Antwoord college op vragen CDA en WV inzake RKC-rapport Jeugd (G21-001987)
Tekst van het document
Vragen CDA: Vraag 1: In de bestuurlijke reactie wordt gesproken over de monitor sociaal domein, inclusief onderdelen van de jeugdmonitor. Juist deze informatie geeft ons als raadsleden de mogelijkheid om onze rol als kaderstellend te voeren, kan worden aangegeven hoe de P en C cyclus eruit ziet voor de komende jaren? Onze voorkeur zou dit hebben als we dit 1x per kwartaal terug kunnen vinden bij de stukken van MO. Antwoord 1: De P&C cyclus bestaat uit de reguliere cyclus: programmabegroting, jaarrekening, kaderbrief/1e actualisatie en Prorapp. Bij de programmabegroting kijken we vooruit en wordt gewerkt met de verplichte (rijks)indicatoren. In de jaarrekening kijken we terug en geven we een toelichting op het resultaat. Tussentijds doen we een aanpassing op de begroting en geven een toelichting op de afwijkingen. Hier verandert niets aan, is een vast stramien voor alle programma’s. Lokaal en regionaal zijn dashboards ontwikkeld. Op basis hiervan kan worden gerapporteerd aan college en raad. Een eerste rapportage monitor sociaal domein is begin dit jaar opgeleverd en aan de raad gepresenteerd. Deze bevat ook indicatoren voor jeugdhulp. De doorontwikkeling hiervan vraagt extra capaciteit van de organisatie. Dit is onderdeel van het plan datagedreven werken voor het sociaal domein. Dit zal niet uitmonden in een periodieke bestuurlijke monitor.
Op basis hiervan kan en wil het college wel (op onderdelen) de raad periodiek informeren, zoals we dat ook begin dit jaar hebben gedaan. Ik ga ook graag nog met bijvoorbeeld een afvaardiging van de raad nadere afspraken hierover maken. Vraag 2: De individuele begeleiding geeft het grootste aandeel in de kostenstijging 16%, welke sturing wordt hierop toegepast om dit terug te brengen? Wordt dit bijvoorbeeld meegenomen in de BC welke begin dit jaar zijn gestart? Antwoord 2: Op dit moment zijn er diverse maatregelen van kracht om de kosten te beteugelen, een mix van regionale interventies en lokale maatregelen. Deze hebben ook betrekking op het perceel individuele begeleiding. De lokale maatregelen vragen om extra inzet van personeel bij ons SKT. Een van deze intensiveringen is meer eigen hulpverlening door het SKT. Het gaat dan om jeugd- en opvoedhulp door zorgregisseurs ipv door de 2e lijn, de ingekochte hulp. Uitbreiding personeel is deels gerealiseerd, maar verloopt door Corona langzamer dan gewenst. De arbeidsmarkt voor jeugdhulp is bovendien krap. Wel is bestaand personeel inmiddels extra geschoold hiervoor en wordt ook al zelf hulp ingezet. We verwachten in 2022 grotere stappen te kunnen zetten. Het gaat hier overigens niet om de ggz begeleiding, dat gaat om andere expertise dan de jeugdprofessionals van het SKT. Hier zien we vooral groei.
Vraag 3: verwijzers per gemeente, goed om te zien dat de verwijzingen van de huisartsen lijn een afbuigende lijn is in de verwijzingen rechtstreeks, goede ontwikkeling. Kan er aangeven worden hoe de gesprekken verlopen met de huisartsen ten aanzien van de verwijzingen? Antwoord 3: Op dit moment heeft 85% van de huisartsenpraktijken een samenwerking met een zogeheten OJG-er van het SKT(ondersteuner jeugd en gezin). Dat wil nog niet zeggen dat deze huisartsen allemaal al even actief
samenwerken met deze ondersteuner. Bovendien kan bij deze samenwerking alsnog een verwijzing via de huisartsen lopen. Het gaat vooral om passende hulp, waarbij de OJG de praktijk ondersteunt en waar in gevallen dan geen verwijzing naar de specialistische jeugdhulp nodig blijkt. Op dit moment worden gesprekken gevoerd met de al langer aangesloten en de recent aangesloten praktijken. We kijken op praktijkniveau, en vooral ook bij de praktijken waar wij terughoudendheid ervaren, welke afspraken gemaakt kunnen worden om nog effectiever samen te kunnen werken. Dit vraagt maatwerk. Doel is om zo veel als mogelijk in, of via, de praktijk betrokken te zijn op (niet medische c.q. sociaal domein) hulpvragen, passende hulp in te zetten waar nodig en onnodige verwijzingen naar de 2e lijn te voorkomen.
Vragen WV: WV heeft vragen gesteld aan de lokale rekenkamer. Deze heeft een gedeelte al beantwoord. Het gaat hier vooral om het onderzoeksrapport van de h10. Er wordt daarnaast naar het college verwezen. WV stelt vragen die feitelijk buiten de scope van het onderzoek liggen of het advies. Zo wordt gevraagd om aanvullende onderzoeksgegevens te leveren over de jaren 2020/2021. Eigenlijk een soort actualisatie. Deze kunnen wij ambtelijk niet leveren omdat het extra onderzoek (van het onderzoeksbureau) zou vragen (dezelfde methodes, aannames e.d. voor ons niet direct herleidbaar). Wel kunnen wij een deel beantwoorden met de gegevens die we ook in het voorjaar aan de raad hebben gepresenteerd. Vraag1: Het aantal jeugdigen in Westland is 21.990, zijnde 9.7% waarvan iets boven het gemiddelde, ongeveer 12%, jeugdzorg nodig heeft. Klopt dit? Hoe zit dit in 2020/2021? Antwoord 1: De ongeveer 12% verwijst naar een H10 %, geen lokaal %. Voor Westland is het % jeugdigen tot 18 jaar dat jeugdhulp ontvangt in 2020 iets boven de 9% (1e half jaar 9,1 en tweede hlf jaar 9,3). Voor 2021 zijn deze gegevens nog niet beschikbaar (Bron: waar staat je gemeente.nl).
Vraag 2/3: Op pagina 16 wordt aangegeven dat in de gemeente Pijnacker-Nootdorp de kosten van de zorg die via het Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden is ingekocht 39% zijn toegenomen, terwijl dat bij de gemeente Westland met 83% is toegenomen. Hoe valt dat te verklaren? Zie pagina 17. Hoe zit dit in 2020/2021? Op pagina 21 wordt de ontwikkeling van de kosten geschetst. Van ruim € 10.5 miljoen in 2015 naar bijna € 20 miljoen in 2019. Klopt dit? Hoeveel in 2020/2021? Antwoord 2/3: Wij hebben in het voorjaar ook een overzicht gegeven van de meerjarige kostenontwikkeling jeugdhulp. Ons referentiejaar is 2016 (!), dus niet vergelijkbaar met H10 onderzoek. Onderstaande tabel geeft beschikbare informatie weer.