6. Waelpolder_Regels
Tekst van het document
31
Artikel 12 Woongebied - 2 Artikel 12 12.1
Woongebied - 2
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Woongebied - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.
e. f. g. h.
i. j.
wonen; hoofdgebouwen en andere bouwwerken die nodig zijn voor de bovengenoemde functies; bij de bovengenoemde functies behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, bergingen en parkeervoorzieningen; verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de bestemming, waaronder verkeersstructuren zoals woonstraten, ontsluitingswegen, voet- en fietspaden en straatmeubilair; (ondergrondse) waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen, watergangen en waterpartijen; groen-, speel-, parkeer- en nutsvoorzieningen; ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding “bijgebouw en bouwwerk geen gebouw zijnde uitgesloten" [sba-bgg] zijn geen bijgebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde toegestaan; er plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van woongebied - oeverzone" (swg-ovz) dienen de gronden niet te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidt op het moment van de datum van inwerkingtreding van dit plan en dienen de gronden onbebouwd te zijn en te worden ingericht als groene oever en water, waarbij alleen aanlegsteigers en terrassen zijn toegestaan; ter plaatse van functieaanduiding "water" (wa) moet water worden gerealiseerd. Het water mag onder de bebouwing doorlopen; ter plaatse van de aanduiding "brug" (br) een brug.
12.2
Bouwregels
12.2.1
Algemeen
Op deze gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. b. c.
binnen de bestemmingen Woongebied - 1, Woongebied - 2, Woongebied - 3 en Woongebied - 4 gezamenlijk maximaal 509 wooneenheden; waaronder bijbehorende bouwwerken en overkappingen; andere overige bouwwerken dan overkappingen;
mits, d. e.
f.
g. h.
in het gehele plangebied maximaal 720 wooneenheden worden gebouwd; binnen de bestemmingen Gemengd, Woongebied - 2, Woongebied - 3 en Woongebied - 4 ten minste 30% van het totaal aantal woningen in het gehele plangebied als betaalbare woning wordt gerealiseerd; indien woningen worden gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van wonen geluidsbelasting" (sw-gb), aangetoond dient te zijn dat het binnenniveau van de woningen maximaal 33 dB bedraagt; uit een situatietekening behorende bij de omgevingsvergunningaanvra(a)g(en) blijkt dat binnen de bestemming Gemengd minimaal 7 m2 per woning als wijkgroen wordt gerealiseerd; ter plaatse van de functieaanduiding "speelvoorziening" (sz) de op de planverbeelding aangegeven hoeveelheid speelvoorzieningen met een minimale oppervlakte van 80m2 ter plaatse van de functieaanduiding "speelvoorziening" (sz) de op de planverbeelding aangegeven hoeveelheid speelvoorzieningen met een minimale oppervlakte van 80m2 per speelvoorziening voor kinderen van 0 - 6 jaar wordt gerealiseerd, waarbij maximaal 50% van alle speelvoorzieningen in het gehele plangebied in het groen mag zijn gesitueerd; voor kinderen van 0 - 6 jaar wordt gerealiseerd, waarbij maximaal 50% van alle speelvoorzieningen in het gehele plangebied in het groen mag zijn gesitueerd;
en gelden de volgende regels:
32
12.2.2
Hoofdgebouw als grondgebonden woning
Voor het bouwen van hoofdgebouwen als grondgebonden woningen gelden de volgende regels: a. b. c. d.
e.
f. g. h.
12.2.3 a. b. c.
12.2.4
de bouwhoogte bedraagt ten hoogste de op de planverbeelding met de maatvoering "maximale bouwhoogte (m)" aangegeven bouwhoogte; de goothoogte bedraagt ten hoogste de met de aanduiding “maximum goothoogte(m)” aangegeven goothoogte; de grondgebonden woningen zijn, voor zover deze grenzen aan openbaar toegankelijk gebied, met de voorgevel naar het openbaar toegankelijk gebied gericht; voor grondgebonden woningen, die zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde grenzen aan openbaar toegankelijk gebied, zijn de voorgevels - indien van toepassing - gericht naar de zijde waar zich de bestemming Groen of de bestemming Natuur bevindt; de minimale afstand van het hoofdgebouw tot aan de bestemmingsgrens van de bestemming Wonen, als geregeld in artikel 10 van deze regels, bedraagt: 1. 3m vanaf de zijgevel en voorgevel van het hoofdgebouw; 2. 8m vanaf de achtergevel van het hoofdgebouw; de afstand voor de niet aaneengebouwde zijde van een eindwoning tot de zijdelingse perceelgsrens bedraagt ten minste 3m; de afstand tussen de achtergevel en de perceelsgrens moet minimaal 6m bedragen; dakopbouwen zijn niet toegestaan.
Hoofdgebouw als gestapelde woningen de bouwhoogte bedraagt niet meer dan met de aanduiding “maximaal aantal bouwlagen” op de planverbeelding is aangegeven; voor hoofdgebouwen als gestapelde woningen geldt geen maximale goothoogte; de gestapelde woningen moeten met de voorgevel naar openbaar toegankelijk gebied zijn gericht.
Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen
Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en vrijstaande bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a.
b.
c.
d. e.
f.
voor kavels waarvan het bouwperceel kleiner of gelijk is aan 100m² bedraagt het gezamenlijk oppervlak van bijbehorende bouwwerken en overkappingen maximaal 50% van het achter- en zijerf met een maximum van 50m²; voor kavels waarvan het bouwperceel groter is dan 100m² en kleiner of gelijk is aan 300m² bedraagt het gezamenlijke oppervlak van bijbehorende bouwwerken en overkappingen maximaal 50m² plus 20% van de totale oppervlakte dat het achter- en zijerf groter is dan 100m²; voor kavels waarvan het bouwperceel groter is dan 300m² bedraagt het maximaal gezamenlijke oppervlak van bijbehorende bouwwerken en overkappingen op het achter en zijerf:
bijbehorende bouwwerken en overkappingen worden ten minste 1m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw gebouwd; de maximale diepte van aanbouwen, uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen, gemeten vanuit de oorspronkelijke achtergevel waaraan wordt gebouwd, bedraagt 4m met dien verstande dat maximaal 50% van het achtererf mag worden bebouwd; voor zover op een afstand van niet meer dan 4m van het oorspronkelijke hoofdgebouw is de
33
g. h. i.
j.
k.
12.2.5
bouwhoogte van aanbouwen, uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen niet hoger dan; 1. 5m; 2. 0,3m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en 3. het hoofdgebouw; de maximale goothoogte van vrijstaande bijgebouwen bedraagt 3m; de maximale bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen bedraagt 5m; in afwijking van het bepaalde onder f. mag de maximale goothoogte of maximale bouwhoogte worden vergroot met maximaal 1,2m ten behoeve van de balustrade van een dakterras, mits de minimale afstand tot de achter-/zijperceelsgrens 3m bedraagt; in afwijking van het bepaalde in lid d mogen erkers voor de voorgevelrooilijn worden gebouwd, met dien verstanden dat: 1. per grondgebonden woning mag maximaal 1 erker gerealiseerd worden; 2. de diepte van de erker mag ten hoogste 1/3 bedragen van de afstand van de voorgevel tot de voorste perceelsgrens met een maximum van 1,5m; 3. de breedte van de erker bedraagt maximaal 2/3 van de gevel van het hoofdgebouw en mag niet worden overschreden; 4. de erker wordt gesitueerd ten minste 0,5m uit de zijgevel van het hoofdgebouw; 5. de goothoogte van de erker bedraagt ten hoogste 3m of 0,3m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw op de aangrenzende gronden mag bedragen; 6.
de bouwhoogte van de erker mag maximaal 4m bedragen; In afwijking van het bepaalde in lid d, mogen aan- en uitbouwen voor de voorgevel worden gebouwd onder de volgende voorwaarden: 1. de afstand tussen de aan- of uitbouw en de voorste perceelsgrens, dient tenminste 3m te bedragen; 2. de diepte van de aan- of uitbouw mag ten hoogste 3m bedragen; 3. een aan- of uitbouw dient ten minste over 70% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd; 4. de bouwhoogte van aan- en uitbouw bedraagt ten hoogste 0,3m boven de vloer van de tweede verdieping van het hoofdgebouw op het bouwperceel en heeft een maximale bouwhoogte van 7 meter; 5. de bouwhoogte in sub 4 van dit lid mag worden overschreden door een balkonhek of borstwering met een hoogte van 1,2m.
Parkeergarages
Ondergrondse en bovengrondse parkeergarages en stallingen buiten de buitenwerkse gevels van bovengronds gelegen hoofdgebouwen met een maximale verticale diepte van 3m onder het peil en tot een maximale bouwhoogte van 6m boven het peil zijn binnen het gehele bestemmingsvlak toegestaan, mits deze stedenbouwkundig en landschappelijk zijn ingepast.
12.2.6
Overige bouwwerken
Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels: a. b.
c. d. e. f. g.
de maximale bouwhoogte van erfafscheidingen tussen openbaar toegankelijk gebied en 1m achter de voorgevelrooilijn bedraagt 1m; bij hoekpercelen, waarvan de voorgevel en de zijgevel grenzen aan openbaar toegankelijk gebied, geldt het bepaalde onder a, uitgezonderd het deel tussen de oorspronkelijke achtergevel van de woning en de perceelgrens van het achtererf waar de maximale bouwhoogte van erfafscheidingen 2m bedraagt; de maximale bouwhoogte van overige erfafscheidingen bedraagt 2m; de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken ten behoeve van straatverlichting bedraagt 7m; de maximale bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt 5m; de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouw zijnde bedraagt 3m; schotelantennes op of aan een bouwwerk zijn niet toegestaan.
34
12.3
Afwijken van de bouwregels
12.3.1
Afwijken van de afstanden
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 12.2.2 onder f. en g. toestaan dat er wordt afgeweken van de in die leden genoemde afstanden, mits: a. b.
12.3.2
een bijdrage wordt geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit, dit ter beoordeling van de stedenbouwkundige van de gemeente; daardoor geen onevenredige hinder of overlast wordt veroorzaakt op aangrenzende percelen.
Afwijken van de goothoogte
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 12.2.2 , aanhef en onder b, om de goothoogte van de grondgebonden woningen niet van toepassing te verklaren en daarmee een derde bouwlaag toe te staan, eventueel met een plat dak, met dien verstande dat: a. b. c.
12.4
een bijdrage wordt geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit, dit ter beoordeling van de stedenbouwkundige van de gemeente; naastgelegen woningen geen onaanvaardbare schaduwwerking ondervinden; de maximaal toegestane hoogte niet wordt overschreden.
Specifieke gebruiksregels
Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: 12.4.1
Aan-huis-gebonden ondernemingen
Onder strijdig gebruik wordt niet verstaan het gebruik van gedeelten van woningen ten behoeve van aan-huis-gebonden ondernemingen, mits; a. b. c. d. e. f.
g. h.
12.4.2 1. 2.
de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd blijft; het netto vloeroppervlak in gebruik voor de aan-huis-gebonden onderneming niet groter is dan 25% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw met een maximum van 50m²; het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluiting en parkeersituatie ter plaatse; er geen gebruik wordt gemaakt van gevelreclame; de onderneming uitsluitend door de bewoners (zonder ander personeel) wordt uitgeoefend; voor de activiteiten van de onderneming geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist en de inrichting valt onder het begrip type A van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; er geen horeca- en/of detailhandelsactiviteiten plaatsvinden; de activiteiten worden uitgevoerd in het hoofdgebouw plus aan-, uitbouw en aangebouwd bijgebouw. Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van bouwwerken wordt, tenzij in Woongebied - 2 en/of 12.4.1 anders bepaald, in elk geval gerekend het gebruik van bijgebouwen voor het wonen. Tot een strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend het gebruik voor kamerbewoning en een woongroep.
Tevens wordt tot een strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken gerekend het recreatief verhuren van de woning aan derden voor korte perioden, tenzij voldaan wordt aan de beleidsregels particuliere recreatieve verhuur woningen Westland.
35
Artikel 13 Woongebied - 3 13.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Woongebied - 3'aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.
e. f.
wonen; hoofdgebouwen en andere bouwwerken die nodig zijn voor de bovengenoemde functies; bij de bovengenoemde functies behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, bergingen en parkeervoorzieningen; verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de bestemming, waaronder verkeersstructuren zoals woonstraten, ontsluitingswegen, voet- en fietspaden en straatmeubilair; (ondergrondse) waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen, watergangen en waterpartijen; groen-, speel-, parkeer- en nutsvoorzieningen;
13.2
Bouwregels
13.2.1
Algemeen
Op deze gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. b. c.
binnen de bestemmingen Woongebied - 1, Woongebied - 2, Woongebied - 3 en Woongebied - 4 gezamenlijk maximaal 509 wooneenheden; waaronder bijbehorende bouwwerken en overkappingen; andere overige bouwwerken dan overkappingen; .
mits, d. e.
f.
g.
in het gehele plangebied maximaal 720 wooneenheden worden gebouwd; binnen de bestemmingen Gemengd, Woongebied - 2, Woongebied - 3 en Woongebied - 4 ten minste 30% van het totaal aantal woningen in het gehele plangebied als betaalbare woning wordt gerealiseerd; indien woningen worden gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van wonen geluidsbelasting" (sw-gb), aangetoond dient te zijn dat het binnenniveau van de woningen maximaal 33 dB bedraagt; ter plaatse van de functieaanduiding "ontsluiting" (os) een ontsluitingsweg ten behoeve van de naastgelegen bestaande woning wordt gerealiseerd.
en gelden de volgende regels: 13.2.2 a. b. c.
d. 13.2.3
Hoofdgebouw als gestapelde woningen de bouwhoogte bedraagt niet meer dan met de aanduiding “maximale bouwhoogte” op de planverbeelding is aangegeven voor hoofdgebouwen als gestapelde woningen geldt geen maximale goothoogte; bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw met een hoogte van 30 meter of meer staat, op basis van een daartoe uitgevoerd en bij de aanvraag overgelegd onderzoek, vast dat sprake is van een aanvaardbaar windklimaat, dat wil zeggen dat het windklimaat al dan niet met behulp van windafschermende maatregelen voldoet aan tenminste een goed windklimaat op basis van het criterium slenteren zoals beschreven in NEN 8100 ; de gestapelde woningen moeten met de voorgevel naar openbaar toegankelijk gebied zijn gericht; Parkeergarages
Ondergrondse en bovengrondse parkeergarages en stallingen buiten de buitenwerkse gevels van bovengronds gelegen hoofdgebouwen met een maximale verticale diepte van 3m onder het peil en tot een maximale bouwhoogte van 6m boven het peil zijn binnen het gehele bestemmingsvlak toegestaan, mits deze stedenbouwkundig en landschappelijk zijn ingepast.
36
13.2.4
Overige bouwwerken
Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels: a. b. c. 13.3
de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken ten behoeve van straatverlichting bedraagt 7m; de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouw zijnde bedraagt 3m; schotelantennes op of aan een bouwwerk zijn niet toegestaan. Specifieke gebruiksregels
Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: 13.3.1
Aan-huis-gebonden ondernemingen
Onder strijdig gebruik wordt niet verstaan het gebruik van gedeelten van woningen ten behoeve van aan-huis-gebonden ondernemingen, mits; a. b. c. d. e. f.
g. h.
13.3.2 1. 2.
de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd blijft; het netto vloeroppervlak in gebruik voor de aan-huis-gebonden onderneming niet groter is dan 25% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw met een maximum van 50m²; het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluiting en parkeersituatie ter plaatse; er geen gebruik wordt gemaakt van gevelreclame; de onderneming uitsluitend door de bewoners (zonder ander personeel) wordt uitgeoefend; voor de activiteiten van de onderneming geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist en de inrichting valt onder het begrip type A van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; er geen horeca- en/of detailhandelsactiviteiten plaatsvinden; de activiteiten worden uitgevoerd in het hoofdgebouw plus aan-, uitbouw en aangebouwd bijgebouw.
Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van bouwwerken wordt, tenzij in Woongebied - 3 en/of 13.3.1 anders bepaald, in elk geval gerekend het gebruik van bijgebouwen voor het wonen. Tot een strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend het gebruik voor kamerbewoning en een woongroep. Tevens wordt tot een strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken gerekend het recreatief verhuren van de woning aan derden voor korte perioden, tenzij voldaan wordt aan de beleidsregels particuliere recreatieve verhuur woningen Westland.
37
Artikel 14 Woongebied - 4 14.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Woongebied - 4' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c.
het wonen; hoofdgebouwen en andere bouwwerken die nodig zijn voor het wonen; bij de bovengenoemde functies behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, bergingen en parkeervoorzieningen; verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de bestemming, waaronder verkeersstructuren zoals woonstraten, ontsluitingswegen, voet- en fietspaden en straatmeubilair; (ondergrondse) waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen, watergangen en waterpartijen; groen-, speel-, parkeer- en nutsvoorzieningen;
d.
e. f.
14.2
Bouwregels
14.2.1
Algemeen
Op deze gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a.
binnen de bestemmingen Woongebied - 1, Woongebied - 2, Woongebied - 3 en Woongebied - 4 gezamenlijk maximaal 509 wooneenheden; bijbehorende bouwwerken en overkappingen; andere overige bouwwerken dan overkappingen; ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding “zonder bebouwing” [sba-zbb] zijn geen bouwwerken toegestaan, behoudens straatmeubilair;
b. c. d.
mits, e. f.
g. h.
i.
in het gehele plangebied maximaal 720 wooneenheden worden gebouwd; binnen de bestemmingen Gemengd, Woongebied - 2, Woongebied - 3 en Woongebied - 4 ten minste 30% van het totaal aantal woningen in het gehele plangebied als betaalbare woning wordt gerealiseerd; uit een situatietekening behorende bij de omgevingsvergunningaanvra(a)g(en) blijkt dat binnen de bestemming Gemengd minimaal 7 m2 per woning als wijkgroen wordt gerealiseerd; indien woningen worden gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van wonen geluidsbelasting" (sw-gb), aangetoond dient te zijn dat het binnenniveau van de woningen maximaal 33 dB bedraagt; ter plaatse van de functieaanduiding "speelvoorziening" (sz) de op de planverbeelding aangegeven hoeveelheid speelvoorzieningen met een minimale oppervlakte van 80m2 per speelvoorziening voor kinderen van 0 - 6 jaar wordt gerealiseerd, waarbij maximaal 50% van alle speelvoorzieningen in het gehele plangebied in het groen mag zijn gesitueerd;
en geldende de volgende regels: 14.2.2
Hoofdgebouw als grondgebonden woning
Voor het bouwen van hoofdgebouwen als grondgebonden woningen gelden de volgende regels: a. b. c. d. e.
de bouwhoogte bedraagt ten hoogste de op de planverbeelding met de maatvoering "maximale bouwhoogte (m)" aangegeven bouwhoogte; de goothoogte bedraagt ten hoogste de met de aanduiding “maximum goothoogte(m)” aangegeven goothoogte; de grondgebonden hoofdgebouwen worden als rijwoningen of als beneden-bovenwoningen gebouwd; de grondgebonden woningen zijn, voor zover deze grenzen aan openbaar toegankelijk gebied, met de voorgevel naar het openbaar toegankelijk gebied gericht; voor grondgebonden woningen, die zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde grenzen aan
38
f.
g.
h. i.
14.2.3
openbaar toegankelijk gebied, zijn de voorgevels - indien van toepassing - gericht naar de zijde waar zich de bestemming Groen of de bestemming Natuur bevindt; de minimale afstand van het hoofdgebouw tot aan de bestemmingsgrens van de bestemming Wonen, als geregeld in artikel 10 van deze regels, bedraagt: 1. 3m vanaf de zijgevel en voorgevel van het hoofdgebouw; 2. 8m vanaf de achtergevel van het hoofdgebouw; de afstand voor vrijstaande grondgebonden hoofdgebouwen en de niet aaneengebouwde zijde van een hafvrijstaande en eindwoning tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt ten minste 3 meter; de afstand tussen de achtergevel en de perceelgrens moet minimaal 6m bedragen; dakopbouwen zijn niet toegestaan.
Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen
Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en vrijstaande bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a.
b.
c.
d. e.
f.
g. h. i.
j.
voor kavels waarvan het bouwperceel kleiner of gelijk is aan 100m² bedraagt het gezamenlijk oppervlak van bijbehorende bouwwerken en overkappingen maximaal 50% van het achter- en zijerf met een maximum van 50m²; voor kavels waarvan het bouwperceel groter is dan 100m² en kleiner of gelijk is aan 300m² bedraagt het gezamenlijke oppervlak van bijbehorende bouwwerken en overkappingen maximaal 50m² plus 20% van de totale oppervlakte dat het achter- en zijerf groter is dan 100m²; voor kavels waarvan het bouwperceel groter is dan 300m² bedraagt het maximaal gezamenlijke oppervlak van bijbehorende bouwwerken en overkappingen op het achter en zijerf:
bijbehorende bouwwerken en overkappingen worden ten minste 1m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw gebouwd; de maximale diepte van aanbouwen, uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen, gemeten vanuit de oorspronkelijke achtergevel waaraan wordt gebouwd, bedraagt 4m met dien verstande dat maximaal 50% van het achtererf mag worden bebouwd; voor zover op een afstand van niet meer dan 4m van het oorspronkelijke hoofdgebouw is de bouwhoogte van aanbouwen, uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen niet hoger dan; 1. 5m; 2. 0,3m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en 3. het hoofdgebouw; de maximale goothoogte van vrijstaande bijgebouwen bedraagt 3m; de maximale bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen bedraagt 5m; in afwijking van het bepaalde onder f. mag de maximale goothoogte of maximale bouwhoogte worden vergroot met maximaal 1,2m ten behoeve van de balustrade van een dakterras, mits de minimale afstand tot de achter-/zijperceelsgrens 3m bedraagt; in afwijking van het bepaalde in lid d mogen erkers voor de voorgevelrooilijn worden gebouwd, met dien verstanden dat: 1. per grondgebonden woning mag maximaal 1 erker gerealiseerd worden; 2. de diepte van de erker mag ten hoogste 1/3 bedragen van de afstand van de voorgevel tot de voorste perceelsgrens met een maximum van 1,5m; 3.
de breedte van de erker bedraagt maximaal 2/3 van de gevel van het hoofdgebouw en mag
39
niet worden overschreden; 4. de erker wordt gesitueerd ten minste 0,5m uit de zijgevel van het hoofdgebouw; 5. de goothoogte van de erker bedraagt ten hoogste 3m of 0,3m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw op de aangrenzende gronden mag bedragen; 6. de bouwhoogte van de erker mag maximaal 4m bedragen.
14.2.4
Parkeergarages
Ondergrondse en bovengrondse parkeergarages en stallingen buiten de buitenwerkse gevels van bovengronds gelegen hoofdgebouwen met een maximale verticale diepte van 3m onder het peil en tot een maximale bouwhoogte van 6m boven het peil zijn binnen het gehele bestemmingsvlak toegestaan, mits deze stedenbouwkundig en landschappelijk zijn ingepast. 14.2.5
Overige bouwwerken
Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels: a. b.
c. d. e. f. g.
de maximale bouwhoogte van erfafscheidingen tussen openbaar toegankelijk gebied en 1m achter de voorgevelrooilijn bedraagt 1m; bij hoekpercelen, waarvan de voorgevel en de zijgevel grenzen aan openbaar toegankelijk gebied, geldt het bepaalde onder a, uitgezonderd het deel tussen de oorspronkelijke achtergevel van de woning en de perceelgrens van het achtererf waar de maximale bouwhoogte van erfafscheidingen 2m bedraagt; de maximale bouwhoogte van overige erfafscheidingen bedraagt 2m; de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken ten behoeve van straatverlichting bedraagt 7m; de maximale bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt 5m; de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouw zijnde bedraagt 3m; schotelantennes op of aan een bouwwerk zijn niet toegestaan.
14.3
Afwijken van de bouwregels
14.3.1
Afwijken van de afstanden
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 14.2.2 onder g. en h. toestaan dat er wordt afgeweken van de in die leden genoemde afstanden, mits: a. b. 14.3.2
een bijdrage wordt geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit, dit ter beoordeling van de stedenbouwkundige van de gemeente; daardoor geen onevenredige hinder of overlast wordt veroorzaakt op aangrenzende percelen. Afwijken van de goothoogte
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 14.2.2 , aanhef en onder b, om de goothoogte van de grondgebonden woningen niet van toepassing te verklaren en daarmee een derde bouwlaag toe te staan, eventueel met een plat dak, met dien verstande dat: a. b. c. 14.4
een bijdrage wordt geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit, dit ter beoordeling van de stedenbouwkundige van de gemeente; naastgelegen woningen geen onaanvaardbare schaduwwerking ondervinden; de maximaal toegestane hoogte niet wordt overschreden. Specifieke gebruiksregels
Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: 14.4.1
Aan-huis-gebonden ondernemingen
Onder strijdig gebruik wordt niet verstaan het gebruik van gedeelten van woningen ten behoeve van aan-huis-gebonden ondernemingen, mits; a. b. c. d.
de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd blijft; het netto vloeroppervlak in gebruik voor de aan-huis-gebonden onderneming niet groter is dan 25% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw met een maximum van 50m²; het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluiting en parkeersituatie ter plaatse; er geen gebruik wordt gemaakt van gevelreclame;
40
e. f.
g. h.
14.4.2 1. 2.
de onderneming uitsluitend door de bewoners (zonder ander personeel) wordt uitgeoefend; voor de activiteiten van de onderneming geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist en de inrichting valt onder het begrip type A van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; er geen horeca- en/of detailhandelsactiviteiten plaatsvinden; de activiteiten worden uitgevoerd in het hoofdgebouw plus aan-, uitbouw en aangebouwd bijgebouw. Strijdig gebruik ot een strijdig gebruik van bouwwerken wordt, tenzij in Woongebied - 4 en/of 14.4.1 anders bepaald, in elk geval gerekend het gebruik van bijgebouwen voor het wonen. Tot een strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend het gebruik voor kamerbewoning en een woongroep. Tevens wordt tot een strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken gerekend het recreatief verhuren van de woning aan derden voor korte perioden, tenzij voldaan wordt aan de beleidsregels particuliere recreatieve verhuur woningen Westland.
41
Artikel 15 Waterstaat - Waterbergingsgebied (dubbelbestemming) 15.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waterstaat - Waterbergingsgebied (dubbelbestemming)' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor waterberging. In geval van strijdigheid, gaan de regels van dit artikel vóór de regels die ingevolge andere artikelen op de betreffende gronden van toepassing zijn. Op deze dubbelbestemming is de voorrangsregeling van artikel 23.3 van toepassing. 15.2
Voorwaardelijke verplichting waterberging
De voorwaardelijke verplichting geldt voor de voor de gronden die mede zijn bestemd bestemming voor Woongebied - 1, Woongebied - 2, Woongebied - 3, Woongebied - 4 en Gemengd. Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd, onder de volgende voorwaarden: a.
voldaan moet worden aan de gestelde waterbergingsnorm uit het waterhuishoudkundig plan Waelpark en de daaruit voortvloeiende waterbergingsopgave voor het bestemmingsplan Waelplas, zoals aangegeven in de tabel 'Bergingsnorm en -opgave Waelpolder': verhardingspercentage 50%
55%
60%
65%
norm
390 m³ /ha
426 m³ /ha
463 m³ /ha
499 m³ /ha
Opgave plangebied
14.625 m²
15.975 m²
17.363 m²
18.713 m²
Tabel: Bergingsnorm en -opgave Waelpolder b. c.
d.
de waterberging dient gerealiseerd te worden binnen het plangebied; indien de waterberging niet gerealiseerd kan worden binnen het plangebied, dan dient, na instemming van het Hoogheemraadschap van Delfland, de waterberging te worden gerealiseerd binnen het plan Waelpark, waar Waelpolder onderdeel van uitmaakt; voorafgaand aan het verlenen van de Omgevingsvergunning voor het betreffende deel, dient het bevoegd gezag instemming van het Hoogheemraadschap van Delfland te zijn verkrijgen.
42
Artikel 16 Waterstaat - Waterkering 16.1 a. b.
16.2
Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de waterkering. de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende enkelbestemmingen. Voor zover deze dubbelbestemming samenvalt met andere dubbelbestemmingen is de voorrangsregeling in artikel 23.3 van toepassing. Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. b.
16.3
op de gronden mogen ten behoeve van de in lid 16.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3m; ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 16.2 onder b, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het waterkeringsbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens te beslissen, wint het bevoegd gezag advies in bij de beheerder van de waterkering.
43
Artikel 17 Leiding - Water
17.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Leiding - Water' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen (basisbestemmingen), voor het aangegeven aantal meters aan weerszijden van de as van de aangegeven strook, tevens bestemd voor: a.
een waterleiding;
met de daarbij behorende: b.
een gemaal;
c.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
17.2
Bouwregels
Op en in de gronden als bedoeld in lid 17.1, mogen, in afwijking van het bepaalde ten aanzien van de andere bestemmingen, uitsluitend worden gebouwd, bouwwerken ten behoeve van de betreffende leiding en met inachtneming van de volgende bepalingen: a. b. c. 17.3
de inhoud van de gebouwen bedraagt maximaal 30 m 3; de hoogte van de gebouwen bedraagt maximaal 3 meter; de hoogte van andere bouwwerken bedraagt maximaal 2 meter. Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in lid 17.2, ten behoeve van het bouwen overeenkomstig de desbetreffende andere bestemming van deze gronden, mits: a. b. c.
hierdoor geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van en de veiligheidssituatie rond de betreffende leiding; ter zake daarvan vooraf schriftelijk advies van de betreffende leidingbeheerder is ingewonnen; en geen kwetsbare objecten worden toegelaten.
17.4 Omgevingsvergunningvoor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden 17.4.1
Omgevingsvergunningplicht
Het is verboden op of in de gronden als bedoeld in lid 17.1, zonder een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de hierna aangegeven werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d. e. f. g.
aanleggen van wegen en paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; verlagen van de bodem en afgraven, ophogen en egaliseren van gronden; aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen; aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder begrepen het kweken en telen van bomen, struiken en heesters; werken en werkzaamheden, zoals uitdiepen, draineren en slaan van putten, die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tengevolge hebben; het indrijven van voorwerpen in de grond.
44
17.4.2
Uitzonderingen omgevingsvergunningplicht
Het in sublid 17.4.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden: a. b.
c.
17.4.3
werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud; werken en werkzaamheden, waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan: 1. is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen vergunning was vereist; 2. is of mag worden begonnen krachtens een verleende vergunning; werken en werkzaamheden voor zover daarvoor een omgevingsvergunning is vereist.
Toelaatbaarheid van werken en werkzaamheden
Werken en werkzaamheden als bedoeld in sublid 17.4.1 zijn slechts toelaatbaar indien door uitvoering daarvan, dan wel door de daarvan direct of indirecte te verwachten gevolgen: a.
b.
17.4.4
een of meerdere waarden of functies van de in die artikelen bedoelde gronden, welke het plan beoogt te beschermen: 1. niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel; 2. de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind; voor zover werken en werkzaamheden binnen de leidingbestemming geen blijvend onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de belangen van de betreffende leiding, en vooraf er zake door het bevoegd gezag het advies van de desbetreffende leidingbeheerder is ingewonnen. Advies
Alvorens te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in sublid 17.4.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen werken of werkzaamheden de belangen van de leiding niet onevenredig worden geschaad en welke voorwaarden gesteld dienen te worden om eventuele schade te voorkomen.
45
Hoofdstuk 3
Algemene regels
Artikel 18 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
46
Artikel 19 Algemene bouwregels 19.1
Overschrijding van hoogte-aanduidingenop de planverbeelding
19.1.1
ondergeschikte bouwdelen
De hoogteaanduidingen op de planverbeelding mogen worden overschreden door antenne installaties, indien en voorzover de overschrijding niet meer dan 5m. bedraagt , alsmede door schoorstenen, trappenhuizen, alarminstallaties en andere ondergeschikte bouwdelen, indien en voorzover de overschrijding niet meer dan 1m. bedraagt, tenzij in hoofdstuk 2 anders is bepaald. 19.1.2
liftkokers
De hoogteaanduidingen op de planverbeelding mogen worden overschreden door liftkokers, indien en voor zover de overschrijding niet meer dan 1,5m bedraagt, tenzij hoofdstuk 2 anders bepaald. 19.2
Overschrijding bouwgrenzen
De op de planverbeelding aangegeven bouwgrenzen mogen uitsluitend worden overschreden door: a. b.
c. d. e.
f. 19.3 a. b.
19.4
tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden en funderingen; bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden van gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen, indien en voorzover de overschrijding niet meer dan 0,5m bedraagt. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, indien en voorzover de overschrijding niet meer dan 0,5m bedraagt; rookkanalen, indien de overschrijding niet meer dan 0,5m bedraagt putten, leidingen, goten en inrichtingen voor de watervoorziening of de afvoer of verzameling van water rioolstoffen; hijsinrichtingen, indien en voorzover de overschrijding niet meer dan 0,5m bedraagt. bestaande dakopbouwen, bestaande luifels en bestaande uitbouwen aan de voorzijde. Ondergrondse bouwwerken De regels van dit plan zijn van overeenkomstige toepassing op ondergrondse bouwwerken. In aanvulling op het bepaalde onder a. mogen ondergrondse ruimten slechts worden gerealiseerd voor zover deze zijn gelegen tussen de buitenwerkse gevels van het bovengronds gelegen hoofdgebouw en met een maximale verticale diepte van 3m onder het peil. Balkons
Voor het bouwen van balkons gelden de volgende regels: a. b. c. d.
19.5
balkons zijn alleen toegestaan bij gestapelde woningen; balkons mogen aan alle zijden van een gebouw worden gerealiseerd; balkons mogen buiten het bouwvlak en/of bestemmingsgrens worden gebouwd; balkons boven openbaar toegankelijk gebied zijn niet toegestaan, hiervan uitgezonderd zijn openbaar groen en water waarboven balkons wel zijn toegestaan
Dakkapellen
Voor het bouwen van dakkapellen gelden de volgende regels: a.
b.
Maatvoering achterzijde: 1. de dakkapel ligt aan alle zijden tenminste 0,5m vrij in het dakvlak; 2. de dakkapel is gemeten van de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75m; 3. de dakkapel mag niet meer dan 1 meter uit de onderkant van het dakvlak staan. Maatvoering voorzijde: 1. de dakkapel is niet breder dan 50% van de breedte van het dakvlak; 2. de dakkapel ligt aan alle zijden tenminste 0,5m vrij in het dakvlak; 3. de dakkapel is gemeten van de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,5m; 4. de dakkapel mag niet meer dan 1m uit de onderkant van het dakvlak staan.
47
48
Artikel 20 Algemene gebruiksregels 20.1
Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening in samenhang met artikel 2.1 lid 1 onder c. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt in ieder geval verstaan: a. b.
c.
d. e. 20.2
het gebruik van niet-bebouwde grond als permanente staan- of ligplaats van demonteerbare of verplaatsbare inrichtingen voor de verkoop van etenswaren en/of dranken; het gebruik van niet-bebouwde grond en/of water als staan- of ligplaats voor kampeermiddelen buiten de daarvoor aangewezen gronden; het gebruik van niet-bebouwde grond als staan- of ligplaats voor (menselijk of dierlijk) verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken, vaar- of voertuigen, arken of andere objecten, voor zover die niet als bouwwerk zijn aan te merken; het gebruik van niet-bebouwde grond als opslag, stort- of bergplaats van al dan niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik noodzakelijk is voor of verband houdt met de verwerkelijking van de bestemming of met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden; de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk is niet toegestaan; het gebruik van bouwwerken of het laten gebruiken van bouwwerken als seksinrichting. Geen strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik wordt niet verstaan: a. b.
het gebruik van niet-bebouwde grond voor evenementen waarvoor een vergunning is verleend op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Westland; het gebruik van niet-bebouwde grond voor standplaatsen waarvoor een vergunning is verleend op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Westland.'
49
Artikel 21 Algemene aanduidingsregels 21.1
Milieuzone - schone leeflaag
21.1.1
Verbodsregel
Het is verboden op, of in de gronden met de aanduiding Milieuzone - schone leeflaag zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning verleend door het bevoegd gezag, de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d.
21.1.2
het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 1m, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage; het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; het aanleggen van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. Uitzondering op het uitvoeringsverbod
Het verbod van artikel 21.1.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. b. 21.1.3
betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. Voorwaarden voor een omgevingsvergunning
De werken en werkzaamheden, zoals in artikel 21.1.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden aan kan aantonen dat de werkzaamheden conform het saneringsplan (bijlage bij regels) worden uitgevoerd.
50
Artikel 22 Algemene afwijkingsregels 22.1
Algemene afwijkingsmogelijkheden
Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woon- en werksituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en er op grond van de regels in hoofdstuk 2 niet eerder kon worden afgeweken, bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan, voor: a.
b.
c. d.
e.
f.
g.
h.
22.2
afwijkingen van voorgeschreven maten, waaronder percentages, met ten hoogste 10%. Het moet hierbij primair gaan om het oplossen van knelpunten waar het bestemmingsplan niet in voorziet en waartegen in planologisch opzicht geen bezwaar bestaat en niet om de bouwmogelijkheden bij voorbaat al te vergroten; het bouwen van kleine niet voor bewoning bestemde gebouwtjes met een goothoogte van ten hoogste 3m ten behoeve van openbare nutsbedrijven of voor andere naar doelstelling daarmee vergelijkbare gebouwtjes mits de inhoud van deze gebouwtjes niet groter is dan 60m³ zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes, gemaalgebouwtjes, gasdrukregel- en meetstations, telefooncellen, toiletgebouwtjes en wachthuisjes voor verkeersdiensten; het bouwen van een tweedelijns dakkapel aan de achterzijde boven een bestaande dakkapel; het bouwen van straatmeubilair of andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die om waterstaatkundige of verkeerstechnische redenen noodzakelijk zijn, zoals duikers en keermuren met een bouwhoogte van ten hoogste 6m; geringe veranderingen in de tracés van wegen en de aanpassing daaraan van de ligging en de vorm van bestemmingsgrenzen indien bij de definitieve uitmeting blijkt, dat een weg als gevolg van de werkelijke toestand van het terrein slechts kan worden aangelegd als op ondergeschikte punten van het plan wordt afgeweken, met dien verstande dat de veranderingen ten
hoogste 2 m mogen bedragen; afwijkingen van het bestemmingsplan, ten einde de uitvoering van een bouwplan mogelijk te maken, indien op grond van een definitieve uitmeting of in verband met de verkaveling of situering blijkt, dat aanpassing van het bestemmingsplan noodzakelijk zou zijn en de afwijking van zo ondergeschikte aard blijft, dat de structuur van het bestemmingsplan niet wordt aangetast; overschrijding van bouwgrenzen, voorzover zulks van belang is voor een technisch of ruimtelijke kwaliteit i.p.v. esthetisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voorzover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3 m bedragen. het bouwen van zonnecollectoren, beeldende kunstwerken (waaronder begrepen follies), riool-overstortkelders, boven- en ondergrondse containerruimten, informatie- en reclameborden. Afwijking niet verlenen
Afwijking wordt in ieder geval niet verleend, indien daardoor onevenredig afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
51
Artikel 23 Overige regels 23.1
Werking wettelijke regelingen
De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. 23.2
Strafbepaling
Overtreding van het bepaalde in artikel 20.1 is een economisch delict in de zin van artikel 1a, sub 2°, van de Wet op de economische delicten en als zodanig strafbaar op grond van deze wet. 23.3
Voorrangsregeling
Indien en voor zover de in het plan aangegeven bestemmingen geheel of gedeeltelijk samenvallen zijn, voor zover de voor de dubbelbestemmingen geldende regels ten aanzien van bebouwing of gebruik niet met elkaar verenigbaar zijn, de regels van toepassing die gelden voor de dubbelbestemming met de hoogste prioriteit volgens de volgorde die is aangegeven in onderstaand schema: Bestemming
artikelnummer
volgorde van toepassing
Waterstaat - Waterberging
15
1
Waterstaat - Waterkering
16
2
23.4 1.
2.
3.
Voorwaardelijke verplichting parkeren Bij nieuwe ontwikkelingen (oprichting van een bouwwerk, verandering van functie of uitbreiding van bestaand gebruik) is het gebruik van gronden en bouwwerken op grond van de regels in hoofdstuk 2 slechts toegestaan als op eigen terrein wordt voorzien in 1.65 voldoende parkeergelegenheid, zoals bedoeld in hoofdstuk 1 van deze regels. Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid 1 indien: a. het voldoen aan die bepaling door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. er een bijzonder gemeentelijk belang mee is gemoeid; of c. op andere wijze dan op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits voldaan wordt aan de voorwaarden zoals gesteld in de beleidsregel 'Parkeernormering gemeente Westland' en - indien deze beleidsregel gedurende de planperiode worden gewijzigd - aan die wijziging; of d. door de aanvrager van een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat de van toepassing zijnde parkeernorm(en) of aanwezigheidspercentages niet overeenkomen met de feitelijke situatie en kan worden volstaan met het realiseren van minder parkeergelegenheid. Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning zoals genoemd bij lid 2 voorschriften verbinden ten aanzien van: a. de aard, plaats en inrichting van de parkeergelegenheid; b. de aanwezigheid en aanduiding van parkeergelegenheid ten behoeve van invaliden.
52
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
Artikel 24 Overgangsrecht 24.1 1.
2. 3. 4.
24.2 1. 2.
3.
4.
Overgangsrecht bouwwerken Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan; Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid 24.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 24.1.1 met maximaal 10%; Lid 24.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
Overgangsrecht gebruik Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 24.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; Indien het gebruik, bedoeld in lid 24.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; 21-0253411bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
53
Artikel 25 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Waelpolder'
54