bestemmingsplan gewijzigde vaststelling Van Buerenlaan 31-33 te Kwintsheul (21-0302883)
Tekst van het document
Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met het oog op de Modernisering Omgevingsveiligheidsbeleid van het Rijk wordt het accent verlegd van de risicobenadering naar een effectbenadering. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet zijn in dat verband de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations (Stcrt. 2016, 31453) en de Circulaire externe veiligheid LNG-tankstations (Stb. 2015, 3125) gepubliceerd en in werking getreden. Risicovolle inrichtingen
In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn milieukwaliteitseisen geformuleerd ter bescherming van de mens tegen de kans om te overlijden als gevolg van het vrijkomen of ontstaan van
30
gevaarlijke stoffen bij een ongeval in een bedrijf of ander risicovol object. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour gerealiseerd worden. Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR. De aan te houden veiligheidsafstanden zijn voor nader beschreven situaties vastgelegd in de Regeling externe veiligheid inrichtingen. Voor overige gevallen dient de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour te worden berekend. Tot risicovolle inrichtingen behoren ook mijnbouwinrichtingen en inrichtingen voor de opslag van explosieven. In de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations wordt onderscheid gemaakt tussen (beperkt) kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten. De effectafstanden zijn respectievelijk 60 m en 160 m, gerekend vanaf het LPG-vulpunt. Tot de zeer kwetsbare objecten behoren verblijfsfuncties voor mensen die beperkt zelfredzaam zijn zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven. De circulaire is niet van toepassing op het vaststellen van een conserverend bestemmingsplan.
De circulaire geldt evenmin voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten die al binnen de betreffende contouren aanwezig zijn. De effectafstanden voor LNG-tankstations zijn afhankelijk van de aanwezige veiligheidsvoorzieningen. De systematiek is vergelijkbaar met die voor LPG-tankstations. Uit de risicokaart van de Provincie Zuid-Holland blijkt dat er in de directe nabijheid van het plangebied geen risicobronnen zijn gelegen waarmee rekening hoeft te worden gehouden. Schaatsbaan en evenementencentrum 'De Uithof, in het zuiden van Den Haag, ligt op ruim twee kilometer van de projectlocatie en vormt vanwege die afstand geen factor om in het kader van externe veiligheid rekening mee te houden. Vervoer gevaarlijke stoffen
Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute. Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. In regio Haaglanden zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens tussen Leidschendam-Voorburg en Zoeterwoude (wegvakken Z8 en Z7), en de A13, tussen knooppunt Ypenburg en Deft-Zuid (wegvakken Z29 en Z113), basisnetafstanden vastgelegd. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd.
Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling. Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale). Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 m van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord. Ten
31
aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10Zo toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. In de toelichting moet worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid). Deze verplichting geldt ongeacht of het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van de betreffende transportroutes. Op het vraagstuk zelfredzaamheid moet worden ingegaan wanneer (beperkt) kwetsbare bestemmingen binnen het invloedsgebied van een dergelijke weg zijn geprojecteerd. Er zijn in de omgeving van het plangebied geen routes voor gevaarlijke stoffen aanwezig. Buisleidingen
Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten. De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan kan worden met een beperkte verantwoording: 1. 2.
Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100Zo letaliteitszone en de 10Zo letaliteitszone van de buisleiding, of Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10Z toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.
Er zijn geen leidingen in de buurt van het plangebied. 3.4.3
Conclusie
Uit het voorgaande blijkt dat er met betrekking tot de externe veiligheid voor de planontwikkeling geen belemmeringen bestaan.
3.5
Water
3.5.1
Wettelijk kader
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW).
32
Nationaal: * Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); * Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); * Waterwet. « Nationaal waterplan Provinciaal: * Provinciaal Waterplan; * Visie Ruimte en Mobiliteit; « Verordening Ruimte en de waterverordening Zuid-Holland. Nationaal beleid
Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering. Nationaal Waterplan
Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: * * * * *
Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie sluit aan op de uitgangspunten van het Nationaal Waterplan en vult deze op onderdelen aan. Uitgangspunten zijn het verbeteren van de waterkwaliteit, het voorkomen van wateroverlast, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. Provinciaal beleid
Het provinciaal waterbeleid voor de periode 2016-2021 bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) 2016 - 2021 en onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015. In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zijn de ruimtelijke componenten opgenomen van het waterbeleid. Hoofdstuk 4 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid: * de ambitie om een duurzaam, concurrerende en leefbare Europese topregio te zijn. De Provincie bevordert de transitie naar een water -en energie efficiënte samenleving. Daar spelen het verbeteren van toekomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde een belangrijke rol; * aan het watersysteem worden grote uitdaging gesteld door verzilting, klimaatverandering, inklinking, veranderd ruimtegebruik en de daarbij passende veranderingen van het watersysteem; * het beter benutten van de kansen en natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de ondergrond is tevens een speerpunt van het provinciaal waterbeleid; * tenslotte door een verandering naar een duurzame voorziening in de energiebehoefte kan worden ingezet op een energie-efficiënte samenleving. De doelen, maatregelen en afspraken voor de kwaliteit van het water van grond- en oppervlakte water zijn opgenomen het Stroomgebied beheerplan Rijn-West 201-2015 (SGB-1). Voor opvolgende periode
33
2016-2021 is het SGB-2 op 22 december 2014 gereedgekomen. De invulling van de verantwoordelijkheid in dit SGB-2 is vastgelegd in de KRW 2016-2021. Het Waterplan Zuid-Holland 2015 was van kracht tot 22 december 2015. Op grond van artikel 48 Waterwet moet het plan om de zes jaar door de Provinciale Staten worden herzien. Het is niet noodzakelijk om een nieuw plan vast te stellen. Voldaan kan worden met het nemen van een planherzieningsbesluit. Dit besluit is genomen op 29 juni 2016 en bekend gemaakt op 8 juli 2016. De onderdelen 'Waarborgen waterveiligheid (hoofdstuk 4)' en 'Realiseren mooi en schoon water (hoofdstuk 5)' en 'operationeel grondwaterbeleid (bijlage 7)' van het Waterplan 2015 blijven van kracht. De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (Visie Ruimte en Mobiliteit), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (Verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (Uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn bijvoorbeeld regels opgenomen met betrekking tot regionale keringen in bestemmingsplannen. Daarnaast is de Waterverordening Zuid-Holland van belang. Daarin zijn onder meer veiligheidsnormeringen voor regionale keringen en waterkwantiteitsnormen opgenomen.
De waterkwantiteitsnormen geven aan, waar de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit op ingericht moeten zijn. Deze normen definiëren de gemiddelde overstromingskans vanuit het oppervlaktewater per jaar van daarbij aan te wijzen gebieden. Het beschermingsniveau verschilt per vorm van landgebruik en is gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij overstromingen. De waterkwaliteitsnormen zijn gerelateerd aan het landgebruik en daarmee bepalend voor de mogelijkheden, die het bestemmingsplan biedt. De provincie heeft samen met de gemeente Den Haag en Westland een Visie Vaartenland opgesteld, een visie op hoe de vaartenstructuur in Westland en Den Haag recreatief/toeristisch en economisch elkaar kan versterken. Het project Westlandse Waterlijnen heeft de provincie in samenwerking met heel veel stakeholders uit het gebied ten westen van het Rijn-Schiekanaal opgesteld (Westland, Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis). Dit heeft een wensenlijst met een soort top 5 opgeleverd, met betrekking tot versterking van de vaarrecreatie en economische spin-off, waar burgers, verenigingen en ondernemers hun zinnen op hebben gezet.
Verder is in de Visie Ruimte en Mobiliteit aangegeven dat de juridische borging en versterking van het vaarnetwerk overgedragen is aan de gemeenten die hierop hun lokale beleid en bestemmingsplannen moeten aanpassen. Waterschapsbeleid
Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap'. In dit Waterbeheerplan 5 (WBP 5) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: * de waterveiligheid; » het waterbeheer; « de waterkwaliteit; * het zuiveren van afvalwater. Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Delfland voert zijn kerntaken uit ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leefomgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheergebied. Het is een uitdaging om bij de uitvoering van die taken aan te sluiten bij de beleving en de behoeften van de maatschappij. Waterbewustzijn vormt de onmisbare schakel voor draagvlak.
Delfland wil dat mensen zich in de komende planperiode bewust worden van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van Delfland in de komende planperiode.
34
De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap: 1. In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden. De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. Delfland werkt bij het bestendigen van het beheer van de infrastructuur toe naar de levenscyclusbenadering; 2. Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afvalwatersysteem. Dit betekent de kans op natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer vast te houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voor de multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeteren en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen tot zoetwaterfabrieken. Bij elk project, proces en activiteit worden de innovatieve mogelijkheden en de meest duurzame wijze van uitvoering meegenomen in de afwegingen; 3. Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven. De samenwerking in het waterbeheer is pluriform van karakter.
Het waterschap speelt hierop in door goed omgevingsmanagement en door op basis van transparantie en vertrouwen de samenwerking te zoeken en structureel te onderhouden. Delfland wil het waterbewustzijn bevorderen door samenwerking met belanghebbenden en delen van verantwoordelijkheden; 4. Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Duidelijke kaders worden neergezet, zoals financieel gezond en bijdragen aan toekomstbestendig waterbeheer, maar dogma's zijn er niet. Dit betekent dat er in de werk- en beleidsprocessen van de ambtelijke organisatie en bij bestuurlijke besluitvorming binnen de wettelijke mogelijkheden voldoende ruimte moet zijn om maatwerk te leveren. Innovatie fungeert daarbij als aanjager om te blijven vernieuwen, mee te bewegen met veranderingen en te voorkomen dat het waterschap statisch wordt. In 2007 (herzien in oktober 2018) is een Handreiking Watertoets, ruimte voor water in ruimtelijke plannen opgesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland stelt voorwaarden aan de inhoud van de watertoets (waterparagraaf) als verplicht onderdeel van de onderbouwing van ruimtelijke plannen.
De watertoets berust op twee uitgangspunten: * Standstill-beginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; Het is belangrijk om water al bij de locatiekeuze en het ontwerp van ruimtelijke ontwikkelingen als ordenend principe te gebruiken. Dat voorkomt het ontstaan van knelpunten achteraf, zoals (grond)wateroverlast of slechte waterkwaliteit; * Verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Het gaat daarbij ook om de relatie tussen de verschillende waterthema's (droogte en wateroverlast, afvalwater, waterkwaliteit en ecologie, waterkeringen). Waterknelpunten en/of problemen met waterkeringen worden niet afgewenteld op de omgeving of verschoven naar de toekomst De toelichting van bestemmingsplannen dient een beschrijving te bevatten van de volledige watersituatie binnen het plangebied, alsmede de te verwachten ontwikkelingen. Deze beschrijving dient in te gaan op de volgende aspecten: * * * * * * « *
Beleidskader omtrent water; Veiligheid en waterkeringen; Waterkwantiteit; Grondwater en voorkomen van (zoet) water te kort; Onderhoud en bagger; Watersysteemkwaliteit en ecologie; Afvalwater en riolering; Klimaatadaptie.
Gemeentelijk beleid
35
Het Waterplan Westland , met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: ’’Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie”, worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd.
WATERPLAN WESTLAND WESTLAND WATER NU EN LATER
HIftTi
3'februari
3.5.2
2
Onderzoek
Op 8 maart 2021 heeft Aqua Terra Nova een waterparagraaf opgesteld voor het plangebied. De volledige onderzoekresultaten zijn opgenomen in Bijlage 2 van deze toelichting. Veiligheid en waterkeringen
Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. In de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland zijn de ligging en de minimale afmetingen van de waterkeringen vastgelegd. Rondom de keringen is een keurzone vastgesteld. Deze bestaat uit het waterstaatswerk (de daadwerkelijke kering) en een beschermingszone. Binnen het waterstaatswerk en de beschermingszone zijn op basis van de Keur Delfland beperkingen gesteld aan activiteiten die het waterkerend vermogen van de kering nu en in de toekomst kunnen aantasten.
36
Er is geen regionale waterkering rondom het plangebied
\\\ Regionale waterkering Treject
184
Poidercode
POL401A
Poide maant
Eshoípoįder
Gemeente
Den Haag
Onderwaterbeloop 1:2 Kruinhoogte
NAP * 0,10 m
Kruin breedte
2
Binnenbeloop
1:3
BovemvexerbeJoop
1:1
Profiel variant
9
Bij lager -
Zoomen naar
Vĩ/
Uitsnede Leggerkaart Hoogheemraadschap Delfland 'Legger Regionale Waterkeringen Wa terkwantiteit
Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur met voldoende mogelijkheden voor waterberging. Dit streven heeft uiteindelijk tot doel wateroverlast voor de nieuwe en de al aanwezige functies in het gebied te voorkomen. Bij het voorkomen van wateroverlast en het verwerken van hemelwater hebben perceeleigenaar, gemeente en Delfland elk een verantwoordelijkheid. De perceeleigenaar moet het hemelwater zoveel mogelijk zelf verwerken en vasthouden bij de plaats waar het valt, bijvoorbeeld een (slimme)regenton. De gemeente draag zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Dit betekent, dat de gemeente in eerste instantie en initiatiefnemers/perceel eigenaren inspanning moet doen om dit hemelwater vast te houden of terug te brengen in de bodem. Vervolgens kan het (al dan niet na zuivering) worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Delfland is vervolgens verantwoordelijk voor de ontvangst van hemelwater in het oppervlaktewater. De planlocatie is gelegen in de boezem. Voor dit peilgebied geldt een waterpeil van -0,43m NAP en een maximale peilstijging van 0,2 meter. Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft de watersleutel ontwikkeld, een rekentool waarbij op basis van een aantal relevante kenmerken van de ontwikkeling en het watersysteem wordt bepaald hoeveel waterberging moet worden gerealiseerd.
Om te bepalen hoeveel waterberging nodig is om de ontwikkeling hydrologisch neutraal te kunnen uitvoeren, kan ook een modelstudie worden uitgevoerd. Voor veel ontwikkelingen, waaronder het projectgebied, kan worden volstaan met een eenvoudigere methode om inzicht te krijgen in de benodigde watercompensatie.
37
Projectnaam ík omschrijving Van Qu«r«ntaan
7-9-2031
Kwintshrul
1Ö 70 ů 0 44
Wfttrsfiteam
Boezem 34.6
pcfder/bceżsrr mrvattf^il
kMI
vj|
GPG2007F7M I-d
HUIDI-C
Opp«rvlalct«vanialmg pUngtbitd
YCt~h*rxi infaļfr/paįoļWìc
TOEKÖKSÏIC
262
1685
cnvēftfSrd fttMÿk
ms
0
0
iŵAa'ri jJae«5i»ŕr*-*r
ŕn*
1 O Al
O
onwój'd ĵUsçtb’tc
ÍTĪ-
676S
0
HfrriTJKÿ iļnÿíÿiiįtí
m*
o
O
onverhsrd landtUjí
m*
0
7323
huidig itrmsig v*ftr
m*
0
0
opparvMrtfe pianç&b-eć
ĩYĩ*
0010
9010
Aa'ansch jiastutrbcuw
Agrarisch aras, akkerbouw, natuur
‘.Voter
Tōtetal
Cobicd&kcrmerkcn
HUIDIG
TOEKOMSTIG
gemdóeld najivelċ
NAPm
0,31
0.32
msãĩŞůYtnd pui
flirtřftï
0^3
"Oi43
g«rrrdc-aĩd« droc-gi^gg^ng
0.75
ŕrĩ
Oppervlaktewater m n»J
Ontwikkeling
Tdaal Hifi
t« t«a.Hr«n
huäifl **rv,«îig totaa te realiseren
Klimaat 2050
193
'93
0
ì
193
-93
231
2.1*5»
-İ,Mb
3,2**
291
W^terkerying in m1
Totaal extra te r«ah5e*-er»
Ontwikkeling 57.3
-23.1
Klimaat 2050 Sb. 3
Watersleutel De verharding en ook het beschermingsniveau (van glastuinbouw naar stedelijk) neemt in de nieuwe situatie toe, waardoor er een wateropgave ontstaat. Deze is voor de ontwikkeling 57,3 m3, dit staat gelijk aan 193 m2 wateroppervlak. Voor de berekening van Klimaat 2050 is er geen extra waterberging nodig. Het extra te graven water is opgenomen in de bestektekening van de Natte Ecologische Zone en zal dan ook te gelijker tijd gegraven worden. Hiermee zal voldaan worden aan de wateropgave Voorkomen van wateroverlast Volgens de provinciale verordening is het beschermingsniveau tegen wateroverlast voor wonen eens in de 100 jaar, voor bedrijfsterreinen eens in de 50 jaar en voor agrarisch, eens in de 10 jaar. Bij kleinschalige bestemmingswijzigingen wordt het watersysteem echter niet aangepast. Daarom wordt nadrukkelijk geadviseerd om, zover mogelijk, de praktijksituatie hierop aan te passen. Dit kan
38
bijvoorbeeld door het maaiveld ter plekke van de woning voldoende op te hogen. Meer informatie hierover is te vinden in de Handreiking watertoets voor gemeenten, de meest actuele versie van deze handreiking is te vinden op de website www.hhdelfland.nl/overheid/ruimtelijke-plannen.
z/;/z mí miL - ĩjåí-J.
39
Watersysteemkwaliteit en ecologie
In het kader van de herstructurering wordt er gestreefd naar het zoveel mogelijk benutten van kansen en voor het verbeteren van de watersysteemkwaliteit en de ecologie. Ten aanzien van de KRW maatregelen moet er rekening worden gehouden met de afspraken uit de Bestuursovereenkomst KRW Delfland en de afspraken die op dit moment gemaakt worden voor het Stroomgebied beheersplan 2015-2021. Het boezemsysteem van Delfland maakt onderdeel uit van de KRW waterlichamen. Delfland en gemeenten zijn in de KRW Delfland overeengekomen om de toestand van de waterlichamen te verbeteren. Onderdeel van deze overeenkomst is dat daar waar langs waterlichamen ruimtelijke mogelijkheden zijn om invulling te geven aan de KRW-opgave, deze worden benut, en dat bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt onderzocht of een deel van de ruimtelijke KRW-opgave hieraan kan worden gekoppeld. In het Waterplan Westland is aangegeven dat als er ruimte is, er een natuurvriendelijke oever moet worden aangelegd. En als er geen ruimte is maar wel dynamiek, kansen worden benut. Daarnaast mogen ruimtelijke ontwikkelingen niet leiden tot een verslechtering van de ecologische en chemische toestand van deze waterlichamen. In zijn algemeenheid is bij het omzetten van glastuinbouw naar wonen en natuur sprake van minder uitstoot van nutriën en gewasbeschermingsmiddelen, waardoor de waterkwaliteit zou kunnen verbeteren.
Belangrijk onderdeel is het natuurvriendelijk overprincipe (NVO). Aangezien het plangebied in het boezemgebied ligt, bebost is en veel water herbergt, is in overleg met het Hoogheemraadschap van Delfland en de gemeente gekeken naar de mogelijkheden bij deze oevers. Besloten is om deze ook in het gebied te realiseren. De NVO's bestaan onder meer uit een flauwe oever, moeras en rietoevers. De NVO's voorzien in meerdere ecologische functies. Het natte profiel heeft naast zijn ecologische en visuele functie op meerdere locaties ook een belangrijke functie als bypass voor de omliggende vaarten. Het afstromend hemelwater vanaf het plangebied kan een gering positief effect op de waterkwaliteit hebben. Door de infiltratie van hemelwater in de bodem kan door de bodempassage eveneens een kwaliteitsverbetering plaatsvinden van het grondwater. Voor deze ontwikkeling is in overleg met Delfland een Natte Ecologische Zone opgenomen. Hiervoor is een plan ontwikkeld welke is uitgewerkt in een bestekstekening (zie bijlage 1 bij de regels). Deze zone heeft een substantiële invloed op de waterkwaliteit. Onderhoud en bagger
Delfland is verantwoordelijk voor het onderhoud van het primaire watersysteem en de waterkeringen. Voor secundair boezemwater en polderwateren zijn veelal andere partijen (gemeente, grondeigenaar) onderhoudsplichtig. Onderhoudsplichtigen zijn in de Legger Delfland vastgesteld. Onderhoud aan water en waterkering betekent dat deze toegankelijk moeten zijn voor onderhoud. Ook houdt Delfland ruimte die eventueel nodig is voor dijk- of kadeverzwaring, vrij van andere, conflicterende functies. Het beheer en onderhoud van het watersysteem binnen het plangebied is vastgelegd in de Keur Delfland en Legger Delfland. Voor onderhoud van watergangen is het van belang rekening te houden met de benodigde onderhoudsstroken.Onderhoudsstroken zijn noodzakelijk voor onderhoudsmateriaal en werkruimte, en er kan bagger op de onderhoudsstroken worden gezet. Er gelden de volgende criteria: *
als er sprake is van 'varend' onderhoud van watergangen, natuurvriendelijke oevers en waterkeringen zijn de dimensionering van het doorstromingsprofiel en van de kunstwerken aan specifieke ontwerpeisen gebonden, bijvoorbeeld een vaardiepte en doorvaarthoogte van 1,0 m en een minimale doorvaarbreedte van 3,1 m bij bruggen. Dit is zeker het geval bij een breedte van meer dan 10 m (gemeten op de waterlijn). * voor onderhoudsdoeleinden langs primaire watergangen is aan weerszijde een onderhoudsstrook (4 m) vrij van bebouwing en obstakels. Is de primaire watergang 5 m of smaller, dan kan in veel gevallen volstaan met een strook van 5 m aan één zijde en 1 m aan de andere zijde. * voor natuurvriendelijke oevers langs watergangen, bijvoorbeeld in verband met de Kaderrichtlijn Water, is ruimte nodig om onderhoud te plegen. Hierbij geldt hetzelfde als voor primaire watergangen. Wanneer onderhoudsstroken niet of moeilijk realiseerbaar of te behouden zijn, overleg dan met Delfland over alternatieven of maatregelen.
40
De volgende watergangen grenzen aan het projectgebied en moeten volgens beleid onderhouden worden door verschillende partijen: * Primaire watergang ten noorden van het projectgebied, onderhoud door Delfland. Aan de primaire watergang zullen weinig veranderingen plaatsvinden. De wijze van onderhoud kan hetzelfde blijven. De watergang is breed genoeg maar zal ook diep genoeg moeten zijn om dit varend te doen; * Secundaire watergangen op en rondom het plangebied, onderhoud door aanliggende eigenaar. Dit zal deels varend (met voldoende profiel) en deels vanaf de kant (met een voldoende brede strook) worden uitgevoerd. Voor onderhoud vanaf de kant zullen onderhoudsstroken moeten worden ingericht; * In een overeenkomst met de initiatiefnemer en het Hoogheemraadschap van Delfland is opgenomen dat Delfland verantwoordelijk is voor het onderhouden van de NEZ. Delfland zal in de eerste drie jaar ontwikkelbeheer geen onderhoud aan de NEZ uitvoeren. Na drie jaar, als de NEZ zich heeft ontwikkeld, zorgt Delfland jaarlijks, tussen medio juli tot en met oktober, voor gefaseerd onderhoud van de NEZ. Delfland voert het onderhoud aan de NEZ rijdend uit. Toegang tot het perceel en de NEZ vindt plaats via het onderhoudspad. Initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het onderhoud van het overig deel van het perceel. Bodem en grondwater
Bij het bouwen van de nieuwe woningen moet rekening gehouden worden met voldoende drooglegging om grondwateroverlast te voorkomen. In een waterhuishoudingsplan voor Westland wordt standaard uitgegaan van minimaal 1,0 meter. Overigens helpt een voldoende hoog bouwpeil niet alleen tegen grondwateroverlast, maar ook tegen wateroverlast en vochtproblemen algemeen. Het maaiveldhoogte bedraagt op dit moment circa 0,32 meter NAP volgens de hoogtekaart. De drooglegging zit daarmee op 0,75 meter. Daarbovenop komt een verhoging van 1 m. Wat het totaal op een drooglegging van circa 1.73m t.o.v. NAP brengt. Afvalwater en riolering
De bestaande woning is aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel ter plaatse en de nog te bouwen woning zou aannemelijk aangesloten worden op het rioleringsstelsel. Afvalwater wordt afgevoerd naar de dichtsbijzijnde afvalwaterzuivering. Voor zover bekend zijn er geen problemen bekend omtrent de capaciteit van riolering of zuivering. Voor de afvoer van het hemelwater zijn creatieve en efficiënte maatregelen mogelijk, zoals het ophogen van gronden, een hoger bouwpeil van woningen, open verharding ter plekke van parkeerplaatsen of water vasthouden op particulier terrein, bijvoorbeeld door middel van de aanleg van wadi's, (slimme)regenton, groene daken, het afkoppelen van hemelwaterafvoer, en dergelijke. De nieuwe woningen zullen het hemelwater op oppervlaktewater lozen. Het plan dient te voldoen aan de Leiddraad Riolering West Nederland en de Leidraad aan- en afkoppelen verhard oppervlak en de Beslisboom Aan- en afkoppelen verharde oppervlakten (2003) Het huishoudelijk afvalwater zal middels een drukrioolstelsel aangesloten worden op het gemeentelijk rioolsysteem. Onderstaande afbeelding geeft de huidige situatie weer, waaruit blijkt dat het project in een gebied ligt van een drukriolering. Hierop kan de woning worden aangesloten.
41
Situatie rondom het plangebied Voor lozing van hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: * * * * *
hemelwater vasthouden voor benutting; water opvangen door toepassen van vegetatiedaken; (in)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar (nabij gelegen) oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.
De dakvlakken zullen op oppervlaktewater lozen. Er mag bij de opvang en afvoer van hemelwater geen gebruik worden gemaakt van uitlogende of andere materialen die een negatief effect op de waterkwaliteit kunnen hebben. 3.5.3
Conclusie
Op basis van het onderzoek dient er voor de beoogde ontwikkeling extra wateroppervlak gegraven te worden ten opzichte van het huidige aanwezige oppervlak. In totaal (Ontwikkeling en Klimaatdoelstelling 2050) gaat het om 193 m2 Hiervoor dient een watervergunning te worden aangevraagd. Voor de ontwikkeling van de uitplaatskavel is door de sloop van de bestaande kassen geen extra water benodigd.
3.6
Bodem
3.6.1
Wettelijk kader
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten
42
overheersen: a. b. c.
het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; het wegnemen van actuele risico's.
Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. 3.6.2
Onderzoek
Voor het bestemmingsplan zijn de volgende onderzoeken uitgevoerd (zie bijlage): *
* * «
RAPPORT C19-466-O Verkennend bodemonderzoek, verkennend asbestonderzoek en verkennend waterbodemonderzoek ter plaatse van de Van Buerenlaan 31a en 33 te Kwintsheul (20 december 2019); RAPPORT C19-466-O1 Verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek in bodem ter plaatse van de Van Buerenlaan 31a en 33 te Kwintsheul (24 januari 2020); PROJECT 33020 Verkennend en nader land- en waterbodemonderzoek Van Buerenlaan 31-33 te Kwintsheul (24 juli 2020); Rapport C20-506-O Aanvullend verkennend bodemonderzoek ter plaatse van de Van Buerenlaan 31 te Kwintsheul (8 januari 2021).
De onderzoeken beperken zich tot de bouwlocaties van de nieuw geplande woningen, de te dempen waterpartij en de toekomstige waterpartij. Voor de bouwlocaties geldt dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. In de grond wordt de achtergrondwaarde (AW 2000) overschreden, waardoor er bij afvoer van de grond beperkingen gelden ten aanzien van het hergebruik. Voor een deel van de gronden bij de nieuw in te richten natte ecologische zone (hierna: NEZ) is de bodem verontreinigd. De eigenaar van de gronden voert de sanering van de bodemverontreiniging uit volgens de Richtlijnen van de Omgevingsdienst Haaglanden.
43
VA
Binnen de stippellijnen bevindt ±iehì Te saneren bïdernverantnempginş Te vergraven licht verontreinigde grond Overige bůdemvei'ůi'itŕeinigiňťŗ
Opgemerkt dient te worden dat niet alle kadastrale percelen uit het plangebied zijn onderzocht (zie luchtfoto), omdat op deze percelen geen werkzaamheden gaan plaats vinden en de ontstane natuur in stand wordt gelaten. Indien voor deze locatie herinrichtingsplannen zijn, zullen er alsnog bodemonderzoeken uitgevoerd moeten worden.
44
ľi 'Jiå kv*r v
- åŗ m
*w
í'-İĨ: ' * Ęk
Y
r^r ňćlĞćl mm
Uitsnede Gis Aanbevelingen Eventuele afvoer van grond dient plaats te vinden conform de regelgeving in het Besluit bodemkwaliteit. Aanbevolen wordt om eventueel vrijkomende grond, op de locatie her te gebruiken. Voor hergebruik als bodem binnen de locatie is het Besluit bodemkwaliteit niet van toepassing. Aan hergebruik van licht verontreinigde grond zijn beperkingen verbonden. Wanneer grond van de locatie vrijkomt en elders wordt toegepast, dient in principe te worden gehandeld conform het Besluit bodemkwaliteit. Sinds 8 juli 2019 houdt dit tevens in dat aanvullend PFAS onderzoek vereist is. Indien grond vrijkomt is de gemeente waar de grond wordt toegepast bevoegd gezag ten aanzien van de bestemming van de grond.
3.7
Ecologie
3.7.1
Wettelijk kader
Natuurnetwerk Nederland
Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een
45
bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied. Wet natuurbescherming
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes: * « *
Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn; Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd.
Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1,3.5 en 3.10. van de Wnb.
46
B
Verbod sbepaìing
Vogels Vd
Dienen HrU Planlen Hrl/
Dieren
Planten
Dieren of planten: Doden of vangen
\
Sloren/verstoren
3.1, t
35 1
3.1.4 tienaj
3 52
3.10.1.a
3-1JB) Plukken, verzamelen, ofsmioen. onimneien
3 5.5
3.10 1 c
ûl vemieien Onder jjţīi beii ben of vervoeren Plaatsen:
Vermeien, beschadigen of wegnemen nesten
312
Beschadigen of vermelen
3.10 i b
v«flpLanl ihţjĚpiaatićn
(vaste vpj
Beschadigen of vermelen rustplaatsen
3 12
3 10.1 b ívasie rpt
Eieren; Vernielen (of-Vrt- beschadigen) ----------------------------------j-------------------Rapen
312
Onder ach hebben
JJJ ,
3.5.3
....................................................................
Toelichting:
Codes VBfwįpen naar wetsariftefen Wel natuurbescherming ■ !:rjn|e
verbodsbepaling geld' alleen wanneer sprake ís van opzei verbodsbepaling geld) maite gevallen, ook wanneer geen sprake is
Tsbet verbodsbepalingen soortenbescherming onder de įįįiį
Vrijstellingen
In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet m eegenomen in deze toets ing. Zorgplicht
De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten: 1. 2. 3.
Achterwege gelaten worden, of Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt
Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden. 3.7.2
Onderzoek
Voor dit bestemmingsplan heeft het Aqua Terra Nova op 24 mei 2019 een Quickscan op basis van de Wet natuurbescherming verricht. Een samenvatting van de resultaten daarvan zijn hieronder gegeven. De volledige onderzoekresultaten zijn opgenomen in Bijlage 8 van deze toelichting.
47
Het plangebied is bezocht in de ochtend van 3 mei 2019. De weersomstandigheden tijdens dit oriënterend onderzoek zijn droog, bewolkt met een temperatuur van 9^, windkracht 1 Bft uit het noordwesten. 3.7.2.1 Natuurgebieden Het Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen' bevindt zich op circa 3,8 km afstand ten westen van het plangebied, zie figuur 4.1 en bijlage 3. Het Natura 2000-gebied 'Westduinpark & Wapendal' ligt op 5,5 km ten noorden van het plangebied. Andere Natura 2000-gebieden liggen op een grotere afstand. Van Buerenlaan 31-33 te Kwintsheul
Ligging pargecied t.o.v. Natjra 2000 Project 2181080
flilm cMmiHnn
AOUA-nitA vfjitrninvcivu
iWl:ki.|Uu»iort
Legenda
CD ParĶieoec
.a
h' '-1 Snilrvckl ft KflpitwWuirwn
BB WeltíunpaiX 6 Wapeitlai Oç*»n«ïrootM*p
Positie van het plangebied Van Buerenlaan 31 en 33 ten opzichte van Natura 2000-gebied Solleveld s Kapittelduinen'. Het Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen' bestaat uit oude duinen, duinbossen, struwelen, ruigten en plassen. Het natuurgebied is van grote waarde vanwege de kalkarme duinen en heideterreinen die in het gebied voorkomen. Aan de binnenduinrand bevinden zich een aantal oude landgoedbossen die rijk zijn aan stinzenflora. Het Natura 2000-gebied 'Westduinpark' is een breed, gevarieerd en kalkrijk duingebied met kenmerkende habitats van de Hollandse duin- en kuststreek. Er is een breed scala aan vegetatietypen van jonge en oude, droge duinen, met ruigten, graslanden en struwelen en binnenduinbos aanwezig, met karakteristieke flora. 'Wapendal' bestaat uit oud duin met struikheivegetatie. Negatieve effecten door de geplande ontwikkeling worden door de afstand en de tussenliggende bebouwing en glastuinbouw uitgesloten. Nader onderzoek in het kader van gebiedsbescherming is niet noodzakelijk. Het plangebied is niet gelegen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het plangebied bevindt zich op circa 160 m van een ecologische verbindingszone dat deel uitmaakt van het NNN. Het betreft hier de watergang de Hollewatering ten oosten van het plangebied. Het NNN kent geen externe werking. Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten.
Nadere toetsing in het kader van de Wet Natuurbescherming is niet noodzakelijk.
48
Van Buerenlaan 31-33 te Kwintsheul Ligging plangebied t.o.v. Natuumetwerk Nederland Pro^çĽ381080
ťŵž—\
AQUA-TERRA
i ľ Riantdtp*. •:nfcnlm
Legenda
Jį
I 1 Plaroebeċ Hl Destaande en nieuwe natuur B Ecobgis^ie vertondingsanes OpenSlieetMap
Positie van het plangebied Van Buerenlaan 31 - 33 ten opzichte van het NNN.
3.7.2.2 Soortenbescherming In paragraaf worden eventuele effecten van de geplande werkzaamheden op aanwezige natuurwaarden uitgewerkt. Daarnaast wordt antwoord gegeven op de vraag of, en zo ja, in welke mate beschermde plant- en diersoorten, beschermd door de Wet natuurbescherming, door de beoogde activiteiten kunnen worden geschaad. Indien er schade op kan treden, dan wordt aangegeven of hiervoor aanvullende maatregelen en/of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is/zijn. Vaatplanten Het plangebied is tijdens het uitvoeren van het oriënterend veldbezoek gecontroleerd op mogelijk aanwezige beschermde vaatplanten. Deze zijn niet aangetroffen. Zowel op basis van verspreidingsgegevens als de ligging van het plangebied in de glastuinbouwgebied, worden beschermde vaatplanten niet verwacht. De aanwezigheid van beschermde flora kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Algemene soorten als de treurwilg, madelief, schijnaardbei, roos, pitrus, kers, abeel, linde, hazelaar, speerdistel, smalle weegbree, gele lis, groot hoefblad, eik, esdoorn, meidoorn, taxus, kastanje, hulst, vlier, els, walnoot, vijg, kiwi, druif, klimop, braam en haagbeuk zijn in het plangebied aangetroffen.
Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats Op basis van verspreidingsgegevens is gebleken dat in de omgeving van de Van Buerenlaan 31-33 de gierzwaluw en huismus behorend tot de categorie 1-4 (jaarrond beschermde vaste verblijfplaats) voorkomen. De gierzwaluw nestelt in gebouwen, onder de dakgoot, achter de regenpijp, onder dakpannen, of in een gat in de muur en ook wel in neststenen. De bebouwing in het plangebied en de daken met dakpannen bevatten geen kieren en gaten welke groot genoeg zijn om gebruikt te worden door de gierzwaluw. De aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van gierzwaluw kan worden uitgesloten. Nader onderzoek naar gierzwaluw is niet noodzakelijk. De huismus nestelt onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en ook wel in mussenkasten. Tijdens het veldbezoek zijn geen huismussen binnen het plangebied waargenomen, terwijl deze soort jaarrond in de buurt van zijn verblijfplaats aanwezig is. De bebouwing in het plangebied en de daken met dakpannen bevatten geen kieren en gaten welke groot genoeg zijn om gebruikt te worden door de huismus. De aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van huismus kan worden uitgesloten. Nader onderzoek naar huismus is niet noodzakelijk De bomen binnen het plangebied zijn geschikt voor roofvogels als buizerd en sperwer.
Vanwege het aanwezige bladerdak en de dichte begroeiing in het bos, konden niet alle bomen gecontroleerd worden
49
op de aanwezigheid van nesten welke mogelijk van buizerd of sperwer kunnen zijn. Wel zijn er zijn verschillende nesten aangetroffen in de bomen langs de waterloop en de bomen grenzend aan de straatkant. Tevens zijn er op meerdere locaties in het plangebied prooiresten aangetroffen. De aanwezigheid van buizerd en sperwer kan niet worden uitgesloten. Wel dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van deze soorten (grofweg van februari t/m 15 juli) uitgevoerd te worden om verstoring tijdens de werkzaamheden op eventueel aanwezige buizerd of sperwer te voorkomen. Het groen in het plangebied wordt niet aangetast. Indien er toch groen of bomen worden verwijderd in het plangebied, dient dit afgestemd te worden met de ecoloog. Wanneer de ecoloog bepaalt dat de bomen die gekapt moeten worden, geschikt zijn als vaste rust- en/of verblijfplaats van buizerd en sperwer, dient eerst nader onderzoek plaats te vinden. Vogels uit categorie 5 Van de vogelsoorten met een verblijfplaats uit de categorie 5 zijn verschillende vogels binnen het plangebied te verwachten: ekster, blauwe reiger, groene specht, grote bonte specht, boomkruiper koolmees, pimpelmees en zwarte kraai. Nesten van categorie 5-soorten zijn jaarrond beschermdwanneer specifieke ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dit geval wordt het plangebied gebruikt als foerageergebied en als nestgelegenheid.
In het groen binnen het plangebied nestelen naar verwachting kleine zangvogels als koolmees en pimpelmees. In de bomen in het plangebied nestelen naar verwachting vogels als zwarte kraai en ekster. Tijdens het veldbezoek is nest-indicerend gedrag waargenomen van koolmees, pimpelmees en zwarte kraai. Het groen en de bomen worden niet verwijderd dus nestlocaties en foerageergebieden worden niet aangetast. Er blijft voldoende ruimte beschikbaar om te nestelen voor aanwezige categorie 5-soorten dus zijn er geen redenen om de nesten jaarrond te beschermen. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Wel dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen (grofweg van maart t/m juli) uitgevoerd te worden omdat aanwezige broedvogels niet verstoord mogen worden tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. Algemene (broed)vogels In en rondom het plangebied zijn algemene vogelsoorten te verwachten zoals winterkoning, houtduif, heggemus, putter, halsbandparkiet, roodborst, kneu, merel, kauw, Turkse tortel, gaai, meerkoet, waterhoen, knobbelzwaan, grote Canadese gans, wilde eend, en fuut. Het groen en de watergangen in het plangebied zijn geschikt als broedlocatie en foerageergebied voor algemene vogels.
Er zijn in het gehele plangebied nesten in bomen aangetroffen, zangvogels welke nest-indicerend gedrag vertoonden waargenomen, en broedende vogels op het nest waargenomen. Alle vogels en hun nesten zijn tijdens het broeden beschermd en mogen dan niet verstoord of verwijderd worden. Er dient buiten het broedseizoen (grofweg van maart t/m juli) gewerkt te worden in verband met de aanwezigheid van broedende algemene vogels in het broedseizoen. Grondgebonden zoogdieren Op basis van verspreidingsgegevens is gebleken dat in de omgeving van het plangebied geen (strikt) beschermde grondgebonden zoogdieren voorkomen. Het voorkomen van (strikt) beschermde zoogdiersoorten in het plangebied kan worden uitgesloten. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Het oriënterend onderzoek wijst uit dat het plangebied geschikt is voor algemene zoogdiersoorten zoals vos, egel, haas en diverse muizensoorten. De aanwezige houtwallen en stapels van takken en bladeren binnen het plangebied bieden een schuilplaats voor kleine zoogdiersoorten zoals de spitsmuis en egel. De vervallen stenen schuur en kas bieden ook een geschikte schuilplaats voor kleine zoogdiersoorten. Voor deze soorten geldt binnen de provincie Zuid-Holland een vrijstelling in het kader van de Wet natuurbescherming.
Vleermuizen Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Alle soorten vleermuizen zijn beschermd binnen de Wet natuurbescherming. Vleermuizen maken binnen hun netwerk gebruik van vaste verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes. Deze vaste rust- en verblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd, ook als de dieren op dat moment niet aanwezig zijn. Daarnaast is de functionele leefomgeving van vleermuizen
50
beschermd. Dit zijn de vaste vliegroutes en essentiële foerageergebieden, die nodig zijn om een verblijfplaats te laten functioneren. Verblijfplaatsen Het woonhuis aan de Van Buerenlaan 33 bevat geschikte kieren en gaten voor gebouwbewonende vleermuizen als gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. De houten dakranden, open stootroosters en kieren en gaten in het dak zijn geschikt voor vleermuizen om in de spouwmuur te komen en te verblijven. De woning is niet geschikt voor de gebouwbewonende laatvlieger. Laatvliegers hebben doorgaans de voorkeur voor warmere panden en verblijfplaatsen onder nokpannen. Het pand staat al tijden leeg en onverwarmd en bevat geen overhangende dakpannen. De aanwezigheid van laatvlieger kan op basis van de woningkenmerken worden uitgesloten. De overige bebouwing in het plangebied is niet geschikt als verblijfplaats. De aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van overige gebouwbewonende vleermuizen in het woonhuis kan niet worden uitgesloten. Nadere toetsing naar gebouwbewonende vleermuizen is noodzakelijk. Veel bomen in het plangebied bevatten (zeer) geschikte holtes of loshangend schors waar boombewonende vleermuizen als ruige dwergvleermuis, watervleermuis en rosse vleermuis gebruik van kunnen maken als vast rust- en/of verblijfplaats. De aanwezigheid van deze soorten kan niet worden uitgesloten.
De bomen en het groen in het plangebied blijven onaangetast. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het is noodzakelijk, wanneer gewerkt wordt in de actieve periode van vleermuizen (grofweg van maart t/m oktober), verstoring van verlichting in de nacht te voorkomen. Indien er toch bomen gekapt moeten worden, dient dit eerst afgestemd te worden met de ecoloog. Wanneer de ecoloog bepaalt dat de bomen die gekapt moeten worden geschikt zijn als vaste rust- en/of verblijfplaats van boombewonende vleermuizen, dient eerst nader onderzoek plaats te vinden. Vliegroutes en foerageergebied Het plangebied en de omgeving van het plangebied zijn geschikt als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen. De lijnvormige structuren in het plangebied, de bosranden, kassen en watergangen, zijn zeer geschikt als vliegroute voor diverse vleermuissoorten. Ook andere vleermuizen die minder afhankelijk zijn van dit soort structuren, zoals de rosse vleermuis en de laatvlieger, zouden het plangebied als vliegroute of foerageergebied kunnen gebruiken. De werkzaamheden hebben echter geen negatieve effecten op mogelijk aanwezige essentiële vliegroutes of foerageergebieden. Negatieve effecten op mogelijk aanwezige essentiële vliegroutes en/of foerageergebieden kan worden uitgesloten.
Amfibieën Uit de landelijke verspreidingsgegevens komt naar voren dat in de omgeving van het plangebied geen (strikt) beschermde amfibieën voorkomen. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat en de ligging in glastuinbouwgebied worden deze redelijkerwijs ook niet verwacht. De aanwezigheid van (strikt) beschermde amfibieën kan worden uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. De groenstroken en watergangen in het plangebied zijn geschikt voor algemene amfibiesoorten (beschermd volgens art. 3.10 Wet natuurbescherming) als bruine kikker, bastaardkikker en gewone pad. Voor deze soorten geldt in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling in het kader van de Wet natuurbescherming. De zorgplicht blijft echter wel van kracht. Indien er toch watergangen gedempt worden, dienen aanwezige amfibieën verdreven te worden door één kant op te werken zonder daarbij dieren in te sluiten. Als dit niet mogelijk is, moeten de dieren weggevangen worden door de wateren af te dammen en het waterniveau te verlagen. De dieren kunnen vervolgens worden overgebracht naar een geschikt water in de nabije omgeving, maar buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Reptielen Uit de landelijke verspreidingsgegevens komt naar voren dat in de omgeving van het plangebied geen (strikt) beschermde reptielen voorkomen.
Vanwege het ontbreken van geschikt habitat en de ligging in het glastuinbouwgebied worden deze redelijkerwijs ook niet verwacht. De aanwezigheid van (strikt) beschermde reptielen kan worden uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Vissen
51
Uit de landelijke verspreidingsgegevens blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen (strikt) beschermde vissoorten voorkomen. De aanwezigheid van (strikt) beschermde vissoorten kan worden uitgesloten. Er is geen sprake van een nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming. Wel zijn de watergangen geschikt voor algemene vissoorten. Er worden binnen het plangebied tijdens de werkzaamheden geen watergangen gedempt. Indien er toch gewerkt wordt aan de watergangen dienen aanwezige vissen verdreven te worden door één kant op te werken zonder dieren daarbij in te sluiten. Als dit niet mogelijk is, moeten de dieren weggevangen worden door de wateren af te dammen en het waterniveau te verlagen. De dieren kunnen vervolgens worden overgebracht naar een geschikt water in de nabije omgeving, maar buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Overige beschermde soorten Van de ongewervelden zijn naast vlinders en libellen, enkele kevers (vliegend hert, brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, vermiljoenkever), weekdieren (platte schijfhoren, Bataafse stroommossel) en een kreeftachtige (rivierkreeft), beschermd door de Wet natuurbescherming. De watergangen binnen het plangebied worden niet aangetast door de werkzaamheden. Er is geen sprake van een nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming. 3.7.3
Conclusie
In conclusietabel zijn per soortgroep de benodigde vervolgstappen conform de Wet natuurbescherming aangegeven. In de tabel wordt met een kleurencode gewerkt. De betekenis van de kleurencode word hieronder weergegeven. Kleur