CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

2.2f) Ontwerp wijzigingsbesluit Omgevingsverordening [25-0186140]

Commissie Ruimte en Wonen 10 februari 2026, gemeente WestlandBij agendapunt: Schrijven college d.d. 03-12-25 inzake zienswijze herziening omgevingsbeleid provincie Zuid-Holland 202543.401 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

PROVINCIAAL BLAD

Nr. 17940 29 oktober 2025

Officiële uitgave van de provincie Zuid-Holland

Ontwerpbesluit van Provinciale Staten van Zuid-Holland van {dag} {maand} {jaar}, nr. XXXX tot wijziging van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in verband met de jaarlijkse herziening voor het jaar 2025 (Ontwerpbesluit Wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening Herziening 2025) Provinciale Staten van Zuid-Holland, Gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van {dag} {maand} {jaar}, met besluitnummer PZH-YYYYXXXXXXXX; Gelet op artikel 2.6 van de Omgevingswet; Overwegende dat het wenselijk is om het Omgevingsbeleid en de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening actueel en toepasbaar te houden; Besluiten:

Artikel I De Zuid-Hollandse Omgevingsverordening en de bijbehorende toelichting wordt gewijzigd zoals is aangegeven in bijlage 1 behorende bij dit besluit.

Artikel II [Gereserveerd voor inwerkingstredingsbepaling van het definitieve besluit: Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na uitgifte van het Provinciaal blad waarin dit besluit is bekendgemaakt.]

Artikel III Dit besluit wordt aangehaald als: Ontwerpbesluit Wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening Herziening 2025. Den Haag, {dag} {maand} {jaar} Provinciale Staten van Zuid-Holland,

drs. B.S.M. Sepers, griffier mr. A.W. Kolff, voorzittter

Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien. Dit document is een ontwerpbesluit.

1

Provinciaal blad 2025 nr. 17940

29 oktober 2025

Bijlage 1 Zuid-Hollandse Omgevingsverordening A Na artikel 2.12 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.12a (aanwijzing en geometrische begrenzing peilbesluitgebieden) Peilbesluitgebieden zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing indicatief is vastgelegd in bijlage II. B Artikel 3.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.19 (oogmerken) De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om het beschermen van de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden, in verband met de winning daarvan voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water; en b. het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, voor zover het gaat om het beschermen van de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden, in verband met de winning daarvan voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestedbestemd water. C Artikel 3.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.27 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

2

1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 in een grondwaterbeschermingsgebied wordt aangewezen: a. graven of ontgronden; b. de aanleg, verandering of verwijdering van een ondergronds bouwwerk, zoals funderingen, een kelder, of een ondergrondse installatie of constructie, zoals een damwand of heipaal; c. het verrichten van een gestuurde boring; d. het maken van een boorgat; e. de uitvoering van een sondering; f. werkzaamheden voor bodemstabilisering, met inbegrip van verticale of horizontale drainage; g. het gebruik van stoffen die de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen kunnen aantasten; en h. het verrichten van andere activiteiten die de slecht doorlatende eigenschappen van een bodemlaag aantasten of kunnen aantasten.

2

Onder de aanwijzing van de activiteiten vermeld in het eerste lid, aanhef en onder c en d, wordt ook verstaan een schuinboring die aanvangt buiten het grondwaterbeschermingsgebied, maar die eindigt in of ondergronds doorloopt onder dat gebied.

23

Onder de aanwijzing valt niet: a. het in een waterwingebied graven ten behoeve van het openbaar vuilwaterriool, voor zover dat tot een diepte van 2,5 m onder het maaiveld gelegen is en geen sprake is van drukrioleringen en persleidingen; b. het in een grondwaterbeschermingszone, boringsvrije zone of gebied voor aanvullende strategische voorraden graven ten behoeve van het openbaar vuilwaterriool, voor zover dat tot een diepte van 4 m onder het maaiveld gelegen is en geen sprake is van drukrioleringen en persleidingen;

Provinciaal blad 2025 nr. 17940

29 oktober 2025

c. d.

e.

het aanleggen of verwijderen van kabels of leidingen, voor zover die tot een diepte van 2,5 m onder het maaiveld gelegen zijn; het aanleggen van een gladde heipaal zonder een verbreding of verbrede voet, anders dan ten behoeve van een palenmatras bij de aanleg van een weg, een spoorweg, of een parkeerterrein; en het plaatsen van een aardpen.

D Artikel 3.56 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.56 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) 1

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone verrichten van een lozing in of op de bodem.

2

Onder de aanwijzing vallen niet lozingen: a. waarbij ter plaatse opgepompt grondwater in dezelfde bodemlaag wordt gebracht dan waar het uit afkomstig is, en: ○ 1°. waaraan geen schadelijke stoffen zijn toegevoegd; ○ 2°. door een bewerking de concentratie aan schadelijke stoffen niet is toegenomen; of ○ 3°. waaraan geen warmte is toegevoegd; b. ten behoeve van het voorkomen van verstuiving van op de bodem gebracht materiaal; c. ten behoeve van het reinigen van een landbouwvoertuig of machine op een landbouwbedrijf tenzij dat landbouwvoertuig of die machine is gebruikt voor gewasbeschermingsmiddelen of biociden; d. op of in een vloeiveld, bezinkveld of een veld met gewassen; e. in verband met het opspuiten van terreinen met het oog op het bouwrijp maken onder de voorwaarde dat een deklaag met slecht-doorlatende eigenschappen ter plaatse aanwezig is.

E Artikel 3.64 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.64 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone aanleggen,of in gebruik nemen of gebruiken van: a. een camping; b. een ander recreatieterrein dan een camping; of c. een openbaar zwembad. F Artikel 3.79 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.79 (aanwijzing verboden gevallen)

3

1

Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder a, te verrichten, voor zover het gaat om: a. de opslag in opslagtanks voor handelsdoeleinden; b. het voorafgaand aan vervoer opslaan van chemicaliën of brandstoffen in opslagtanks; of c. de opslag in ondergrondse opslagtanks.

2

Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder b, te verrichten, tenzij het gaat om het gebruiken van een mobiele tankinstallatie voor het aftanken van gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen, spoorvoertuigen, vliegtuigen of werktuigen.

3

Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder c, d en e, te verrichten in een waterwingebied.

Provinciaal blad 2025 nr. 17940

29 oktober 2025

4

Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder e, te verrichten in een grondwaterbeschermingszone, voor zover het gaat om de productie van organischchemische producten, anorganisch-chemische producten, fosfaathoudende, stikstofhoudende of kaliumhoudende meststoffen, producten voor gewasbescherming of biociden, farmaceutische producten en explosieven.

G Artikel 3.80 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.80 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) 1

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder a, te verrichten, voor zover het gaat om andere dan de in artikel 3.79, eerste lid, bedoeld gevallen.

2

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder b, te verrichten, voor zover het gaat om het gebruiken van een mobiele tankinstallatie voor het aftanken van gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen, spoorvoertuigen, vliegtuigen of werktuigen.

23

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder c en d, te verrichten in een grondwaterbeschermingszone.

34

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit, als bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder e, te verrichten in een grondwaterbeschermingszone, voor zover het gaat om andere dan de in artikel 3.79, vierde lid, bedoelde gevallen.

H Artikel 3.111 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.111 (werkzaamheden: materialen en grond) 1

Bij ingrepen toe te passen opvulmaterialen, zoals bentoniet, drillgrout of dämmer, zijn voorzien van een erkende kwaliteitsverklaring, deze verklaring is op het werk aanwezig.

2

De plaats van opslag van bouwmateriaal en -materieel is afgedekt met folie.

3

In een bouwput mogen geen schadelijke stoffen worden opgeslagen.

4

De staat, uitrusting en het gebruik van bouwmaterieel is zodanig, dat de kans op olieverontreiniging of andere vormen van verontreiniging van de bodem verwaarloosbaar is.

5

Grond die bij de werkzaamheden vrijkomt wordt verzameld en afgevoerd naar een erkend verwerker.

6

Bij de aanleg en het veranderen van een gat dient dit gat na gebruik weer wordt dichtgemaakt en de slecht-doorlatende eigenschappen zoveel als mogelijk in de oorspronkelijke staat worden hersteld met een hiervoor geschikt product, zoals bentoniet, tenzij het gaat om een gat afkomstig van een gestuurde boring, in welk geval drillgrout of dämmer wordt toegepast.

I Artikel 3.169 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.169 (aanwijzing vergunningplichtig geval: ligplaats innemen) 1

4

Het is verboden zonder omgevingsvergunning met een schip of een drijvend bouwsel, ligplaats in te nemen, te meren of te ankeren in een provinciale vaarweg, tenzij de locatie is toegestaan krachtens een verkeersbesluit.

Provinciaal blad 2025 nr. 17940

29 oktober 2025

2

Het eerste lid is niet van toepassing op kort verblijf aan een particuliere oever in een vaarstrook of een veiligheidsstrook.

J Na artikel 3.221 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.221a (gegevens en bescheiden: resultaten meting en gegevens) In aanvulling op de artikelen 15.27, 15.43 en 15.60 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de daargenoemde gegevens verstrekt aan gedeputeerde staten met gebruikmaking van een door hen beschikbaar gesteld elektronisch formulier. K Artikel 7.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.3 (maatregelen bij (dreigende) overschrijding van de omgevingswaarde veiligheid regionale waterkeringen) 1

Als het waterschapsbestuur naar aanleiding van de monitoring van de omgevingswaarde veiligheid van de regionale waterkeringen, bedoeld in paragraaf 13.1.1artikel 13.1, vaststelt dat het aannemelijk is dat voor een regionale waterkering niet wordt voldaan of niet zal worden voldaan aan de omgevingswaarde neemt het waterschapsbestuur de nodige maatregelen, al dan niet als onderdeel van een programma als bedoeld in artikel 3.10, eerste tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, ter verbetering van de regionale waterkering.

2

Bij het verbeteren van een regionale waterkering strekt de methode, bedoeld in artikel 13.1, eerste lid, onder a, tot aanbeveling van het waterschap.

3

Onverminderd artikel 5.5 zijn de verbetermaatregelen, bedoeld in het eerste lid, er op gericht te bevorderen dat de regionale waterkering binnen een zo kort mogelijke periode aan de daarvoor geldende omgevingswaarde voldoet.

4

Zonodig treft het waterschapsbestuur de nodige voorzorgs- of andere beschermende maatregelen, anders dan als onderdeel van een programma als bedoeld in artikel 3.10, eerste tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, om de risico’s die verband houden met de overschrijding of dreigende overschrijding van de omgevingswaarde voor die regionale waterkering te beheersen gericht op het voldoen aan de omgevingswaarde.

L Artikel 7.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.4 (legger) 1

De legger, bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet, bevat, in aanvulling op het eerste en derde lid van dat artikel, in ieder geval: a. b. c. d.

2

5

het lengteprofiel en de dwarsprofielen van de primaire en regionale waterkeringen; de gemiddelde dwarsprofielen van de oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden onder beheer bij het waterschap; een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de primaire en regionale waterkering in beheer bij het waterschap; een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden die in beheer zijn bij het waterschap.

Aan het eerste lid, onder d, is voldaan met ingang van het tijdstip opgenomen in bijlage VIII, onder C.1

Provinciaal blad 2025 nr. 17940

29 oktober 2025

3

Op bergingsgebieden in beheer bij het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, het Waterschap Rivierenland of het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht is niet van toepassing: a. b.

4

het bepaalde in artikel 2.39, eerste lid, van de Omgevingswet, voor zover het de vorm en constructie betreft; en het bepaalde in het eerste lid, aanhef, onder b en d.

Op secundaire wateren in beheer bij het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht is het eerste lid, aanhef en onder b, niet van toepassing.

M Artikel 7.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.5 (aanwijzingpeilbesluiten regionale wateren peilbesluit) 1

Het waterschapsbestuur stelt één of meer peilbesluiten als bedoeld in artikel 2.41, eerste lid, van de Omgevingswet vast voor de oppervlaktewaterlichamen in de peilbesluitgebieden waarvan de indicatieve geometrische begrenzing is vastgelegdals bedoeld in bijlage IIartikel 2.12a.

2

Peilbesluiten moeten actueel zijn. Het peilbesluit bevat een kaart met de begrenzing van het peilgebied waarbinnen het oppervlaktewaterlichaam gelegen is waarop het peilbesluit betrekking heeft.

3

Het peilbesluit bevat een motivering waarin ten minste is opgenomen: a. de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en de uitkomsten van onderzoeken die zijn verricht; b. een duiding van de veranderingen van de waterstanden ten opzichte van de bestaande situatie; c. een duiding van de gevolgen van de te handhaven waterstanden voor de in het peilgebied aanwezige maatschappelijke functies en belangen.

4

Het waterschapsbestuur draagt er zorg voor dat een peilbesluit actueel is.

N Na artikel 7.5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 7.5a (peilbesluit: hydrologische condities veenweide- en weidevogelgebied) 1

Dit artikel is van toepassing op een peilbesluit in een peilbesluitgebied als bedoeld in artikel 2.12a, dat voor meer dan 10% bestaat uit veenweidegebied, waarvan de locatie geometrisch is begrensd in bijlage II of uit belangrijk weidevogelgebied als bedoeld in artikel 7.42, vijfde lid.

2

Het peilbesluit houdt ook rekening met de invloed van de vastgestelde waterstanden of de bandbreedten waarbinnen de waterstanden kunnen variëren op: a. de dragende functie van het watersysteem; b. het terugdringen van bodemdaling; c. het terugdringen van broeikasgasemissies door veenoxidatie; d. de hydrologische invloedgebieden in en rond natuurgebieden; e. het behoud of de versterking van de hydrologische condities van weidevogelgebieden; en f. de vervulling van overige maatschappelijke functies van het watersysteem.

3

In geval van bodemdaling voorziet het peilbesluit in een verlaging van de waterstand tot maximaal het niveau van de opgetreden bodemdaling.

4

Het derde lid is niet van toepassing als sprake is van zwaarwegende belangen die het waterschapsbestuur dient te behartigen gelet op het aan het bestuur toegedeelde beheer van het watersysteem.

O

6

Provinciaal blad 2025 nr. 17940

29 oktober 2025

Afdeling 7.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 7.3 Omgevingsplannen § 7.3.1 Algemeen Artikel 7.13 (toepassingsbereik) 1

Deze afdeling is van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet.

2

In afwijking van het eerste lid zijn paragrafen 7.3.4 tot en met 7.3.8, 7.3.12 tot en met 7.3.16 en, 7.3.20 tot , 7.3.21 en met 7.3.23 niet van toepassing voor zover de regels bouwwerken of uitbreidingen daarvan niet hoger dan 5 m en met een oppervlakte van niet meer dan 150 m2 mogelijk maken.

3

In afwijking van het eerste lid zijn paragrafen 7.3.4 tot en met 7.3.8 en 7.3.15 tot en met 7.3.23 niet van toepassing voor zover de regels: a. functiewijzing van bestaande bouwwerken binnen bestaand stedelijk gebied mogelijk maken; of b. functiewijziging van bestaande bouwwerken buiten stedelijk gebied ten behoeve van logies voor arbeidsmigranten en asielzoekers mogelijk maken.

4

Deze afdeling is niet van toepassing op: a. dakterrassen, balkons, dakkappellen, dakopbouwen of gelijksoortige uitbreidingen van een gebouw, tenzij er sprake is van een situatie die niet is uitgezonderd onder het tweede lid; b. antenne-installaties niet hoger dan 40 m; c. het realiseren van tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten bij een agrarisch bedrijf voor een seizoenspiek van 3 maanden.

Artikel 7.14 (aanpassingstermijn omgevingsplan) 1

Op het moment dat een omgevingsplan of een onderdeel wordt vastgesteld en uiterlijk binnen drie jaar na inwerkingtreding van een bepaling in deze afdeling voldoet een omgevingsplan of onderdeel aan die bepaling.

2

De termijn van drie jaar, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing, voor zover bij een bepaling in deze afdeling een andere termijn is genoemd, waarop het omgevingsplan aan die bepaling moet voldoen.

3

De termijn van drie jaar, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op paragraaf 7.3.7 en artikel 7.45.

Artikel 7.15 (eerbiedigende werking) 1

Bij de vaststelling van een onderdeel van een omgevingsplan kan een bepaling in deze afdeling, buiten toepassing blijven voor zover deze betrekking heeft op een locatie waar: a. b. c.

2

een activiteit die in strijd is met die bepaling, is toegelaten in het omgevingsplan en rechtmatig wordt verricht; een activiteit die in strijd is met die bepaling, is toegestaan op grond van een onherroepelijk verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of een activiteit die in strijd is met die bepaling en is toegelaten in het omgevingsplan, niet wordt verricht en waarvoor geldt dat onverkorte toepassing van die bepaling onevenredig zou zijn met het oog op zwaarwegende belangen van toelaten van de activiteit.

Het eerste lid is niet van toepassing op artikel 7.62.

§ 7.3.2 Externe veiligheid (omgevingsveiligheid) § 7.3.2.1 Risicogebieden externe veiligheid

7

Provinciaal blad 2025 nr. 17940

29 oktober 2025

Artikel 7.16 (opname risicogebieden externe veiligheid) De locaties risicogebied externe veiligheid Botlek-Vondelingenplaat, risicogebied externe veiligheid Europoort en Landtong, risicogebied externe veiligheid Maasvlakte 1 en Maasvlakte 2, risicogebied externe veiligheid Zeehavens Dordrecht, risicogebied externe veiligheid Eemhaven en Distripark Albrandswaard en risicogebied externe veiligheid Waalhaven, waarvan de geometrische begrenzing in bijlage II is vastgelegd, worden als risicogebieden externe veiligheid opgenomen in het omgevingsplan.

Artikel 7.17 (waarborgen ruimte risicogebieden externe veiligheid) Bij het al dan niet toewijzen van een reservering van ruimte voor een aandachtsgebied in het omgevingsplan rond de risicogebieden externe veiligheid, genoemd in artikel 7.16, wordt de ruimte van activiteiten waarvoor het risicogebied externe veiligheid is gereserveerd in acht genomen.

§ 7.3.2.2 Groepsrisicobenadering Artikel 7.18 (groepsrisicobenadering aandachtsgebieden met verhoogd groepsrisico) 1

Indien een omgevingsplan voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling binnen een aandachtsgebied wordt in aanvulling op artikel 5.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een kwantitatieve beoordeling van het groepsrisico uitgevoerd indien: a. de ontwikkeling leidt tot een toename in populatie van meer dan 500 personen in het gebied tussen de PR 10-8 contour en de 1% letaliteitsgrens van een milieubelastende activiteit; b. de ontwikkeling zich bevindt binnen de PR 10-8 contour van een milieubelastende activiteit en leidt tot een toename van de personendichtheid van meer dan 10% of een toename van meer dan 100 personen; c. de ontwikkeling plaats vindt binnen het brand- of explosieaandachtsgebied van een weg, spoorweg of binnenwater die behoren tot het basisnet, waar de bestaande populatiedichtheid hoger is dan 70 personen per hectare, en de ontwikkeling leidt tot een toename van de populatie van meer dan 100 personen; d. de ontwikkeling plaats vindt binnen het brand- of explosieaandachtsgebied van een weg, spoorweg of binnenwater die behoren tot het basisnet en leidt tot een toename van de personendichtheid van meer dan 10%, waarbij de toename minimaal 100 personen betreft.

2

Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling binnen een aandachtsgebied leidt tot een verhoogd groepsrisico, worden de volgende aspecten betrokken bij de motivering van het groepsrisico: a. mogelijkheden om de ruimtelijke ontwikkeling plaats te laten vinden buiten het aandachtsgebied; b. alternatieven met een lager groepsrisico; c. waardering van al bestaande bescherming, waaronder: ○ 1°. in de wet- en regelgeving voorgeschreven basisvoorzieningen; ○ 2°. andere in het verleden getroffen maatregelen die gedeeltelijk of geheel bescherming bieden; d. mogelijkheden om aan de risicobron maatregelen te treffen; e. mogelijkheden tot aanvullende bescherming, waaronder: ○ 1°. binnen het aandachtsgebied afstand houden tot de risicobron; ○ 2°. beperking van personendichtheden in de omgeving van de risicobron; ○ 3°. treffen van omgevingsmaatregelen tussen de risicobron en bebouwde omgeving; ○ 4°. aanvullende bouwmaatregelen; ○ 5°. vlucht- en schuilmogelijkheden binnen het aandachtsgebied; ○ 6°. aanvullende risicocommunicatie; f. door de veiligheidsregio geadviseerde maatregelen op de onderdelen c, d en e evenals op het gebied van hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid; g. de aanwijzing van een brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied als brandvoorschriftengebied respectievelijk explosievoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

3

Bij het opstellen of wijzigen van het omgevingsplan wordt gemotiveerd op welke wijze de onderdelen, bedoeld in het tweede lid, zijn betrokken in de verantwoording van het groepsrisico.

§ 7.3.2.3 Veiligheidszonering Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas

8

Provinciaal blad 2025 nr. 17940

29 oktober 2025

Artikel 7.19 (aanwijzing en geometrische begrenzing veiligheidszone Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas) De veiligheidszone Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas zijn de locaties binnen 25 m van de rijksvaarwegen Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 7.20 (waarborgen veiligheid oevers Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas) 1

Een omgevingsplan voor locaties binnen de veiligheidszone Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas laat nieuwe bebouwing of nieuwe activiteiten alleen toe als voor de effecten van een plasbrand vergelijkbare veiligheid wordt gegarandeerd als buiten de veiligheidszone, en als hierover advies is ingewonnen bij de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond.

2

Het eerste lid is niet van toepassing op: a.

b. c.

havengebonden nieuwe bebouwing of nieuwe activiteiten binnen de uitzondering veiligheidszone Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas risicogebieden externe veiligheid, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II; voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het functioneren van de vaarweg en de haven; incidentele kleinschalige voorzieningen voor dagrecreatie.

§ 7.3.2.4 Niet-Basisnet transportroutes Artikel 7.21 (aanwijzing en geometrische begrenzing niet-Basisnet transportroutes) De niet-Basisnet transportroutes zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 7.22 (aandachtsgebieden langs niet-Basisnet transportroutes in verband met groepsrisico) 1

Langs de niet-Basisnet transportroutes, bedoeld in artikel 7.21, strekt het effectgebied voor incidenten met brand bij het vervoer van gevaarlijke stoffen zich uit tot een afstand van 30 m, gemeten vanaf de kant van de weg en strekt het effectgebied voor incidenten met explosies zich uit tot een afstand van 200 m gemeten vanaf de kant van de weg.

2

In een omgevingsplan wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de effectgebieden, bedoeld in het eerste lid, rekening gehouden met de effecten van mogelijke incidenten met het vervoer van gevaarlijk stoffen.

3

Aan het tweede lid wordt in ieder geval voldaan als een omgevingsplan, in aanvulling op paragraaf 7.3.2.2: a. b.

c.

binnen een effectgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat; de locaties waar beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties worden toegelaten, in ieder geval waarborgt: ○ 1°. dat maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties tegen de effecten van een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen op de transportroute; of ○ 2°. dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt is. dat de onderbouwing van het groepsrisico in het effectgebied berust op een advies van de veiligheidsregio met betrekking tot maatregelen op het gebied van hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid om de veiligheid van bestaande en te ontwikkelen kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties te optimaliseren.

§ 7.3.3 Risico's van klimaatverandering [Red: Artikel 7.41a verplaatst van paragraaf 7.3.6a naar paragraaf 7.3.3. ]

Artikel 7.41a 7.23 (risico’s van klimaatverandering) 1

9

In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van:

Provinciaal blad 2025 nr. 17940

29 oktober 2025

a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte; alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling. 2

Voor zover risico’s aan de orde zijn wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico’s.

§ 7.3.4 Waterkeringen Artikel 7.25 (geen belemmeringen voor regionale waterkeringen) 1

In het omgevingsplan worden aan de regionale waterkeringen, bedoeld in artikel 2.13, de functie “regionale waterkering” toegedeeld.

2

In het omgevingsplan worden aan locaties van beperkingengebieden ter bescherming van regionale waterkeringen in beheer bij het waterschap, de functie “beperkingengebied met betrekking tot een waterkering” toegedeeld.

3

Bij de toepassing van het eerste en het tweede lid wordt uitgegaan van de door de beheerder van de waterkering vastgestelde legger, bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet, en de bij waterschapsverordening aangewezen en geometrisch begrensde beperkingengebieden.

4

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een regionale waterkering of een beperkingengebied met betrekking tot een regionale waterkering als bedoeld in het eerste en het tweede lid wordt bij het toelaten van activiteiten of ruimtelijke ontwikkelingen in het omgevingsplan gewaarborgd dat er geen belemmeringen ontstaan voor de instandhouding, het onderhoud of versterking van de regionale waterkering.

5

Voor de beoordeling of sprake is van belemmeringen als bedoeld in het vierde lid wordt advies gevraagd aan de beheerder van de waterkering.

1

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een regionale waterkering als bedoeld in artikel 2.13 wordt bij het toelaten van activiteiten gewaarborgd dat er geen belemmeringen ontstaan voor de instandhouding, het onderhoud of de versterking van de regionale waterkering.

2

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een bij omgevingsverordening of waterschapsverordening aangewezen gebied grenzend aan een regionale waterkering waar ter bescherming van de regionale waterkering regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor die regionale waterkering, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

3

Voor de beoordeling of sprake is van belemmeringen als bedoeld in het eerste lid wordt advies gevraagd aan de beheerder van de regionale waterkering.

Artikel 7.26 (profiel van vrije ruimte) Het omgevingsplan neemt een in een bij waterschapsverordening vastgesteldaangewezen profiel van vrije ruimte ten behoeve van een toekomstige versterking of uitbreiding van een waterkering regionale waterkering, bedoeld in beheer bij het waterschap artikel 2.13, in acht.

§ 7.3.5 Grondwaterkwaliteit § 7.3.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie Artikel 7.27 (toepassingsbereik) 1

Deze paragraaf is van toepassing op een grondwatergevoelig gebouw, zijnde: a.

10

een bodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of

Provinciaal blad 2025 nr. 17940

29 oktober 2025

b.

2

elk ander gebouw of gedeelte van een gebouw dat geheel of gedeeltelijk de bodem raakt, voor zover de oppervlakte van het gedeelte van het gebouw dat de bodem raakt ten minste 50 m2 bedraagt.

Deze paragraaf is niet van toepassing op een grondwatergevoelig gebouw op een locatie in het gebied met grondwaterbeheer Rotterdam, bedoeld in artikel 6.2, tweede lid.

Artikel 7.28 (definitie grondwatergevoelige locatie) Als grondwatergevoelige locaties worden in ieder geval beschouwd: a. b.

c.

een bodemgevoelige locatie als bedoeld in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving; de locatie waarop een gebouw als bedoeld in artikel 7.27, aanhef en onder b, is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of een onmiddellijk aan een gebouw als bedoeld in artikel 7.27, onder b, grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein, voor zover de tuin of het terrein daarmee samenhang heeft.

Artikel 7.29 (voorafgaand onderzoek) 1

Een omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen is toegelaten als door onderzoek is aangetoond dat er geen sprake is van een verontreiniging van het grondwater, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in het omgevingsplan waar een verdenking van verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30 redelijkerwijs is uit te sluiten.

2

Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan bestaan uit: a. b.

het verrichten van voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of het overleggen van een beschikking krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Artikel 7.30 (verontreiniging van grondwater) Onder verontreiniging van grondwater wordt verstaan een overschrijding van: a. de voorkeurswaarde in bijlage III, onder Aa.1, voor zover de verontreiniging in staat is grondwaterafhankelijke natuur binnen het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 2.11, of een grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in artikel 2.2 te beïnvloeden; of b. de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering in bijlage III, onder Aa.1 voor overige gebieden of locaties.

Artikel 7.31 (risicobeoordeling grondwaterkwaliteit) 1

Een omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie bij een verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30 alleen is toegelaten als een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit als bedoeld in paragraaf 3.4.2 is verricht.

2

Het eerste lid is niet van toepassing als de bron van verontreiniging van het grondwater: a.

b.

3

Het eerste lid is ook niet van toepassing als de verontreiniging van grondwater: a.

11

zich niet (langer) bevindt in de vaste bodem van de grondwatergevoelige locatie, tenzij uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, of een beschikking als bedoeld in artikel 7.29, tweede lid, onder b, blijkt dat er sprake is van een zak- of drijflaag; of zich in de vaste bodem van de grondwatergevoelige locatie bevindt en diffuus van aard is.

het gevolg is van een natuurlijk verhoogde achtergrondconcentratie;

Provinciaal blad 2025 nr. 17940

29 oktober 2025

b.

een restverontreiniging na het uitvoeren van een grondwatersanering betreft en als zodanig is opgenomen in een evaluatieverslag als bedoeld in artikel 3.141e of een beschikt evaluatieverslag als bedoeld in artikel 39c van de Wet bodembescherming, zoals dat artikel luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 7.32 (sanerende maatregelen bij significante grondwaterverontreiniging) 1

Een omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen is toegelaten als de volgende sanerende maatregelen worden getroffen: a.

b.

2

een bronaanpak overeenkomstig de regels voor het saneren van de bodem in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving als uit de aan gedeputeerde staten op grond van artikel 3.132 verstrekte gegevens en bescheiden na uitvoering van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c. een grondwatersanering overeenkomstig de regels in paragraaf 3.4.3 als uit de aan gedeputeerde staten op grond van artikel 3.132 verstrekte gegevens en bescheiden na uitvoering van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c.

Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing als er sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging, waarbij geen specifieke bron van verontreiniging aanwijsbaar is.

Artikel 7.33 (omgevingsvergunning bouwen op een grondwatergevoelige locatie) 1

Als in een omgevingsplan is bepaald dat het verboden is om zonder een omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, worden in het omgevingsplan regels gesteld die inhouden dat de omgevingsvergunning voor een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie waarbij sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c, alleen wordt verleend als aannemelijk is dat de sanerende maatregelen, bedoeld in artikel 7.32, worden getroffen.

2

Een omgevingsplan bepaalt dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, de volgende gegevens en bescheiden worden verstrekt: a. b.

c.

d.

het voorafgaand onderzoek, bedoeld in artikel 7.29, tweede lid; als er sprake is van verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30: een afschrift van de gegevens en bescheiden na het verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in artikel 3.132, waarbij ten minste vier weken verstreken zijn nadat de gegevens en bescheiden aan gedeputeerde staten zijn verstrekt; als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c: een afschrift van de melding, bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die aannemelijk maakt dat een bronaanpak als bedoeld in artikel 7.32, onder a wordt verricht; als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c: een afschrift van de aanvraag om een omgevingsvergunning die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering als bedoeld in paragraaf 3.4.3 wordt verricht.

Artikel 7.34 (melding bouwactiviteit) 1

Een omgevingsplan bepaalt dat het verboden is een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie te bouwen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2

Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a. b. c. d. e.

12

de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; het adres waar de bouwactiviteit wordt verricht; de dagtekening; en het voorafgaand onderzoek, bedoeld in artikel 7.29, tweede lid; als er sprake is van verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30: een afschrift van de gegevens en bescheiden na verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit,

Provinciaal blad 2025 nr. 17940

29 oktober 2025

f.

g.

3

bedoeld in artikel 3.132, waarbij ten minste vier weken verstreken zijn nadat de gegevens en bescheiden aan gedeputeerde staten zijn verstrekt; als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c: een afschrift van de melding, bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving die aannemelijk maakt dat een bronaanpak als bedoeld in artikel 7.32, onder a, wordt verricht; als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c: een afschrift van de aanvraag om een omgevingsvergunning die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering als bedoeld in paragraaf 3.4.3 wordt verricht.

Dit artikel is niet van toepassing als voor de bouwactiviteit op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning is vereist.

Artikel 7.35 (ingebruikname na maatregelen bij een significante grondwaterverontreiniging) Een omgevingsplan bepaalt dat bij aanwezigheid van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c, een grondwatergevoelig gebouw, of een gedeelte daarvan, op een grondwatergevoelige locatie alleen in gebruik wordt genomen na de bouwactiviteit, nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende maatregelen, bedoeld in artikel 7.32, zijn getroffen of, als de sanerende maatregelen nog in uitvoering zijn, de wijze waarop de ingebruikname van het grondwatergevoelige gebouw de sanerende maatregel niet belemmert.

§ 7.3.5.2 Saneren van de bodem ter uitvoering van een bronaanpak Artikel 7.36 (toepassingsbereik) 1

Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van de bodem, bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, ter uitvoering van een bronaanpak als bedoeld in artikel 7.32, eerste lid, onder a.

2

Deze paragraaf is niet van toepassing op het saneren van de bodem in een grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in artikel 2.2.

Artikel 7.37 (saneringsaanpak: niet afdekken tenzij) 1

Een omgevingsplan bepaalt dat het saneren van de bodem in verband met een bronaanpak als bedoeld in artikel 7.32, eerste lid, onder a, niet wordt uitgevoerd met de saneringsaanpak afdekken, bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

2

Een omgevingsplan kan, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat de saneringsaanpak afdekken is toegestaan als: a. b.

de afdeklaag bestaat uit een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag als bedoeld in artikel 4.1241, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en aannemelijk wordt gemaakt dat de saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.

Artikel 7.38 (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift andere saneringsaanpak: vermindering of voorkomen van inbreng) Het omgevingsplan bepaalt dat een maatwerkvoorschrift waarin een andere saneringsaanpak dan bedoeld in artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt toegestaan, alleen kan worden gesteld als die andere saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.

Artikel 7.39 (gegevens en bescheiden: voor het begin van de bronaanpak) Het omgevingsplan bepaalt dat bij het saneren van de bodem, bedoeld in artikel 7.36, onverwijld een afschrift van de voor het begin van de activiteit verstrekte gegevens en bescheiden aan gedeputeerde staten worden verstrekt.

13

Provinciaal blad 2025 nr. 17940

29 oktober 2025

Artikel 7.39a (gegevens en bescheiden: bij beëindiging van de bronaanpak) Het omgevingsplan bepaalt dat na het saneren van de bodem, bedoeld in artikel 7.36, onverwijld een afschrift van het evaluatieverslag, bedoeld in artikel 4.1246 van het Besluit activiteiten leefomgeving, aan gedeputeerde staten wordt verstrekt.

§ 7.3.5.3 Lozen op of in de bodem Artikel 7.39b (verbod op rechtstreeks lozen in het grondwater) 1

Een omgevingsplan bepaalt dat het lozen op of in de bodem verboden is als daarbij verontreinigende stoffen zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond rechtstreeks in het grondwater komenterechtkomen.

2

Het eerste lid is niet van toepassing op wateronttrekkingsactiviteiten waarvoor op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, dedeze omgevingsverordening of een waterschapsverordening een omgevingsvergunning is vereist is of op grond van de waarvoor bij of krachtens waterschapsverordening regels zijn gesteld.

Artikel 7.39c (afbakening mogelijkheid maatwerk) Het omgevingsplan bepaalt dat met een maatwerkvoorschrift van het verbod, bedoeld in artikel 7.39b, eerste lid, alleen kan worden afgeweken als de lozing voldoet aan de vereisten van artikel 11, derde lid, onder j, van de kaderrichtlijn water, op voorwaarde dat de lozing niet verhindert dat de voor dat grondwaterlichaam vastgestelde milieudoelstellingen worden bereikt.

Artikel 7.39ca (nadere afbakening mogelijkheid maatwerk brijnlozing) 1

Het omgevingsplan bepaalt dat een maatwerkvoorschrift van het verbod, bedoeld in artikel 7.39b, eerste lid, dat betrekking heeft op het lozen van brijn dat afkomstig is van het bereiden van natriumarm gietwater waarbij brijn ontstaat als bedoeld in paragraaf 4.80 van het Besluit activiteiten leefomgeving, alleen wordt verleend als de lozing verenigbaar is met het belang van het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen.

2

Het omgevingsplan bepaalt dat bij de verlening van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid rekening wordt gehouden met het regionaal waterprogramma.

Artikel 7.39d (lozen van grondwater op of in de bodem) 1

Dit artikel is van toepassing op het op of in de bodem lozen van grondwater afkomstig van: a. b. c.

2

Een omgevingsplan bepaalt dat ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, dan wel ten minste vier weken voor dat de activiteit wijzigt, gegevens en bescheiden worden verstrekt over: a. b.

3

14

de aard en omvang van de lozing; en de verwachte datum van het begin van de activiteit.

In afwijking van het tweede lid, bepaalt het omgevingsplan dat voor het lozen van grondwater op of in de bodem afkomstig van het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit geen gegevens en bescheiden hoeven te worden verstrekt als: a. b.

4

een bodemsanering of grondwatersanering; een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 3.48f, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of het lozen plaatsvindt bij wonen.

Een omgevingsplan bepaalt dat voor het lozen van grondwater op of in de bodem, bedoeld in het eerste lid, de emissiegrenswaarden zijn:

Provinciaal blad 2025 nr. 17940

29 oktober 2025

a. b.

de waarden, bedoeld in bijlage XIX, onder A, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, gemeten in een steekmonster; of de concentraties waaronder gevaar voor verslechtering van de kwaliteit van grondwater is uit te sluiten als het gaat om de verontreinigende stoffen, bedoeld in bijlage XIX, onder B, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, die niet in bijlage XIX, onder A, van dat besluit zijn aangegeven.

§ 7.3.5.4 Activiteiten op een locatie met een historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar verspreidingsrisico Artikel 7.39e (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of een nader bodemonderzoek dat voldoet aan NTA 5755 is verricht, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Artikel 7.39f (grondwater: mitigerende maatregelen) Een omgevingsplan bepaalt dat degene die een activiteit als bedoeld in artikel 7.39e verricht, in het belang van het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen, maatregelen neemt die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van het grondwater, al dan niet indirect vanuit de vaste bodem, te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.

§ 7.3.5.5 Milieubelastende activiteiten met gevolgen voor watersystemen Artikel 7.39g (beoordelingsregels milieubelastende activiteit gevolgen voor watersystemen) 1

Een omgevingsplan bepaalt dat een omgevingsvergunning, voor zover die betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die gevolgen kan hebben voor watersystemen, alleen wordt verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van: a. b. c.

2

het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.

Het omgevingsplan bepaalt dat bij de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, rekening wordt gehouden met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam.

§ 7.3.6 LiB-5 contour Schiphol Artikel 7.40 (aanwijzing en geometrische begrenzing gebieden binnen LiB-5 contour Schiphol)

15

1

Het gebied binnen de LiB-5 contour Schiphol is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

2

Het gebied binnen de voormalige bebouwingscontour van de streekplannen uit 2003 binnen de LiB-5 contour Schiphol, is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Provinciaal blad 2025 nr. 17940

29 oktober 2025

Artikel 7.41 (LiB-5 contour Schiphol) 1

Een omgevingsplan voor het gebied binnen de LiB-5 contour Schiphol laat nieuwe woningen alleen toe binnen het bestaand stads- en dorpsgebied.

2

In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan in onderstaande gevallen voorzien in nieuwe woningen buiten bestaand stads- en dorpsgebied als het betreft: a. b a. c b. d c.

e d. f e. 3

woningbouw binnen het gebied binnen de voormalige bebouwingscontour van de streekplannen uit 2003 binnen de LiB-5 contour Schiphol; de toevoeging van ten hoogste enkele woningen in aanwezige lintbebouwing; de toevoeging van greenportwoningen en compensatiewoningen; de toevoeging van ten hoogste enkele woningen als bedoeld in artikel 7.58, vierde lid; de toevoeging van ten hoogste enkele woningen volgens het principe ruimte voor ruimte, waarbij de ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd door de sloop van overtollige bebouwing en kassen; het omzetten van bedrijfswoningen naar burgerwoningen; of bedrijfswoningen, voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering.

Voor zover een omgevingsplan nieuwe woningen toelaat in het gebied binnen de LiB-5 contour Schiphol, wordt in de motivering rekenschap gegeven van het feit dat op deze locatie sprake is van geluid vanwege het luchtverkeer en worden de redenen vermeld die ertoe hebben geleid om op de deze locatie nieuwe woningen toe te laten.

§ 7.3.6a Toekomstbestendig bouwen enruimtelijk ontwikkelen Artikel 7.41aa (aanwijzing en geometrische begrenzing beschermingsgebied onbebouwde ruimte en grote buitenstedelijke bouwlocaties) 1

Het beschermingsgebied onbebouwde ruimte is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

2

Grote buitenstedelijke bouwlocaties zijn de locaties, genoemd in bijlage IX, onder B, en waarvan de geometrische begrenzing indicatief is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 7.41bb (prioritaire opgaven en regionale afstemming in het beschermingsgebied onbebouwde ruimte)

16

1

Een omgevingsplan voor het beschermingsgebied onbebouwde ruimte houdt rekening met het beschikbaar houden van voldoende ruimte voor prioritaire ontwikkelingen en maakt een significante nieuwe ontwikkeling uitsluitend mogelijk indien die ontwikkeling regionaal en gebiedsgericht is afgestemd.

2

Prioritaire ontwikkelingen in het gebied binnen het beschermingsgebied onbebouwde ruimte hebben betrekking op de volgende opgaven: a. een toekomstbestendige en veerkrachtige landbouwsector; b. een robuust en klimaatadaptief water- en bodemsysteem; c. een duurzaam energiesysteem en toekomstbestendige watervoorziening; of d. natuurherstel ten behoeve van behoud en verbetering van biodiversiteit.

3

Bij een prioritaire ontwikkeling worden kansen voor combinaties met extensieve groene recreatie, zoals het toevoegen van wandel- en fietspaden en het verbeteren van de toegankelijkheid van het gebied voor recreanten, zoveel mogelijk benut om de kwaliteiten van het landschap beter ervaarbaar te maken en zo bij te dragen aan de brede welvaart in Zuid-Holland.

4

Voor zover het gaat om een prioritaire ontwikkeling met betrekking tot wateropvang, drinkwater en energie, kan die ontwikkeling alleen plaatsvinden in het beschermingsgebied onbebouwde ruimte als is aangetoond dat die ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan plaatsvinden.

Provinciaal blad 2025 nr. 17940

29 oktober 2025

Artikel 7.41cc (zuinig en meervoudig ruimtegebruik in het beschermingsgebied onbebouwde ruimte) Een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in het beschermingsgebied onbebouwde ruimte houdt rekening met zuinig en meervoudig ruimtegebruik en het zo min mogelijk toevoegen van verharding en bebouwing.

Artikel 7.41dd (nee, tenzij principe voor ontwikkelingen met stedelijke functies in het beschermingsgebied onbebouwde ruimte) 1

Een omgevingsplan voor het gebied binnen het beschermingsgebied onbebouwde ruimte maakt een nieuwe ontwikkeling met stedelijke functies, uitsluitend mogelijk indien het gaat om: a. een ontwikkeling binnen een grote buitenstedelijke bouwlocatie, als bedoeld in artikel 7.41aa, tweede lid; b. ‘een straatje erbij’, als bedoeld in artikel 7.41ee; c. een kleinschalige ontwikkeling die valt onder de soort inpassen, als bedoeld in artikel 7.43; d. een ontwikkeling in het glastuinbouwgebied die in overeenstemming is met artikel 7.54; e. een ontwikkeling in het boom- en sierteeltgebied die in overeenstemming is met artikel 7.56; f. een ontwikkeling in het bollenteeltgebied die in overeenstemming is met artikel 7.58; en g. een ontwikkeling binnen een verblijfsrecreatiepark dat is opgenomen in bijlage IX, onder Aa.

2

In afwijking van het eerste lid kan het omgevingsplan een andere ontwikkeling met stedelijke functies mogelijk maken, indien sprake is van een zwaarwegend algemeen belang en geen reële mogelijkheden bestaan om deze ontwikkeling elders te realiseren.

Artikel 7.41ee (straatje erbij) Een omgevingsplan voor het gebied binnen het beschermingsgebied onbebouwde ruimte kan met het oog op het verbeteren van de leefbaarheid en vitaliteit van een kern, een nieuwe ontwikkeling met wonen mogelijk maken, in de vorm van ‘een straatje erbij’, voor zover: a. het gaat om een eenmalige ontwikkeling bij een kern met een inwonertal van 250 tot 10.000 voor zover bij die kern geen grote buitenstedelijke bouwlocatie ontwikkeld kan worden; b. de omvang van de ontwikkeling ten hoogste 1,5 hectare bedraagt, of tot 3 hectare als het gaat om een gecombineerde ontwikkeling ten behoeve van meerdere kernen; c. een zo hoog mogelijke woningdichtheid van ten minste 33 woningen per hectare wordt gerealiseerd; d. de ontwikkeling aansluit op het bestaand stads- en dorpsgebied van de kern of is gelegen binnen lintbebouwing nabij en aansluitend op de kern; e. de ontwikkeling niet plaatsvindt in gebieden met beschermingscategorie 1 en beschermingscategorie 2, als bedoeld in artikel 7.42; en f. de ontwikkeling aansluit bij de kwalitatieve woningbehoefte en gericht is op differentiatie van de woningvoorraad in de betreffende kern.

Artikel 7.41ff (klimaatadaptief ruimtelijk ontwikkelen) Een omgevingsplan laat alleen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toe met een totale oppervlakte aan bebouwing en verharding van meer dan 1000 m2, als deze ontwikkelingen in voldoende mate bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem.

Artikel 7.41aa 7.41gg (toekomstbestendig bouwen van woningen) 1

Een omgevingsplan dat een nieuwe ontwikkeling met een of meer gebouwen met een totale vloeroppervlak van 1.000 m2 of meer mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen, die mede afhankelijk zijn van de functie van het gebouw en de daarmee samenhangende gebiedsontwikkeling.

2

De volgende aspecten van toekomstbestendig bouwen worden in onderlinge samenhang betrokken: a. b.

17

de risico’s van klimaatverandering; de energiehuishouding van de gebouwen, met name het gebruik en de opwekking van energie;

Provinciaal blad 2025 nr. 17940

29 oktober 2025

c. d. e. f. g.

de toepassing van circulaire of biobased grondstoffen of producten; de mogelijkheden om de emissies van NOx en CO2 te beperken in de bouw- en gebruiksfase; het reduceren van drinkwatergebruik door waterbesparende maatregelen te treffen; het versterken van de biodiversiteit; en het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving.

Artikel 7.41hh (overgangsrecht) Als een omgevingsplan in ontwerp is vastgesteld voor de inwerkingtreding van deze paragraaf, blijft het oude recht daarop van toepassing.

§ 7.3.7 Ruimtelijke kwaliteit Artikel 7.41b (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op nieuwe ruimtelijk ontwikkelingen.

Artikel 7.42 (aanwijzing en geometrische begrenzing gebieden met beschermingscategorieën) 1

Gebieden met beschermingscategorie 1 zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

2

Gebieden met beschermingscategorie 2 zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

3

Gebieden met beschermingscategorie 3 zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

4

Het gebied met beschermingscategorie 1, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit de gebiedstypen natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, en kroonjuweel cultureel erfgoed en beschermd grasland in de Bollenstreek, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

5

Het gebied met beschermingscategorie 2, bedoeld in het tweede lid, bestaat uit de gebiedstypen belangrijk weidevogelgebied, kansrijk weidevogelgebied, groene buffer en recreatiegebied, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

6

Het gebied met beschermingscategorie 3, bedoeld in het derde lid, bestaat uit het gebiedstype buitengebied, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

7

Bestaande bebouwing, agrarische bouwpercelen, erven, tuinen en wegen met een gesloten verharding, inclusief bermen, behoren niet tot belangrijk weidevogelgebied of kansrijk weidevogelgebied.

Artikel 7.43 (definitie soort ruimtelijke ontwikkeling) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: a.

b. c.

inpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en speelt zich af op het niveau van een kavel; aanpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau; transformeren: de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit.

Artikel 7.43a (borgen ruimtelijke kwaliteit)

18

1

Een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.

2

In een omgevingsplan wordt voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit rekening gehouden met:

Provinciaal blad 2025 nr. 17940

29 oktober 2025

a. b. c. 3

de beschermingscategorie en het gebiedstype; het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren; de relevante richtpunten, genoemd in bijlage IX, onder A.

Voor de gebiedstypen, bedoeld in artikel 7.42, vierde, vijfde en zesde lid, zijn de artikelen 7.43a, 7.43h, 7.43i, 7.43j, 7.43ja, 7.43k, 7.43l, 7.43m en 7.43n van toepassing tenzij een zwaarwegend algemeen belang aan de toepassing van die artikelen, uitgezonderd artikel 7.43l, in de weg staat.

Artikel 7.43b (aanvaardbaarheid soort ruimtelijke ontwikkeling per beschermingscategorie) 1

Een omgevingsplan voor een locatie met beschermingscategorie 3 als bedoeld in artikel 7.42, derde lid, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder soort inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43h.

2

Een omgevingsplanplan voor een locatie met beschermingscategorie 2 als bedoeld in artikel 7.42, tweede lid, kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de soort inpassen of aanpassen en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43i, 7.43j , 7.43ja of 7.43k.

3

Een omgevingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 als bedoeld in artikel 7.42, eerste lid, kan slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de soort inpassen en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43l, 7.43m of 7.43n.

Artikel 7.43c (randvoorwaarden soorten ruimtelijke ontwikkeling) 1

Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.

2

Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.

3

Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van de soort transformeren als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.

Artikel 7.43d (motivering locatiekeuze bij aanpassen en transformeren) 1

Voor zover een omgevingsplan een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat deze een zorgvuldige afweging over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van de locatie en de effecten van de ontwikkeling daarop.

2

Het eerste lid is alleen van toepassing als: a. b.

er sprake is van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen of transformeren; of één of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit als bedoeld in bijlage IX, onder A, in het geding zijn.

Artikel 7.43e (randvoorwaarden bij aanpassen en transformeren) Om de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk te houden of te waarborgen kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen bij een ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen en transformeren. Aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van): a. b. c.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=74427090-1c5d-4196-adba-c22b6f5390e3