Bedrijventerrein Bovendijk_Toelichting
Tekst van het document
Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering. Nationaal Waterplan Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van
28
Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie sluit aan op de uitgangspunten van het Nationaal Waterplan en vult deze op onderdelen aan. Uitgangspunten zijn het verbeteren van de waterkwaliteit, het voorkomen van wateroverlast, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. Provinciaal beleid Het provinciaal waterbeleid voor de periode 2016-2021 bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) 2016 - 2021, onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015 en het Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027. In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zijn de ruimtelijke componenten opgenomen van het waterbeleid. Hoofdstuk 4 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid: de ambitie om een duurzaam, concurrerende en leefbare Europese topregio te zijn.
De Provincie bevordert de transitie naar een water -en energie efficiënte samenleving. Daar spelen het verbeteren van toekomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde een belangrijke rol; aan het watersysteem worden grote uitdaging gesteld door verzilting, klimaatverandering, inklinking, veranderd ruimtegebruik en de daarbij passende veranderingen van het watersysteem; het beter benutten van de kansen en natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de ondergrond is tevens een speerpunt van het provinciaal waterbeleid; tenslotte door een verandering naar een duurzame voorziening in de energiebehoefte kan worden ingezet op een energie-efficiënte samenleving. De provincie heeft samen met de gemeente Den Haag en Westland een Visie Vaartenland opgesteld, een visie op hoe de vaartenstructuur in Westland en Den Haag recreatief/toeristisch en economisch elkaar kan versterken. Het project Westlandse Waterlijnen heeft de provincie in samenwerking met heel veel stakeholders uit het gebied ten westen van het Rijn-Schiekanaal opgesteld (Westland, Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis). Waterschapsbeleid Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap'.
In dit Waterbeheerplan 5 (WBP 5) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: de waterveiligheid; het waterbeheer; de waterkwaliteit; het zuiveren van afvalwater. Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Delfland voert zijn kerntaken uit ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leefomgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheergebied. Het is een uitdaging om bij de uitvoering van die taken aan te sluiten bij de beleving en de behoeften van de maatschappij. Waterbewustzijn vormt de onmisbare schakel voor draagvlak. Delfland wil dat mensen zich in de komende planperiode bewust worden van het
29
water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van Delfland in de komende planperiode. De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap: 1.
2.
3.
4.
In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden. De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. Delfland werkt bij het bestendigen van het beheer van de infrastructuur toe naar de levenscyclusbenadering; Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afvalwatersysteem. Dit betekent de kans op natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer vast te houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voor de multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeteren en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen tot zoetwaterfabrieken. Bij elk project, proces en activiteit worden de innovatieve mogelijkheden en de meest duurzame wijze van uitvoering meegenomen in de afwegingen; Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven. De samenwerking in het waterbeheer is pluriform van karakter. Het waterschap speelt hierop in door goed omgevingsmanagement en door op basis van transparantie en vertrouwen de samenwerking te zoeken en structureel te onderhouden.
Delfland wil het waterbewustzijn bevorderen door samenwerking met belanghebbenden en delen van verantwoordelijkheden; Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Duidelijke kaders worden neergezet, zoals financieel gezond en bijdragen aan toekomstbestendig waterbeheer, maar dogma's zijn er niet. Dit betekent dat er in de werk- en beleidsprocessen van de ambtelijke organisatie en bij bestuurlijke besluitvorming binnen de wettelijke mogelijkheden voldoende ruimte moet zijn om maatwerk te leveren. Innovatie fungeert daarbij als aanjager om te blijven vernieuwen, mee te bewegen met veranderingen en te voorkomen dat het waterschap statisch wordt.
In 2007 (herzien in oktober 2018) is een Handreiking Watertoets, ruimte voor water in ruimtelijke plannen opgesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland stelt voorwaarden aan de inhoud van de watertoets (waterparagraaf) als verplicht onderdeel van de onderbouwing van ruimtelijke plannen. De watertoets berust op twee uitgangspunten: Standstill-beginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; Het is belangrijk om water al bij de locatiekeuze en het ontwerp van ruimtelijke ontwikkelingen als ordenend principe te gebruiken. Dat voorkomt het ontstaan van knelpunten achteraf, zoals (grond)wateroverlast of slechte waterkwaliteit; Verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Het gaat daarbij ook om de relatie tussen de verschillende waterthema's (droogte en wateroverlast, afvalwater, waterkwaliteit en ecologie, waterkeringen). Waterknelpunten en/of problemen met waterkeringen worden niet afgewenteld op de omgeving of verschoven naar de toekomst De toelichting van bestemmingsplannen dient een beschrijving te bevatten van de volledige watersituatie binnen het plangebied, alsmede de te verwachten ontwikkelingen.
Deze beschrijving dient in te gaan op de volgende aspecten: Beleidskader omtrent water; Veiligheid en waterkeringen; Waterkwantiteit; Grondwater en voorkomen van (zoet) water te kort; Onderhoud en bagger; Watersysteemkwaliteit en ecologie; Afvalwater en riolering; Klimaatadaptie.
30
Gemeentelijk beleid Het Waterplan Westland , met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: ”Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie“, worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd. 3.6.2
Onderzoek
In opdracht van gemeente Westland heeft Aqua Terra Nova een uitgebreide waterstudie voor het plangebied opgesteld (bijlage 5). Veiligheid en waterkeringen Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. In de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland zijn de ligging en de minimale afmetingen van de waterkeringen vastgelegd. Rondom de keringen is een keurzone vastgesteld. Deze bestaat uit het waterstaatswerk (de daadwerkelijke kering) en een beschermingszone. Binnen het waterstaatswerk en de beschermingszone zijn op basis van de Keur Delfland beperkingen gesteld aan activiteiten die het waterkerend vermogen van de kering nu en in de toekomst kunnen aantasten. In het plangebied komt in het zuidelijke gedeelte langs de Bovendijk een waterkering voor. In de zone van de waterkering vinden geen fysieke werkzaamheden plaats en zijn ook geen andere wijzigingen aan de orde.
figuur 18: uitsnede Leggerkaart HoogheemraadschapDelfland 'Legger Regionale Waterkeringen'
In het kader van de veiligheid en waterkeringen zijn geen aanvullende randvoorwaarden van toepassing op de realisatie van dit plan. Waterkwantiteit Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur met voldoende mogelijkheden voor
31
waterberging. Dit streven heeft uiteindelijk tot doel wateroverlast voor de nieuwe en de al aanwezige functies in het gebied te voorkomen. Bij het voorkomen van wateroverlast en het verwerken van hemelwater hebben perceeleigenaar, gemeente en Delfland elk een verantwoordelijkheid. De perceeleigenaar moet het hemelwater zoveel mogelijk zelf verwerken en vasthouden bij de plaats waar het valt, bijvoorbeeld een (slimme)regenton. De gemeente draag zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Dit betekent, dat de gemeente in eerste instantie en initiatiefnemers/perceel eigenaren inspanning moet doen om dit hemelwater vast te houden of terug te brengen in de bodem. Vervolgens kan het (al dan niet na zuivering) worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Delfland is vervolgens verantwoordelijk voor de ontvangst van hemelwater in het oppervlaktewater. Het watersysteem van peilgebied V is beperkt tot twee verduikerde aanvoerroutes vanaf de Heulweg vanuit de boezem en enkele watergangen die afvoeren naar de hoofdwatergang langs de Bovendijk. Overtollig water wordt geloosd op peilgebied IVA en via enkele kleine duikers onder de Bovendijk op peilgebied III. Er komt een extra watergang ten oosten van het plangebied met een stuw (watergang 800) en een duiker in het hogere peilgebied wordt verlengd en geeft daarmee een (blijvende) afstroom mogelijkheid uit het gebied.
De leggerdiepte van watergangen 840 en 800 wordt aangepast naar 35 cm en de minimale diepte naar 25 cm. Het plan dient te voldoen aan de provinciale normen voor bergingsen afvoercapaciteit. In overleg met Delfland is besloten een onderzoek uit te voeren naar de opheffing van peilgebied V-A. Delfland heeft aangegeven dat zij niet vasthouden aan het instand blijven van het aparte peilgebied en de duiker die hier parallel aan loopt. Ook de belangen van de ingelanden zijn meegenomen. Watersleutel Volgens de provinciale verordening is het beschermingsniveau tegen wateroverlast voor wonen eens in de 100 jaar, voor bedrijfsterreinen eens in de 50 jaar en voor agrarisch, eens in de 10 jaar. Conform de Handreiking Watertoets en de nieuwe beleidsnota van Delfland mag de waterhuishoudkundige situatie niet verslechteren cq. mag de kans op wateroverlast niet toenemen als gevolg van een ontwikkeling. Uitgaande van het bedrijventerrein Bovendijk 38-50 als gegeven, voorziet dit bestemmingsplan in de omzetting van ca. 37.386 m2 glastuinbouwgebied naar stedelijke bebouwing, waarvan ca. 29.420 m2 al verhard is. Uit de berekening van de watersleutel blijkt dat er een opgave is van 609 m3, wat met een maximale peilstijging van 0,4 m overeenkomst met 1523 m2 water. Dit water is als zodanig op de plankaart en in de planregels bestemd.
Op basis van het bestemmingsplan Bovendijk 38-50 moet nog een wateropgave van 883 m2 worden gerealiseerd. Ook dit water is op de plankaart als zodanig bestemd en in de planregels als voorwaardelijke verplichting opgenomen. Voor het vergraven en dempen van aanwezige watergangen zijn vergunningen aangevraagd en verleend door het Hoogheemraadschap van Delfland. Watersysteemkwaliteit en ecologie (klimaatadaptatie) De kwaliteitsverbetering van het polderwater is voor een belangrijk deel afhankelijk van de vermindering van verontreiniging van gebieden elders, zoals uitwaterende polders, overstorten van riolering, diffuse bronnen en stedelijk gebied. De nieuwe watergangen krijgen aan beide zijden een groenbestemming van 2,5 meter breed. Uitgangspunt is dat binnen deze zone een (groen) talud wordt aangelegd. Eventueel kan ook volledige invulling met water volgen, waarbij voor een harde beschoeiing gekozen wordt. Aan de kant van de woningen langs de Heulweg wordt mogelijk voorzien in een groene inkleding die een bijdrage levert aan de ecologische waarde van het gebied. Het afstromend hemelwater vanaf het plangebied kan een gering positief effect op de waterkwaliteit in de watergang hebben, indien het hemelwater direct of indirect naar het oppervlaktewater wordt afgevoerd.
Door de infiltratie van hemelwater in de bodem kan door de bodempassage eveneens een kwaliteitsverbetering plaatsvinden in het grondwater. Verder geldt dat het gebruik van uitlogende materialen niet is toegestaan. Wat betreft een klimaatadaptieve inrichting geldt dat ondernemers uitgenodigd zullen worden om waterdoorlatende verharding, groene inrichting met vaste planten langs de weg, sedumdaken, gevelbeplanting, lichte gevels, faunavoorzieningen en zonnepanelen toe te passen.
32
Onderhoud en bagger Het te graven oppervlaktewater en de secundaire watergangen dienen te worden onderhouden door de eigenaren van de aangrenzende percelen. Voor een gedeelte in het westen van het plangebied is inmiddels een watervergunning door het Hoogheemraadschap van Delfland verleend waarin afspraken over onderhoud zijn vastgelegd. Bij varend onderhoud wordt in ieder geval rekening gehouden met een minimale diepte van 1 meter en een breedte van 3,10 meter of zal d.m.v. een onderhoudsplan worden aangetoond hoe het onderhoud anders plaats kan vinden. Bodem en grondwater Bij nieuwe ontwikkelingen/initiatieven is het van belang om rekening te houden met een voldoende drooglegging om grondwateroverlast te voorkomen. Het bouwpeil moet daarom hoog genoeg boven het waterpeil liggen. Een voldoende hoog bouwpeil helpt niet alleen tegen grondwateroverlast, maar ook tegen wateroverlast algemeen. De drooglegging in het onderhavige plan zal tenminste 1,0 m. bedragen. Het bestemmingsplan maakt geen ondergrondse werken mogelijk. Afvalwater en riolering Het afvalwater dient tot de perceelsgrens gescheiden van hemelwater en schone oppervlakken te worden afgevoerd. Het plangebied wordt aangesloten op het bestaande gemeentelijke rioleringsstelsel. Het is niet bekend of de capaciteit van de afvoerende riolering voldoende is om de toename van het afvalwater te verwerken.
Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; water opvangen door toepassen van vegetatiedaken; (in)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. 3.6.3
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.
3.7
Bodem
3.7.1
Wettelijk kader
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. b. c.
het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; het wegnemen van actuele risico's.
Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake
33
zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. 3.7.2
Situatie in het plangebied
Het plangebied bestaat uit glastuinbouwgebied en bedrijfsterrein. Het bestaande bedrijfsterrein zal worden uitgebreid. Het plangebied is niet gelegen in een milieubeschermingsgebied voor grondwater. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Westland blijkt dat het plangebied is gelgen in zone Wonen (kassen). De algemene bodemkwaliteit van de boven- en ondergrond zijn resp. geclassificeerd als klasse Wonen en Landbouw/natuur. Ter plaatse van de Heulweg (achter 92) is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest (toetsingsrapport ODH 2019-00049104, 3 mei 2019). Deze verontreiniging is nog niet gesaneerd. Op de locatie Bovendijk 30 is sprake van een nieuw geval van bodemverontreiniging met minerale olie. Hiervoor is een plan van aanpak ingediend waarmee de ODH heeft ingestemd. Voor zover bekend is de sanering nog niet uitgevoerd. Niet alle locaties in het plangebied zijn voldoende onderzocht. Voor die delen zal bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd en zal eventueel gesaneerd moeten worden. Er zijn ook locaties waar het uitgevoerde bodemonderzoek verouderd is (ouder dan vijf jaar). 3.7.3
Onderzoek
Voor het gehele plangebied zijn diverse bodemonderzoeken gedaan waaruit blijkt dat voor bepaalde gebieden een sanering plaats moet vinden. Deze zullen uitvoering krijgen alvorens het bestemmingsplan uitvoering krijgt. De bodemonderzoeken zijn gedaan door de verschillende grondeigenaren in het gebied en opgenomen als bijlage 6, bijlage 7, bijlage 8, bijlage 9 en bijlage 10 bij deze toelichting. Dit bestemmingsplan maakt ook ontwikkelingen mogelijk op bedrijfsgronden die reeds als zodanig bestemd zijn, maar nog geen bebouwing mogen hebben. Voor deze gronden is (op de reeds verleende omgevingsvergunning voor het project Bovendijk nabij 18 na) nog geen bodemonderzoek gedaan. Het betreft de volgende gronden (Bovendijk nabij 18 in gele cirkel):
figuur 19: gronden waarvoor nog bodemonderzoeknoodzakelijk is
In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die bebouwing op deze gronden slechts mogelijk gemaakt indien uit bodemonderzoek is gebleken dat er geen belemmeringen voor de bouw zijn en de grond voldoende schoon is. 3.7.4
Conclusie
De resultaten van het onderzoek en de daaruit voortvloeiende saneringen maken dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor uitvoering van dit bestemmingsplan.
34
3.8
Ecologie
3.8.1
Wettelijk kader
Natuurnetwerk Nederland Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied. Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking.
De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes: Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn; Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd.
Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. van de Wnb.
35
Vrijstellingen In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Zorgplicht De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten: 1. 2. 3.
Achterwege gelaten worden, of Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt
Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden. 3.8.2
Onderzoek
Het onderzoeksbureau Aqua Terra Nova heeft een eco-effectscan gedaan om te inventariseren of de voorgenomen uitbreiding van het bedrijventerrein Bovendijk mogelijk is strijd is met de Wet natuurbescherming. Het onderzoek wat betreft de eco-effectscan is bijgevoegd als Bijlage 11. Wat betreft de soortenbescherming is de conclusie dat er geen negatieve effecten zijn voor de beschermde soorten. Ook aangaande de gebiedsbescherming is de conclusie dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn voor het Natuurnetwerk Nederland of de Natura 2000 gebieden. Er is een berekening gemaakt van de stikstofdepositie als gevolg van het nieuwe bedrijventerrein, waaruit gebleken is dat er een afname van de hoeveelheid stikstof plaatsvindt ten opzichte van het eerdere (mogelijke) gebruik ten behoeve van de glastuinbouw. Het stikstofrapport is toegevoegd als Bijlage 12. 3.8.3
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten wat betreft de te beschermen natuur.
36
3.9
Cultuurhistorische aspecten
3.9.1
Wettelijk kader
In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Sinds 2016 is deze wet vervangen door de Erfgoedwet. Door middel van het overgangsrecht blijven enkele bepalingen uit de Monumentenwet 1988 van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan. Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeentes in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Conform de Erfgoedwet beschermt de gemeente Westland het archeologisch erfgoed middels het bestemmingsplan.
Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeentes bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De gemeente Westland beschikt sinds 2012 over een vastgestelde archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan. Bekende en verwachte archeologisch waardevolle gebieden krijgen in het bestemmingsplan een archeologische (mede)bestemming met daarbij horende vrijstellingsgrenzen. Binnen deze zones dienen bodemverstorende ingrepen zoveel mogelijk te worden beperkt. Bodemverstorende werkzaamheden die de aan de bestemmingszones gekoppelde vrijstellingsgrenzen overschrijden, worden gebonden aan het vergunningenstelsel. Zodoende kan het belang van het archeologisch erfgoed worden meegewogen bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning. Dit kan ertoe leiden dat er eisen worden gesteld aan de uitvoering van de werkzaamheden, of dat de voorgenomen ingreep alleen na archeologisch onderzoek wordt toegestaan. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek. 3.9.2
Onderzoek
3.9.2.1 Bestaande situatie Vanuit de landelijke wetgeving geldt in principe een vrijstelling voor ingrepen tot een oppervlakte van 100m2. Het is echter mogelijk om hier naar boven en naar beneden vanaf te wijken, mits dit goed onderbouwd is. De gemeente Westland maakt van deze mogelijkheid tot afwijken gebruik. Daartoe heeft zij in 2012 een archeologische beleidskaart vastgesteld voor het gemeentelijk grondgebied. Ook valt bestemmingsplan "Bovendijk 38 en 50" binnen de huidige bestemmingsplangrenzen. Voor het onderhavig bestemmingsplan is gekeken in hoeverre het beeld nog actueel is. Onderzoek is reeds gedaan in 2006 door Delft archeologie (bijlage 13)en meer recent door ADC (bijlage 14). Vanwege nieuwe inzichten zijn er aanvullende archeologische medebestemmingen opgenomen in het bestemmingsplan. 3.9.2.2 Landschappelijk kader en b ekende vindplaatsen De diepere ondergrond van het plangebied bestaat uit getijdenafzettingen (Laagcomplex van Delfland) en/of strandzanden die bij de Laag van Rijswijk horen. Dit pakket wordt afgedekt door een laag Hollandveen, met daarop afzettingen van de Gantellaag en later de Laag van Poeldijk. Lokaal zijn er
37
kleine duinen ontstaan op de Laag van Rijswijk. Het gaat om oude duinen die langs de vroegste kustlijn voorkwamen en die rond 4000 v.Chr. zijn ontstaan. Deze duinen waren aantrekkelijk voor bewoning in het midden van de Jonge Steentijd. In de directe omgeving, is op een oud duin een vindplaats onderzocht die dateert uit 3700-3500 v. Chr. Er is met dat onderzoek in ieder geval één huisplaats aangetroffen. Geïsoleerd in het landschap kunnen verschillende van dit soort vindplaatsen aanwezig zijn. (Wateringen 4, PAB-terrein 10521). Booronderzoeken hebben aangetoond dat er nog kansrijke locaties aanwezig zijn in en nabij het huidige bestemmingsplangebied (Bult et.al., 2006; Van der Laan, 2022). Het bestemmingsplangebied ligt ten zuiden van de hoofdgeul van de Gantel. Deze was waarschijnlijk nog watervoerend in de Romeinse Tijd. In de omgeving van de zuidelijke oever van de Gantel zijn in het verleden verschillende Romeinse vindplaatsen aangetroffen. In het huidige plangebied is nog geen vindplaats bekend. Tijdens booronderzoeken zijn daarvoor ook geen aanwijzingen gevonden. Er wordt aangenomen dat het tracé van het kanaal van Corbulo ter hoogte van de Heulweg liep. Ook wordt daar een Romeinse weg vermoed. In het plangebied zijn tot op heden geen resten uit de Middeleeuwen bekend. Wel zal er bij toekomstig onderzoek rekening mee gehouden moeten worden.
De westzijde van het plangebied ligt binnen 200 meter van de Lange Watering. Deze Watering verbindt de Holle Watering met de Monsterse Watering. Binnen een zone van 200 meter tot deze wateringen zijn verschillende vindplaatsen uit de 10e en 11e eeuw aangetroffen. Er wordt gedacht aan vroege ontginningsboerderijen (Van Horssen, 2022). Deze vindplaatsen zullen afgedekt zijn met een latere fase van de afzettingen van de Laag van Poeldijk. Het is echter ook mogelijk dat deze vindplaatsen vergraven zijn door latere graafwerkzaamheden. Tijdens eerdere booronderzoeken zijn diepe verstoringen waargenomen. Op basis van historisch kaartmateriaal worden geen resten van historische bebouwing uit de Nieuwe Tijd verwacht. Op de kaart van Kruikius staat een grote boomgaard afgebeeld binnen het plangebied. Pas vanaf de 2e helft van de 20e eeuw is vrijwel het hele plangebied voor tuinbouw in gebruik genomen. 3.9.2.3 Archeologische medebestemmingen Binnen het bestemmingsplangebied is sprake van uiteenlopende archeologische verwachtingen. Deze worden vertaald naar archeologische medebestemmingen in het bestemmingsplan. De verschillende zones worden hieronder beschreven per medebestemming archeologie.
38
figuur 20: medebestemmingenarcheologie
Waarde - Archeologie 1 - 100m2 en 50cm Binnen het plangebied bestaat met name een hoge verwachting voor resten uit het Neolithicum. Dit soort vindplaatsen zijn kleinschalig en voor de gemeente Westland uniek. Het kan gaan om (tijdelijke) nederzettingen, maar ook grafvelden en off-site structuren. De top van het duinenlandschap bevindt zich gemiddeld rond de 3,5 m -NAP. Als het niveau door graafwerkzaamheden of intensief heien wordt bedreigd, dan zal archeologisch vervolgonderzoek nodig zijn. In een deelgebied heeft al verkennend booronderzoek plaatsgevonden (Van der Laan, 2022). Daar is de top van het oude duin aanwezig tussen de 3,15 - 4,85 m -mv (4,3 - 5 m -NAP). Voor de overige zones geldt dat er nog geen booronderzoek plaatsgevonden heeft. Daar zal ook rekening gehouden moeten worden met Romeinse vindplaatsen en eventueel vindplaatsen uit de Middeleeuwen. Waarde - Archeologie 2 - 250m2 en 50cm De medebestemming archeologie wijkt in deze zone af van de medebestemming in het huidige bestemmingsplan (Bovendijk 38 en 50, 2018). Om beter aan te sluiten op het archeologiebeleid en de bevindingen in de omgeving, gelden nu striktere vrijstellingsgrenzen. Er heeft in dit deelgebied geen archeologisch veldonderzoek plaatsgevonden, maar er is wel een hoge verwachting voor eventuele duinen in de diepere ondergrond.
Ook blijft de verwachting voor vindplaatsen uit de Romeinse tijd en eventueel de Middeleeuwen gelden. Op de beleidskaart archeologie van de gemeente Westland gelden voor deze zones de vrijstellingsgrenzen van 250m2 en 50cm. (Kerkhof, 2012). Geen voorschriften: Een groot deel van het bestemmingsplangebied is eerder onderzocht door middel van een booronderzoek (Bult et.al., 2006). Er zijn toen geen relevante, archeologische niveaus aangetroffen. Dat deel heeft in het huidige bestemmingsplan geen medebestemming archeologie.
39
Daarnaast is altijd de algemene meldingsplicht bij het aantreffen van oudheden van toepassing. Op basis van paragraaf 5.4 van de Erfgoedwet moet iedereen die, anders dan bij het doen van archeologisch onderzoek, iets vind waarvan hij/zij weet of kan vermoeden dat het een (roerend of onroerend) monument betreft, dit melden bij de minister van OCW (om praktische redenen, bij de gemeente Westland). Indien het bevoegd gezag van mening is dat dit noodzakelijk is, moet er tijd en ruimte geboden worden de resten te onderzoeken, documenteren en eventueel veiligstellen. Het niet melden van het aantreffen van oudheden is een overtreding van de Erfgoedwet en daarmee een strafbaar feit. 3.9.3
Conclusie
In het plangebied zijn gronden met een hoge archeologische verwachting aanwezig. Hiervoor is in de planregels en op de plankaart een dubbelbestemming opgenomen. Er zal pas gebouwd mogen worden als een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde in voldoende mate is vastgesteld en de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad.
40
Hoofdstuk 4
Juridische planbeschrijving
4.1
Planvorm
4.1.1
Wettelijk voorgeschreven standaardisering
De planregels en de planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen als gepubliceerd door het ministerie van VROM (SVBP 2008) en als wettelijk voorgeschreven in de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 (Staatscourant 2008, nr. 377, van 30 oktober 2008). Daarnaast zijn in de planregels de standaardregels opgenomen als geboden in artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. In een apart artikel zijn de bijzondere gebruiksverboden opgenomen voor alle bestemmingen, welke verboden aansluiten op het wettelijk verbod als neergelegd in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening. Voor uitleg van die planregels wordt verwezen naar de toelichting op het Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008, in samenhang met de jurisprudentie over die uitleg. Voorts is de "Werkafspraak terminologie Wabo in Standaard voor Vergelijkbare bestemmingsplannen" van september 2010 verwerkt. Die werkafspraak in het kader van de ministeriële regeling is gemaakt met het oog op de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010.
4.1.2
Aanvulling en geoorloofde afwijking van de SVBP 2012
De planregels en planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn toegesneden op de specifieke behoefte aan planregulering voor het gegeven plangebied. In de hierna volgende paragrafen is de aan het bestemmingsplan eigen plansystematiek toegelicht voor zover die een aanvulling of een geoorloofde afwijking vormt van de SVBP 2012.
4.1.3
Systematiek van de planregels
Opbouw planregels De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels Begrippen (Begrippen) Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Wijze van meten (Wijze van meten) Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Bestemmingsregels De bestemmingsregels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: doeleindenomschrijving (gebruiksregels); bouwregels; nadere eisen;
41
afwijkingsregels. Gebruiksregels De doeleindenbeschrijving van de bestemming of de dubbelbestemming, waarvan opname in de planregels is geboden in artikel 3.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, is in de planregels voor elke bestemming in eerste instantie vervat in het onderdeel "Bestemmingsomschrijving". Van het onderdeel "Specifieke gebruiksregels" wordt in de planregels vooral gebruik gemaakt om regels te geven voor de onder de bestemming of dubbelbestemming vallende functieaanduidingen en bouwaanduidingen en andere aanduidingen. Afwijkingsregels In het onderdeel "Afwijken van de gebruiksregels" wordt alleen die afwijkingsbevoegdheid opgenomen die uitsluitend ziet op het gebruik. Zodra sprake is van het afwijken van de bouwregels - ook al vormt dat bouwen een (klein) onderdeel van het gebruik in ruime zin - wordt de bevoegdheid daartoe geplaatst in het onderdeel "Afwijken van de bouwregels". Aanleggen of slopen De aanlegregels of sloopregels zijn uitvoerig met het oog op een zorgvuldige verlening van de omgevingsvergunning daartoe, voor zover regels daarvoor niet reeds zijn voorzien in de Wet ruimtelijke ordening of het Besluit ruimtelijke ordening.
De aanlegregels of sloopregels kennen de volgende onderverdeling: het aanlegverbod of sloopverbod zelf; de voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning mag worden verleend en het inwinnen van deskundigenadvies; de specifieke aanlegverboden of sloopverboden met de daarop gegeven uitzonderingen. Algemene geb ruiksregels In het artikel "Algemene gebruiksregels" zijn naast een verwijzing naar het algemene gebruiksverbod van artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening, specifieke gebruiksverboden ter invulling van het algemene gebruiksverbod opgenomen. Daarin is onderscheid gemaakt tussen het verbod op het gebruik van gronden en het verbod op het gebruik van bouwwerken. Overgangs- en slotregels In het artikel "Slotregel" zijn de volgende onderdelen opgenomen: het onderdeel "Vervangen bestemmingsplannen" waarin een overzicht van de bestemmingsplannen en andere planregimes is opgenomen die met dit bestemmingsplan zijn vervangen; en het onderdeel "Citeertitel".
4.1.4
Systematiek van de planverbeelding
Wettelijke vereisten De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Hierbij vormt de inhoud van de digitale versie de beslissende versie. De digitalisering brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. De planverbeelding is digitaal vorm gegeven overeenkomstig de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008. De digitale planverbeelding en de andere onderdelen van de dataset hebben het volgende planidentificatie-nummer gekregen: NL.IMRO.1783.OBTBOVENDKIobp-VA01
42
De dataset bestaat uit: het GML-bestand van de planverbeelding; het XML-geleideformulier; de onderliggende bestanden zoals ondergrond en overige topografische informatie; de PDF- en HTML-bestanden voor respectievelijk de verbeelding van plantoelichting en planregels. Leeswijzer verbeelding Wegwijzer via internet Met de digitalisering van ruimtelijke plannen is het lezen en interpreteren van de verbeelding (voorheen plankaart) een nieuwe aangelegenheid. Via de website www.ruimtelijkeplannen.nl kunnen bestemmingsplannen (ook in voorbereiding zijnde plannen voor zover deze ter inzage zijn gelegd) worden ingezien. Via het tabblad 'bestemmingsplannen' kan worden doorgeklikt naar de provincie, de woonplaats of nog specifieker de straatnaam. De gebieden die zwart omlijnd op de kaart staan aangeduid, zijn de gebieden waarvoor een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar is. Zodra het gewenste bestemmingsplan is gevonden en deze voldoende is ingezoomd, wordt de betreffende bestemmingslegging zichtbaar. Om een beter beeld van de omgeving te krijgen, kan voor verschillende ondergronden worden gekozen (luchtfoto, topografie). Zodra linksonder 'legenda' wordt aangeklikt, wordt inzichtelijk wat de verschillende kleuren betekenen. Door vervolgens op een locatie binnen het plangebied te klikken wordt aan de rechterzijde van de kaart de bijbehorende informatie getoond.
Indien meer informatie is gewenst, kan worden doorgeklikt naar de toelichting en/of de regels van het plan. Analoge verbeelding Alhoewel de digitale verbeelding het uitgangspunt vormt, blijft het mogelijk het bestemmingsplan analoog in te zien. Het lezen van de analoge verbeelding is verschillend van de digitale verbeelding. Op de analoge verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. Bestemmingsvlak en bouwvlak Vrijwel elke bestemming bestaat doorgaans uit twee vlakken: een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering. Soms komt het voor dat het bestemmingsvlak en het bouwvlak met elkaar samenvallen. Op de plankaart is dan uitsluitend een bouwvlak te zien (het bestemmingsvlak ligt hieronder). Aanduidingen Op de digitale plankaart is een onderscheid gemaakt in verschillende aanduidingen.
Een aantal functieaanduidingen is gebruikt om de gebruiksmogelijkheden binnen een bestemming of een gedeelte daarvan nader te specificeren. Het kan hierbij gaan om een nadere specificatie van de gebruiksmogelijkheden, een expliciete verruiming daarvan of juist een beperking. Voorbeelden van functieaanduidingen zijn 'bedrijfswoning', 'detailhandel' en 'kantoor'. Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken, worden bouwaanduidingen genoemd. Voorbeelden van bouwaanduidingen zijn 'gestapeld' en 'onderdoorgang'. Alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen, percentages en oppervlakten, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn maatvoeringaanduidingen.
4.2
Bestemmingsregeling
De bestaande functies in het plangebied die overeenkomstig het voorheen geldende bestemmingsplan in dit plan zijn bestemd, zijn de volgende (in alfabetische volgorde van bestemming).
43
4.2.1
Bestemming "Bedrijf"
Op de gronden bestemd voor de bouw van bedrijfsgebouwen is in dit bestemmingsplan de bestemming "Bedrijf" (B) neergelegd. Daarnaast is de maximale milieucategorie, waaraan bedrijven mogen voldoen door middel van een functieaanduiding beperkt tot milieucategorie 3.2. 4.2.2
Bestemming "Groen"
Langs de randen van het (uit te breiden) bedrijventerrein Bovendijk is de bestemming "Groen" (G) gelegd. 4.2.3
Bestemming "Verkeer"
Op de gronden waarop wegen voor wegverkeer zijn of worden gesitueerd, is de bestemming "Verkeer" (V) neergelegd. 4.2.4
Bestemming "Water"
Op de gronden waarop oppervlaktewater is en op de gronden waarop nieuw water is voorzien, is de bestemming "Water" (WA) neergelegd. 4.2.5
Dubbelbestemming "Waarde - Archeologie"
Op de gronden waarin mogelijk archeologische waarden liggen, is de dubbelbestemming "Waarde Archeologie" (WR-A) neergelegd. Er is archeologisch onderzoek benodigd, indien de bouwwerken, werken of werkzaamheden zowel een oppervlakte hebben van een bepaalde grootte en/of diepte beneden maaiveld.
44
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) voorziet in een verplichting tot het verhaal van gemeentelijke kosten. Dat kan op publiekrechtelijke grondslag via een exploitatieplan, maar kan ook privaatrechtelijk geregeld worden via een zogenoemde anterieure overeenkomst met de initiatiefnemers/ontwikkelaars als bedoeld in artikel 6.24 lid 1 Wet ruimtelijke ordening. In dit geval is van de laatste mogelijkheid gebruik gemaakt en is een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemers/ontwikkelaars. Om voornoemde reden is het vaststellen van een exploitatieplan niet nodig omdat het kostenverhaal anderszins is verzekerd.
5.2
M aatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1
Overleg
In de periode voorafgaand aan het opstellen van het ontwerp bestemmingsplan heeft over het ontwerp van dit bestemmingsplan bestuurlijk overleg plaatsgehad als geboden in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Hierbij hebben de volgende instanties gereageerd: Westland Infra; Hoogheemraadschap van Delfland; Omgevingsdienst Haaglanden. De uitkomsten van het overleg, als bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid, onder c., van het Besluit ruimtelijke ordening, zijn opgenomen in Bijlage Inspraak en overleg van deze toelichting. 5.2.2
Zienswijzen
Van PM tot PM heeft het ontwerp van dit bestemmingsplan ter visie gelegen voor het indienen van zienswijzen, als bedoeld in artikel 3.8, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening in verbintenis met Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Gedurende de periode van tervisielegging zijn PM AANTAL zienswijzen ingediend. De ontvangen zienswijzen zijn beoordeeld. Voor een overzicht van de zienswijzen wordt verwezen naar Bijlage PM van deze toelichting.
45