Bestemmingsplan Bedrijventerrein Vlotlaan Monster Bijlagen
Tekst van het document
BEDRIJVENTERREIN VLOTLAAN MONSTER bestemmingsplan NL.IMRO.1783.BTMONVLOTLAANobp-VA01 vastgesteld
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Nota beantwoording reacties vooroverlegpartners Watersleutel Quickscan ecologie Nader onderzoek rugstreeppad Stikstofberekening Memo verkeersgeneratie Bezonningsstudie Stikstofberekening aanlegfase
Bijlagen bij de regels Bijlage 1 Bijlage 2
Staat van Bedrijfsactiviteiten Staat van Horeca-activiteiten
1
6 september 2022
6 september 2022 20211702 Bedrijvencampus Vlotlaan M. Boiten Vastgoedprofs
Rho adviseurs voor leefruimte
20210560
Inhoud
Rho adviseurs voor leefruimte
20210560
Rho adviseurs voor leefruimte
20210560
Vlakbij de kust van Monster bevindt zich het voormalig themapark de Westlandse Druif. Dit themapark was opgericht ter herinnering aan de Westlandse druiventeelt. Ter plaatse werden druiven geteeld en in een bijbehorende winkel verkocht. Ook konden er bijeenkomsten worden gehouden en kon de tuin bezocht worden door middel van rondleidingen. In 2019 zijn de activiteiten van de Westlandse Druif beëindigd. In 2021 is het complex verkocht met het voornemen te herontwikkelen naar een mix van bedrijvigheid en maatschappelijke functies. Dit is echter slechts gedeeltelijk mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan. In het geldende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de transformatie van maatschappelijk, wonen en tuin naar bedrijvigheid. Per abuis is op de verbeelding de verkeerde zone wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Dit betekent dat een nieuw bestemmingsplan moet worden opgesteld. In het Besluit milieueffectrapportage is in onderdeel D 11.2 van de bijlage opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. Het nieuwe bestemmingsplan voorziet het wijzigen van bestemmingen met een oppervlakte minder dan 100 hectare.
Hiermee blijft de ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.beoordeling’. Dit document bevat deze beoordeling.
In een m.e.r.- beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: de plaats van het project; de omvang van het project; de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
5/17
Deze m.e.r.-beoordelingsnotitie: beschrijft in hoofdstuk 2 de plaats en omvang van het project; licht in hoofdstuk 3 de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toe; geeft ten slotte in hoofdstuk 4 de conclusie weer voor de m.e.r.-beoordeling. Bij de analyse in hoofdstuk 2 en 3 is gebruik gemaakt van informatie uit de onderzoeken welke te vinden zijn in het bestemmingsplan en de bijlagen daarbij.
6/17
Het plangebied wordt aan de noordwestzijde begrensd door de 's-Gravenzandseweg en aan de zuidwestzijde door de Vlotwatering. Aan de zuidoostkant vormt de Vlotlaan de grens van het plangebied en aan de noordwestzijde scheidt de watergang het plangebied en de daarbovengelegen bedrijfspercelen.
Figuur 2.1: Ligging plangebied (rood omkaderd) op luchtfoto’s (bron: Arcgis luchtfoto 2021)
7/17
In de huidige situatie was het naar bedrijven te ontwikkelen deel van het plangebied tot voor kort bebouwd met kassen. Deze kassen besloegen nagenoeg het gehele perceel. Ook zijn drie waterbassins aanwezig. Het plangebied wordt via het zuiden ontsloten op de Vlotlaan. Aan deze zijde bevindt zich ook een vrachtwagenparkeerterrein. Aan de noordzijde ligt de N211 met daarboven de woonbebouwing van de kern Monster. Aan de westzijde van het plangebied, langs de 's-Gravenzandseweg, bevinden zich historische druivenkassen en een horecapaviljoen waar voorheen het themapark 'De Westlandse Druif' was gevestigd. Dit themapark is inmiddels gesloten. De historische kassen worden nog wel gebruikt voor druiventeelt. Het paviljoen zal een maatschappelijke en horeca invulling krijgen. Daarnaast bevinden zich binnen het plangebied drie woningen, deze woningen blijven tevens bestaan. Vanwege de ruimtelijke inpassing zullen deze woningen meegenomen worden in het bestemmingsplan. Bijzondere gebieden en het opnamevermogen van het natuurlijk milieu De planlocatie bevindt zich niet in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status (figuur 2.3-2.5).Het plangebied is geen onderdeel van een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Solleveld en Kapittelduinen. Dit gebied ligt op een afstand van circa 330 meter (figuur 2.2).
De watergang ten zuidwesten van het plangebied is aangewezen als ecologische verbinding binnen NatuurNetwerk Nederland (figuur 2.3). De planlocatie en de omgeving maken geen onderdeel uit van door de provincie vastgestelde milieubeschermingsgebieden (figuur 2.4 en 2.5).
Figuur 2.2 Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS Calculator)
8/17
Figuur 2.3 Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (bron: Provincie Zuid-Holland)
9/17
Figuur 2.4 Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden (bron: Atlas Leefomgeving)
10/17
Figuur 2.5 Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van stiltegebieden (bron: Atlas Leefomgeving) Archeologie en cultuurhistorie Voor een deel van het plangebied geldt een archeologische verwachtingswaarde. Bij werkzaamheden die op een aaneengesloten oppervlakte groter dan 1000 m² en waarbij graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm noodzakelijk zijn, dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Volgens het huidige bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Monster' en de Cultuurhistorische Atlas van de provincie ZuidHolland zijn er binnen het plangebied of in de nabije omgeving geen monumenten aanwezig. Verder maakt het plangebied geen deel uit van cultuurhistorisch waardevol gebied.
11/17
gebied met een mix tussen bedrijvigheid en maatschappelijke functies. Deze bedrijvencampus zal bestaan uit de deelgebieden "Workyard" en de "Vineyard". Met voorliggend bestemmingsplan wordt de ontwikkeling van de "Workyard" mogelijk gemaakt, teven wordt het deelgebied Vineyard van een passende planologische regeling voorzien. Workyard Het oostelijk deel van het plangebied wordt getransformeerd naar een bedrijvencampus. De bestaande kassen zijn recent gesloopt. Daar komen bedrijfs(verzamel)gebouwen voor in de plaats. Binnen deze bedrijfsunits zullen ook ondergeschikte kantoorruimtes mogelijk worden gemaakt. Het plangebied sluit aan bij het bestaande bedrijventerrein Vlotlaan en is een logische uitbreiding. De zichtzijde aan de s'Gravenzandseweg geeft de kans om een blikvanger te zijn van het achterliggende bedrijventerrein. Vineyard Het gebied Vineyard betreft het voormalige themapark De Westlandse Druif. De bestaande historische kassen zullen behouden blijven en gebruikt voor o.a. druiventeelt. Het paviljoen zal net als in de bestaande situatie voor verschillende functies gebruikt gaan worden, zoals maatschappelijke activiteiten, maar ook horeca. Rondom het paviljoen wordt ruimte geboden voor een terras.
Figuur 2.6: Impressie beoogde indeling
12/17
Gebruik natuurlijke hulpbronnen en productie van afvalstoffen Voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling worden de gebruikelijke bouwmaterialen en natuurlijke hulpbronnen benut. Afvalstoffen zullen slechts ontstaan tijdens de aanlegfase. Afvalstromen zullen zoveel mogelijk worden gescheiden ten behoeve van hergebruik. Verontreiniging, hinder, risico van zware ongevallen en rampen, risico’s voor de menselijke gezondheid Deze thema’s komen mede aan bod in het volgende hoofdstuk. Cumulatie met andere projecten Voor zover bekend zijn er geen redelijkerwijs te verwachten toekomstige ontwikkelingen in de buurt waarmee cumulatie verwacht kan worden.
13/17
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste milieueffecten van de beoogde ontwikkeling beschreven. Het is gebruikelijk de milieueffecten van de beoogde situatie te vergelijken met de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen. De effectbeoordeling in dit hoofdstuk is gebaseerd op de informatie uit het bestemmingsplan dat voor de beoogde ontwikkeling is opgesteld.
Verkeersgeneratie en ontsluiting De totale bedrijfsoppervlakte bedraagt circa 6.500 m2. Uitgaande van het kencijfer van een bedrijfsverzamelgebouw, rest bebouwde kom, weinig stedelijk geldt hier 8,7 mvt/etmaal per 100 m2 bvo. Dit leidt tot een verkeersgeneratie van 566 mvt/etmaal in totaal op een gemiddelde weekdag. De omliggende wegen hebben voldoende capaciteit om dit op te vangen. Het verkeer van de Workyard wordt met een nieuwe ontsluiting aan de zuidoostzijde ontsloten op de Vlotlaan. Vanuit het aspect verkeer kunnen significante negatieve effecten uitgesloten worden.
Met de beoogde ontwikkeling worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk gemaakt. Ook worden er geen geluid producerende bedrijven mogelijk gemaakt. Vanuit het aspect geluid kunnen significante negatieve effecten uitgesloten worden.
Bodem Binnen het plangebied is sprake van een functiewijziging. Daarom dient verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Dit wordt momenteel uitgevoerd. Water Het plangebied maakt geen deel uit van een grondwaterbeschermingsgebied. Het plangebied ligt niet binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering. Het betreft een herontwikkeling van het gebied waarbij de hoeveelheid verharding afneemt. De benodigde compensatie is berekend aan de hand van de watersleutel zie bijlage 2. Voor de beoogde ontwikkeling is geen watercompensatie noodzakelijk. In de huidige situatie is 7.976 m2 verhard en in de toekomstige situatie is dit 7.005 m2 verhard oppervlakte aanwezig. Wel dient voor de nieuwe toegangsweg (met duiker) over de secundaire watergang een watervergunning aangevraagd te worden.. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem worden milieuvriendelijke bouwmaterialen gebruikt gedurende de bouwfase. Negatieve effecten op de waterhuishoudkundige situatie als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen uitgesloten worden.
14/17
Gebiedsbescherming Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen derhalve worden uitgesloten. Gezien de ontwikkeling en afstand tot het natura 2000-gebied kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Om te bepalen wat de gevolgen voor stikstofdepositie zijn ten gevolge van de ontwikkeling, is een stikstofberekening uitgevoerd. Deze berekening is toegevoegd in de bijlagen bij het bestemmingsplan. Hieruit blijkt dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jr voor de gebruiksfase (2022). Op grond van de Wet natuurbescherming voor het onderdeel Natura 2000-gebieden zijn er qua stikstofdepositie geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Vanuit dit aspect worden geen negatieve effecten verwacht. Soortenbescherming In 2022 is een quickscan ecologie uitgevoerd. Deze is toegevoegd in de bijlagen bij het bestemmingsplan. Indien werkzaamheden aan het aanwezige struweel tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Uit het onderzoek blijkt tevens dat de rugstreeppad mogelijk kan voorkomen. Daarom is nader onderzoek naar het voorkomen van deze soort uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in de bijlagen bij het bestemmingsplan.
In de periode juli tot en met augustus 2022 zijn vijf veldbezoeken uitgevoerd om de aanwezigheid van deze soort vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Binnen het projectgebied zijn tijdens alle inventarisaties meerdere volwassen individuen van de rugstreeppad aangetroffen. Dit toont aan dat het projectgebied onderdeel uitmaakt van het landbiotoop van de rugstreeppad. Tijdens de inventarisaties is er geen koorzang waargenomen en zijn er geen larven aangetroffen. De ondiepe waterplas in het projectgebied is als voortplantingswater ongeschikt. Het is mogelijk dat de waterplas in de periode voorafgaand aan de inventarisaties wel geschikt was als voortplantingswater. In dat geval zouden er tijdens de inventarisaties echter juveniele individuen moeten zijn waargenomen. Dit is niet het geval. Het gebruik van het projectgebied door de rugstreeppad als voortplantingsbiotoop is in 2022 uitgesloten. Er is een ontheffing van de Wet natuurbescherming benodigd, omdat door de ontwikkeling landbiotoop van de rugstreeppad verloren gaat. Voor broedvogels geldt: Indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen (globaal van half maart tot half juli), mogen deze pas uitgevoerd worden indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden.
De beoogde ontwikkeling heeft een verkeersgeneratie van 566 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Uit de NIBM-tool blijkt dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse en vrijgesteld is van toetsing aan de grenswaarden.
Externe veiligheid Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de N211. Vanwege de beperkte bevolkingsdichtheid en doordat het groepsrisico in de huidige situatie ver onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde ligt vormt het groepsrisico geen beperkingen voor het bestemmingsplan. Uit de beperkte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de omgeving geen relevante risicobronnen aanwezig voor het plangebied. Een significant negatief effect is dan ook uitgesloten.
15/17
Risico’s op rampen door klimaatverandering Ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen nemen risico’s op rampen door klimaatadaptatie niet toe. Risico’s voor de menselijke gezondheid Uit toetsing van de verschillende milieuthema’s op het gebied van leefomgevingskwaliteit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een belangrijke toename van risico’s voor de menselijke gezondheid. Er wordt voldaan aan de normen voor geluid, bodem, externe veiligheid en luchtkwaliteit. Een significant negatief effect op de risico’s voor de menselijke gezondheid is daarmee uitgesloten.
Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen bestaande monumentale of cultuurhistorisch waardevolle gebieden aanwezig. De historische druivenkassen langs de 's-Gravenzandseweg blijven behouden. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op de cultuurhistorische waarde. Archeologie Voor een deel van het plangebied geldt een archeologische verwachtingswaarde. Bij werkzaamheden die op een aaneengesloten oppervlakte groter dan 1000 m² en waarbij graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm noodzakelijk zijn, dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Deze dubbelbestemming is overgenomen op de verbeelding en in de regels. Hiermee worden de archeologische waarden in de grond beschermd.
Tijdens de bouwwerkzaamheden kunnen milieueffecten optreden. Zo nodig worden maatregelen te worden getroffen om overlast voor de directe omgeving zoveel mogelijk te beperken. Dit dient bij het uitwerken van de aanpak en fasering van de uitvoeringswerkzaamheden nader te worden geconcretiseerd. Gezien de tijdelijkheid van de werkzaamheden en de relatief beperkt omvang van het project kunnen belangrijke negatieve milieueffecten uitgesloten worden.
De volgende mitigerende maatregelen dienen genomen te worden: in verband met mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels is het van belang om werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten of te starten als vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden; in verband met de aanwezigheid van de rugstreeppad wordt een ontheffing aangevraagd. De maatregelen die uit de aanvraag volgen dienen uitgevoerd te worden.
16/17
Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het plangebied niet gelegen is in een kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. De aard en beperkte omvang van het plan leiden niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen mits de genoemde mitigerende maatregelen worden uitgevoerd. Met inachtneming van deze maatregelen is het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure niet noodzakelijk.
17/17
NOTA VAN BEANTWOORDING REACTIES 3.1.1 BRO OVERLEG BESTEMMINGSPLAN " Bedrijvencampus Vlotlaan Monster "
1.
Instantie
Reactie
Beantwoording
Provincie Zuid Holland
Op 23 juni 2022 heeft de PZH via het E -formulier aangegeven akkoord te zijn met het plan. De
Ter kennisgeving aangenomen.
voorgestelde wijziging is niet in strijd met het provinciale beleid. 2.
Hoogheemraadschap van Delfland
Op 28 juli 2022 heeft het HHD per brief hun advies gegeven over de wateraspecten in het plan.
Het advies is verwerkt in de waterparagraaf 3.7.2 in de toelichting van het bestemmingsplan.
Paragraaf 3.7.2 Waterkwantiteit dient aangepast te worden met een extra onderbouwing over de watersleutel, de waterkwaliteit, het onderhoud en bagger en afvalwater en riolering. 3.
Veiligheidsregio Haaglanden
Op 26 juli 2022 heeft de VRH per email aangegeven
De adviezen met betrekking tot de
dat de ontwikkeling een lage intensiteit van transport van gevaarlijke stoffen over de N211 heeft
bluswatervoorziening en de calamiteitendoorgang zijn doorgegeven aan de ontwikkelaar. De
en dus wordt verwezen naar de notitie ‘Advisering EV VRH’ van 11 mei 2021. De bereikbaarheid van
bluswatervoorziening wordt gerealiseerd en over de calamiteitendoorgang vindt overleg plaats met de
bluswatervoorzieningen is onvoldoende en een tweede ontsluitingsroute of calamite itendoorgang
VRH.
wordt geadviseerd.
ÿ 123456748347 ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ 94 44 ÿ8565ÿ45ÿ4 54ÿ5ÿ3473 ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ 9728 4ÿ246ÿ8774ÿ58ÿ45746ÿÿ8234 ÿ ÿ ÿ ÿ !"##$ÿ%ÿ$& '()("* ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ,-./.,0,, ÿÿ 1 '2342&!2 #!(ÿ5##&&26(& ÿ ÿ 78ÿ89ÿ0ÿ0ÿ:: ÿ ÿ;"!<(==2("*ÿ& '22 #!(3=2&!ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ >#!&?&!$ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ @ABCDEFGADHDI JK$ ÿ ÿ ÿ ÿ LDIMMBNM@MNOPDOP IIFDPIMMB QRST ÿ ÿ @DOBLDGODC UVVWX YYQZZ[J\5ÿ]^_ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ `aa)2#=!)_2("*ÿa2#"*b(_ ÿ ;c]d]Y e`f4`51e]Y ÿ ÿ ÿ ghijiklmn ÿ ÿ ÿÿ ÿ oDEpMECÿOqrEMsPEtFGDGAuvOqL Iw ÿ [x[T [ZZy ÿ ÿ AqoDEpMECÿsPDCDBO| Iw ÿ QxR QQTy ÿ ÿ ÿ lÿkhl ÿ ÿÿ ÿ oDEpMECÿLBMsLDGODC Iw ÿ Z Z ÿ ÿ AqoDEpMECÿLBMsLDGODC Iw ÿ Z Z ÿ ÿ lÿÿnniÿ h ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ oDEpMECÿBMqCDBO| Iw Z Z ÿ ÿ AqoDEpMECÿBMqCDBO| Iw ÿ Z Z ÿ ÿ ÿ hi ÿ ÿ ÿÿ Iw Z ÿ ÿ ÿ puOCOLÿMMqvDHOLÿvMPDE Z ÿ h k ÿ ÿ ÿ ÿÿ A@@DEoBM|PDÿ@BMqLDGODC Iw xQ[Z xQ[Z ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ Yb(_&="$=" ;c]d]Y e`f4`51e]Y ÿ ÿ LDIOCCDBCÿIMMOoDBC ÿI ZSRZ ZSRZ ÿ ÿ ÿ IMMPLDoDqCÿ@DOB ÿI ^ZSR ^ZSRÿ ÿ ÿ LDIOCCDBCDÿCEAALBDLLOqL I ZS ZSÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ `aa)2#=!<#!ÿ("ÿ$ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ e!##2 `"!<(==2("* 42($##!ÿQZyZ ÿ ÿ |EuOIDBLDoMBÿ ÿ ihÿhiÿi klii T .,/ ,//ÿ ÿ Z 0 ÿ ljlÿ il ÿ ÿÿ ÿ ÿ hh kÿhiÿi klii ÿ T .,/ ,//ÿ ÿ MMqCDDBÿ@BMqLDGODCÿ 07 ., , ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ >#!b*("*ÿ("ÿ$ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ e!##2
`"!<(==2("* 42($##!ÿQZyZ ÿ ÿ |EuOIDBLDoMBÿ ÿ ihÿhiÿi klii S .8-0 888ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ
ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿzuOCOL{ÿMNPuDDBÿ|BOIMMP{ÿ}~ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ
qPvO||DBOqL{ÿ|BOIMMPÿ{
ÿ
ÿ
ÿ
ÿ
ÿ
ÿ
EMrOD|DqÿCODqDqÿMBBDDqÿPDEÿoDE
44
19
46
21
48
27
p hel
sc
rt Ha
33 35
rts Ha
54
26
23
29
p hel tsc Ha r
50 52
22
16
p chel
ch elp
36
30
28
7
5 Emm
9
astr
e Tw
dseweg
l che nds
40
38
15 17
's-Gra 11
eta
32
sweg
Station
p
34
19
42
43
aat
venzan
13
39
25
's-Grave
3B-3C
34
30
27
eg nzandsew
1 5
28
37
3A
nds
eta Twe
3
26
31
eweg
s enzand
's-Grav
21
ch elp
36 38
23
401
40
Ta
p hel
tsc
pij ts
Ha r
42
25
29
44 44 46
48
29A
50
52
56
20 403-403D
Tw eet
103-133
46
and sch elp
45-77
18
24
32
41
24
22
20
54 20A 402-507
31-101
9
eg
w se
nd za en
412-521
v ra
G 's-
sel
Mos pad 22
532 523
534 556
108 536
554 552 550 548 546
106 104
202-568 535
220
A 39
5
218
232
24
g
r te
se
we
230
212-216
ns
Totale oppervlakte: 9270 m2
228
Mo
Verhard: 7976 m2
226 210-224
Onverhard: 1294 m2
207 201-578
209 211 246-252
213 215
GEMEENTE ESTLAND
Bedrijvencampus Vlotlaan verharding huidige situatie
308-318
217-661
1
figuur PROJECT
20211702
FORMAAT
A2
SCHAAL
1:1000
Definitief
KAART
1/1
Voorlopig
GETEKEND
K. Heijmeriks
Concept
RHO ADV SE RS
info@rho.nl www.rho.nl
N
44
19
46
21
48
27
p hel
sc
rt Ha
33 35
rts Ha
54
26
23
29
p hel tsc Ha r
50 52
22
16
p chel
ch elp
36
30
28
7
5 Emm
9
astr
e Tw
dseweg
l che nds
40
38
15 17
's-Gra 11
eta
32
sweg
Station
p
34
19
42
43
aat
venzan
13
39
25
's-Grave
3B-3C
34
30
27
eg nzandsew
1 5
28
37
3A
nds
eta Twe
3
26
31
eweg
s enzand
's-Grav
21
ch elp
36 38
23
401
40
Ta
p hel
tsc
pij ts
Ha r
42
25
29
44 44 46
48
29A
50
52
56
20 403-403D
Tw eet
103-133
46
and sch elp
45-77
18
24
32
41
24
22
20
54 20A 402-507
31-101
9
eg
w se
nd za en
412-521
v ra
G 's-
sel
Mos pad 22
532 523
534 556
108 536
554 552 550 548 546
106 104
202-568 535
220
A 39
5
218
g
r te
se
we
Totale oppervlakte: 9270 m2
232
24
Totale oppervlakte: 1026 m2
230
212-216
s on
Onverhard: 616 m2 Verhard: 410 m2
228
M
226
Totale oppervlakte: 8244 m2
210-224
Onverhard: 1649 m2 Verhard: 6595 m2
207 201-578
209 211 246-252
213 215
GEMEENTE ESTLAND
Bedrijvencampus Vlotlaan verharding nieuwe situatie
308-318
217-661
1
figuur PROJECT
20211702
FORMAAT
A2
SCHAAL
1:1000
Definitief
KAART
1/1
Voorlopig
GETEKEND
K. Heijmeriks
Concept
RHO ADV SE RS
info@rho.nl www.rho.nl
N
QUICKSCAN VLOTLAAN TE MONSTER Conceptrapport
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 11-3-2022
VERANTWOORDING
Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail: Uitvoering: Adres:
Rho adviseurs I. Penning Adviseur Planvorming Weena 505 3013 AL Rotterdam (Delftse Poort) 010-2018536 iris.penning@rho.nl
Tel: E-mail:
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 72 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com
Projectleider:
ing. D. Withagen
Auteur: Kwaliteitscontrole:
A.J. Bik MSc. ing. J. Koorevaar
Projectcode: Status: Datum:
RANA2245 Concept 11-3-2022
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.
Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland. 2
SAMENVATTING
De initiatiefnemer is voornemens de realisatie van nieuwbouw uit te laten voeren. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Onderzocht is of deze ontwikkeling in het projectgebied niet strijdig is met de Wet natuurbescherming. In het projectgebied is braakliggend terrein en oppervlaktewater aanwezig welke mogelijk kunnen dienen als leefgebied voor de rugstreeppad. Tevens is in het projectgebied een jaarrond beschermd nest aanwezig. In het projectgebied kunnen algemene amfibieën, broedvogels en zoogdieren voorkomen. De werkzaamheden kunnen leiden tot de aantasting en vernieling van geschikt voortplantingswater en landbiotoop van de rugstreeppad. Het jaarrond beschermd nest kan worden verstoord als gevolg van de werkzaamheden. Tevens kunnen nestlocaties van algemene broedvogels worden verstoord en vernield. Individuen van de rugstreeppad en broedvogels kunnen worden verstoord en gedood. In het projectgebied kunnen mogelijk algemene, provinciaal vrijgestelde amfibieën en zoogdieren aanwezig zijn. Overige beschermde soorten worden door het ontbreken van geschikt habitat niet verwacht in het projectgebied voor te komen. Er worden geen directe negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden op Natura 2000-gebieden en het NNN verwacht.
Indirecte negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen als gevolg van de geplande werkzaamheden niet op voorhand worden uitgesloten. In artikel 2.9a van de Wet natuurbescherming is een partiele vrijstelling geïntroduceerd van de Natura 2000-vergunningsplicht voor de gevolgen van stikstofdepositie door activiteiten van de bouwsector. De gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die wordt veroorzaakt door aangewezen activiteiten (o.a. bouwen, slopen, vernieuwen, veranderen en vergroten) van de bouwsector worden buiten beschouwing gelaten. Voor de realisatiefase is derhalve geen vergunning benodigd. De nieuwbouw in het projectgebied kan tijdens de gebruiksfase mogelijk leiden tot een jaarlijkse toename in stikstofemissie. Er wordt geen significant effect op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden verwacht. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan hierover uitsluitsel bieden. Het is noodzakelijk aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van de rugstreeppad uit te voeren alvorens men met de werkzaamheden kan beginnen. Indien tijdens het broedseizoen gewerkt wordt kan het potentieel jaarrond beschermd nest worden verstoord en dient er aanvullend onderzoek naar jaarrond beschermde nesten uitgevoerd te worden.
Indien aanvullende onderzoeken aantonen dat het projectgebied functies voor beschermde soorten bevat en verstoring niet kan worden voorkomen, dient er een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Het is aan te bevelen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart - augustus) plaats te laten vinden. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien de werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Als gevolg van de werkzaamheden kunnen mogelijk aanwezige gebouwbewonende vleermuizen worden verstoord door trillingen en hard geluid. Indien als gevolg van de werkzaamheden de bestaande bebouwing wordt aangetast of er gebruik wordt gemaakt van zwaar materiaal direct naast de bestaande bebouwing dient er een aanvullend onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen uitgevoerd te worden. Het is aan te bevelen om nachtelijke verlichting zo veel mogelijk te beperken om verstoring van foeragerende en passerende vleermuizen en daarmee overtreding van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming te voorkomen.
Indien er additionele nachtelijke verlichting wordt toegepast is het wenselijk gebruik te maken van een richtarmatuur zodat strooilicht naar de omgeving wordt voorkomen. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten. Er vinden geen kapwerkzaamheden plaats. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk. 3
INHOUDSOPGAVE
1 Inleiding ...................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding en doel .................................................................................................................... 5 1.2 Natuurbeschermingswetgeving ................................................................................................. 5 1.2.1 Gebiedsbescherming ............................................................................................................ 5 1.2.2 Soortbescherming ................................................................................................................. 6 1.2.3 Ontheffing en gedragscode ................................................................................................... 7 1.3 Leeswijzer ................................................................................................................................ 7 2 2.1 2.2
Projectgebied en ontwikkelingen ............................................................................................... 8 Projectgebied ........................................................................................................................... 8 Ontwikkelingen......................................................................................................................... 8
3 Soortbescherming .................................................................................................................... 10 3.1 Bronnenonderzoek ................................................................................................................. 10 3.2 Habitatscan............................................................................................................................ 10 3.2.1 Vleermuizen........................................................................................................................ 10 3.2.2 Grondgebonden zoogdieren ............................................................................................... 11 3.2.3 Vogels ................................................................................................................................ 11 3.2.4 Amfibieën ........................................................................................................................... 11 3.2.5 Reptielen ............................................................................................................................ 12 3.2.6 Vissen ................................................................................................................................
12 3.2.7 Ongewervelden ................................................................................................................... 12 3.2.8 Vaatplanten ........................................................................................................................ 12 3.2.9 Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies ........................................................... 13 3.3 Effecten ................................................................................................................................. 13 3.3.1 Effecten ontwikkelingen ....................................................................................................... 13 3.4 Aanbevelingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming .................................................... 14 3.4.1 Aanvullende inventarisaties projectgebied............................................................................ 14 3.4.2 Mitigerende maatregelen ..................................................................................................... 14 3.4.3 Ontheffing Wet natuurbescherming...................................................................................... 15 4 4.1
Gebiedsbescherming ............................................................................................................... 16 Effecten ................................................................................................................................. 16
5 5.1 5.2
Conclusies en aanbevelingen .................................................................................................. 17 Conclusies ............................................................................................................................. 17 Aanbevelingen ....................................................................................................................... 17
6
Literatuur .................................................................................................................................. 19
Bijlage 1: Foto-impressie .................................................................................................................... 20 Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten ....................................................................................... 21 Bijlage 3: Kaart nest en leefgebied...................................................................................................... 23
4
1
INLEIDING
1.1
AANLEIDING EN DOEL De initiatiefnemer is voornemens de realisatie van nieuwbouw uit te laten voeren aan de Vlotlaan te Monster. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. De initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling dient er zorg voor te dragen dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk aanvullend onderzoek en/of een ontheffing noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadviseerd over de vervolgstappen. Er vinden geen kapwerkzaamheden plaats. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk.
1.2
NATUURBESCHERMINGSWETGEVING De Wet natuurbescherming beslaat soortbescherming, gebiedsbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. 1.2.1
GEBIEDSBESCHERMING
Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘Besluit algemene regels ruimtelijke ordening’ en zijn uitgewerkt in de provinciale verordeningen. Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. In het NNN geldt daarom het ‘nee, tenzij’-regime. Of een ingreep mag worden uitgevoerd in het NNN, hangt naast de instandhouding van de omvang van het NNN, in eerste instantie af van de mate van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.
5
1.2.2
SOORTBESCHERMING
Zorgplicht De zorgplicht is opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 Wnb (zorgplicht) 1. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Europees beschermde soorten - Vogels De verbodsbepalingen voor wat betreft vogels zijn opgenomen in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.1 Wnb. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2.
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De verbodsbepalingen voor wat betreft Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.5 Wnb. 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.
Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten De verbodsbepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 Wnb. 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
6
1.2.3
ONTHEFFING EN GEDRAGSCODE
Voor het overtreden van de verboden uit de bovengenoemde artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing worden aangevraagd. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zijn op de aanwezige beschermde soorten.
1.3
LEESWIJZER In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven, met huidige ecologische waarden. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven waarbij de effectanalyse ten aanzien van de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Wet natuurbescherming beschermde gebieden in de omgeving van de projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden.
7
2
PROJECTGEBIED EN ONTWIKKELINGEN
2.1
PROJECTGEBIED Het projectgebied is gelegen in de gemeente Westland in kilometerhok: X: (Rijksdriehoekscoördinaten). Afbeelding 1 geeft de globale ligging van het projectgebied weer.
70
/
Y:
448
Afbeelding 1: Ligging projectgebied
Het projectgebied bestaat uit bebouwing in de vorm van meerdere kassencomplexen, watertanks, woningen en een parkeerplaats. In het projectgebied zijn groenstructuren aanwezig in de vorm van bosschages en tuinen. Het grootste deel van het projectgebied wordt gevormd door een braakliggend, zandig terrein waarop tot recent een kassencomplex heeft gestaan. Het projectgebied wordt aan de zuidelijke kant begrensd door de Vlotwatering. Aan de oostkant en noordzijde van het projectgebied bevindt zich bebouwing in de vorm van een bedrijventerrein. De westzijde van het projectgebied wordt begrensd door de N211 ‘s-Gravenzandseweg. In bijlage 1 is een sfeerimpressie van het projectgebied weergegeven.
2.2
ONTWIKKELINGEN
In het projectgebied wordt nieuwbouw gerealiseerd. Van de recente bebouwing is een groot laag kassencomplex gesloopt. De woningen en overige kassen blijven behouden. In het projectgebied worden drie complexen op de braakliggende grond gebouwd. Op afbeelding 2 is de geplande ontwikkeling weergegeven. De aan te leggen complexen bestaan uit twee bedrijfsverzamelgebouwen en een bedrijfspand. Tevens wordt er parkeergelegenheid aangelegd en komt er een nieuwe passage over de bestaande watergang.
8
Afbeelding 2: Geplande ontwikkeling in het projectgebied
9
3
SOORTBESCHERMING
3.1
BRONNENONDERZOEK Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten mogelijk gebruik maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgegevens geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en PGO’s, databanken met verspreidingsgegevens (waaronder de NDFF) en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebieden. Daarnaast zijn alle beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebracht. Uit het bronnenonderzoek volgt een lijst met beschermde soorten welke mogelijk in het projectgebied voor kunnen komen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhokniveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn uit de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectgebied te worden verwacht. In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van alle beschermde soorten die bekend zijn voor te komen in de omgeving van het projectgebied. Provinciale vrijstelling De ‘Verordening vrijstellingen soorten’ betreft een vrijstelling van het verbod op doden en verstoren bij bestendig beheer en gebruik en ruimtelijke ingrepen.
Voor de provincie Zuid-Holland zijn middels artikel 8.1 van de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten.
3.2
HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met het aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog soorten worden toegevoegd als het habitat geschikt lijkt voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsgevonden op 15 februari 2022 en is uitgevoerd door A.J. Bik MSc. Het was die dag geheel bewolkt met een temperatuur van 7 °C en windkracht 4 uit het zuidwesten. 3.2.1
VLEERMUIZEN
In de omgeving van het projectgebied zijn de gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis bekend voor te komen. In het projectgebied is bebouwing aanwezig in de vorm van kassen en woningen. De bebouwing biedt mogelijkheden voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en de ruige dwergvleermuis. De gewone baardvleermuis komt voornamelijk voor in bosrijke en kleinschalige landschappen. Zomerverblijfplaatsen komen vooral voor in boomholtes en op zolders, winterverblijfplaatsen voornamelijk in ondergrondse ruimtes van bunkers, forten en kelders. In de directe omgeving van het projectgebied is geen geschikt habitat aanwezig. Derhalve wordt de gewone baardvleermuis niet verwacht in het projectgebied voor te komen. De gewone grootoorvleermuis verblijft hoofdzakelijk in zolderruimtes of boomholtes. De soort komt voornamelijk voor in half open tot gesloten bosrijk landschap. De directe omgeving van het projectgebied sluit niet aan op de habitateisen van de gewone grootoorvleermuis. Hierdoor wordt de gewone grootoorvleermuis niet verwacht in het projectgebied voor te komen. Tijdens de habitatscan zijn geen geschikte holtes in de bomen in het projectgebied vastgesteld.
Derhalve worden verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen niet verwacht in het projectgebied voor te komen.
10
De bebouwing in het projectgebied maakt mogelijk als structuur onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich meerdere structuren zoals bebouwing, oppervlaktewateren en wegen, welke een alternatieve vliegroute bieden voor vleermuizen. Essentiele vliegroutes worden derhalve niet verwacht in het projectgebied voor te komen. De groenstructuren in het projectgebied kunnen mogelijk dienen als foerageergebied door vleermuizen. In de omgeving van het projectgebied bevinden zich meerdere structuren zoals grasland, tuinen, bosschages en duinen die geschikt zijn als alternatief foerageergebied voor vleermuizen. Essentieel foerageergebied voor vleermuizen wordt derhalve niet verwacht in het projectgebied voor te komen.
3.2.2
GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN
In de omgeving van het projectgebied is de eekhoorn bekend voor te komen. De eekhoorn komt voor in bossen, parken en tuinen. De eekhoorn maakt zelf nesten of maakt gebruik van boomholtes. Tijdens de habitatscan zijn geen eekhoornnesten of individuen van de eekhoorn in het projectgebied waargenomen. De bekende verspreiding van de eekhoorn bevindt zich op ruime afstand van het projectgebied, in groengebieden van Den Haag. De eekhoorn wordt niet verwacht in het projectgebied voor te komen. In het projectgebied kunnen algemene, provinciaal vrijgestelde zoogdieren voorkomen zoals de bosmuis en de egel.
3.2.3
VOGELS
In de omgeving van het projectgebied zijn de gierzwaluw en de huismus bekend voor te komen. Nestplaatsen van de gierzwaluw en de huismus bevinden zich in en bij bebouwing. In het projectgebied is bebouwing in de vorm van woningen aanwezig, die geschikte verblijfplaatsen kunnen bieden voor de gierzwaluw en de huismus. Tevens is in het projectgebied groenblijvend struweel aanwezig welke mogelijk essentieel leefgebied voor de huismus vormt. De aanwezigheid van de gierzwaluw en de huismus in het projectgebied kan niet worden uitgesloten. In de omgeving van het projectgebied kunnen jaarrond beschermde nesten van de boomvalk, buizerd, kerkuil, ransuil en de sperwer voorkomen. Tijdens de habitatscan is één potentieel jaarrond beschermd nest in het projectgebied vastgesteld. In bijlage 3 is de locatie van het jaarrond beschermd nest weergegeven. De kerkuil komt voor in cultuurlandschap met gras- en bouwlanden, heggen, houtwallen en bosschages. De kerkuil broedt voornamelijk in boerenschuren, kerken, torens en nestkasten aan deze gebouwen. In het projectgebied is geen geschikt habitat aanwezig en zijn geen geschikte verblijfplaatsen voor de kerkuil aangetroffen. De kerkuil wordt niet verwacht in het projectgebied voor te komen. Soorten uit categorie 5 van de aangepaste lijst met jaarrond beschermde nesten (RVO, 2009) kunnen mogelijk binnen het projectgebied tot broeden overgaan.
De te verwachten soorten zijn de boomkruiper, ekster, grote bonte specht, huiszwaluw, koolmees, pimpelmees, spreeuw en de zwarte kraai. Overige, beschermde soorten uit categorie 5 worden wegens het ontbreken van geschikt habitat niet verwacht in het projectgebied voor te komen. In het projectgebied kunnen nestlocaties van algemene broedvogels voorkomen.
3.2.4
AMFIBIEËN
In de omgeving van het projectgebied zijn de alpenwatersalamander, boomkikker en de rugstreeppad bekend voor te komen. De alpenwatersalamander komt voor in oppervlaktewateren in beboste gebieden en kleinschalige landschappen. In Nederland komt de soort voor in Noord-Brabant en Limburg. Elders in het land komt de soort voor door uitzettingen. In het projectgebied is geen geschikt habitat aanwezig. De alpenwatersalamander wordt niet verwacht in het projectgebied voor te komen. De boomkikker komt voor in beboste gebieden, kleinschalige cultuurlandschappen, duinen en heideterreinen. In Nederland komt de soort voornamelijk voor in Noord-Brabant, delen van Zeeland, Limburg en het oosten van het land. Elders komt de soort voor door uitzettingen. De dichtstbijzijnde, uitgezette, populatie in de omgeving van het projectgebied is in de duinen bij Monster te vinden. In het projectgebied is geen geschikt habitat aanwezig. De boomkikker wordt niet verwacht in het projectgebied voor te komen.
11
De rugstreeppad komt voor in laag begroeide terreinen met vergraafbare bodem zoals braakliggende bouwterreinen, zand- en kleiafgravingen, duinen en uiterwaarden. Tevens komt de soort voor in vennen bij heidegebieden en sloten in akker- en graslandgebieden. In het projectgebied is een braakliggend zandig terrein met daarnaast oppervlaktewater in de vorm van een sloot aanwezig. Tijdens de habitatscan zijn er tevens ondiepe waterplassen op het braakliggende terrein vastgesteld. De rugstreeppad kan niet worden uitgesloten in het projectgebied voor te komen. In het projectgebied kunnen algemene, provinciaal vrijgestelde amfibieën voorkomen zoals de bruine kikker en de gewone pad.
3.2.5
REPTIELEN
In de omgeving van het projectgebied zijn de muurhagedis en de zandhagedis bekend voor te komen. De zandhagedis komt voor in zandige, droge, open terreinen zoals heiden en duinen. In het projectgebied is geen geschikt habitat aanwezig. De zandhagedis wordt door het ontbreken van geschikt habitat niet verwacht in het projectgebied voor te komen. De muurhagedis komt voor op warme, rotsige plekken en in rivierdalen. In Nederland komt de soort alleen in Zuid-Limburg voor. Individuen elders in Nederland betreffen vaak ontsnapte of illegaal uitgezette exemplaren. In het projectgebied is geen geschikt habitat aanwezig. De muurhagedis wordt niet verwacht in het projectgebied voor te komen. Overige, beschermde reptielen worden door het ontbreken van geschikt habitat niet verwacht in het projectgebied voor te komen.
3.2.6
VISSEN
In de omgeving van het projectgebied zijn geen beschermde vissoorten bekend voor te komen. In het projectgebied is geen geschikt habitat voor beschermde vissoorten aanwezig. Derhalve kan het voorkomen van bekende vissoorten worden uitgesloten.
3.2.7
ONGEWERVELDEN
De onderzochte groep bestaat onder andere uit vlinders, libellen en weekdieren. In de omgeving van het projectgebied is de grote vos bekend voor te komen. De grote vos komt voor in bosrijke gebieden. De waardplanten van de grote vos zijn voornamelijk iepen. Tijdens de habitatscan zijn geen waardplanten van de grote vos in het projectgebied aangetroffen. In de omgeving van het projectgebied is vooralsnog geen vaste populatie van de grote vos bekend. De grote vos wordt niet verwacht in het projectgebied voor te komen. Overige, beschermde ongewervelden worden door het ontbreken van geschikt voortplantingswater of waardplanten niet verwacht in het projectgebied voor te komen.
3.2.8
VAATPLANTEN
In de omgeving van het projectgebied is de muurbloem bekend voor te komen. De muurbloem groeit op zonnige plaatsen op oude en verweerde muren die met een zachte kalkspecie zijn gevoegd. Groeiplaatsen betreffen oude en verweerde muren van kerken, ruïnes, stadsmuren en kloostermuren. In Nederland is de verspreiding van de soort beperkt tot stedelijke gebieden. In het projectgebied is geen geschikt habitat aanwezig. De muurbloem wordt niet verwacht in het projectgebied voor te komen. Overige beschermde vaatplanten zijn tijdens de habitatscan niet in het projectgebied waargenomen. Door het ontbreken van geschikt habitat worden er geen beschermde vaatplanten in het projectgebied verwacht voor te komen.
12
3.2.9
MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN EN FUNCTIES
Het projectgebied herbergt mogelijk meerdere functies voor beschermde diersoorten. In het projectgebied kunnen op basis van het aanwezige habitat de volgende soorten en functies niet op voorhand worden uitgesloten voor te komen. Tabel 1: Te verwachten beschermde soorten en functies Soort / soortgroep
Functies
Bescherming Wnb
Mogelijk aanwezig in:
Broedvogels
Nesten
Artikel 3.1 (VR)
Struweel en bomen
Nesten
Artikel 3.1 (VR)
Bomen
Gierzwaluw
Nestlocaties
Artikel 3.1 (VR)
Openingen bij dakrand
Huismus
Nestlocaties
Artikel 3.1 (VR)
Ruimtes onder pannendak
Broedvogels jaarrond
met
beschermde
nesten
Functioneel leefgebied Rugstreeppad
Voortplantingsbiotoop
Groen rond woningen Artikel 3.5. (HR IV & Bern II)
Landbiotoop Vleermuizen Algemene
amfibieën
Braakliggend terrein Oppervlaktewater
Verblijfplaatsen
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)
Bebouwing spouwmuur/dakrand
Leefgebied
Artikel 3.10 (Wnb bijlage A)
Bebouwing en struweel
en zoogdieren* *= Vrijgesteld in de provincie Zuid-Holland in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
3.3
EFFECTEN Indien beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedssfeer hiervan kunnen voorkomen, wordt onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op deze soorten. Indien er effecten op deze soorten worden verwacht, zal worden gezocht naar compenserende of mitigerende maatregelen welke genomen kunnen worden tijdens de ontwikkeling om zo te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Mochten deze maatregelen niet afdoende zijn, of praktisch niet in te passen in de plannen, zal mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn. 3.3.1
EFFECTEN ONTWIKKELINGEN
De te verwachten effecten op soorten en functies zijn opgedeeld in tijdelijke en permanente effecten. Deze zijn schematisch weergegeven in tabel 2. Daarnaast zijn de beschermde soorten en functies beschreven waar geen effecten op worden verwacht bij uitvoering van de werkzaamheden. Geen effecten De huidige bebouwing in het projectgebied wordt niet aangetast als gevolg van de werkzaamheden en blijven dus behouden. De mogelijk aanwezige nestlocaties voor de huismus en de gierzwaluw en de verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich buiten de invloedsfeer van de geplande werkzaamheden. Derhalve worden er geen effecten als gevolg van de geplande werkzaamheden op de nestlocaties van de huismus en de gierzwaluw en verblijfplaatsen van vleermuizen verwacht. Tijdelijke effecten De geplande werkzaamheden kunnen tijdelijke effecten hebben op beschermde natuur. In het projectgebied is tijdens de habitatscan een potentieel jaarrond beschermd nest aangetroffen. Volgens de huidige geplande werkzaamheden blijft de boom met jaarrond beschermd nest behouden. Er worden enkel tijdelijke effecten verwacht. De nestlocatie kan als gevolg van de werkzaamheden worden verstoord door hard geluid en trillingen. In het projectgebied is op de locatie waar de geplande werkzaamheden plaats vinden één groenblijvend struweel aanwezig welke als essentieel leefgebied voor de huismus kan dienen.
In het projectgebied en directe omgeving zijn echter voldoende alternatieven aanwezig in de vorm van groenblijvend struweel welke niet door de werkzaamheden wordt aangetast. Tijdens de habitatscan zijn geen huismussen in het betreffende struweel aangetroffen. Het betreffende groenblijvend struweel is niet essentieel voor de huismus en derhalve worden enkel tijdelijke effecten verwacht. Indien tijdens de werkzaamheden geen nesten van de boomkruiper, ekster, grote bonte specht, huiszwaluw, koolmees, pimpelmees, spreeuw en de zwarte kraai worden vernield, worden enkel tijdelijke effecten op deze soorten verwacht. De staat van instandhouding van de boomkruiper, bosuil, grote bonte specht, koolmees,
13
pimpelmees en de zwarte kraai zijn gunstig (SOVON.nl). Daarnaast hebben ze voldoende uitwijkmogelijkheden. De nesten van deze soorten zijn derhalve niet jaarrond beschermd, maar alleen beschermd indien de nesten in gebruik zijn. De staat van instandhouding van de ekster en de huiszwaluw zijn niet gunstig. De ekster heeft voldoende uitwijkmogelijkheden in de vorm van bomen buiten het projectgebied. De huidige bebouwing in het projectgebied wordt niet aantast als gevolg van de werkzaamheden. Mogelijke nestlocaties van de spreeuw en de huiszwaluw blijven derhalve behouden. De spreeuw heeft tevens voldoende uitwijkmogelijkheden in de vorm van bomenrijen en bebouwing in de omgeving van het projectgebied. Geschikte nestlocaties zijn in dit geval niet de beperkende factor. Zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden ontbreken om de nesten van de ekster, huiszwaluw en de spreeuw een jaarronde bescherming te geven. Voor de ekster geldt daarnaast dat het nest ‘in gebruik’ is als er eieren of jongen aanwezig zijn. Nestbouw alleen, maakt het voor de ekster nog geen nest dat in gebruik is. De ekster bouwt bijna jaarrond aan zijn nest en bouwt doorgaans meerdere nesten binnen het territorium. De huidige bebouwing met mogelijk geschikte verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen staan buiten de locaties binnen het projectgebied waar de geplande werkzaamheden plaats vinden.
Indien de bebouwing niet wordt aangetast als gevolg van de geplande werkzaamheden worden enkel tijdelijke effecten verwacht. Als gevolg van de geplande werkzaamheden kunnen de mogelijk aanwezige verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen worden verstoord door trillingen en hard geluid. Tevens kunnen broedgevallen van vogels worden verstoord door trillingen en hard geluid als gevolg van de geplande werkzaamheden. Wanneer tijdens de geplande werkzaamheden gebruik gemaakt wordt van additionele nachtelijke verlichting kunnen foeragerende en passerende vleermuizen worden verstoord. Permanente effecten Permanente effecten op beschermde natuur als gevolg van de werkzaamheden kunnen niet worden uitgesloten. Als gevolg van de geplande werkzaamheden kan het voortplantings- en leefgebied van de rugstreeppad worden verstoord en vernield. Wanneer de geplande werkzaamheden binnen het broedseizoen van vogels (globaal maart - augustus) plaats vinden kunnen broedgevallen van vogels worden verstoord en vernield. Tijdens het verwijderen van groen kunnen mogelijk algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Tabel 2: Mogelijke effecten op beschermde soorten Soort / soortgroep
Effect
Verbodsbepaling
Broedvogels
Opzettelijk doden
Artikel 3.1 (VR) Lid 1
Opzettelijk vernielen / beschadigen nest
Artikel 3.1 (VR) Lid 2
Opzettelijk verstoren
Artikel 3.1 (VR) Lid 4
Opzettelijk doden
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 1
Opzettelijk verstoren
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 2
Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 4