CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Gemeenteraad 11 december 2024, gemeente Westland39.847 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te helpen. De in artikel 16 geregelde loonkostensubsidie betreft een gemeentelijke regeling die moet worden onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en 10d van de Participatiewet en artikel 20. De in artikel 16 opgenomen loonkostensubsidie is niet noodzakelijk gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen die kwetsbaar of uiterst kwetsbaar zijn. Het gaat hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt wordt aan personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet) en die is geregeld in hoofdstuk 4. Het betreft daarom ook een in tijd gemaximeerde subsidieregeling.

Compensatie Het doel van de loonkostensubsidie is het bieden van compensatie voor het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo kan het college een loonkostensubsidie aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen (Kamerstukken II 2004/05, 28 870, nr. 125). Geen verdringing Het vierde lid bevat een verdringingsbepaling. Zie wat hierover is opgemerkt in de toelichting op de verdringingsbepaling in artikel 6. Noodzakelijk De loonkostensubsidie kan alleen worden verstrekt als de werkgever geen aanspraak kan maken op een andere regeling die hem (gedeeltelijk) compenseert voor het feit dat de kwetsbare of uiterst kwetsbare werknemer nog niet direct volledig inzetbaar is en mogelijk extra begeleiding nodig heeft. Ook als redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de kwetsbare of uiterst kwetsbare werknemer zonder subsidie ook wel kan worden aangenomen, bijvoorbeeld vanwege de krapte op de arbeidsmarkt, wordt de subsidie niet verstrekt. Het is aan het college om te bepalen of er een noodzaak tot subsidieverlening aanwezig is met het oog op de arbeidsinschakeling van de kwetsbare of uiterst kwetsbare werknemer.

Artikel 17. Werknemerscheque Het college kan een deelnemer een kostenvergoeding verstrekken in de vorm van een werknemerscheque. Dit kan voor zover er geen beroep gedaan kan worden op een voorliggende voorziening, waaronder een vergoeding van de kosten door de werkgever. De kosten moeten aantoonbaar zijn en door het college noodzakelijk worden geacht, zoals een aanvullende cursus, gereedschap, speciale kleding enzovoort. Artikel 18. Werkgeverscheque De werkgeverscheque is bedoeld voor niet direct bemiddelbare kandidaten met een afstand tot de arbeidsmarkt. De cheque kan worden ingezet als subsidie bij plaatsing van kandidaten bij een reguliere werkgever en is een tegemoetkoming in de aantoonbare extra kosten die een werkgever moet maken om een persoon uit de doelgroep in dienst te nemen en te houden/ aan te stellen in een proefplaats. Artikel 19. Leerwerkcheque Het doel van een leerwerkcheque is om de deelnemer (werk)ervaring te laten opdoen met het oog op het verwerven van nieuwe kennis en vaardigheden. Hierbij is het van belang dat de organisatie ervoor zorgt dat de deelnemer werkactiviteiten moet uitvoeren overeenkomstig het competentieniveau van de deelnemer. De deelnemer werkt mee in de praktijk waarbij de werkzaamheden additioneel van aard zijn. Artikel 20.

Uitstroompremie In de Participatiewet is geregeld dat jaarlijks een eenmalige of tweemalige premie van ten hoogste € 2.699,00 per kalenderjaar kan worden verstrekt, welke in het kader van de bijstandsverlening niet tot de middelen wordt gerekend (artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet). Voor personen jonger dan 27 jaar die niet behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie is deze premie niet vrijgelaten (artikel 31, vijfde lid, van de Participatiewet). De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen kennen een dergelijke vrijlatingsbepaling ook niet. Het feit dat de premie niet in alle gevallen wordt vrijgelaten neemt niet weg dat ook deze groepen behoren tot de re-integratiedoelgroep (artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet). In artikel 20 wordt een grondslag gecreëerd voor het verstrekken van een uitstroompremie aan voormalig uitkeringsgerechtigden en worden hieraan voorwaarden verbonden. De premie vormt een extra stimulans om aan het werk te gaan en dit werk ook te behouden. Het verstrekken van een uitstroompremie is alleen mogelijk als een persoon die langdurig een uitkering van het college ontving, uitstroomt.

Onder langdurig werkloze wordt verstaan een persoon die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer aangewezen is (geweest) op een uitkering. Ook moet er sprake te zijn van duurzame uitstroom, hetgeen betekent dat er sprake is van een uitkeringsonafhankelijke periode van tenminste 6 maanden. De premie kan worden aangevraagd vanaf 6 maanden na indiensttreding en moet binnen 6 maanden zijn aangevraagd. Artikel 21. Specifieke aanvraagproces loonkostensubsidie Dit artikel is een uitwerking van de wettelijke verplichting voor gemeenten om bij verordening te bepalen hoe het administratief proces met betrekking tot het verstrekken van loonkostensubsidie is vormgegeven (artikel 8a, eerste lid en tweede lid, onder c, van de Participatiewet). Door in de verordening naar het werkproces te verwijzen beoogt de wetgever ervoor te zorgen dat werkgevers, in het kader van transparantie, beter weten waar zij aan toe zijn (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 54-55). Het tweede lid maakt duidelijk dat het rechtssubject van de loonkostensubsidie de werkgever is, ook op het moment dat de werknemer de aanvraag indient. Dit volgt ook uit artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet waarin staat dat de subsidie wordt verleend aan de werkgever.

Omdat alleen personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie hiervoor in aanmerking komen regelt het derde lid dat op het moment dat er een aanvraag binnenkomt met betrekking tot een persoon ten aanzien van wie nog niet is vastgesteld dat deze onder de doelgroep valt, de aanvraag mede moet worden gezien als een aanvraag om onder de doelgroep te worden gebracht. Het onder de doelgroep brengen gebeurt volgens de in artikel 1 gedefinieerde praktijkroute. Het vierde lid regelt de termijn waarbinnen de loonwaarde wordt vastgesteld. Het vijfde lid verwijst naar het administratieve werkproces dat door het college wordt gevolgd. Dit betreft het preferente proces loonkostensubsidie. Hiermee wordt gedoeld op het proces zoals dat door “De normaalste zaak”, een netwerk van bijna 700 werkgevers die samen aan de inclusieve arbeidsmarkt bouwen, is ontwikkeld. Doel was om de lasten voor werkgevers als gevolg van verschillende werkwijzen door gemeenten te verminderen, door het creëren van één administratief uitvoeringsproces voor het verstrekken van loonkostensubsidie. Door hierbij aan te sluiten en het makkelijker te maken voor werkgevers wordt beoogd dat meer personen met een loonkostensubsidie aan het werk kunnen komen. Artikel 22.

Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Dit artikel bevat een aantal voorwaarden voor de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen aan personen met een arbeidsbeperking. Het betreft een aantal specifieke voorwaarden die verband houden met de aard van deze voorzieningen. Het artikel vormt daarmee een aanvulling op de in artikel 3 opgenomen algemene voorwaarden om in aanmerking te komen voor een re-integratievoorziening. Deze voorwaarden dragen bij aan een evenwichtige verdeling van de beschikbare voorzieningen over de doelgroep, zoals bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet. Vereist is dat de persoon behoort tot de doelgroep, bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, waarbij er voor personen die VSO/PRO-onderwijs hebben genoten een uitzondering wordt gemaakt, waardoor zij ook voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen in aanmerking kunnen komen (a). Het is van belang dat de inzet van de persoonlijke ondersteuning en/of overige voorziening noodzakelijk is om het werk uit te kunnen voeren (b). Om een doelmatige inzet van de re-integratiemiddelen te waarborgen is er een minimale omvang verbonden aan de dienstbetrekking (c).

Op het moment dat het gaat om een voorziening waarvan verwacht mag worden dat de werkgever hiervoor zelf zorgdraagt, omdat dit bijvoorbeeld voortvloeit uit de Arbo-regels, wordt de voorziening niet verstrekt op grond van deze verordening (d, e en f). De aan de voorziening(en) verbonden kosten kunnen in uitzonderlijke gevallen leiden tot het afwijzen van de gevraagde voorziening(en), op het moment dat deze kosten in geen verhouding staan tot de maatschappelijke baten die verbonden zijn aan de verstrekking van de voorziening(en) (g). Artikel 23. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Dit artikel regelt de aanvraagprocedure voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen. Uiteraard is de aanvraagmogelijkheid geen verplichting; het college kan ook zelf ambtshalve – dat wil zeggen zonder aanvraag – beoordelen wat nodig is. In de praktijk zal veelal ook sprake zijn van een ambtshalve beoordeling. Het college zorgt dan zelf voor een goede match met een werkgever, met passende ondersteuning. Het hoeft meestal niet tot een aanvraag te komen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 11). In dit artikel worden de verschillende stappen beschreven die het college moet doorlopen om tot een zorgvuldig onderzocht en onderbouwd besluit te komen.

Het artikel vloeit voort uit artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet “op welke wijze het college voorzieningen als bedoeld in artikel 14, eerste lid, verstrekt” en onderdeel g “op welke wijze waar nodig voor een persoon als bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, onderdeel a, of 10d, tweede lid, wordt voorzien in integrale en voortgezette (persoonlijke) ondersteuning”. Bij het onderzoek houdt het college rekening met de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager en met zijn wensen en die van de werkgever. Als dat nodig is, wint het college een specifiek deskundig oordeel in.

In artikel 8a, tweede lid, onder g, van de Participatiewet is bepaald dat in de verordening ook moet worden opgenomen op welke wijze wordt voorzien in integrale ondersteuning. In het zesde lid is daartoe bepaald dat het college tijdens het onderzoek, als dat nodig is, ook voorzieningen uit andere wetten (jeugdhulp, Wmo, schuldhulpverlening, enz.) betrekt bij de afweging en zo komt tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening. Artikel 24. Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Een beschikking dient te voldoen aan de eisen die de Algemene wet bestuursrecht en de Participatiewet daaraan stellen. In dit artikel is bepaald welke concrete informatie minimaal in een beschikking moet worden opgenomen. Het betreft een nadere uitwerking van de wettelijke eisen, die niet afdoet aan de plicht om aan de eisen die rechtstreeks voortvloeien uit de Algemene wet bestuursrecht en de Participatiewet te voldoen. Artikel 25. Jobcoach en werkbegeleider Persoonlijke ondersteuning bij werk omvat zowel jobcoaching als interne werkbegeleiding. Deze twee vormen van persoonlijke ondersteuning worden beide benoemd.

Het eerste en tweede lid geven aan op welke wijze het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning aan de doelgroep in natura en in de vorm van een subsidie (artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1, van de Participatiewet). De gemeente kan een eigen jobcoach inzetten, of een jobcoach inhuren en die aan een werkgever toekennen. Ook is het mogelijk dat een werkgever zelf een eigen jobcoach in dienst heeft (interne jobcoach) of een jobcoach inhuurt (externe jobcoach). De werkgever kan ook een collega van de werknemer inzetten om hem te begeleiden (interne werkbegeleider). In het artikel worden de verschillende mogelijkheden benoemd. Het derde lid maakt duidelijk dat de in het eerste en tweede lid bedoelde ondersteuning ook kan worden aangeboden op het moment dat er geen sprake is van een dienstverband. Dit vormt een uitbreiding op de wettelijke basisplicht om deze ondersteuning aan te bieden ten behoeve van opgedragen taken die worden verricht in het kader van een dienstverband bij een werkgever. Artikel 26. Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk Het eerste lid bevat een termijn waarbinnen een aanvraag om persoonlijke ondersteuning in beginsel moet zijn ingediend, gerekend vanaf de datum van indiensttreding. Deze termijn houdt verband met de aard van de voorziening.

Persoonlijke ondersteuning bij werk is een voorziening die wordt verstrekt als deze noodzakelijk is voor de persoon om de aan hem opgedragen taken uit te voeren. Bij een aanvraag die pas na het verstrijken van een ruime periode na indiensttreding wordt ingediend, kan de vraag worden gesteld in hoeverre het verstrekken van deze voorziening nog noodzakelijk is, nu men kennelijk al geruime tijd zonder deze persoonlijke ondersteuning de werkzaamheden al heeft verricht. In die situatie rechtvaardigt dat de conclusie dat, tenzij er sprake is van een bijzondere situatie, het verstrekken van persoonlijke ondersteuning op aanvraag in beginsel niet noodzakelijk is. Het tweede lid bevat de basisaspecten waarmee het college rekening moet houden bij het verstrekken van individuele ondersteuning en benadrukt het belang van het leveren van maatwerk. In lid 4 is aangegeven dat bij een arbeidsovereenkomst van minder dan 24 arbeidsuren per week, de subsidie naar rato wordt verstrekt. Hierbij geldt als uitgangspunt dat het aantal arbeidsuren wordt afgezet tegen een 36-arbeidsurige werkweek. Artikel 27. Jobcoaching Het eerste lid is een uitwerking van artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 2, van de Participatiewet, waarin de opdracht is neergelegd om in de verordening aan te geven welke kwaliteitseisen het college stelt aan de jobcoach en hoe deze eisen worden gewaarborgd.

Dit is relevant omdat kwaliteit, en kwaliteitseisen, een waarborg (kunnen) zijn voor een goede inzet van de jobcoach.

Het tweede lid is een uitwerking van de uit artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1, van de Participatiewet voortvloeiende verordeningsplicht. Het bepalen van de duur en de intensiteit van de jobcoaching is maatwerk. Het derde lid bevat een mogelijkheid om in bijzondere situaties af te wijken van het in het tweede lid gegeven beoordelingskader. Hiermee wordt het recht op passende ondersteuning te allen tijde gewaarborgd. De afwijking kan zowel bestaan uit het bieden van meer of intensievere jobcoaching, alsook uit het verlengen daarvan. Artikel 28. Jobcoaching in natura Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college ook zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning (jobcoaching) in natura. Dit artikel voorziet hierin. Artikel 29. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning door middel van subsidieverstrekking, waaronder jobcoaching. Dit artikel voorziet hierin. In het tweede lid zijn de randvoorwaarden opgenomen om voor subsidieverlening in aanmerking te komen.

Bij de keuze voor deze voorwaarden is, met het oog op het realiseren van een zo uniform mogelijk kader, aansluiting gezocht bij door het UWV gehanteerde voorwaarden op grond van artikel 12 van het Re-integratiebesluit. Het derde lid geeft aan op welke wijze de hoogte van de subsidie voor jobcoaching door het college kenbaar wordt gemaakt. Het college moet er voor zorgen dat de tarieven voor een bepaald jaar vindbaar en kenbaar zijn voor werkgevers en de doelgroep. Dat kan bijvoorbeeld door de tarieven te vermelden op de website van de gemeente. Daarbij is als eis opgenomen dat het door het college vastgestelde tarief toereikend moet zijn om jobcoaching in te kopen. Dit betekent dat het college moet onderzoeken in de markt wat een toereikend tarief is. Het feit dat een persoon of werkgever een beroep wenst te doen op een duurdere jobcoach betekent niet dat het college gehouden is het meerdere te verstrekken. Er is immers een maximumtarief waarvan vaststaat dat dit toereikend is om passende jobcoaching in te kopen. Het vierde lid maakt transparant dat het college de in de verordening gestelde eisen nader uit kan werken in nadere regels.

Met het vijfde lid wordt duidelijk gemaakt dat het college niet alleen subsidie kan verlenen voor jobcoaching die is bedoeld om de persoon in staat te stellen om de aan hem opgedragen taken in het kader van de arbeidsovereenkomst uit te voeren, maar dat de gesubsidieerde jobcoach ook een breder takenpakket kan uitvoeren. Artikel 30. Interne werkbegeleiding Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet in combinatie met artikel 10, derde lid, onder b, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning in de vorm van een interne werkbegeleider door middel van subsidieverstrekking. Dit artikel regelt hoe dit mogelijk is en op welke wijze de hoogte van de subsidie hiervoor wordt bepaald. In het tweede lid wordt geregeld dat het aanbod van het college tevens een training voor de collega van de persoon kan bevatten, zodat deze de begeleiding op een verantwoorde wijze kan bieden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een “Harrie-training” (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 20).

Artikel 31. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een vervoersvoorziening die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken. Dit artikel regelt, in aanvulling op de artikelen 3 en 22, onder welke voorwaarden dit mogelijk is en op welke wijze de hoogte van de vergoeding hiervoor wordt bepaald als het college het vervoer niet zelf (in natura) organiseert. Bij de bepaling van de vergoeding wordt aangesloten bij het Besluit Normbedragen Voorzieningen UWV. Het bedrag dat de werknemer voor vervoer ontvangt van zijn werkgever, bijvoorbeeld een reiskostenvergoeding op grond van de arbeidsovereenkomst, wordt door het college in mindering gebracht op de te verstrekken vervoersvoorziening. Artikel 32. Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 2, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een noodzakelijke intermediaire activiteit in het geval er sprake is van een visuele of motorische handicap.

Dit artikel regelt dat het college de, als gevolg van een geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie noodzakelijke, voorziening(en) verstrekt die nodig zijn ter vervanging of ondersteuning van de persoon. De specifieke aard van de voorziening is niet opgenomen, omdat dit sterk afhankelijk is van de behoefte van de persoon. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 3 en 22. Het college kan dit in nadere regels verder uitwerken. Artikel 33. Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 3, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van meeneembare voorzieningen voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen. Hiervoor is geen limitatieve lijst. Gedacht kan worden aan een aangepaste bureaustoel, toetsenbord, koptelefoon, enzovoort. Wat een passende voorziening is, is sterk afhankelijk van de individuele behoefte van de persoon. Dit vraagt om maatwerk. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 3 en 22.

Het uitgangspunt is dat de voorzieningen in bruikleen beschikbaar worden gesteld en dus weer bij het college worden ingeleverd op het moment dat deze niet langer nodig zijn. Het college kan de wijze waarop het de noodzaak en meerwaarde van een voorziening bepaalt in nadere regels verder uitwerken.

Artikel 34. Specifieke voorwaarden werkplekaanpassingen In artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 3, van de Participatiewet wordt uitsluitend gesproken van meeneembare voorzieningen. In sommige gevallen zijn er andere voorzieningen nodig op de werkplek om ervoor te zorgen dat de persoon hier kan werken. Hierbij kan gedacht worden aan een aangepast toilet, een entree met automatische deuropener of een traplift. Dit artikel regelt de mogelijkheid om ook in deze behoefte te voorzien door het toekennen van een werkplekaanpassing. Daarmee wordt aansluiting gezocht bij de wetsgeschiedenis, waarin wel wordt gesproken van werkplekaanpassingen in plaats van meeneembare voorzieningen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 20). Artikel 36. Intrekken oude verordeningen en overgangsrecht In artikel 36 is het intrekken van de verordening loonkostensubsidie geregeld. Dit heeft te maken met het feit dat de grondslag voor deze verordening, in de vorm van artikel 6, tweede lid, van de Participatiewet, met de wet “Wijziging van de Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verbeteren van de regeling voor loonkostensubsidie en enkele andere wijzigingen (uitvoeren breed offensief)”, is komen te vervallen. Het intrekken van de oude re-integratieverordening is eveneens in dit artikel geregeld.

Ook is in artikel 36 het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude reintegratieverordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon op grond van de oude re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 3, tweede lid moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 36, tweede lid, geregeld dat dergelijke voorzieningen worden behouden voor ten hoogste de duur van 12 maanden of - als dit eerder is - voor de duur dat deze is verstrekt. Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Westland 2017. Wordt niet meer aan die voorwaarden voldaan, dan moet de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als een persoon geen aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling. De periode van 12 maanden begint te lopen vanaf het moment van inwerkingtreding van deze verordening.

Voortzetten toegekende voorzieningen Toegekende voorzieningen op grond van de Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Westland 2017 worden dus in beginsel behouden tot 12 maanden na inwerkingtreding van deze verordening. Na afloop van die periode kan het college besluiten of een voorziening wordt voortgezet (artikel 36, vierde lid). Hierbij kan het college rekening houden met al gesloten overeenkomsten. Voortzetting van een voorziening ligt bijvoorbeeld voor de hand als het college is gehouden de kosten van een dergelijke voorziening te voldoen, ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van de voorziening. Lopende re-integratievoorzieningen kunnen in beginsel ná inwerkingtreding van deze verordening worden afgerond conform de overeenkomst. Voortzetting is niet mogelijk Voortzetting van een toegekende voorziening na 12 maanden is niet mogelijk als de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer voldoen aan de voorwaarden voor die voorziening op grond van de Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Westland 2017 of als de voorziening is toegekend voor een kortere duur dan 12 maanden na inwerkingtreding van de verordening. Een voorziening dient immers niet langer te worden voortgezet dan de duur van de oorspronkelijke toekenning.

Ten aanzien van die voorziening blijft de Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Westland 2017 van toepassing.

Bijlage X – OVERZICHT WIJZIGINGEN Re-integratieverordening Participatiewet Westland 2024 Oud

Nieuw

Reden wijziging

ARTIKEL 2. Personenkring

Artikel 2 Doelstelling en verantwoording

Er is aansluiting gezocht bij de modelverordening van de VNG. Deze biedt meer

1.

3.

duidelijkheid.

2.

De aanspraak op voorzieningen is beperkt tot belanghebbenden die hun woonplaats hebben in de gemeente Westland. Voor de belanghebbende die gedurende de aanspraak op een voorziening een andere woonplaats krijgt en werkzaam is bij een werkgever, komen de werkgeversvoorzieningen, uitgezonderd de loonkostensubsidie, ten laste van de gemeente waar de burger woonplaats heeft.

4.

5.

6.

7.

Het college kan de voorziening, bedoeld in artikelen 4, 5 en 7 aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt. Het college kan de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 6, 8 en 10 aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Voor de overige voorzieningen, volgt uit de doelgroepomschrijving aan wie het college deze voorzieningen kan aanbieden. Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen binnen de verschillende leefgebieden van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: a. de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; en b. de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. Het college zendt om de twee jaar aan de gemeenteraad een verslag over de

8.

ARTIKEL 3. Groepen belanghebbenden 1. Er worden in het aanbod van voorzieningen drie groepen belanghebbenden onderscheiden: 2. a. 3. belanghebbenden die naar verwachting binnen drie maanden betaald aan het werk kunnenmet de inzetvan lichte voorzieningen, te weten de voorzieningen zoals genoemd onderartikel 11, eerste lid, sub a t/md; 4. b. 5. belanghebbenden zonder arbeidsbeperking die naar verwachting binnen 18 maanden, metgerichtaanbod van de onder artikel 11, eerste lid sub a t/m f en j genoemde voorzieningen,betaald aan het werkkunnen; 6. c. 7. belanghebbenden met een arbeidsbeperking die naar verwachting binnen 18 maanden, metgerichtaanbod van de onder artikel 11, eerste lid sub a t/m k genoemde voorzieningen,betaald aan het werkkunnen.

doeltreffendheid en de effecten van deze verordening in de praktijk. Het college verzamelt voor het verslag als bedoeld in lid 5 systematisch informatie over in elk geval: a. Aantallen uitstroom naar werk en studie; b. Aantallen beschut werken; c. Aantallen loonkostensubsidie.

Artikel 3 Algemene bepalingen over voorzieningen 8.

Indien het college een voorziening aanbiedt, stelt het met de belanghebbende een plan van aanpak op. 9. Het plan van aanpak bevat in ieder geval: a. Een beschrijving van het te behalen resultaten; b. Het tijdspad waarin dit bereikt moet zijn en c. De verplichtingen die de belanghebbende heeft ten aanzien van arbeidsinschakeling en de gevolgen bij het niet nakomen van deze verplichtingen. 10. Het plan van aanpak wordt ondertekend door belanghebbende. 11. De verplichting als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien slechts een medisch onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling wordt aangeboden. 12. Het college kan een voorziening weigeren als:

Het ‘oude artikel 3’ is verwerkt in het ‘nieuwe artikel 2’. Tav het ‘nieuwe artikel 3’ is aansluiting gezocht bij de modelverordening van de VNG. Deze biedt meer duidelijkheid.

a.

b.

c.

d.

e.

de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.

13. Het college kan een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen

d.

e.

f.

g.

gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet; de voorziening naar het oordeel van het college niet langer voldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.

14. Het college biedt de goedkoopst adequate voorziening aan, houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. Het college houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet.

15. Het college kan de kosten uit of in verband met de toekenning van een voorziening van de belanghebbende terugvorderen, indien de kosten ten onrechte zijn gemaakt. 16. Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en deze verordening, aan de toekenning van een voorziening nadere verplichtingen verbinden. 17. Het college kan besluiten dat en op welke wijze en onder welke voorwaarden de niet-uitleringsgerechtigde of de Anwgerechtigde aan wie een voorziening wordt aangeboden, een eigen bijdrage verschuldigd is. Dit wordt uitgewerkt in nadere regels. 18. De niet-uitkeringsgerechtigde of de Anwgerechtigde kan geen aanspraak maken op voorzieningen genoemd in artikelen 9, 16, 17, 19, 20, 31 en 32. ARTIKEL 4. OPDRACHT COLLEGE

Artikel 4.Bemiddeling naar werk

Het ‘oude artikel 4’is verwerkt in het ‘nieuwe artikel 2’. Het ‘nieuwe artikel 4’ is toegevoegd

1.Het college biedt ondersteuning op grond van artikel 9 aan personen die behoren tot de

Het college kan een persoon met een korte afstand tot de arbeidsmarkt bemiddelen op een

doelgroep, zoals omschreven in artikel 7, eerst lid, onder a, van de wet. 2.Indien het college dit noodzakelijk acht, biedt het, naast ondersteuning, tevens een

concreet baanaanbod.

omdat het nodig is om personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt snel te kunnen bemiddelen op een concreet baanaanbod. Dit verkort wachttijden en zorgt ervoor dat men niet langs de zijlijn blijft staan.

voorziening aan die is gericht op arbeidsinschakeling. 3.Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen, weegt het college af of de ondersteuning of de voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van de

belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op arbeidsinschakeling. 4.Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod van ondersteuningen voorzieningen. 5. Bij het bieden van ondersteuning en/of een voorziening kan het college gebruik maken van de inzet van derden .

ARTIKEL 5. BUDGET- EN/OF SUBSIDIEPLAFOND

Artikel 5 Sollicitatietraining

Het college kan een persoon met een korte 1.Het college kan één of meer budget- en/of afstand tot de arbeidsmarkt bemiddelen op een subsidieplafonds instellen voor de verschillende concreet baanaanbod. voorzieningen. 2.Een plafond zoals bedoeld in het eerste lid vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening (waartegen rechtsmiddelen ingediend kunnen worden). 3. Het college kan tevens een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerkingkomt

Het ‘oude artikel 5’ is grotendeels geschrapt daar dit verder wordt uitgewerkt in de nadere regels. Vwbt de aantallen voor beschut werk, zie het ‘nieuwe artikel 12, lid 3’. Het ‘nieuwe artikel 5’ is eraan toegevoegd om een breder scala aan instrumenten te kunnen aanbieden. Zeker voor mensen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt kan een sollicitatietraining helpen om weer snel aan het werk te gaan.

voor een specifieke voorziening (beschut werk en plaatsing boven op de opdracht) ARTIKEL 6. BELEIDSPLAN 1. 2.

Deze verordening maakt onderdeel uit van het Sociaal Beleidskader. In het beleidsplan komen in ieder geval een omschrijving van de aanpak van het beleid ten aanzien van de verschillende doelgroepen en de prioritering binnen en tussen die groepen aan de orde.

Artikel 6 Werkstage

Het ‘oude artikel 6’ is geschrapt omdat dit de verordening volgt uit de Participatiewet. Het is

3.

Het college kan een persoon een een wettelijke plicht dat gemeenten een werkstage gericht op arbeidsinschakeling verordening opstellen. Daarmee is een aanbieden als deze: koppeling met het beleidsplan geen vereiste. a. behoort tot de doelgroep; en b. nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een grote afstand tot Vwbt het ‘nieuwe artikel 6” is aansluiting gezocht bij de modelverordening van de VNG. de arbeidsmarkt heeft.

4.

Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het leren

Deze biedt meer duidelijkheid.

5.

6.

ARTIKEL 7. EVALUATIE Het college zendt eenmaal per jaar aan de raad een integraal verslag over de effecten van het beleid zoals opgesteld in het Sociaal Beleidskader.

functioneren in een arbeidsrelatie, gedurende maximaal drie maanden. Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: a. het doel van de werkstage; en b. de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.

Artikel 7 Detacheringsbaan 1.

2.

3.

Het college kan door detachering zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming waarbij de intentie van de ondernemer is om de werknemer voor minimaal 1 jaar in dienst te nemen na afloop van de detacheringsbaan. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie. Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

Het ‘oude artikel 7’ is vervangen door het ‘nieuwe artikel 2, leden 5 en 6’. Vwbt het ‘nieuwe artikel 7’ is aansluiting gezocht bij de modelverordening van de VNG. Deze biedt meer duidelijkheid. Daarnaast is dit een nieuw instrument dat is toegevoegd aan de verordening waarmee meer mogelijkheden ontstaan om mensen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt te helpen aan een baan.

4.

ARTIKEL 8. PARTICIPATIELADDER 1.

2.

3.

Het college stemt de ondersteuning af op de afstand van de belanghebbende tot arbeidsinschakeling. Bij het beoordelen van de afstand tot arbeidsinschakeling maakt het college gebruik van de participatieladder en stelt minimaal eens per drie jaar vast op welke trede van deze ladder de belanghebbende zich bevindt en wat het ontwikkelperspectief va nde belanghebbende is. De participatieladder kent zes treden die overeenstemmen met de volgende situaties: Trede 1: geïsoleerd; Trede 2: sociale contacten buitenshuis; Trede 3: deelname aan georganiseerde activiteiten; Trede 4: onbetaald werk; Trede 5: betaald werk met ondersteuning; Trede 6: arbeidsinschakeling.

ARTIKEL 9. INHOUD ONDERSTEUNING 1.

Ondersteuning door het college kan bestaan uit: A. het geven van voorlichting en advies; B.het bieden van praktische hulp; C. het doorverwijzen naar andere instanties; D. invulling geven aan sociale activering al dan niet ter voorbereiding op arbeidsinschakeling;

De werknemer wordt niet vaker dat één keer bij dezelfde werkgever geplaatst op een detacheringsbaan.

Artikel 8 Sociale activering 4.

5.

6.

Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. Het college biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhouding niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

Artikel 9 Scholing 4.

5.

Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden. Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. de duur van de scholing is maximaal 2 jaar;

Het ‘oude artikel 8’ is geschrapt daar dit niet noodzakelijk is te vermelden in de verordening. Dit past meer in de nadere regels en geeft invulling aan de werkwijze van de gemeente op uitvoeringsniveau. Het ‘nieuwe artikel 8’ vervangt het ‘oude artikel 9 lid d’. Daarnaast is er aansluiting gezocht bij de modelverordening van de VNG. Deze biedt meer duidelijkheid.

Het ‘oude artikel 9’ is geschrapt en in z’n algemeenheid verwerkt in de gehele verordening. Dit is onder andere verwerkt in het ‘nieuwe artikel 2’. Het ‘nieuwe artikel 9’ vervangt het ‘oude artikel 11, lid e’. Daarnaast is er aansluiting gezocht bij de modelverordening van de VNG. Deze biedt meer duidelijkheid.

E. jobhunting. 2.

3.

Indien dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan arbeidsinschakeling, kan ondersteuning medegericht zijn op het faciliteren van: A. passende kinderopvang in relatie tot de combinatie van zorgtaken met arbeidsinschakeling; B. schuldhulpverlening; C. maatschappelijke ondersteuning in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning; D. sociale activering; E. nazorg.

2.

6.

de scholing is noodzakelijk voor de kortste weg naar arbeidsinschakeling; en c. de scholing moet bijdrage aan het versterken van de arbeidsmarktpositie; en d. de scholing leidt tot het behalen van een praktijkverklaring, (deel)certificaat of erkend diploma. Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel a van de wet.

Indien het college dit noodzakelijk acht, kunnen kosten die rechtstreeks voortvloeien uit de ondersteuning worden vergoed, mits deze ondersteuning niet geboden kan worden op basis van andere wetgeving of voorliggende voorzieningen.

ARTIKEL 10. TOEKENNING EN WEIGERING 1.

b.

Indien dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is, biedt het college de belanghebbende een voorziening aan die gericht is op arbeidsinschakeling. Het college kan een verzoek om een voorziening weigeren indien een dergelijke voorziening naar het oordeel van het college voor de belanghebbende niet noodzakelijk is dan welonvoldoende bijdraagt aan arbeidsinschakeling.

Artikel 10 Participatieplaats 1. Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. 2. Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. 3. De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt (€300) per zes maanden, mits in die zes

Het ‘oude artikel 10’ is vervangen door het ‘nieuwe artikel 3’. Dit is gedaan omdat deze meer duidelijkheid biedt. Daarnaast is aansluiting gezocht bij de modelverordening van de VNG. Het ‘nieuwe artikel 10’ vervangt het ‘oude artikel 11, lid k’. Daarnaast is er aansluiting gezocht bij de modelverordening van de VNG. Deze biedt meer duidelijkheid.

maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. 4. Een werknemer wordt uitsluitend geplaats als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. ARTIKEL 11. Soorten voorzieningen 1.

Het college kan ten behoeve van de belanghebbende zoals genoemd in artikel 3 de volgende voorzieningen aanbieden:. A. Sollicitatietraining.

Artikel 11 Proefplaats 1.

Het college biedt met modules op maat begeleiding bij het solliciteren naar een reguliere baan. 2. B. Proefplaatsing. Het college kan een proefplaatsing aanbieden, zoals bedoeld in artikel 10a van de wet. Het college plaatst de uitkeringsgerechtigde alleen indien door zijn plaatsing geen onverantwoorde beïnvloeding plaatsvindt van concurrentieverhoudingen en indien dit niet leidt tot verdringing. Een proefplaatsing duurt in beginsel maximaal drie maanden. Deze termijn kan worden verlengd tot maximaal zes maanden. C. Werkgeverscheque. Het college kan een tegemoetkoming verstrekken aan de werkgever die

3. 4.

5.

6.

7.

Het ‘oude artikel 11’ is geschrapt en de verschillende voorzieningen zijn in losse

Het college kan, een persoon die behoort artikelen verwerkt in de nieuwe verordening. Dit tot de doelgroep, toestemming verlenen biedt meer duidelijkheid en is in lijn met de om op een proefplaats bij een werkgever modelverordening van de VNG. voor de duur van twee maanden, met de mogelijkheid tot verlening met maximaal Het ‘nieuwe artikel 11’ vervangt het ‘oude artikel vier maanden, onbeloonde 11, lid b’. Daarnaast is aansluiting gezocht bij werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. de modelverordening van de VNG. Het doel van een proefplaatsing is de persoon werkervaring op te laten doen in zijn toekomstige functie en uitval na aanvang van het dienstverband te voorkomen. Voor een proefplaats wordt uitsluitend toestemming verleend als: de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is; het college verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling; als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt; de werkzaamheden van de persoon niet al eerder onbeloond door hem bij die

aan de belanghebbende een arbeidsplaats aanbiedt en daarvoor extrakosten moet maken die naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn. D. Leerwerkplek. 1. Het college kan een persoon een leerwerkplek gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze: A. behoort tot de doelgroep, en B. nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft als gevolg van langdurige werkloosheid. 2. Het doel van een leerwerkplek is het opdoen van werkervaring en / of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3. In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: a. het doel van de leerwerkplek, en b. de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt, en c. de duur van de leerwerkplek. 4. Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. E. Scholing 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden.

8.

9.

werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en de werkgever bij aanvang van de proefplaats schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen.

Het college weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk of als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 10. Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten. 11. Het college kan een persoon op een proefplaats persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk 4. 12. Het college werkt in nadere regels nader uit welke criteria van toepassing zijn voor het verlengen van een proefplaatsing.

2.

3.

F.

Voor de uitvoering van het eerste lid kan het college beleidsregels opstellen. Het eerste lid is niet van toepassing op personen zoals bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de wet.

Ondersteuning leer-werktrajecten Het college kan op grond van artikel 10f van de wet ondersteuning bieden bij leer-werktrajecten ten behoeve van personen van 16 en 17 jaar van wie de leerplicht of kwalificatieplicht nog niet is geëindigd en personen van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. De ondersteuning is gericht op extra begeleiding op of naar een leerwerktraject om uitval te voorkomen.

G. Loonkostensubsidie Het college stelt vast of een belanghebbende die arbeidsmogelijkheden heeft, niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen en daarmee behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, sub e van de wet. 1.

Het college kan een loonkostensubsidie verstrekken aan werkgevers die met een kwetsbare, uiterst kwetsbare of gehandicapte werknemer een arbeidsovereenkomst sluiten.

2.

3.

4.

5.

6.

Het college stelt de loonwaarde van een belanghebbende vast, indien een werkgevervoornemens is met deze persoon een dienstbetrekking aan te gaan. Bij de vaststelling van de loonwaarde betrekt het college opgaven en inlichtingen van de belanghebbende en de werkgever over de praktijkervaringen van de belanghebbende, bijvoorbeeld tijdens een leerwerkplek of proefplaatsing indien deze vooraf zijn gegaan aan de arbeidsovereenkomst bij dezelfde werkgever. Een externe organisatie of het UWV adviseert het college met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort en neemt daarbij de in de bijlage bij de Verordening loonkostensubsidie Participatiewet Westland 2017 omschreven methode in acht. De loonkostensubsidie bedraagt ten hoogste 50 procent van de loonkosten gedurende maximaal 12 maanden respectievelijk 24 maanden ten behoeve van de kwetsbare respectievelijk de uiterst kwetsbare werknemer. Voor de gehandicapte werknemer bedraagt deze ten hoogste 80 procent gedurende de gehele arbeidsperiode. Onder kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die:

a.

h.

voorafgaand aan de indienstneming gedurende 6 maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft gevonden; b. geen startkwalificatie bezit; c. ouder is dan 50 jaar, of d. alleenstaande ouder is. 7. Onder uiterst kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die onmiddellijk voorafgaand aan de indiensttreding ten minste 24 maanden werkloos is geweest. 8. De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing plaatsvindt. 9. De loonkostensubsidie wordt niet verstrek als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer. Begeleiding werkgever

i.

Belanghebbenden die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie hebben op grond vanartikel10da van de wet aanspraak op begeleiding op de werkplek. Het college kan, in overleg met de werkgever, nadere invulling geven aan de vorm en inhoud van deze begeleiding. Werkvoorziening Het college kan aan de belanghebbende, die arbeid verricht,

J.

of gaat verrichten werkvoorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid. Onder werkvoorzieningen wordt verstaan: 1. vervoersvoorzieningen die ertoe strekken dat de belanghebbende zijn werkplek kan bereiken; 2. hulpmiddelen voor belanghebbenden met een motorische, auditieve of visuele handicap; 3. hulpmiddelen voor het geschikt maken van de arbeidsplaats, voorzieningen ten behoeve van de productie- en werkmethoden en op het individu afgestemde hulpmiddelen; 4. jobcoaching bij het verrichten van de aan belanghebbende opgedragen taken, gedurende maximaal twee jaar. Het college kan in individuele gevallen deze termijn met een jaar verlengen. Participatievoorziening Beschut werk1. 1. Tot de doelgroep beschut werk behoort de belanghebbende die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft, dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt. 2. Het college biedt de voorziening beschut werk alleen aan indien op grond van artikel10btweede lid, van de wet bij het UWV beoordeeld is, dat

3.

4.

5.

6.

7.

de persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden, met een minimale loonwaarde van 30%,mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. De datum van het (positief) advies van het UWV is bepalend voor de volgorde van het aanbod van de voorziening beschut werk. Binnen het dienstverband beschut werk wordt doorstroom naar een garantiebaan of een reguliere dienstbetrekking zo veel mogelijk gestimuleerd. Als na één tot twee jaar van het tijdelijke dienstverband blijkt dat de belanghebbende zich niet kan door ontwikkelen naar regulier werk, kan het dienstverband worden omgezet in een vast dienstverband. Het aantal jaarlijks te realiseren dienstbetrekkingen is beperkt tot het aantal waarvoor de gemeente middelen ontvangt van het rijk, dan wel het aantal dat bij ministeriële regeling is vastgesteld. Wanneer het aantal (positieve) adviezen van het UWV het in enig jaar het aantal te realiseren dienstbetrekkingen overtreft, kan het college in overleg met betrokkene(n)een andere voorziening uit deze verordening inzetten tot het moment dat de dienstbetrekking aanvangt. Het college wijst Patijnenburg aan als de organisatie die optreedt als werkgever van de personen in beschut werk.

8.

Om de in artikel 10b, eerste lid, van de wet bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken en te laten voortduren, zet het college waar nodig de volgende voorzieningen in: proefplaatsing voorafgaand aan het dienstverband; fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; de voorzieningen in artikel 11 sub h en i zoals genoemd in dit lid, kunnen samen met de voorziening beschut werk worden aangeboden. 9. Als er sprake is van een buitenproportionele begeleidingsbehoefte en een lagere loonwaarde dan 30% kan na vaststelling hiervan de deelname aan de participatievoorziening binnen één jaar beëindigd worden mits er afgestemd op de omstandigheden van belanghebbende een andere passende voorziening beschikbaar is. 10. Het college stelt beleidsregels vast ten aanzien van de uitvoering van de participatievoorziening beschut werk. K. Participatieplaat 1. Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. 2. Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de

3.

4.

5.

additionele werkzaamheden gaat verrichten. Het college stelt, met inachtneming van het gestelde in artikel 10a, vijfde lid van de wet, beleidsregels vast ten aanzien van de uitvoering van een participatieplaats. Bij de inzet van de voorzieningen kan het college bepalen dat aan specifieke doelgroepenprioriteit gegeven wordt. Het college kan beleidsregels stellen inzake de aard, inhoud en omvang van de voorzieningen.

ARTIKEL 12. WEDERKERIGHEID ALS TEGENPRESTATIE

Artikel 12 Participatievoorziening beschut werk 9.

1. 2. 3.

4.

5.

Het college stelt de doelgroep vast waaraan zij de wederkerigheid opleggen Wederkerigheid wordt niet opgelegd als de persoon actief is met re-integratie. Onverminderd het eerste lid wordt tijdelijk geen wederkerigheid opgelegd, op grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de wet. Het college stemt de wederkerigheid naar inhoud, omvang en duur af op de individuele omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde waaronder leeftijd, opleiding, werkervaringen andere relevante persoonlijke omstandigheden. De omvang van de wederkerigheid wordt door het college vastgesteld en uitgedrukt in maximale uren per week en een maximaal aantal uren per jaar.

Het ‘oude artikel 12’ wordt vervangen door het ‘nieuwe artikel 35”.

Het college verstrekt om de in artikel 10b, eerste lid van de wet bedoelde Het ‘nieuwe artikel 12’ vervangt het ‘oude artikel werkzaamheden mogelijk te maken de 11, lid j’. Daarnaast is aansluiting gezocht bij de volgende voorzieningen: a. fysieke aanpassingen van de werkplek modelverordening van de VNG omdat deze duidelijker is. of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken; of c. aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.

10. Het college kan aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de wet, daarnaast de volgende voorzieningen aanbieden:

6.

7. 8.

Het college kan in het individuele geval bepalen dat verrichten van het vrijwilligerswerk geldt als voldoen aan de wederkerigheid, als de omvang en duur van de werkzaamheden in overeenstemming zijn met de individuele mogelijkheden van de belanghebbende. Het college kan de wederkerigheid ieder kalenderjaar opnieuw opleggen. Als de uitkeringsgerechtigde niet of in onvoldoende mate meewerkt aan de opgelegde wederkerigheid naar vermogen, wordt deze gedraging conform de Afstemmingsverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz2015 gesanctioneerd.

ARTIKEL 13. PLAN VAN AANPAK 1.Indien het college een voorziening aanbiedt, stelt het met de belanghebbende een plan van aanpak op.

a.

b. c. d. e.

11. Het college biedt tenminste het aantal te realiseren beschutte werkplekken aan dat bij ministeriële regeling is vastgelegd. Artikel 13 Ondersteuning bij leer-werktraject

Het ‘oude artikel 13’ is geschrapt en verwerkt in het ‘nieuwe artikel 3’.

1.

Het college kan, overeenkomstig artikel 10f van de wet, ondersteuning aanbieden Het ‘nieuwe artikel 13’ komt ter vervanging van aan een persoon uit de doelgroep ten het ‘oude artikel 11, lid f’. Daarnaast is aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject nodig is, voor aansluiting gezocht bij de modelverordening van de VNG omdat deze duidelijker is. zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft: a. van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd; of b. van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.

2.

De ondersteuning is gericht op extra begeleiding op of naar een leerwerktraject om uitval te voorkomen.

2.Het plan van aanpak bevat in ieder geval: a. Een beschrijving van het te behalen resultaat; b. Het tijdspad waarin dit bereikt moet zijn en c. De verplichtingen die de belanghebbende heeft ten aanzien van arbeidsinschakelingen de gevolgen bij het niet nakomen van deze verplichtingen. 3.Het plan van aanpak wordt ”voor akkoord” getekend ondertekend door de belanghebbende. 4.De verplichting als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien slechts een medisch onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling wordt aangeboden. 5.Ten aanzien van de jongere in de leeftijd van 18 tot 27 jaar met een bijstandsuitkering, stelt het college tevens een plan van aanpak op indien slechts ondersteuning wordt geboden. Dit plan van aanpak moet voldoen aan de vereisten die artikel 44a van de wet stelt en ten aanzien van deze jongere is het derde lid van dit artikel niet van toepassing.

arbeidsmatige dagbesteding als bedoeld in artikel 8 onderdeel a van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Westland 2021; sociale activering als bedoeld in artikel 6; scholing als bedoeld in artikel 7; persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 12; of schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.

Ten aanzien van de alleenstaande ouder op wie artikel 9a van de wet van toepassing is, stelt het college tevens een plan van aanpak op. ARTIKEL 14. VERPLICHTINGEN EN AFSTEMMING 1.

2.

Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en deze verordening, aan de toekenning van een voorziening nadere verplichtingen verbinden. Indien de uitkeringsgerechtigde niet voldoet aan de verplichtingen met betrekking tot arbeidsinschakeling, verlaagt het college de uitkering conform hetgeen hiertoe is bepaald in de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ gemeente Westland2015.

ARTIKEL 15. Eigen bijdrage Het college kan besluiten dat en op welke wijze en onder welke voorwaarden de niet-uitkeringsontvanger of de Anwgerechtigde aan wie een voorziening wordt aangeboden, een eigen bijdrage verschuldigd is.

Artikel 14 Persoonlijke ondersteuning bij werk 1.

2.

Artikel 15. Arbeidsontwikkelingstraject 1.

BEËINDIGING EN TERUGVORDERING 1.

2.

Het college kan een voorziening beëindigen: a. Indien de belanghebbende zich niet houdt aan de op hem rustende verplichtingen met betrekking tot arbeidsinschakeling; b. Indien de belanghebbende niet langer behoort tot de doelgroep van deze verordening; c. Indien de belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening; d. Indien de voorziening naar het oordeel van het college niet langer noodzakelijk is of onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling. Het college kan de kosten uit of in verband met de toekenning van een voorziening van de belanghebbende terugvorderen, indien de kosten ten onrechte zijn gemaakt.

Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden aan personen behorend tot de doelgroep. Persoonlijke ondersteuning bij werk als bedoeld in het eerste lid wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 3, verstrekt overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk 4.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=afce3556-8c5d-4b43-895d-1f5f730afadb