrijven gevestigd. Ter plaatse van de Van Wijklaan 2 zijn twee bovengrondse opslagtanks aanwezig. Het plangebied is niet gelegen in een milieubeschermingsgebied voor grondwater. Het plangebied bevindt zich binnen bodemfunctie klasse Overig (kassengebied). De bodem van het plangebied is op basis van de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Westland schoon (klasse AW2000). Binnen het plangebied zijn diverse onderzoeken uitgevoerd, maar het plangebied is niet volledige onderzocht. Ter plaatse van een deel van het plangebied (perceel I 707) is in 2015 bodemonderzoek (Ingenieursbureau Mol, met kenmerk A0435, versie 2 van 19 juni 2015) uitgevoerd. Dit onderzoek is op 2 mei 2019 als voldoende beoordeeld, onder kenmerk ODH-2019-00054827. Er is echter onvoldoende inzicht in de bodemkwaliteit ter plaatse van dit deelgebied. Doordat de locatie verdacht is op asbest, is er asbestonderzoek noodzakelijk. Voor die delen van het plangebied waar herinrichting en/of nieuwbouw plaatsvindt en waar nog geen onderzoek en/of sanering heeft plaatsgevonden, zal bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd en eventueel gesaneerd moeten worden.

Naast het feit dat nog niet overal binnen het plangebied bodemonderzoek heeft plaatsgevonden, zijn er ook locaties waar het uitgevoerde bodemonderzoek sterk verouderd is (ouder dan vijf jaar). Indien voor deze locaties bouwplannen/herinrichtingsplannen zijn, zullen de bodemonderzoeken geactualiseerd moeten worden.

44

3.8

Ecologie

3.8.1

Wettelijk kader

Natuurnetwerk Nederland Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied. Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking.

De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes: « * *

Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn; Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd.

Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1,3.5 en 3.10. van de Wnb.

45

B

Verbod sbepaìing

Vogels Vd

Dienen HrU Planlen Hrl/

Dieren

Planten

Dieren of planten: Doden of vangen

\

Sloren/verstoren

3.1, t

35 1

3.1.4 tienaj

3 52

3.10.1.a

3-1JB) Plukken, verzamelen, ofsmioen. onimneien

3 5.5

3.10 1 c

ûl vemieien Onder jjţīi beii ben of vervoeren Plaatsen: Vermeien, beschadigen of wegnemen nesten

312

Beschadigen of vermelen

3.10 i b

v«flpLanl ihţjĚpiaatićn

(vaste vpj

Beschadigen of vermelen rustplaatsen

3 12

3 10.1 b ívasie rpt

Eieren; Vernielen (of-Vrt- beschadigen) ------------------------------------j----------------------

312

3.5.3

Rapen JJJ ,

Onder ach hebben

....................................................................

Toelichting:

Codes VBfwįpen naar wetsariftefen Wel natuurbescherming ■ !:rjn|e

verbodsbepaling geld' alleen wanneer sprake ís van opzei verbodsbepaling geld) maite gevallen, ook wanneer geen sprake is

Tsbet verbodsbepalingen soortenbescherming onder de įįįiį

Vrijstellingen In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet m eegenomen in deze toets ing. Zorgplicht De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten: 1. 2. 3.

Achterwege gelaten worden, of Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt

Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden. 3.8.2

Onderzoek

Op 5 februari 2019 is er een ecologisch onderzoek gedaan in het plangebied. Op 7 februari 2019 is de rapportage opgesteld. Het gehele rapport is als afzonderlijk bijlage bij de toelichting opgenomen. In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet

46

natuurbescherming voor. De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Het is niet aannemelijk dat het aanwezige kunstmatige ooievaarsnest in gebruik is genomen door een ooievaar. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. De werkzaamheden leiden niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, andere soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrij stellingsbesluit). 3.8.3

Conclusie

Het project is op het gebied van Flora en Fauna uitvoerbaar. Wel wordt geadviseerd de nieuw op te richten woningen natuurinclusief te bouwen. De woningen liggen in de buurt van een weidevogel gebied.

3.9

Cultuurhistorische aspecten

3.9.1

Wettelijk kader

Als gevolg van het Verdrag van Valetta, dat in 1998 door het Nederlandse parlement is goedgekeurd en in 2006 zijn beslag heeft gekregen in de gewijzigde Monumentenwet 1988, stellen Rijk en Provincie zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het Rijk heeft deze beleidsuitgangspunten neergelegd in onder meer de Cultuurnota 2005 - 2008, de Nota Belvedère, de Nota Ruimte en het Structuurschema Groene Ruimte 2. De provincie Zuid-Holland hanteert het uitgangspunt dat op terreinen die voorkomen op de Archeologische Monumentenkaart Zuid-Holland en in gebieden die op de kaart archeologische waarden van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS-kaart) ten minste een redelijke tot grote kans op archeologische sporen hebben, archeologisch vooronderzoek in het kader van de planvoorbereiding dient plaats te vinden.

Voor zover er onzekerheid bestaat over de precieze aanwezigheid van archeologische waarden, dient in het bestemmingsplan voor het bouwrijp maken een omgevingsvergunningplicht te worden gehanteerd. Het verlenen van een omgevingsvergunning wordt daarbij afhankelijk gesteld van de uitkomsten van nader archeologisch onderzoek en de belangenafweging op grond daarvan. Doelstelling van het Verdrag van Valetta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. 3.9.2

Onderzoek

Op basis van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) van de provincie Zuid-Holland zijn in het plangebied (aangegeven met een rode pijl in figuur 3.9.2.1) historische waarden aanwezig. Er is een redelijk tot hoge trefkans op archeologische sporen.

47

Figuur: Uitsnede cultuurhistorische kaart Provincie Zuid-Holland (bron: provincie Zuid-Holland). Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Westland ligt het plangebied in verwachtingszone III. Hier geldt dat er archeologisch onderzoek gedaan moet worden indien er bouwwerken worden gebouwd die een oppervlakte van meer dan 500 m2 hebben en een diepte van meer dan 50 cm beneden maaiveld. In geval van bodem verstorende werkzaamheden moet archeologisch onderzoek uitwijzen of er archeologische waarden worden verstoord.

Figuur: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Westland (bron: gemeente Westland) In het bestemmingsplan wordt ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 2' aangegeven. Hier geldt dat er archeologisch onderzoek gedaan moet worden indien er bouwwerken worden gebouwd die een oppervlakte van meer dan 500 m2 hebben en een diepte van meer dan 50 cm beneden maaiveld. Indien een omgevingsvergunning in een later stadium is benodigd, zal er een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. 3.9.3

Conclusie

Het aspect archeologie is in het bestemmingsplan verankerd door de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 4'. Het initiatief is op het gebied van cultuurhistorie uitvoerbaar.

48

3.10 Parkeren en verkeer 3.10.1

Wettelijk kader

In de planregels van het bestemmingsplan is een 'voorwaardelijke verplichting Parkeren' opgenomen. Op basis van die regel is het gebruik van gronden en bouwwerken, zoals dat in het desbetreffende bestemmingsplan is toegestaan, alleen toegestaan als wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. De behoefte aan parkeervoorzieningen komt voort uit het gebruik van gronden en opstallen. Het is daarmee een 'gebruiksregeling' en niet een bouwbepaling. De voorwaardelijke verplichting houdt dus in dat niet alleen getoetst wordt op het moment dat een omgevingsvergunning wordt verleend, maar dat daarna ook voorzien moet worden in de juiste instandhouding van de parkeergelegenheid. Voor de vraag wat onder 'voldoende parkeergelegenheid' wordt verstaan, wordt in het bestemmingsplan verwezen naar de beleidsregel 'Parkeernormering gemeente Westland'. Op die manier kunnen de parkeernormen zo nodig tussentijds geactualiseerd worden, zonder dat alle bestemmingsplannen aangepast hoeven te worden. In de bestemmingsplanregeling is hier rekening mee gehouden door een zogenoemde 'dynamische verwijzing' op te nemen. Er wordt verwezen naar de beleidsregel 'Parkeernormering gemeente Westland' of - indien deze beleidsregel gedurende de planperiode wordt gewijzigd - aan die wijziging.

Er zijn echter situaties mogelijk waarbij de praktijk afwijkt van de vastgestelde parkeernormen en aanwezigheidspercentages. Ook kan het voorkomen dat het niet mogelijk is de volledige parkeerbehoefte op eigen terrein te realiseren. In dat geval kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van de eis om voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein te realiseren. Indien kan worden aangetoond dat de van toepassing zijnde norm(en) en/of aanwezigheidspercentage(s) te hoog of te laag zijn, kan van de normen worden afgeweken. 3.10.2

Onderzoek

Ontsluiting

De woningen en De Tuinderij, worden ontsloten door een inrit aan de Van Wijklaan. Binnen het plangebied is een ontsluitingsweg aangelegd naar de 4 nieuwe woningen. Het plangebied is bereikbaar via het Westland en het Midden-Delfland over de doodlopende Van Wijklaan die: * *

aansluit op de Dorppolderweg, welke via de Laan van Koop en Zijtwende aansluit op de rotonde van de Burgemeester Van Doornlaan ten oosten van de woonkern van De Lier (Westland) of aansluit op de Dorppolderweg, welke via de Rijksstraatweg (N468) lopend langs Schipluiden aansluit op de A4 of langs de andere zijde van de Rijksstraatweg (N468) via Maasland naar de A20.

Daarnaast is er langs het perceel een doorgaande fietsroute (Hodenpijlsepad) gelegen richting De Lier Z Den Hoorn en Schipluiden. Nieuwe woningen

Per woning moeten er 2,5 parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Van die 2,5 parkeerplaatsen moet minimaal 0,5 parkeerplaats per woning openbaar toegankelijk zijn. Dit betreffen parkeerplaatsen die door hun openbare karakter gebruikt kunnen worden door bezoekers. Voor 4 woningen moeten er dus 2 openbare parkeerplaatsen gerealiseerd worden. De Tuinderij

De Tuinderij is een recreatieve locatie, waar unieke activiteiten worden aangeboden. Het perceel is gelegen in het buitengebied van de kern De Lier. Voor het bepalen van het aantal parkeerplaatsen kan gekeken worden naar de 'Parkeernormering gemeente Westland'. Echter zijn de normen die hierin genoemd worden niet representatief voor de situatie van De Tuinderij. Daarom is gekeken naar de

49

ervaringsgetallen die zijn opgedaan de afgelopen jaren. Er zijn diverse zalen ingericht waarin de groepen worden ontvangen en er eventueel gelegenheid is tot een hapje en een drankje. Vanuit de zalen verplaatsen de groepen zich naar diverse ruimten in De Tuinderij of buiten om te recreëren. Maatgevend voor het maximaal aantal bezoekers zijn de zalen waarin de groepen worden ontvangen. Daarom is er gekeken naar het aantal zalen en de maximale capaciteit. Het betreft de onderstaande ruimten: « 'De Tuinderij': 470 m2, 265 personen * 'Venlokas': 191 m2, 80 personen * 'De Eenruiter': 74,5 m2, 45 personen * 'Platglas: 62 m2, 45 personen * 'Tussenruimte Platglas - De Eenruiter: 25 m2, 5 personen * 'Breedkapper': 62 m2, 45 personen * 'Kassie': 25 m2, 10 personen » 'Kleine huiskamer': 9 m2, 5 personen Totaal kunnen er maximaal circa 500 bezoekers aanwezig zijn in de diverse zalen. Hierbij zijn dus niet de recreatieruimten meegenomen, omdat degene die gebruik maken van de zalen ook gebruik kunnen maken van de recreatieruimten. Er wordt vanuit gegaan dat de zalen 1000Zo bezet kunnen zijn. Gemiddeld zal één auto bezet zijn met 3 personen. Dat betekent: 500 gedeeld door 3 personen = maximaal 167 auto's oftewel parkeerplaatsen. In de Tuinderij werken er maximaal 25 personeelsleden tegelijkertijd. Niet elk personeelslid komt met de auto.

Daarom wordt uitgegaan van 23 parkeerplaatsen voor het personeel. Voor de gehele De Tuinderij dienen er 190 parkeerplaatsen aanwezig te zijn. Direct bij de ingang van De Tuinderij zijn 52 parkeerplaatsen en een fietsenstalling aanwezig. Op het perceel ten westen van De Tuinderij worden 138 parkeerplaatsen gerealiseerd. Door voldoende parkeerplaatsen in de directe omgeving van De Tuinderij te maken is een verkeersveilige situatie te waarborgen. Naast de parkeerplaatsen voor auto's is tevens een fietsenstalling gerealiseerd geschikt voor minimaal 20 fietsen.

■ ■w "F*?

Figuur: Situatie plangebied 3.10.3

Conclusie

Het project is op het gebied van parkeren en verkeer uitvoerbaar.

50

3.11 Mer-beoordeling 3.11.1

Wet- en regelgeving

Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m .e.r.-(beoordelings )plichtig. Uit deze toets kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings) -plichtig in het andere geval dient een M.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de Europese richtlijn milieu-effectbeoordeling (kenmerk en plaats van het project, kenmerk van potentieel effect). 3.11.2

Onderzoek

Gelet op de kenmerken van deze ontwikkelingen, de plaats en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen significante negatieve milieugevolgen optreden. Voor het project is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r. 3.11.3

Conclusie

Er gelden vanuit het aspect Mer-beoordeling geen belemmeringen voor het voorliggende bestemmingsplan.

3.12 Duurzaamheidsladder Nationaal belang 13, zoals geformuleerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de Ladder duurzame verstedelijking worden onderbouwd. De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Doorwerking plangebied

De onderhavige ontwikkeling betreft voornamelijk de realisatie van 4 woningen en omzetting van de bestemming en toevoeging van functieaanduidingen. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. De woningen worden in het buitengebied gerealiseerd. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is (bron: Kenniscentrum InfoMil). Gelet op het aantal woningen dat het plan mogelijk maakt en het plan niet voorziet in een woningbouwlocatie of andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i Bro is artikel 3.1.6, tweede lid, Bro niet van toepassing. De ontwikkeling is als relatief kleinschalig aan te merken; geen van de onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is van directe invloed op de ontwikkeling.

51

Hoofdstuk 4 4.1 4.1.1

Juridische planbeschrijving

Planvorm Wettelijk voorgeschreven standaardisering

De planregels en de planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen als gepubliceerd door het ministerie van VROM (SVBP 2008) en als wettelijk voorgeschreven in de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 (Staatscourant 2008, nr. 377, van 30 oktober 2008). Daarnaast zijn in de planregels de standaardregels opgenomen als geboden in artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. In een apart artikel zijn de bijzondere gebruiksverboden opgenomen voor alle bestemmingen, welke verboden aansluiten op het wettelijk verbod als neergelegd in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening. Voor uitleg van die planregels wordt verwezen naar de toelichting op het Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008, in samenhang met de jurisprudentie over die uitleg. Voorts is de "Werkafspraak terminologie Wabo in Standaard voor Vergelijkbare bestemmingsplannen" van september 2010 verwerkt. Die werkafspraak in het kader van de ministeriële regeling is gemaakt met het oog op de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=047355fe-3d50-421b-bddc-6dedc134ff3a