2.2f) Ontwerp wijzigingsbesluit Omgevingsverordening [25-0186140]
Tekst van het document
In de praktijk heeft dit er toe geleid dat de waterbeheerders hier verschillend mee omgingen. Waar de ene waterbeheerder de omgevingswaarde toepast op het gehele beheersgebied (ongeacht of daarin een afwijkend peil is vastgesteld), past de andere waterbeheerder de omgevingswaarde niet toe op het gedeelte van het beheersgebied waarvoor een afwijkend peil is toegestaan. Met een dergelijke vergunning krijgt een belanghebbende de mogelijkheid zijn gebied af te scheiden van het peilgebied en af te wijken van het voor dat gebied vastgestelde gewenste waterpeil. Met deze bepaling wordt duidelijk gemaakt dat een omgevingswaarde geldt op peilgebiedsniveau. Aanvullend is in artikel 5.11 een bepaling opgenomen over de toepassing van een omgevingswaarde gemiddelde kans op overstroming als het waterschapsbestuur binnen een peilgebied een afwijkend peil heeft toegestaan. LL De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
86
Provinciaal blad 2025 nr. 17940
29 oktober 2025
Artikel 7.4 (legger) In artikel 2.39 van de Omgevingswet is bepaald dat de beheerder van waterstaatswerken zorg draagt voor de vaststelling van een legger. In het vierde lid van artikel 2.39 van de Omgevingswet is bepaald dat bij of krachtens omgevingsverordening vrijstelling kan worden verleend van de leggerplicht voor waterstaatswerken die zich naar aard of functie niet lenen voor het omschrijven van die elementen, of die geringe afmetingen hebben. In artikel 2.22 in samenhang met artikel 2.23 van de Omgevingswet is bepaald dat bij omgevingsverordening regels kunnen worden gesteld ten aanzien van de inhoud of motivering van de legger, met inbegrip van een technisch beheerregister. In dit artikel wordt hiervan gebruik gemaakt. De legger beschrijft normatief de fysieke kenmerken of toestand van waterstaatswerken voor wat betreft vorm, afmeting en constructie. Onder waterstaatswerk kan elk onderdeel van een watersysteem worden verstaan, behalve een grondwaterlichaam. Onder de Omgevingswet bevat de legger, in tegenstelling tot de regeling in de Waterwet, geen normen waaraan derden rechten kunnen ontlenen. Artikel 2.39 van de Omgevingswet verplicht de beheerder daarom niet om de aanwijzing van beperkingengebieden (onder de Waterwet beschermingszones genoemd) in de legger op te nemen.
De aanwijzing van beperkingengebieden vindt om die reden plaats in de waterschapsverordening, waarin tevens een vergunningplicht en algemene regels voor activiteiten in deze beperkingengebieden kunnen worden opgenomen. Voor de vast te leggen gegevens in de legger van de primaire en regionale waterkeringen zijn de gestelde omgevingswaarden, bedoeld in artikel 5.3, en de methode en nadere regels, bedoeld in paragraaf 13.1.1, die zijn uitwerkt in bijlage XII, onder A, maatgevend. Met behulp van situatietekeningen en dwarsprofielen wordt in de legger aangegeven wat de vereiste en de te handhaven afmetingen van de primaire en regionale waterkeringen zijn. Voor de vast te leggen gegevens in de legger van oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden zijn de gestelde omgevingswaarden met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht (het voorkomen en tegengaan van wateroverlast), bedoeld in de artikelen 5.8 en 5.9, en de technische leidraad, bedoeld in artikel 13.3, maatgevend. Met behulp van situatietekeningen en, waar mogelijk, overige gegevens met betrekking tot de bergings- en afvoercapaciteit, wordt in de legger aangegeven wat de vereiste en de te handhaven afmetingen van de te onderscheiden oppervlaktewaterlichamen of categorieën van oppervlaktewaterlichamen, alsmede van de bergingsgebieden, zijn.
Gebleken is dat de ondersteunende kunstwerken en bijzondere constructies voor oppervlaktewateren en bergingsgebieden niet altijd in de legger zijn opgenomen. Daarom wordt in het tweede lid geregeld dat om redenen van praktische aard deze verplichting pas geldt met ingang van een nog te bepalen datum. Vanwege de samenvoeging van de verschillende waterverordeningen in het verleden en het streven om daarbij geen extra verplichtingen te creëren, is in het derde en vierde lid voor een aantal waterschappen een uitzondering opgenomen conform hetgeen voorheen in hun waterverordening was opgenomen. Deze situatie wordt in deze omgevingsverordening gecontinueerd. MM De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 7.5 (aanwijzingpeilbesluiten regionale wateren peilbesluit) Op grond van artikel 2.41 van de Omgevingswet stelt de beheerder van watersystemen voor de bij omgevingsverordening aangewezen oppervlaktewaterlichamen, grondwaterlichamen of onderdelen daarvan die deel uitmaken van die watersystemen, peilbesluiten vast. In dit artikel is daarin voorzien. De waterbeheerder stelt voor de in de omgevingsverordening aangewezen oppervlaktewaterlichamen peilbesluiten vast. In het peilbesluit worden op een voor de beheerder bindende wijze waterstanden opgenomen of bandbreedten waarbinnen de waterstanden onder reguliere omstandigheden kunnen variëren. Bij het nemen van een peilbesluit is de functie van de betrokken oppervlaktewateren van groot belang. In het licht van die functie moet een afweging plaatsvinden van alle bij de waterhuishouding betrokken belangen. Bij de afweging kunnen belangen betrokken zijn die niet primair door de waterbeheerder worden behartigd.
87
Provinciaal blad 2025 nr. 17940
29 oktober 2025
De verplichting tot het vaststellen van een peilbesluit is in deze omgevingsverordening alleen opgelegd voor die gebieden waar het waterschap onder normale omstandigheden de wateraanvoer en waterafvoer kan beheersen. De desbetreffende gebieden zijn opgenomen in bijlage II bij deze omgevingsverordening, welke gebieden een globale begrenzing kennen. De exacte begrenzing zal door het waterschap bij de vaststelling van het peilbesluit worden bepaald. In het verleden hadden waterschappen de verplichting om iedere tien jaar hun peilbesluiten te herzien. De provincie heeft in 2012 besloten vooral op doelen te willen sturen (het ‘wat’) en minder op werkwijzen (het ‘hoe’). Volgens deze sturingsfilosofie is daarom in het tweedevierde lid opgenomen dat het aan het waterschap is om te zorgen voor een ‘actueel’ peilbesluit. De beheerder toetst periodiek (ambtelijk) of het peilbesluit nog actueel is. De provincie ziet toe op de actualiteit van de peilbesluiten via de jaarlijkse voortgangsrapportages en voortgangsgesprekken. NN Na sectie 7.5 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Artikel 7.5a (peilbesluit: hydrologische condities veenweide- en weidevogelgebied) Dit artikel gaat over peilbesluiten die betrekking hebben op peilbesluitgebieden die voor ten minste 10% bestaan uit veenweidegebied of belangrijk weidevogelgebied, laatstgenoemde als bedoeld in artikel 7.42, vijfde lid. In het eerste lid worden de veenweidegebieden in Zuid-Holland indicatief geometrisch begrensd. Dit zijn gebieden bestaande uit landbouwgronden, natuurgronden en overige gronden die voor ten minste 50% zijn beteeld met gras voor het beweiden van dieren of voor het gebruik als voer voor dieren, en die gelegen zijn op percelen waarvan blijkens representatieve grondmonsters ten minste de helft van de oppervlakte voor meer dan de helft van de dikte van de grondlaag tot een diepte van 80 centimeter onder het maaiveld bestaat uit veen. Deze locaties worden gebruikt om het toepassingsbereik van de instructieregels in artikel 7.5a en 7.92 te bepalen. Op basis van deze regels moet het waterschap in de waterschapsverordening regels opnemen over de vaststelling van een peilbesluit in veenweidegebied en belangrijk weidevogelgebied. De veenweidegebieden kennen een grote overlap met de belangrijke weidevogelgebieden, die in artikel 7.42, vijfde lid, zijn aangewezen en geometrisch begrensd.
Omdat ook voor deze gebieden geldt dat het behoud en de versterking van de hydrologische watercondities van groot provinciaal belang is, zijn ook deze gebieden opgenomen in het toepassingsbereik van dit artikel. In dit artikel is verder opgenomen dat het waterschapsbestuur in ieder geval rekening dient te houden met de hierin opgenomen maatschappelijke functies en belangen die afhankelijk zijn van het watersysteem. Het gaat hierbij onder andere om de dragende functie van het watersysteem, het terugdringen van bodemdaling en de hydrologische condities van de invloedgebieden in en rondom natuurgebieden of voor het gebied van weidevogels. Deze belangen passen binnen de taakuitoefening van het waterschap, die mede is gericht op het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, het beschermen van de ecologische en chemische kwaliteit van watersystemen en de vervulling van bij wet aan het watersysteem toegekende maatschappelijke functies. De hiergenoemde maatschappelijke functies van het watersysteem worden in het regionaal waterprogramma vastgelegd. Indien het waterschapsbestuur in geval van bodemdaling besluit de waterstanden in het peilbesluit aan te passen, dan wordt van het bestuur verwacht dat de huidige drooglegging (ofwel slootpeil ten opzichte van het maaiveld) wordt gehandhaafd.
Dit gebeurt door ‘het volgen van de maaivelddaling’, waarbij de verlaging van de waterstand wordt beperkt tot maximaal het niveau van de gemeten of de te verwachten bodemdaling. Dit wordt ook wel peilindexatie of peilaanpassing genoemd. Daarmee wordt weliswaar de oxidatie van de veenbodem en de emissie van broeikasgassen niet geremd, maar wordt wel een toename daarvan vermeden. Het waterschapsbestuur heeft evenwel de mogelijkheid om hier gemotiveerd van af te wijken als er sprake is van zwaarwegende waterbelangen die verband houden met hun taakuitoefening. Van het waterschapsbestuur wordt verwacht dat zij in dat geval inzichtelijk maakt welke belangen zijn afgewogen en wat de gevolgen zijn van een verdergaande verlaging van de waterstand. OO
88
Provinciaal blad 2025 nr. 17940
29 oktober 2025
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Afdeling 7.3 Omgevingsplannen § 7.3.1 Algemeen Artikel 7.13 (toepassingsbereik) Eerste lid Dit lid geeft aan wat het toepassingsbereik is van deze afdeling. Dit lid verduidelijkt dat de instructieregels in afdeling 7.3 alleen betrekking hebben op het stellen van regels in het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet. Deze beperking vloeit voort uit artikel 2.23, derde lid, aanhef en onder c en onder 1°, van de Omgevingswet. Dat artikel bevat een inperking van de bevoegdheid van de provincie om instructieregels over de inhoud van een omgevingsplan te stellen. Instructieregels zijn gesteld over het stellen van regels in het omgevingsplan met het oog op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Afdeling 7.3, met inbegrip van artikel 7.13, is van overeenkomstige toepassing op een projectbesluit dat wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van een waterschap (artikel 7.108). Dit betekent dat die instructieregels alleen betrekking hebben op de regels in het projectbesluit die worden gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving is artikel 8.0b, eerste lid, onder b, is geregeld dat provinciale instructieregels op grond van artikel 2.22 van de Omgevingswet, dus afdeling 7.3, ook van toepassing zijn bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Werking instructieregels voor omgevingsplannen Allereerst is de formulering van de instructieregels van belang voor het feit of een instructieregel van toepassing is bij het stellen van regels in het omgevingsplan (zie verderop: nieuwe ontwikkeling of eerbiedigende werking). De instructieregels zijn zodanig geformuleerd waardoor blijkt of een instructieregel ziet op een situatie die bij (de wijziging van) het omgevingsplan van toepassing is. Aan het verwerken van instructieregels in het omgevingsplan kan ook een termijn zijn gesteld (zie: artikelsgewijze toelichting aanpassingstermijn). De hoofdregel is dat de instructieregels bij elke wijziging van het omgevingsplan van toepassing zijn. Instructieregels zijn ook los van een wijziging van het omgevingsplan van toepassing. De hoofdregel is dat binnen 3 jaar moet voldaan worden aan ‘nieuwe’ instructieregels.
Om uitvoering te geven aan de instructieregels, als gevolg van de algemene aanpassingstermijn in combinatie met de algemene eerbiedigende werking, zal een gemeente de bestaande omgevingsplannen moeten beoordelen in het licht van de instructieregels. Bij het stellen van instructieregels over omgevingsplannen is op verschillende manieren helderheid geboden over de gevolgen voor bestaande situaties en het overgangsrecht. Voor instructieregels voor het omgevingsplan die reeds toegelaten activiteiten die al dan niet worden verricht raken, is in bepaalde gevallen in overgangsrecht voorzien (zie artikelsgewijze toelichting eerbiedigende werking). ‘Nieuwe ontwikkeling’ of eerbiedigende werking Een instructieregel in afdeling 7.3 kan zo geformuleerd zijn dat deze alleen ziet op ‘nieuwe activiteiten’. De daarbij gebruikte terminologie is dan ‘nieuwe (ruimtelijke/stedelijke) ontwikkeling’, ‘nieuwe activiteit’ (bijv. detailhandel) of ‘nieuwe bebouwing of ‘nieuwe windturbines’. In dat geval ziet de instructieregel op grond van de gebruikte formulering niet op de reeds toegelaten of bestaande activiteiten. Op dergelijke instructieregels is de aanpassingstermijn van artikel 7.14 of eerbiedigende werking van artikel 7.15 van beperkte relevantie. Immers, de eerbiedigende werking van dat artikel geldt alleen voor toegelaten of toegestane activiteiten die in strijd zijn met een instructieregel.
Instructieregels uit afdeling 7.3 die niet alleen betrekking hebben op ‘nieuwe activiteiten’ (dus bestaande verrichte of toegestane activiteiten) waarmee het omgevingsplan strijdig is, hoeven niet altijd te leiden tot aanpassing van het omgevingsplan door de mogelijkheden van eerbiedigende werking. Dat kan met een beroep op artikel 7.15. De toepassing van artikel 7.15 moet met een beroep
89
Provinciaal blad 2025 nr. 17940
29 oktober 2025
op een van de gronden van dat artikel gerechtvaardigd worden. Voor instructieregels die betrekking hebben op ‘nieuwe activiteiten’ etc. is deze rechtvaardiging niet vereist. Er is een uitzondering in de ZHOV voor de toepassing van instructieregels voor het omgevingsplan opgenomen voor kleinschalige gevallen waarbij er geen provinciaal belang in het geding is en waarbij vanwege het schaalniveau het doelmatig en doeltreffender is om de ruimtelijke besluitvorming aan de gemeenten over te laten. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld om het bouwen van kleine bouwwerken zoals bijgebouwen, uitbreidingen daarvan, optoppingen van hoofdgebouwen, schuurtjes en schuttingen. Ook gaat het om het functioneel hergebruik van leegstaande gebouwen en bouwwerken. Alleen in geval er wel een provinciaal belang in het geding is, is de ZHOV van toepassing. Met deze uitzonderingsregeling wordt ook voorkomen dat er in het kader van de werkwijze planadvisering tussen gemeenten en provincie Zuid-Holland via het e-formulier veel gemeentelijke omgevingsvergunningen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA’s) bij de provincie worden ingediend waarvan vooraf duidelijk is dat er vanwege het schaalniveau geen provinciaal belang aanwezig is. Met deze uitzonderingsregeling wordt een grote stroom vergunningen dat aan de provincie ter beoordeling wordt voorgelegd voorkomen.
Het zorgt voor minder administratieve lasten en werkdruk bij gemeenten. Kleinschalige gevallen waarbij toch provinciale belangen een rol spelen, zijn niet uitgezonderd.
Tweede lid In dit lid zijn de gevallen uitgezonderd die onder de oude ‘kruimel’-regeling d.m.v. artikel 4, eerste lid, Besluit omgevingsrecht bijlage II mogelijk waren. Het gaat om het bouwen van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied of uitbreidingen daarvan alsmede verhogingen. Kort samengevat, gaat het om categorieën van gevallen waarbij er sprake is van bouwen van kleine bouwwerken op bestaande erven en tuinen. Gekozen is voor een eenvoudige uitzonderingsbepaling waarbij aansluiting gezocht wordt bij de maatvoeringen uit artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingrecht. Het gaat om bouwwerken niet hoger dan 5 meter en met een bouwoppervlakte van maximaal 150 m2. Er zijn gevallen waarbij het wel van belang is dat de provinciale belangen beschermd worden. Het gaat om instructieregels met een bijzonder beschermingsregime, bijvoorbeeld regels over externe veiligheid, de veiligheidszonering ‘Nieuwe Maas’ en ‘Nieuwe Waterweg’, werelderfgoed en archeologie molenbiotopen, en beschermende regels over nieuwe detailhandel, kantoren en bestaande bedrijventerreinen. Niet uitgezonderd zijn situaties waarbij de volgende instructieregels van toepassing zijn. § 7.3.2.1, § 7.3.2.2 en §7.3.2.4
Externe Veiligheid (omgevingsveiligheid), Niet Basisnet transportroutes
§ 7.3.2.3
Veiligheidszonering Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas
§ 7.3.9
Detailhandel
§ 7.3.10
Kantoren
§ 7.3.11
Bedrijven
§ 7.3.17
Werelderfgoed
§ 7.3.18
Archeologie
§ 7.3.19
Traditionele Windmolens
§ 7.3.22
Provinciale vaarwegen
§ 7.3.23a
Hoofdfietsnetwerk en lange afstands wandelpaden
§ 7.3.24
Bescherming drinkwatervoorziening
Derde lid In dit lid zijn de gevallen uitgezonderd die onder de oude ‘kruimel’-regeling d.m.v. artikel 4 lid 9 Besluit omgevingsrecht bijlage II mogelijk waren. Het gaat om permanente of tijdelijke functiewijzingen van het gebruik van bestaande of leegstaande bouwwerken. In beginsel behoort het tot de gemeentelijke beleidsvrijheid om de functie van een bouwwerk te wijzigen. Dus deze categorieën van gevallen zijn in beginsel uitgezonderd van de toepassing van de instructieregels. Ook voor deze gevallen geldt dat er sprake kan zijn van provinciale beschermingsregimes ten aanzien van ‘externe
90
Provinciaal blad 2025 nr. 17940
29 oktober 2025
veiligheid’, de veiligheidszonering ‘Nieuwe Maas ‘en ‘Nieuwe Waterweg’ nieuwe detailhandel, kantoren en bestaande bedrijventerreinen. In de greenports geldt dat zowel het hergebruik van kassen als bedrijfsgebouwen (functiewijziging) onderworpen zijn aan de specifieke instructieregels over glastuinbouw, boom- en sierteelt en bollenteelt. Tot slot wordt voor huisvesting van spoedzoekers als arbeidsmigranten, asielzoekers in bestaande bouwwerken buiten bestaand stedelijk gebied een uitzondering gemaakt. Niet uitgezonderd zijn situaties waarbij de volgende instructieregels van toepassing zijn. § 7.3.2.1, § 7.3.2.2 en §7.3.2.4
Externe Veiligheid (omgevingsveiligheid), Niet Basisnet transportroutes
§ 7.3.2.3
Veiligheidszonering Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas
§ 7.3.9
Detailhandel
§ 7.3.10
Kantoren
§ 7.3.11
Bedrijven
§ 7.3.12
Glastuinbouwgebied
§ 7.3.13
Boom- en sierteelt-gebied
§ 7.3.14
Bollenteeltgebied
§ 7.3.23a
Hoofdfietsnetwerk en lange afstands wandelpaden
§ 7.3.24
Bescherming drinkwatervoorziening
Vierde lid In het vierde lid zijn categorieën van gevallen uitgezonderd waarop onder de oude Omgevingsverordening Zuid-Holland ook geen instructieregels van toepassing waren op vergelijkbare kruimelsituaties. Deze kunnen worden uitgezonderd omdat dit gemeentelijke aangelegenheden betreffen zoals de uitbreidingen van bouwwerken zoals dakkappelen dakopbouwen etc. Wel moet nog even worden gekeken of deze gevallen niet onder het toepassingsbereik van het tweede lid vallen. Voorts zijn de antenne installaties tot 40 meter en de tijdelijk huisvesting van arbeidsmigranten t.b.v. een seizoenspiek van 3 maanden omdat hier geen provinciaal belang aanwezig is.
Artikel 7.14 (aanpassingstermijn omgevingsplan) In artikel 2.23, vierde lid, van de Omgevingswet is bepaald dat bij de instructieregels in omgevingsverordening een termijn kan worden gesteld waarbinnen uitvoering moet zijn gegeven aan de instructieregels. De hoofdregel is dat omgevingsplannen of onderdelen daarvan, als ze worden vastgesteld, voldoen aan de instructieregels uit afdeling 7.3. Als er echter geen omgevingsplan wordt vastgesteld, zouden de instructieregels zonder werking blijven. Dit kan voor bepaalde instructieregels onwenselijk zijn. De provincie wil dat de omgevingsplannen binnen een redelijke termijn zijn aangepast aan bepaalde (toekomstige) instructieregels. Deze standaardtermijn is in deze omgevingsverordening gesteld op drie jaar. Dit betekent dat binnen drie jaar na inwerkingtreding van instructieregels het gemeentelijk omgevingsplan in overeenstemming moet zijn gebracht met de instructieregels in deze omgevingsverordening. De aanpassingstermijn is een uiterste termijn. Na inwerkingtreding van een instructieregel moet die instructieregel meteen in acht worden genomen bij wijziging van een (onderdeel van een) omgevingsplan, ook al wordt deze ruim voor de aanpassingstermijn vastgesteld. Voor specifieke onderdelen kan eventueel een afwijkende aanpassingstermijn (of geen aanpassingstermijn) voorgeschreven zijn.
Aanpassingstermijn in relatie tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet De provincie acht een standaard aanpassingstermijn voor nieuwe instructieregels van drie jaar redelijk omdat deze termijn voor nieuwe instructieregels al van toepassing was in de voorgaande verordening voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Omdat veel instructieregels ook al waren opgenomen in de voorgaande verordeningen zullen veel omgevingsplannen (voormalige bestemmingsplannen) al in overeenstemming zijn met de instructieregels als deze in werking treden met de initiële Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. De termijn ziet dus vanaf inwerkingtreding van deze Zuid-Hollandse Omgevingsverordening alleen op situaties die vanuit de verplichtingen
91
Provinciaal blad 2025 nr. 17940
29 oktober 2025
van voor de inwerkingtreding van deze Omgevingsverordening (en de Omgevingswet) nog moeten worden doorgevoerd. Om gemeenten niet onnodig kort na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, en de daarbij noodzakelijke omschakeling van bestemmingsplannen naar het omgevingsplan, op te zadelen met een zeer krappe termijn voor nog op te volgen instructieregels, is gekozen om hiervoor vanaf de start van de Omgevingswet drie jaar de tijd te geven. De termijn van drie jaar gaat, vanaf het moment van inwerkingtreding van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (en de Omgevingswet) als het ware ‘opnieuw’ lopen. De Omgevingswet verplicht via artikel 22.6, derde lid, dat uiterlijk op een nog bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip alle regels van het omgevingsplan zijn opgenomen in het niet-tijdelijk deel van het omgevingsplan. In het betreffende koninklijk besluit (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2023-267.html) is de datum van 1 januari 2032 vastgesteld. In de praktijk betekent dit dat alle regels in het omgevingsplan opnieuw vastgesteld zullen moeten zijn op dat moment. Voor die vaststelling is het ook noodzakelijk dat die regels in overeenstemming zijn met de instructieregels in deze Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
Aanpassingstermijn in relatie tot nieuwe instructieregels Voor toekomstige (en nieuwe) instructieregels kan niet worden aangesloten bij de redenering dat omgevingsplannen reeds eerder in lijn gebracht moesten zijn met de instructieregels van de provincie en dat een aanpassingstermijn van drie jaar onder alle omstandigheden voldoende kan zijn. Voor iedere (nieuwe) instructieregel kan daarom worden aangegeven of op welk moment de omgevingsplannen (of onderdelen daarvan) in overeenstemming met die instructieregel moeten zijn. Het tweede lid biedt daartoe ruimte. Deze ruimte kan ook worden benut om de instructieregels die onmiddellijke werking moeten hebben, deze werking te geven. Uitzondering aanpassingstermijn Het derde lid houdt in dat (een onderdeel van) een omgevingsplan niet hoeft te worden aangepast binnen drie jaar, uitsluitend omdat dat onderdeel in strijd is met de instructieregels van paragraaf 7.3.7 en artikel 7.45. Deze instructieregels moeten wel in acht genomen worden bij de vaststelling van een wijziging van een (onderdeel van een) omgevingsplan.
Artikel 7.15 (eerbiedigende werking) Eerste lid Dit artikel biedt de grondslag voor de eerbiedigende werking voor bestaand (rechtmatig) gebruik. De eerbiedigende werking houdt in dat het omgevingsplan voor die locaties waar rechtmatig een activiteit wordt uitgevoerd of een omgevingsvergunning onherroepelijk is verleend voor een activiteit, het omgevingsplan mag weerspiegelen dat deze activiteiten rechtmatig zijn. Bij de vaststelling van een omgevingsplan kan de instructieregel voor die specifieke locatie en die specifieke activiteit buiten toepassing blijven. Voor het moment waarop beoordeeld moet worden of de activiteit wordt uitgevoerd of daarvoor een omgevingsvergunning is verleend, wordt aangegrepen bij het moment van vaststelling van het onderdeel van het omgevingsplan. Zie voor het moment waarop het omgevingsplan moet worden vastgesteld artikel 7.14. Als een activiteit in strijd is met een instructieregel en niet wordt (of is) uitgevoerd, of is vergund, dan moet in beginsel het omgevingsplan in lijn worden gebracht met de instructieregel. Onderdeel c van het eerste lid, biedt gelegenheid om, in uitzonderlijke gevallen, de belangen van de activiteit (bijvoorbeeld het bouwen) te betrekken bij de instructieregel, en als gevolg daarvan af te zien van onverkorte toepassing van de instructieregel. Deze mogelijkheid moet met grote terughoudendheid worden benut.
Zo is de toepassing van onderdeel c alleen denkbaar in gevallen waarin in de instructieregel zelf geen afwegingsmogelijkheid is opgenomen. Onderdeel c maakt het ook mogelijk een onbenut bouw- of gebruiksrecht uit een voorgaand omgevingsplan opnieuw toe te staan, als het belang bij strikte handhaving van deze omgevingsverordening niet in verhouding staat tot het belang bij het behoud van het bouw- of gebruiksrecht. In uitzonderlijke situaties kan de eigenaar of gebruiker hierdoor in onevenredige mate in zijn belangen worden getroffen, bijvoorbeeld als sprake is van een toezegging en concrete plannen zijn ontwikkeld voor realisering van de betreffende functie. Omdat de afweging over nadeelcompensatie een verantwoordelijkheid is van de gemeente is het logisch de gemeente ook de ruimte te laten om een afweging te kunnen maken over het al dan niet continueren in het omgevingsplan van de betreffende toege-
92
Provinciaal blad 2025 nr. 17940
29 oktober 2025
laten activiteit of functie. De mogelijkheid is bedoeld voor uitzonderlijke situaties. De provincie verwacht van de gemeenten dat terughoudend wordt omgegaan met de mogelijkheid. De gemeente zal in ieder geval moeten onderbouwen dat sprake is van een evenwichtig toedeling van functies aan locaties. Als bijvoorbeeld niet-gerealiseerde woningbouw niet langer in overeenstemming is met het regionale woningbouwprogramma is het onwenselijk deze woningbouwmogelijkheid opnieuw toe te staan. Dit zou in strijd zijn met het provinciaal belang. Gedeputeerde staten kunnen in dat geval een zienswijze indienen en ander instrumentarium inzetten.
Tweede lid Het tweede lid beschrijft een uitzondering voor de toepassing van de eerbiedigende werking. Voor de instructieregel met betrekking tot de prioritaire natuur in het natuurnetwerk Nederland geldt dat deze altijd geldt. Voor alle locaties waarop die instructieregel betrekking heeft, geldt dat het omgevingsplan aan die instructieregel moet voldoen.
§ 7.3.2 Externe veiligheid (omgevingsveiligheid) § 7.3.2.1 Risicogebieden externe veiligheid Artikel 7.16 (opname risicogebieden externe veiligheid) Deze bepaling heeft tot doel de zes veiligheidscontouren, die door de provincie en betrokken gemeenten zijn vastgesteld tussen 2013 en 2018, zoals bepaald in artikel 14 Besluit externe veiligheid inrichtingen[86] , op te nemen in de omgevingsplannen van gemeenten als risicogebieden externe veiligheid zoals gedefinieerd in artikel 5.16 Besluit kwaliteit leefomgeving. Met het gebruik van risicogebieden externe veiligheid kan in beginsel de ontstane praktijk met betrekking tot de veiligheidscontouren worden voortgezet.[87] De geometrische begrenzingen van de risicogebieden zijn dan ook rechtstreeks ontleend aan de vastgestelde veiligheidscontouren. Het opnemen van risicogebieden externe veiligheid in het omgevingsplan activeert de regels uit artikelen 5.16 en 5.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 7.17 (waarborgen ruimte risicogebieden externe veiligheid) Deze bepaling beschermt de ruimte die binnen de risicogebieden externe veiligheid, genoemd in artikel 7.16, is gereserveerd voor milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico's. De provincie streeft ernaar om de bestaande mogelijkehid om risicovolle bedrijfsactiviteiten te vergunnen toe te staan binnen deze risicogebieden externe veiligheid te behouden. Om dit te waarborgen, wordt van gemeenten verlangd ruimte in acht te nemen die behoort bij de risicovolle activiteiten waarvoor de risicogebieden externe veiligheid zijn gereserveerd. Als onderdeel van de Modernisering Omgevingsveiligheid (MOV) heeft het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat het aandachtsgebiedenbeleid geïntroduceerd. De gemeente kan in het omgevingsplan ruimte reserveren voor aandachtsgebieden of juist aandachtsgebieden op een bepaalde locatie uitsluiten.[88]Dit artikel is opgesteld om te voorkomen dat gemeenten op voorhand aandachtsgebieden rondom risicogebieden uitsluiten. Het doel van dit artikel is ervoor te zorgen dat gemeenten bij het vaststellen van het omgevingsplan geen beperking opleggen voor toekomstige risicovolle activiteiten binnen het risicogebied.
Het beoogt voldoende ruimte te behouden voor het bundelen van dergelijke activiteiten binnen de risicogebieden, zodat de functionaliteit van het risicogebied behouden blijft. Wanneer een gemeente besluit een aandachtsgebied direct buiten een risicogebied externe veiligheid uit te sluiten, dan heeft dit nadelige gevolgen voor de ruimte die oorspronkelijk binnen het ri[86]
Besluit van 4 februari 2014 tot vaststelling van de Veiligheidscontour Botlek-Vondelingenplaat (Provinciaal blad 2014, 53); Besluit van 4 februari 2014 tot vaststelling van de Veiligheidscontour Europoort en Landtong (Provinciaal blad 2014, 53); Besluit van 4 februari 2014 tot vaststelling van de Veiligheidscontour Maasvlakte 1 en Maasvlakte 2 (Provinciaal blad 2014, 53); Besluit van 15 april 2014 Veiligheidscontour Zeehavens Dordrecht (Provinciaal blad 2014, 203); Besluit van 11 oktober 2016 tot vaststelling van de Veiligheidscontour Eemhaven en Distripark Albrandswaard (Provinciaal blad 2016, 5588); Besluit van 15 mei 2018 tot vaststelling van de Veiligheidscontour Waalhaven (Provinciaal blad 2018, 3803). [87] Nota van toelichting Besluit kwaliteit leefomgeving, p. 681. [88]
93
Zie het Stappenplan besluitvorming omgevingsveiligheid van het RIVM onder ‘Reserveren van ruimte voor aandachtsgebieden’. Dit stappenplan is te raadplegen op https://omgevingsveiligheid.rivm.nl/stappenplan-besluitvorming-omgevingsveiligheid. Zie voor het uitsluiten van aandachtsgebieden buiten risicogebieden ook p. 682 van de Nota van toelichting Besluit kwaliteit leefomgeving.
Provinciaal blad 2025 nr. 17940
29 oktober 2025
sicogebied oorspronkelijk was gereserveerd voor milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico's. Dit ontstaat als het aandachtsgebied van een risicobron binnen het risicogebied, als gevolg van vestiging of uitbreiding van een activiteit met externe veiligheidsrisico's, (verder) buiten het risicogebied komt te liggen. In dat geval kan de provincie, als bevoegd gezag voor Seveso-inrichtingen, binnen het risicogebied minder uitbreiding of vestiging van risicovolle bedrijvigheid vergunnen ten opzichte van de situatie voor het aandachtsgebiedenbeleid. De zes risicogebieden in Zuid-Holland zijn bedoeld om risicovolle activiteiten in te clusteren. De gebiedsaanduiding van het risicogebied geeft een begrenzing aan de PR 10-6 per jaar contour van de activiteiten. Hieruit volgt dat het niet de bedoeling is dat gemeenten buiten de risicogebieden aandachtsgebieden op voorhand in het omgevingsplan uitsluiten in die mate dat er geen nieuwe risicovolle activiteiten binnen het risicogebied kunnen worden vergund ondanks dat de PR 10-6 per jaar contour van de activiteit binnen het risicogebied blijft. Artikel 7.17 is daarmee van toepassing op het niet mogen uitsluiten van de aandachtsgebieden die hypothetisch gezien zouden kunnen volgen bij volledig gebruik van het risicogebied, ofwel bij activiteiten tot de grens van de PR 10-6 per jaar contour.
Dit zorgt ervoor dat de risicogebieden op dezelfde manier gebruikt kunnen worden als waarvoor deze zijn aangewezen.
§ 7.3.2.2 Groepsrisicobenadering Artikel 7.18 (groepsrisicobenadering aandachtsgebieden met verhoogd groepsrisico) Algemeen Dit is een algemeen artikel voor de omgang met het groepsrisico bij ruimtelijke ontwikkelingen. Deze bepaling voorziet in een aantal onderdelen voor gemeenten om te betrekken bij de afweging van het groepsrisico voor aandachtsgebieden waar sprake is van een verhoogd groepsrisico. Indien de genoemde onderdelen worden betrokken in de afweging, voldoet de verantwoording van het groepsrisico. Artikel 5.15, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving verplicht gemeenten tot het rekening houden met het groepsrisico in het omgevingsplan voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen aandachtsgebieden. Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat deze bepaling niet van toepassing is op ontwikkelingen binnen een risicogebied externe veiligheid. Artikel 5.16, vijfde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat het artikel over het groepsrisico (artikel 5.15 van het Besluit kwaliteit leefomgeving) niet van toepassing is binnen een risicogebied externe veiligheid. Omdat artikel 7.18 van deze verordening aansluit op artikel 5.15 van het Besluit kwaliteit leefomgeving vindt deze bepaling dus geen toepassing binnen een risicogebied externe veiligheid.
Benadering van het groepsrisico Het groepsrisico kan zowel kwantitatief als kwalitatief benaderd worden. De kwantitatieve manier is door het uitvoeren van berekeningen aan de hand van voorgeschreven rekenvoorschriften en rekenpakketten, en de resultaten daarvan te vergelijken met de oriëntatiewaarde. De kwalitatieve manier betekent dat het groepsrisico wordt beoordeeld zonder gebruik te maken van precieze cijfers of berekeningen. In plaats daarvan kan gebruik worden gemaakt van een ‘expert judgement’ of kan een ‘quick scan’ worden uitgevoerd, waarbij een inschatting wordt gemaakt van de hoogte van het groepsrisico ten opzichte van de oriëntatiewaarde. Dit is alleen mogelijk in gevallen waarbij de inschatting is dat de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Beleidskeuze Provincie Zuid-Holland: in bepaalde gevallen is een groepsrisicoberekening vereist De Provincie Zuid-Holland heeft de beleidskeuze gemaakt om de kans op een ramp met veel slachtoffers zo goed mogelijk te beheersen. Hier wordt invulling aan gegeven door in bepaalde gevallen rekenkundig te bepalen wat de jaarlijkse kans is dat een groep personen van een bepaalde omvang tegelijkertijd slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit berekende groepsrisico wordt vervolgens getoetst aan de oriëntatiewaarde.
In welke gevallen een groepsrisicoberekening is vereist is opgenomen in artikel 7.18, eerste lid. Belang en meerwaarde van een groepsrisicoberekening (en de oriëntatiewaarde)
94
Provinciaal blad 2025 nr. 17940
29 oktober 2025
De verplichting om een groepsrisicoberekening uit te voeren en deze te toetsen aan de oriëntatiewaarde is van cruciaal belang. De oriëntatiewaarde heeft meerwaarde doordat het een meetbare referentie biedt voor het beoordelen van risico's, wat bijdraagt aan het nemen van weloverwogen en goed onderbouwde beslissingen met betrekking tot vergunningen, ruimtelijke ontwikkelingen en veiligheidsmaatregelen. Een groepsrisicoberekening voegt waarde toe doordat die een dieper inzicht geeft in de risico's verbonden aan specifieke activiteiten of situaties, verdergaand dan alleen het vaststellen of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Belangrijke voordelen en meerwaarde van een groepsrisicoberekening bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn: ● locatie specifiek inzicht: het geeft aan hoe groot het risico daadwerkelijk is op een bepaalde locatie. Hierdoor kunnen maatregelen gerichter worden genomen; ● identificatie van kritieke scenario's: het laat zien welke specifieke scenario's of gebeurtenissen de grootste bijdrage leveren aan het groepsrisico, waardoor er prioriteit kan worden gegeven aan de aanpak van de meest kritieke situaties; ● mogelijkheid voor maatwerk: met een groepsrisicoberekening kan de noodzaak tot het nemen van specifieke ruimtelijke, technische of bouwkundige maatregelen worden onderbouwd om het risico te verminderen op basis van de specifieke kenmerken van de situatie.
Deze maatregelen kunnen als voorschriften worden opgenomen in het omgevingsplan; ● inzicht in effectiviteit van maatregelen: een berekening biedt de mogelijkheid om inzicht te geven in de effectiviteit van genomen maatregelen in het verminderen van het groepsrisico; ● stimuleren van maatregelen: zowel een groepsrisicoberekening als het toetsen van het berekende groepsrisico aan de oriëntatiewaarde stimuleren het nemen van veiligheidsmaatregelen. Kortom, een groepsrisicoberekening gaat verder dan een louter kwalitatieve beoordeling van het groepsrisico en stelt besluitvormers in staat om doelgerichtere en effectievere maatregelen te nemen om de veiligheid van de samenleving te waarborgen. Nadere toelichting op oriëntatiewaarde en berekend groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans weer op het overlijden van een groep van tien of meer mensen die niet direct betrokken zijn bij de risicobron, zoals een milieubelastende activiteit met gevaarlijke stoffen, vliegveld en/of windturbines. Deze kans wordt grafisch weergegeven in een fN-curve, waarbij het aantal potentiële slachtoffers (N) wordt afgezet tegen de jaarlijkse kans op een incident (f). Het berekende groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde. In 1993 heeft de minister van VROM (2e kamer, 1993-1994, 22.666 nr.
3) de oriëntatiewaarde gedefinieerd als een waarde die betrokken wordt in de bestuurlijke afweging om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling aanvaardbaar is, gezien de potentiële risico’s. Met andere woorden, de oriëntatiewaarde heeft als doel nadenken, afwegen en verantwoorden van het groepsrisico, met als uiteindelijke doel het voorkómen van maatschappelijke ontwrichting. Deze rol van de oriëntatiewaarde en beoogd doel zijn onveranderd overgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. In de toelichting op het Besluit kwaliteit leefomgeving is vermeld dat de oriëntatiewaarde kan blijven dienen als referentie en niet als grenswaarde. Grafisch wordt de oriëntatiewaarde weergegeven door twee verschillende lijnen: één voor stationaire milieubelastende activiteiten en één voor transport. Op de x-as staat het aantal slachtoffers en op de y-as de kans per jaar op minimaal dat aantal dodelijke slachtoffers. De lijnen verbinden verschillende punten met een bepaalde kans op ongevallen met tien of meer dodelijke slachtoffers per jaar.
Voor milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s (met uitzondering van transport) gaat de lijn van de oriëntatiewaarde door de punten met: ● de kans op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers 10-5 per jaar (kans van één op de honderdduizend jaar); ● de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers 10-7 per jaar (kans van één op de tien miljoen jaar); ● en de kans op een ongeval met 1.000 of meer slachtoffers 10-9 per jaar (kans van één op de miljard jaar). Voor transportroutes (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen) gaat de lijn van de oriëntatiewaarde door de punten met: ● de kans per kilometer transportroute op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers 10-4 per jaar (een kans van één op de tienduizend jaar); ● de kans per kilometer transportroute op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers 10-6 per jaar (een kans van één op de miljoen jaar);
95
Provinciaal blad 2025 nr. 17940
29 oktober 2025
●
en de kans per kilometer transportroute op een ongeval met 1.000 of meer dodelijke slachtoffers 10-8 per jaar (kans van één op de honderd miljoen jaar).
§ 7.3.2.3 Veiligheidszonering Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas Artikel 7.19 (aanwijzing en geometrische begrenzing veiligheidszone Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas) Deze bepaling regelt de aanwijzing van de veiligheidszone langs de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas. De zone geldt vanaf raainummer 1034 bij Hoek van Holland tot aan raainummer 995 ter hoogte van de Van Brienenoordbrug nabij de splitsing van de Nieuwe Maas en de Hollandsche IJssel. De zone heeft een breedte van 25 meter en geldt vanaf de begrenzing van de vaarweg van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas zoals vastgelegd in de Omgevingsregeling.[89] De afstand van 25 meter volgt uit de eerdere bepaling over de veiligheidszone uit de voorgaande verordeningen Ruimte en de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
Artikel 7.20 (waarborgen veiligheid oevers Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas) Eerste lid Deze bepaling komt voort uit de voorgaande verordeningen Ruimte en de Omgevingsverordening Zuid-Holland en is ten aanzien van deze vorige bepalingen geactualiseerd. Het doel van deze bepaling is ervoor te zorgen dat bij bebouwing of functiewijziging binnen de veiligheidszone voldoende maatregelen worden genomen om personen die zich binnen de veiligheidszone bevinden te beschermen in het geval van een plasbrandscenario. Om deze bescherming te waarborgen, moeten minstens dezelfde veiligheidsmaatregelen worden genomen als die worden voorgeschreven in paragraaf 4.2.14 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Het is echter ook mogelijk vergelijkbare veiligheid te garanderen door maatregelen te treffen die worden aanbevolen door de veiligheidsregio. Een voorbeeld hiervan is het gebruik van een zogenaamde ‘oil boom’ of strekdam, om gevaarlijke brandbare vloeistoffen die bij een aanvaring kunnen vrijkomen, op voldoende afstand (minimaal 25 meter) van de oever te houden. Vergelijkbare veiligheid kan ook worden bereikt door het bieden van adequate vluchtmogelijkheden volgens het advies van de veiligheidsregio. Op deze manier kunnen personen binnen de veiligheidszone bij een ongeval tijdig wegkomen en worden ze gelijkwaardig beschermd als personen buiten de zone.
Deze bepaling gebruikt het begrip vergelijkbare veiligheid omdat bouwmaatregelen zoals opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving niet altijd mogelijk of optimaal zijn. In sommige situaties kunnen andere maatregelen geschikter zijn om adequate bescherming te bieden, bijvoorbeeld in het geval van een restaurant met een terras aan het water waar een muur van twee meter aan de rand van het terras als bouwmaatregel wordt voorgeschreven.
Tweede lid Deze bepaling voorziet in een aantal uitzonderingen op het eerste lid. Nieuwe bebouwing of nieuwe activiteiten binnen de risicogebieden externe veiligheid vallen niet onder deze regeling als deze zijn gebonden aan of kenmerkend zijn voor de haven. Over het algemeen betreft dit bouwprojecten of activiteiten van bedrijven die zijn opgenomen in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het functioneren van de vaarweg of haven omvatten bijvoorbeeld radarposten en kranen. Kleinschalige voorzieningen voor dagrecreatie zijn voorzieningen die zich richten op het aanbieden van maaltijden en dranken voor gebruik ter plekke, en die verband houden met extensieve dagrecreatie. Hieronder vallen bijvoorbeeld koffiehuizen, ijs- en snackverkooppunten, evenals rustpunten voor wandelaars en fietsers die de dagrecreatieve aard van de oever ondersteunen, zoals kleine restaurants, cafés en kiosken. Deze voorzieningen worden beschouwd als uitzonderingen, zolang ze in beperkte aantallen blijven.
§ 7.3.2.4 Niet-Basisnet transportroutes Artikel 7.21 (aanwijzing en geometrische begrenzing niet-Basisnet transportroutes) Deze bepaling wijst de transportroutes aan die geen onderdeel zijn van het landelijke Basisnet, maar waar wel aandacht nodig is voor het groepsrisico vanwege de grote hoeveelheden transport van gevaarlijke stoffen over deze routes. Ruimtelijke ontwikkelingen in infrastructuur, vervoersstromen
[89]
96
Zie artikel 5.160 Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 2.12 Omgevingsregeling.
Provinciaal blad 2025 nr. 17940
29 oktober 2025
of anderszins kunnen leiden tot uitbreiding of versmalling van de in Bijlage II opgenomen lijst met aangewezen transportroutes. Het gaat in Zuid-Holland in de huidige situatie om enkele gemeentelijke wegen. In beginsel zijn provinciale en waterschapswegen, die geen onderdeel zijn van het Basisnet, niet uitgesloten van deze lijst, maar vooralsnog komen in Zuid-Holland deze risico’s niet voor langs deze wegen. De aanwijzingen zijn onder andere gebaseerd op de informatie over transportroutes uit het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV) die op basis van artikelen 11.1, aanhef onder f en 11.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving door het college van burgemeester en wethouders moet worden verzameld. Dit zijn wegen waar een plaatsgebonden risico van 10-6 of hoger op de as van de weg is gelegen. Aanvullend zijn de aanwijzingen gebaseerd op bijlage I bij de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) van het RIVM. In die bijlage staan vuistregels om te bepalen bij welke aantallen LPG-tankwagens het groepsrisico relevant wordt. Bij hoge populatiedichtheden, zoals groter dan 100 per hectare, kan een ruimtelijke ontwikkeling snel bijdragen aan een hoger groepsrisico. In de praktijk zijn dit wegen waarbij sprake is, of potentieel sprake is, van een groepsrisico boven de oriëntatiewaarde.
Het doel van deze bepaling, en het daaraan gekoppelde artikel 7.22, is om deze wegen in het zicht te houden zodat aandacht voor het groepsrisico in deze situaties blijft geborgd. Ruimtelijke ontwikkelingen in de buurt van deze wegen kunnen namelijk snel leiden tot een hoger groepsrisico.
Artikel 7.22 (aandachtsgebieden langs niet-Basisnet transportroutes in verband met groepsrisico) Deze bepaling is gericht op het waarborgen van aandacht voor het groepsrisico rond transportroutes die niet tot het Basisnet Weg behoren. Voor specifieke niet-Basisnet transportroutes, met andere woorden provinciale, gemeentelijke en waterschapswegen die geen onderdeel zijn van het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen, is het van belang dat er aanvullende aandacht is voor veiligheidsrisico’s vanwege de grote hoeveelheden transport van gevaarlijke stoffen over deze wegen. Het aangeven van effectgebieden voor brand en explosies langs deze wegen zorgt ervoor dat er aandacht is voor het groepsrisico bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het transport van GF3 (LPG) op deze niet-Basisnet transportroutes is sterk bepalend voor de hoogte van het groepsrisico. De afstanden voor de effectgebieden voor brand en explosies zijn gebaseerd op de afstanden zoals bepaald voor het Basisnet in Bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Omdat langs specifieke niet-Basisnet wegen zich gelijkwaardige risico’s van gelijksoortige risicobronnen kunnen voordoen als langs het Basisnet Weg, is ervoor gekozen om dezelfde afstanden te hanteren zoals die gelden voor het Basisnet.
Net zoals er geen gifwolkaandachtsgebieden worden aangewezen langs het Basisnet Weg, vallen gifwolkaandachtsgebieden ook buiten deze bepaling. Deze regels hebben tot gevolg dat langs een aantal specifieke wegen die geen onderdeel zijn van het Basisnet Weg, er rekening wordt gehouden met het groepsrisico. Dit is geregeld door gemeenten te vragen in een omgevingsplan rekening te houden met de effectgebieden langs deze wegen, gelijk aan de afweging voor aandachtsgebieden langs het Basisnet. Dit betekent dat er bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit gebied wordt gehandeld alsof het een aandachtsgebied uit de rijksregels is. Zo wordt aangesloten op de systematiek van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 5.15, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving regelt de omgang met het groepsrisico binnen omgevingsplannen. Concreet betekent de toepassing van artikel 7.22 dat er bij een ruimtelijke ontwikkeling binnen 200 meter van een in artikel 7.21 aangewezen transportroute, in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het groepsrisico. Indien een dergelijke nieuwe ruimtelijke ontwikkeling tot een (verder toegenomen) verhoogd groepsrisico leidt, wordt ook paragraaf 7.3.2.2 van deze verordening geactiveerd. In dat geval moet bij het opstellen of wijzigen van het omgevingsplan een uitgebreidere afweging worden gemaakt rond het groepsrisico.
De bepaling bewerkstelligt zo dat rond specifieke wegen, waar gelijkwaardige risico’s gelden als op andere plekken waar de wetgever aandachtsgebieden aanwijst, er ook een gelijkwaardige afweging wordt gemaakt.
§ 7.3.3 Risico's van klimaatverandering Artikel 7.41a 7.23 (risico’s van klimaatverandering) Met dit artikel verzoekt de provincie in lijn met de Omgevingsvisie aan gemeenten om bij het toelaten van nieuwe activiteiten in de fysieke leefomgeving in omgevingsplannen de risico’s ten aanzien van klimaatverandering in beeld te brengen op basis van de best beschikbare wetenschappelijke
97
Provinciaal blad 2025 nr. 17940
29 oktober 2025
kennis. Met deze formulering wordt aangesloten op de bewoording zoals opgenomen in artikel 7 van het akkoord van Parijs. In de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie is vastgelegd dat de overheden regelmatig de klimaatadaptatiecyclus zullen doorlopen en de beschikbare wetenschappelijke kennis zullen toepassen in de uitvoering van een klimaatstresstest. Door minimaal zesjaarlijks te toetsen of de stresstest nog actueel is wordt de actualiteit van wetenschappelijke kennis gegarandeerd. De te beschrijven risico’s kunnen risico’s zijn voor de activiteiten zelf, maar ook voor de omgeving. Klimaatverandering kan ten gevolge van de vier genoemde risico’s ook effecten hebben op o.a. bodemdaling, biodiversiteit en waterkwaliteit. Indien relevant moeten deze effecten ook worden beschreven. Ook zal de gemeente moeten aangeven of en welke adaptieve maatregelen en voorzieningen getroffen worden, en welke afweging gemaakt is voor de implementatie van deze maatregelen en voorzieningen. Bijvoorbeeld dat op basis van kostenbeheersing een afweging wordt gemaakt om maatregelen of voorzieningen niet te treffen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Dit in aansluiting op artikel 5.37 (weging van het waterbelang) van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Ook kan de gemeente andere partijen om advies vragen (mogelijk de GGD of veiligheidsregio).
§ 7.3.4 Waterkeringen Artikel 7.25 (geen belemmeringen voor regionale waterkeringen) Waterveiligheid is een provinciaal belang. In deze omgevingsverordening zijn daarom regels opgenomen voor de bescherming van regionale waterkeringen. Voor omgevingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en onderhoud van de regionale waterkeringen mogelijk maken. In het omgevingsplan wordt aan de locaties als bedoeld in artikel 2.13 de functie ‘regionale waterkering’ toegedeeld, eventueel met een dubbelfunctie. Het daarbij behorende beperkingengebied ter bescherming van de regionale waterkering, welke als zodanig is opgenomen in de waterschapsverordening, wordt in het omgevingsplan als zodanig aangeduid. Dit artikel bepaalt dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de regionale waterkering en het aangrenzend gebied waarin beperkingen gelden ter bescherming van de regionale waterkering. Deze instructieregel is van toepassing op de locatie die wordt begrensd door de ligging van de regionale waterkering en het gebied waarvoor de waterbeheerder beschermende regels heeft gesteld. Met inwerkingtreding van de Omgevingswet en het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) hoeft de gemeente de ligging van de regionale waterkering en het bijbehorende beperkingengebied niet meer op te nemen in het omgevingsplan.
De ligging van de regionale waterkering wordt aangewezen en indicatief geometrisch begrensd in artikel 2.13. De exacte begrenzing van de regionale waterkering en het beperkingengebied wordt vastgelegd in de waterschapsverordening. De gemeenteraad dient deze regelgeving te raadplegen om te bepalen op welke locatie de instructieregel van toepassing is. Bij twijfel of een activiteit de instandhouding, het onderhoud of de versterking van de regionale waterkering kan belemmeren, dient de gemeente contact op te nemen met de waterbeheerder.
Artikel 7.26 (profiel van vrije ruimte) Voor de ruimtelijke reservering voor toekomstige versterkingen van waterkeringen wordt naar het oordeel van de beheerder van een waterkering een profiel van vrije ruimte toegepast. Het profiel van vrije ruimte geeft aan welke ruimte een toekomstige dijkversterking of -uitbreiding nodig heeft. Middels dit artikel wordt gewaarborgd dat de gemeente in het omgevingsplan, met het oog op het belang van de waterveiligheid en ten behoeve van een toekomstige dijkversterking of -uitbreiding, het benodigde profiel van vrije ruimte in acht neemt, voor zover een waterschap dit profiel van vrije ruimte in de waterschapsverordening heeft aangewezen en geometrisch heeft begrensd als onderdeel van het beperkingengebied met betrekking tot waterstaatswerken. Hiermee draagt het bij aan de waterveiligheid via het concept van meerlaagse veiligheid. Dit beleid is erop gericht bescherming te bieden tegen overstromingen door een combinatie van het in stand houden van sterke waterkeringen, het maken van gewogen keuzes in het toedelen van functies aan locaties en een adequate crisisbeheersing in geval van calamiteiten.
§ 7.3.5 Grondwaterkwaliteit
98
Provinciaal blad 2025 nr. 17940
29 oktober 2025
§ 7.3.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie Deze paragraaf bevat regels die ervoor zorgen dat in het omgevingsplan regels worden opgenomen die ervoor zorgen dat bij het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie bij verontreiniging van het grondwater de risico’s voor het grondwater worden beoordeeld en, indien nodig sanerende maatregelen worden getroffen.
Artikel 7.27 (toepassingsbereik) De definitie van een grondwatergevoelig gebouw is van belang omdat bij het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie door middel van onderzoek, bedoeld in artikel 7.29, vastgesteld moet worden of er sprake is van verontreiniging van het grondwater. Bij verontreiniging van het grondwater volgt op grond van artikel 7.31 dat een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in paragraaf 3.4.2 verplicht is. Indien uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging, zijn sanerende maatregelen op grond van artikel 7.33 verplicht. Voor het bepalen wat een grondwatergevoelig gebouw is allereerst aangesloten bij de definitie die het Rijk in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving geeft voor bodemgevoelige gebouwen. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw dat geheel of gedeeltelijk de bodem raakt waar minimaal 2 uur per dag blootstelling plaatsvindt. Ook bijbehorende bouwwerken horen bij een bodemgevoelig gebouw, mits ze groter dan 50 m2 zijn. Het toepassingsbereik van een grondwatergevoelige gebouwen omvat daarnaast ook niet-bodemgevoelige gebouwen. Of een mobiele verontreiniging in de vaste bodem een risico vormt voor het grondwater staat immers los van of er blootstelling plaatsvindt.
Voor gebouwen die geen bodemgevoelig gebouw zijn, vindt de provincie het echter niet proportioneel de regels in deze paragraaf te koppelen aan zeer kleine gebouwen. De provincie heeft daarom niet-bodemgevoelige gebouwen die kleiner zijn dan 50 m2 uitgesloten van het toepassingsbereik. Het gaat hier om het oppervlak van het deel van het gebouw dat de bodem raakt.
Artikel 7.28 (definitie grondwatergevoelige locatie) Met de definitie van een grondwatergevoelige locatie stuurt de provincie op het aangrijpen van het natuurlijk moment om een mobiele bron van verontreiniging in de vaste bodem in samenhang met een activiteit aan te pakken. Voor het bepalen wat een grondwatergevoelig locatie is, is allereerst aangesloten bij de definitie die het Rijk in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving geeft voor een bodemgevoelige locatie. Een bodemgevoelige locatie, omvat ook het perceel en de tuin. Voor niet-bodemgevoelige gebouwen vindt de provincie het niet proportioneel om naar het gehele perceel te kijken of het natuurlijk moment aangegrepen kan worden voor het verbeteren van de grondwaterkwaliteit. De instructieregels richten zich tot het deel van het perceel waar de ontwikkeling of herinrichting daadwerkelijk plaatsvindt in samenhang met de bouw van het grondwatergevoelige gebouw zodat in samenhang met de activiteit, net als onder de Wet bodembescherming, het natuurlijk moment aangegrepen wordt bij dergelijke verontreinigingen. Zodoende is in artikel 7.28, onder c geduid dat het enkel gaat om het aangrenzende tuin of perceel voor zover het samenhang heeft met het te bouwen grondwatergevoelige gebouw.
Artikel 7.29 (voorafgaand onderzoek) Het voorafgaand onderzoek heeft tot doel om vast te stellen of er sprake is van verontreiniging van het grondwater. Hiervoor kan de initiatiefnemer gebruik maken van het voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving. In gevallen waar in het verleden de locatie al beschikt is onder de Wet bodembescherming, bevat de beschikking vaak al voldoende informatie om vast te stellen of er al dan niet sprake is van verontreiniging van het grondwater.
Er is reeds sprake van verontreiniging van het grondwater als voor één of meer verontreinigende stoffen de waarde als bedoeld in artikel 7.30 overschreden wordt. Vaak biedt het vooronderzoek als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving al voldoende informatie om de verontreiniging al dan niet vast te stellen. Indien het vooronderzoek niet voldoende informatie bevat, zal een verkennend bodemonderzoek, bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoende informatie bevatten. Het verkennend bodemonderzoek dient te voldoen aan NEN5740. Het nemen van grondwatermonsters is, vooralsnog, onderdeel van de NEN-protocollen betreffende
99
Provinciaal blad 2025 nr. 17940
29 oktober 2025
bodemonderzoek. Zuid-Holland zal de regels aanpassen indien hier een wijziging in komt om zodoende aan te sluiten bij de laatste versie van de NEN-bodemonderzoeksprotocollen.
De initiatiefnemer hoeft in deze fase in ieder geval alleen onderzoek uit te voeren, en te overleggen, om vast te stellen of er sprake is van verontreiniging van het grondwater.
Er is sprake van verontreiniging van het grondwater indien de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering als bedoeld in bijlage III, onder Aa.1 overschreden wordt. De signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering is voor de meeste functies een waarde waarboven het grondwater geschikt is voor gebruik. Voor meer gevoelige vormen van gebruik, zoals drinkwater of grondwaterafhankelijke natuur, biedt de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering niet vanzelfsprekend voldoende bescherming en wordt daarom aansluiting gezocht bij de voorkeurswaarde zoals opgenomen bijlage III, onder Aa.1. Voor het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie is naar analogie eveneens aangesloten bij de voorkeurswaarde in bijlage III, onder Aa.1.
Artikel 7.30 (verontreiniging van grondwater) Zie de toelichting bij artikel 7.29.
Artikel 7.31 (risicobeoordeling grondwaterkwaliteit) De risicobeoordeling moet uitgevoerd worden als er sprake is van een verontreiniging van het grondwater, tenzij - in geval van een toetsing aan de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering - de concentraties dermate laag zijn dat onmiddellijk of toekomstig gevaar voor het grondwater, gegeven het gebruik, op voorhand uit te sluiten is. De risicobeoordeling grondwaterkwaliteit bepaalt in welke mate de verontreiniging leidt tot gevolgen voor de chemische en ecologische kwaliteit van het watersystemen en het vervullen van aan watersystemen toegekende maatschappelijke functies (lees: KRW-doelen). Bovendien bepaalt de risicobeoordeling of de verontreiniging daadwerkelijk risico’s oplevert voor het grondwater en het gebruik daarvan, zoals oppervlaktewater, water dat bestemd is voor menselijke consumptie of grondwaterafhankelijke natuur. Als er sprake is van verontreiniging van het grondwater waar op grond van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit van blijkt dat het geen significante grondwaterverontreiniging betreft, zijn er geen voorschriften nodig ter bescherming van het grondwater en kan de bouw direct starten na het verlenen van de omgevingsvergunning of nadat de termijn voor de melding verstreken is.