2.18d) regels (21-0118475)
Tekst van het document
©- i@ jicj-i;
IjJm JJ -'/Ww
W.'jíJ
WATERINGEN NOORD bestemmingsplan NL.IMRO.1783.WATNOORDobpconcept
GEMEENTE
vrW/ r V-*
^ V yļļlţiţí^yļ^iŗ ^
s-r-
".rif
Kŕl-u-c.ř- -' yp'y^
J UİİÉİ
jrf1 -
V* Jý 11 TMÌli '
j
"V
Regels
3
4
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
6
Artikel 1 Begrippen
6
Artikel 2 Wijze van meten
14
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
15
Artikel 3 Bedrijf
15
Artikel 4 Groen
16
Artikel 5 Maatschappelijk
17
Artikel 6 Recreatie
18
Artikel 7 Tuin
20
Artikel 8 Verkeer
21
Artikel 9 Verkeer - Verblijfsgebied
22
Artikel 10
Water
23
Artikel 11
Wonen
24
Artikel 12
Woongebied
27
Artikel 13
Waarde - Archeologie
30
Artikel 14
Waterstaat - Waterkering
32
Hoofdstuk 3
Algemene regels
33
Artikel 15
Anti-dubbeltelregel
33
Artikel 16
Algemene bouwregels
34
Artikel 17
Algemene gebruiksregels
35
Artikel 18
Algemene afwijkingsregels
36
Artikel 19
Overige regels
37
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
39
Artikel 20
Overgangsrecht
39
Artikel 21
Slotregel
40
5
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
plan
Het bestemmingsplan Wateringen Noord met identificatienummer NL.IMRO.1783.WATNOORDobp- van de gemeente Westland. 1.2
bestemmingsplan
De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
aanduiding
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4
aanduidingsgrens
De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
aanbouw
Een aparte ruimte die via het hoofdgebouw toegankelijk is en ruimtelijk ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.6
aan-huis-gebonden-onderneming
Een onderneming welke gevestigd is of kan zijn in een woning en die toebehoort aan een natuurlijk persoon, welke in de betreffende woning woont en die geen personeel in dienst heeft, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de onderneming de ruimtelijke uitstraling van de woonfunctie niet aantast. 1.7
achtererf
De gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevel van het hoofdgebouw of achter een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan. 1.8
archeologische waarde
Een aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit de oude tijden. 1.9
bebouwing
Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.10
bedrijf
Een onderneming gericht op het vervaardigen, bewerken, installeren of inzamelen en verhandelen van goederen. 1.11
bedrijfsgebouw
Een gebouw ten dienste van de bedrijfsvoering zoals ingevolge de bestemming toegestaan, hieronder niet begrepen een dienstwoning.
6
1.12
bedrijfsvloeroppervlak
De totale vloeroppervlakte van alle bouwlagen van een bedrijf met inbegrip van alle daartoe behorende ruimten, waaronder ontvangsthal, dienstruimten en magazijnen. Niet inbegrepen zijn inpandige dienstwoningen en gebouwde parkeervoorzieningen voor personenauto's. Wat betreft inpandige parkeerruimte valt een overdekte stallingsruimte voor een busje of een vrachtwagen wel hieronder. 1.13
bestaand
Bestaand b ouwwerk Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan aanwezig is of nog kan worden gebouwd krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen, daaronder vallen niet de bouwwerken die reeds instrijd waren met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Bestaand gebruik Het gebruik van de gronden en bouwwerken dat aanwezig is op het tijdstip van in werking treding van het plan of zoals dat kan worden gebruikt krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het gebruik, daaronder valt niet het gebruik dat reeds in strijd was met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Bestaande afmetingen Afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, daaronder vallen geen afmetingen die reeds in strijd waren met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 1.14
bestemmingsgrens
De grens van een bestemmingsvlak. 1.15
bestemmingsvlak
Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.16
bevi-inrichting
Een inrichting als bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. 1.17
bevoegd gezag
Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. 1.18
bijbehorend bouwwerk
Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.19
bijgebouw
Een (vrijstaand of aan een hoofdgebouw aangebouwd) gebouw dat in functioneel en ruimtelijk opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en geen rechtstreekse toegang tot het hoofdgebouw heeft. 1.20
bouwen
Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.21
bouwgrens
De grens van een bouwvlak.
7
1.22
bouwlaag
Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat wordt begrensd door vloeren of balklagen die op gelijke hoogte of bij benadering gelijke hoogte liggen. Het dient hierbij te gaan om horizontale bouwlagen. 1.23
bouwperceel
Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.24
bouwperceelgrens
De grens van een bouwperceel. 1.25
bouwvlak
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.26
bouwwerk
Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.27
bouwwijze
De wijze waarop het op een bouwperceel gelegen hoofdgebouw al dan niet is verbonden met het hoofdgebouw op een aansluitend bouwperceel; dit kan zijn: vrijstaand, twee-aaneen, gestapeld of aaneen gebouwd. 1.28
boveninsteek
De snijlijn van het maaiveld en het beloop van een watergang. 1.29
dakkapel
Een constructie, welke ondergeschikt is aan het dakvlak, ter vergroting van een gebouw, die vrij ligt in het hellend dakvlak. 1.30
dakopbouw
Een toevoeging aan het dakvlak van een bouwmassa die niet vrij in het dakvlak ligt, maar ten minste de nok-, gootlijn of zijkant van het dakvlak raakt van het desbetreffende gebouw/de betreffende woning. Het plaatsen van een dakopbouw gaat ten koste van de karakteristiek van het profiel van het gebouw/de woning. 1.31
dakvoet
Het laagste punt van een schuin dak. 1.32
detailhandel
Het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die de goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.33
dienstverlening
Het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren en bankfilialen. 1.34
dienstwoning of bedrijfswoning
Een woning bij een bedrijf, die bestemd voor bewoning door (het huishouden van) de ondernemer.
8
1.35
duurzaam gemeenschappelijke huishouding:
Een vaste groep van personen tussen wie een band bestaat die het enkel gezamenlijk bewonen van bepaalde woonruimte te boven gaat en die de bedoeling heeft om bestendig voor onbepaalde tijd een huishouden te vormen. Er dient ook sprake te zijn van een samenlevingswens tussen de personen die niet overwegend wordt bepaald door de beslissing om de betrokken woonruimte te delen. Er is sprake van een economisch-consumptieve eenheid en bloedverwantschap, huwelijksbinding of een daaraan in intensiteit en continuïteit gelijk te stellen mate van binding tussen de bewoners. 1.36
erf
Al dan niet bebouwde gronden, of een gedeelte daarvan, die direct gelegen zijn bij een hoofdgebouw en die in feitelijk opzicht zijn ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en, voor zover een bestemmingsplan of beheersverordening van toepassing is, die deze inrichting niet verbieden. 1.37
erfscheiding
De scheiding tussen twee onroerende zaken die niet aan dezelfde eigenaar behoren, niet door dezelfde gebruikers worden benut, dan wel louter kadastraal gescheiden zijn. 1.38
erker
Een ondergeschikte uitbouw op de begane grond van het hoofdgebouw, gelegen aan een verblijfsruimte (woonkamer of keuken) en strekt ter vergroting van het woongenot. Een erker is gelegen aan en zorgt voor een verbijzondering van de voor en/of zijgevel, zonder de architectuur van het hoofdgebouw wezenlijk aan te tasten. 1.39
gebouw
Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.40
geluidshinderlijke inrichtingen
Bedrijven in de zin van artikel 41, lid 3 van de Wet geluidhinder en artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. 1.41
groenvoorzieningen
Groenscherm(en) van opgaande beplanting, berm-beplantingen en andere beplantingen voor openbaar of particulier gebruik welke beplanting in planologisch opzicht een ruimtelijk structurerend effect hebben. 1.42
hoofdgebouw
Een gebouw dat op een bouwperceel door zijn aard, constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken exclusief de aan- en uitbouwen of bijgebouwen. 1.43
huishouden
Een alleenstaande of twee of meer personen die een duurzaam gemeenschappelijke huishouding (willen) voeren. 1.44
kamerbewoning:
Onzelfstandige woonvorm waarbij een pand door meerdere personen die geen duurzame gemeenschappelijke huishouden vormen wordt bewoond, en waarbij sprake is van woonruimtes waarbij afzonderlijke huishoudens afhankelijk zijn van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte. 1.45
kamerwoning
Een wooneenheid die geen eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg heeft en welke niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte.
9
1.46
kantoor
Het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtsreeks te woord wordt gestaan en geholpen. 1.47
kap
Een constructie van een of meer uitsluitend hellende dakvlakken met een helling van meer dan 20 en minder dan 65 graden. 1.48
laad- en losruimte
Dat gedeelte van het bedrijf waar het laden en lossen van producten plaats vindt (bijvoorbeeld in de vorm van een dockshelter), hieronder niet begrepen een laad- en loskuil. 1.49
maatschappelijke en culturele voorzieningen
Educatieve, (para)medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, onderwijs- en religieuze voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van kinderopvang, bejaardentehuizen en voorzieningen ten behoeve van de openbare dienstverlening, alsmede ondergeschikte detailhandel en horeca in combinatie met en ten dienste van deze voorzieningen. 1.50
mantelzorg
Intensieve zorg, of hulpverlening die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid, of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige, of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur, kan worden aangetoond. 1.51
natuurvriendelijke oever
Een geleidelijk aflopende overgang van land naar water met een gecombineerde waterhuishoudkundige, ecologische en landschappelijke functie. 1.52
nutsvoorzieningen
Voorzieningen ten behoeve van telecommunicatie en de warmte-, water- en elektriciteitsdistributie, alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen, warmteoverdrachtsstations en zendmasten. 1.53
ondergeschikte horeca
Horeca behorende bij de bestemming, waarbij de openings- en sluitingstijden van het horecagedeelte hetzelfde zijn als de hoofdfunctie (of begint later en/of eindigt eerder dan de hoofdfunctie). Het horecabedrijf staat uitsluitend open voor degenen die primair komen voor de hoofdfunctie. 1.54
ondergronds bouwwerk
Een voor mensen toegankelijke ruimte onder maaiveldniveau, met uitzondering van kruipruimten. 1.55
oorspronkelijke achtergevel
De achtergevel van het oorspronkelijk vergunde hoofdgebouw, dus exclusief de aan- en uitbouwen of bijgebouwen. 1.56
openbaar toegankelijk gebied
Een weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.
10
1.57
overig bouwwerk
Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.58
overkapping
Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak en met aan ten hoogste één zijde een gesloten wand, welke ruimtelijk ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.59
pand
De kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is. 1.60
peil
a. b.
voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg; in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, waarbij plaatselijke, niet bij verdere verloop van het terrein passende ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw ervan buiten beschouwing blijven. Het bouwwerk wordt gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt maaiveld het hoogst is; e.e.a. voor zover elders in deze regels niet expliciet anders is bepaald. 1.61
recreatie
Activiteiten gericht op ontspanning en vrijetijdsbesteding. 1.62
recreatiebedrijf
Een onderneming die uitsluitend gericht is op recreatie, met de daarbij behorende recreatievoorzieningen. 1.63
risicovolle inrichtingen
Inrichtingen als bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. 1.64
seksinrichting:
Een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of daarmee naar de aard en omvang vergelijkbare activiteiten, in de vorm van seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval begrepen een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop of sekstheater, een sekswinkel, een seksautomatenhal en een seksclub of parenclub al dan niet in combinatie met elkaar. 1.65
showroom
Een vaste (afgebakende) en voor klanten toegankelijke ruimte in een bedrijfsgebouw waar producten ten toon worden gesteld, waaronder geen detailhandel wordt verstaan en geen verkoopfunctie (kassa) ter plaatse aanwezig is om ter plaatse goederen of diensten te betalen, met als doel dat klanten deze producten beter kunnen bekijken. 1.66
sociale huurwoning
Huurwoning met een aanvangshuurprijs onder de grens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, waarbij de instandhouding voor de in een gemeentelijke verordening omschreven doelgroep voor tenminste 25 jaar na ingebruikname is verzekerd. 1.67
sociale koopwoning
Een sociale koopwoning als bedoeld in artikel 3.1.2 Besluit ruimtelijke ordening en waarvan de prijsgrenzen worden vastgesteld op de Woonvisie van de gemeente Westland en jaarlijks worden geïndexeerd.
11
1.68
staat van bedrijfsactiviteiten
De staat van bedrijfsactiviteiten die van deze regels deel uitmaakt. 1.69
straatmeubilair
Bouwwerken ten behoeve van al dan niet openbare (nuts-) voorzieningen, zoals: a. b.
c. 1.70
verkeersgeleiders, verkeersborden, informatieborden, zitbanken, bloembakken, telefooncellen, abri's, kunstwerken, bushaltes, speeltoestellen, fietsenrekken en draagconstructies voor reclame; kleinschalige bouwwerken ten behoeve van (openbare) nutsvoorzieningen met een inhoud van ten hoogste 50 m3 en een bouwhoogte van ten hoogste 3 meter, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van telecommunicatie, energievoorzieningen en brandkranen; afvalinzamelsystemen en hiermee gelijk te stellen bouwwerken. uitbouw
Uitbreiding van een tot het hoofdgebouw behorende ruimte tot buiten het bestaande oorspronkelijke hoofdgebouw (bijvoorbeeld een erker) en welke ruimtelijk ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.71
veranda
Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak met aan ten hoogste twee zijden een gesloten wand, welke ruimtelijk ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.72
voldoende parkeergelegenheid
Parkeergelegenheid voor personenauto's, bestelauto's, motorfietsen en driewielige motorvoertuigen, waarvan het aantal parkeerplaatsen en de omvang daarvan voldoet aan de beleidsregel 'Parkeernormering gemeente Westland', zoals die geldt ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan en - indien deze beleidsregel gedurende de planperiode wordt gewijzigd - aan die wijziging. 1.73
voorerf
De gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn voor de, met een gevellijn op de planverbeelding aangegeven, voorgevel van dat hoofdgebouw of voor een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan. 1.74
voorgevel
De naar het openbare gebied gekeerde gevel(s) van de hoofdbebouwing, of waar deze op de planverbeelding is aangegeven met een gevellijn. 1.75
voorgevelrooilijn
De naar de weg gekeerde zijde of aan de voorzijde van een gebouw gelegen gevel of waar deze op de planverbeelding is aangegeven met een gevellijn. 1.76
vrije uitzichthoek (bij een erker of veranda)
Een hoek van 45 graden uitgezet vanuit het snijpunt van de voorgevel (hoofdgevelvlak aan de voorkant van de woning) en de erfgrens. 1.77
waterberging
Een berging voor het bergen en opslaan van water. 1.78
watergang
Een secundaire watergang als bedoeld in de ‘Legger Wateren (15 maart 2011)' van het Hoogheemraadschap van Delfland. 1.79
wgh-inrichting
(zie art.1.40)
12
1.80
wonen
Het gehuisvest zijn in een woning. 1.81
woning
Een complex van ruimten, uitsluitend bestemd voor de huisvesting van één huishouden. 1.82
woongroep
Een groep van twee of meer meerderjarige personen die de bedoeling hebben om bestendig, voor onbepaalde tijd, een met een gezinsverband vergelijkbaar samenlevingsverband met elkaar aan te gaan. Een woongroep is georganiseerd in een formele rechtspersoon (opgericht bij notariële akte en met inschrijving bij de Kamer van Koophandel) en beschikt over een gezamenlijke rekening waarvan de vaste lasten worden betaald. Bij nieuwbouw van een woning voor een woongroep is er sprake van een initiatiefgroep waarvan de leden het recht van eerste bewoning krijgen. Elke vorm van bedrijfsmatige kamerverhuur valt hier niet onder. 1.83
zijerf
De gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn aan de zijkant(en) van dat hoofdgebouw tussen de denkbeeldige lijnen in het verlengde van de voor- en achtergevel van dat hoofdgebouw.
13
Artikel 2
Wijze van meten
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
afstand
de loodrechte afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen wordt daar gemeten waar deze afstand het kleinst is. 2.2
de bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouwd of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.3
a. b.
2.4
de bouwhoogte van een antenne-installatie
ingeval van een vrijstaande (schotel)antenne-installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie; ingeval van een op of aan een bouwwerk gebouwde (schotel)antenne-installatie: tussen de voet van de (schotel)antenne-installatie en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie. de breedte, lengte en diepte van een bouwwerk
tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren. 2.5
de dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.6
de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.7
de hoogte van een windturbine
vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine. 2.8
de inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.9
de lengte van een aanlegsteiger
de afstand tussen de boveninsteek van het water en het deel van de aanlegsteiger dat daar het verst vanaf gelegen is. 2.10
de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.11
de verdiepingshoogte
wordt gemeten vanaf het peil van de vloer tot het peil van de vloer van de direct boven gelegen verdieping.
14
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Bedrijf
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Bedrijf aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. 3.2
één bedrijf per bestemmingsvlak uit maximaal categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; ter plaatse van de aanduiding 'opslag': uitsluitend voor particuliere opslag; bijbehorende erven, terreinen en voorzieningen, zoals ontsluitingswegen ten behoeve van de bereikbaarheid van de bedrijfspercelen, groen en laad- en losvoorzieningen; (hoofd-)watergangen, waterpartijen en (ondergrondse) waterhuishoudkundige voorzieningen; Bouwregels
Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: a. bedrijfsgebouwen; b. bouwwerken, geen gebouw zijnde; en gelden tevens de volgende bouwregels ten aanzien van: 3.2.1
Bedrijfsgeb ouwen en overige b edrijfsb ouwwerken
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en overige bedrijfsbouwwerken geldt dat: a. b. c.
3.2.2
deze uitsluitend worden gebouwd binnen een bouwvlak; de bouwhoogte niet meer bedraagt dan aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)'; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - zonder bebouwing' geen bedrijfsgebouwen en geen overige bedrijfsbouwwerken zijn toegestaan. Bouwwerken, geen gebouw zijnde bij bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels: a. uitsluitend erfafscheidingen zijn toegestaan, tot een maximum bouwhoogte van 2 m. 3.3
Specifieke gebruiksregels
3.3.1
Strijdig geb ruik
Tot een strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. zelfstandige kantoorruimte; b. showroom; c. detailhandel; d. horeca; e. een geluidzoneringsplichtig bedrijf; f. een bedrijf dat valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen; g. activiteiten uit kolom 1, zoals opgenomen in bijlagen C en D van het Besluit milieueffectrapportage 1994, zoals genoemd in kolom 2 van de desbetreffende bijlage.
15
Artikel 4 4.1
Groen
Bestemmingsomschrijving
De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.
4.2
groen, water (waaronder laagteberging), speelvoorzieningen en voetpaden; uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "brug": tevens een brug; uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - fietspad": tevens een fietspad; uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "ontsluiting": tevens een ontsluiting; uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "geluidscherm": tevens een geluidafschermende voorziening. Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, met uitzondering van bruggen (behalve ter plaatse van de aanduiding 'brug'); b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
16
Artikel 5 5.1
Maatschappelijk
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
b. c.
5.2
bibliotheken, sociale en culturele instellingen, gezondheidszorg, jeugd- en kinderopvang, onderwijs, openbare dienstverlening en verenigingsleven, religieuze en levensbeschouwelijke activiteiten en bijeenkomsten; zorgwoningen en bijbehorende gemeenschappelijke voorzieningen; uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld'; bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groen, speelvoorzieningen, wegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen en water. Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 5.2.1
Hoofdgebouwen
a. b. c.
hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd; het aantal zorgwoningen bedraagt maximaal 45; de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding "maximum bouwhoogte (m)" aangegeven bouwhoogte; d. de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding "maximum goothoogte (m)" aangegeven goothoogte; e. indien de hoofdgebouwen niet in de erfgrens worden gebouwd, dient de afstand tot de erfgrens ten minste 1,5 m te bedragen; f. ter plaatse van de aanduiding "gestapeld" zijn zorgwoningen uitsluitend in de vorm van gestapelde woningen toegestaan. 5.2.2
Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen
a. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn niet toegestaan. 5.2.3 a. b. c. 5.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde van erfafscheidingen tussen de openbare weg en 2 meter achter de voorgevelrooilijn: 1 m; van erfafscheidingen elders: 2 m; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m. Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2.1 sub f en toestaan dat zorgwoningen ook in niet-gestapelde vorm worden gebouwd, mits dit vanuit het oogpunt van stedenbouw en volkshuisvesting aanvaardbaar is.
17
Artikel 6 6.1
Recreatie
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. 6.2
het bedrijfsmatig aanbieden van recreatieve voorzieningen door een recreatiebedrijf; ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning': tevens één bedrijfswoning per aanduidingsvlak; bijbehorende erven, terreinen en voorzieningen, zoals ontsluitingswegen ten behoeve van de bereikbaarheid van de percelen, groen en laad- en losvoorzieningen; (hoofd-)watergangen, waterpartijen en (ondergrondse) waterhuishoudkundige voorzieningen. Bouwregels
Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: a. gebouwen; b. bouwwerken, geen gebouw zijnde; en gelden tevens de volgende bouwregels ten aanzien van: (Bedrijfs-)gebouwen en overige (bedrijfs-)bouwwerken Voor het bouwen van (bedrijfs-)gebouwen en overige (bedrijfs-)bouwwerken geldt dat: a. b.
hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd; de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding "maximum goothoogte (m)" aangegeven goothoogte; c. de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding "maximum bouwhoogte (m)" aangegeven bouwhoogte; Bedrijfswoningen a. bedrijfswoningen worden uitsluitend gebouwd binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'; b. binnen een bouwvlak zijn vrijstaande, twee onder één kapwoningen en rijwoningen toegestaan; c. de goothoogte bedraagt ten hoogste de met de aanduiding "maximale goothoogte(m)" aangegeven goothoogte; d. de goothoogte mag alleen worden overschreden door een kap; e. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste de met de aanduiding "maximale bouwhoogte (m)" aangegeven bouwhoogte; Bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij bedrijfswoningen Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij bedrijfswoningen gelden de volgende regels: a. voor kavels waarvan het bouwperceel kleiner of gelijk is aan 100m2 bedraagt het gezamenlijk oppervlak van bijbehorende bouwwerken en overkappingen maximaal 500Zo van het bouwperceel met een maximum van 50m2; b.
voor kavels waarvan het bouwperceel groter is dan 100m2 en kleiner of gelijk is aan 300m2 bedraagt het gezamenlijke oppervlak van bijbehorende bouwwerken en overkappingen maximaal 50m2 plus 200Zo van de totale oppervlakte dat het bouwperceel groter is dan 100m2; c. bijbehorende bouwwerken en overkappingen worden ten minste 3 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw gebouwd; d. de maximale diepte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, gemeten vanuit de oorspronkelijke achtergevel waaraan wordt gebouwd, bedraagt 4 m; e. de maximale goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken bedraagt 0,40 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw op de aangrenzende gronden; f. voor zover op een afstand van niet meer dan 4m van het oorspronkelijke hoofdgebouw, is de bouwhoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken niet hoger dan: 1.5 m, waarbij de maximale goothoogte 3m bedraagt; 2. 0,30 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en 3. het hoofdgebouw; g. in afwijking van het bepaalde onder f. en g. mag de maximale goothoogte of maximale
18
h. i. j.
bouwhoogte worden vergroot met maximaal 1,50m ten behoeve van de balustrade van een dakterras, mits de minimale afstand tot de erfperceelsgrens 3m bedraagt; de maximale goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt 3m; de maximale bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt 5m; de maximale bouwhoogte van overkappingen bedraagt 3m.
Andere overige bouwwerken Voor het bouwen van de andere overige bouwwerken gelden de volgende regels: a. de maximale bouwhoogte van erfafscheidingen tussen de openbare weg en 1 m achter de voorgevelrooilijn bedraagt 1 m; b. de maximale bouwhoogte van overige erfafscheidingen bedraagt 2m; c. de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken ten behoeve van straatverlichting bedraagt 7m; d. de maximale bouwhoogte van andere overige bouwwerken bedraagt 3m. 6.3
Specifieke gebruiksregels
Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. b. c. d. e.
niet aan de bestemming gelieerde bewoning; zelfstandige woonruimte van een bijgebouw; overnachtingen; detailhandel; horeca.
Uitzonderingen strijdig gebruik Ondergeschikte horeca die deel uitmaakt van het recreatieve bedrijf is toegestaan. Onder ondergeschikt wordt in elk geval verstaan een maximum aantal bezoekers dat tegelijkertijd aanwezig is van 50, en niet langer geopend dan tussen 9.00 en uiterlijk 21.00 uur. De maximale oppervlakte die mag worden gebruikt ten behoeve van de ondergeschikte horeca is 180 m2. Voorwaardelijke verplichting parkeren Tot een strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik van de gebouwen en het terrein voor de doeleinden zoals bedoeld in lid 6.1, voor zover niet is voorzien in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid zoals bedoeld in hoofdstuk 1 van deze regels.
19
Artikel 7 7.1
Tuin
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. 7.2
de aanleg, instandhouding en het onderhoud van tuinen; in- en uitritten, waarop parkeren is toegestaan; de aanleg en instandhouding van voorzieningen van algemeen nut; bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 7.2.1
Erkers
Een erker is toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e. 7.2.2
de erker wordt gesitueerd tenminste 0,5 m uit de zijgevel van het hoofdgebouw en tenminste 0,5 uit de kap; de diepte van de erker bedraagt ten hoogste 1/3 van de afstand van de voorgevel tot de voorste perceelsgrens met een maximum van 1,5 meter; de breedte van de erker bedraagt ten hoogste 2/3 van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw; de goothoogte van de erker bedraagt ten hoogste 3 m of 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw op de aangrenzende gronden; de bouwhoogte van de erker bedraagt ten hoogste 4 meter. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 1 meter.
20
Artikel 8 8.1
Verkeer
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b.
8.2
a.
b.
wegen met ten hoogste 2 x 1 doorgaande rijstrook, alsmede opstelstroken, busstroken, voet- en fietspaden; bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals bushaltes, geluidswerende voorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen en water. Bouwregels
Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met dien verstande dat de bouwhoogte, anders dan voor verkeersregeling, verkeersleiding, wegaanduiding of verkeersverlichting, ten hoogste 3 m bedraagt. Aanvullend op het bepaalde onder a. geldt dat binnen de bestemming tevens twee nutsvoorzieningen ten behoeve van warmteverdeelstation(s) mogen worden gebouwd, met een maximale oppervlakte van 40 m2 en een maximale hoogte van 5 m.
21
Artikel 9 9.1
Verkeer - Verblijfsgebied
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b.
9.2
verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik (exclusief bouwen) ten dienste van de aangrenzende bestemmingen; bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals voet- en fietspaden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen en water. Bouwregels
Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met dien verstande dat de bouwhoogte, anders dan voor verkeersregeling, verkeersleiding, wegaanduiding of verkeerslichting, ten hoogste 3 m bedraagt.
22
Artikel 10 Water 10.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.
10.2
waterlopen ten behoeve van de waterhuishouding, waterberging, sierwater en het verkeer te water; bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groen, duikers, damwanden, kademuren, en waterstaatkundige voorzieningen; ter plaatse van de aanduiding 'brug': tevens een brug; ter plaatse van de aanduiding 'specifiek vorm van water - natuurvriendelijke oevers': uitsluitend voor natuurvriendelijke oevers. Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m; c. de doorvaarhoogte van bruggen bedraagt minimaal 1 m; d. de doorvaarbreedte van bruggen bedraagt minimaal 3,5 m; e. aanlegsteigers en vlonders zijn niet toegestaan; f. nieuwe bruggen zijn niet toegestaan. 10.3
Afwijken van de bouwregels
10.3.1 Afwijken voor bruggen Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 10.2 voor: a. het bouwen van nieuwe bruggen, mits: « dit geen onevenredige hinder, gevaar en/of schade veroorzaakt in relatie tot de aangrenzende percelen; * dit geen onevenredige hinder, gevaar en/of schade veroorzaakt in relatie tot de doorvaarbaarheid van het water zoals in bedoeld in lid 10.2 onder c en d; * dit niet op stedenbouwkundige bezwaren stuit; * dit geen onevenredige beperking voor de water- en ecologische kwaliteit veroorzaakt.
23
Artikel 11 Wonen 11.1
Bestemmingsomschrijving
De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c.
het wonen; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument' tevens voor de instandhouding en bescherming van het bestaande gemeentelijk monument; bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, bijgebouwen, tuinen, water, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.
11.2
Bouwregels
Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: 11.2.1 Hoofdgebouwen a. hoofdgebouwen worden uitsluitend gebouwd binnen het bouwvlak; b. binnen een bouwvlak zijn vrijstaande, twee onder één kapwoningen en rijwoningen toegestaan; c. de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding "maximale goothoogte(m)" aangegeven goothoogte; d. de goothoogte mag alleen worden overschreden door een kap; e. de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding "maximale bouwhoogte (m)" aangegeven bouwhoogte; 11.2.2
Bijbehorende bouwwerken en overkappingen
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen gelden de volgende regels: a. voor kavels waarvan het bouwperceel kleiner of gelijk is aan 100m2 bedraagt het gezamenlijk oppervlak van bijbehorende bouwwerken en overkappingen maximaal 500Zo van het bouwperceel met een maximum van 50m2; b. voor kavels waarvan het bouwperceel groter is dan 100m2 en kleiner of gelijk is aan 300m2 bedraagt het gezamenlijke oppervlak van bijbehorende bouwwerken en overkappingen maximaal 50m2 plus 200Zo van de totale oppervlakte dat het bouwperceel groter is dan 100m2; c. voor kavels waarvan het bouwperceel groter is dan 300m2 bedraagt het maximaal gezamenlijke oppervlak van bijbehorende bouwwerken en overkappingen:_____________________________ Oppervlakte bouwperceel Oppervlakte bijbehorende bouwwerken 300m2 90m2 400m2 100m2 500m2 600m2
110m2 120m2
700m2 800m2
130m2 140m2
150m2 900m2 en meer d. bijbehorende bouwwerken en overkappingen worden ten minste 3 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw gebouwd; e. de maximale diepte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, gemeten vanuit de oorspronkelijke achtergevel waaraan wordt gebouwd, bedraagt 4 m met dien verstande dat maximaal 500Zo van het achtererf mag worden bebouwd; f. de maximale goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken bedraagt 0,40m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw op de aangrenzende gronden; g. voor zover op een afstand van niet meer dan 4m van het oorspronkelijke hoofdgebouw, is de bouwhoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken niet hoger dan: 1. 5m, waarbij de maximale goothoogte 3m bedraagt; 2. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; 3. het hoofdgebouw;
24
h.
in afwijking van het bepaalde onder f. en g. mag de maximale goothoogte of maximale bouwhoogte worden vergroot met maximaal 1,50m ten behoeve van de balustrade van een dakterras, mits de minimale afstand tot de erfperceelsgrens 3m bedraagt; de maximale goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt 3m; de maximale bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt 5m; de maximale bouwhoogte van overkappingen bedraagt 3m.
i. j. k. 11.2.3
Andere overige bouwwerken
Voor het bouwen van de andere overige bouwwerken gelden de volgende regels: a. b. c. d.
de maximale bouwhoogte van erfafscheidingen tussen de openbare weg en 1 m achter de voorgevelrooilijn bedraagt 1 m; de maximale bouwhoogte van overige erfafscheidingen bedraagt 2m; de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken ten behoeve van straatverlichting bedraagt 7m; de maximale bouwhoogte van andere overige bouwwerken bedraagt 3m.
11.2.4 Algemeen l. Het is verboden een bestaande woning te veranderen en/of te vergroten tot twee of meer woningen. Het is eveneens verboden meerdere woningen samen te voegen tot een kleiner aantal woningen. 2. Bij herbouw van één of meerdere woning(en) binnen de bestemming 'wonen' is in de nieuwe situatie een gelijk aantal woningen toegestaan. 11.3
Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen omtrent de plaatsing en de goot- en boeibordhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, indien over een lengte van meer dan 2,50 meter in de zijerfafscheiding wordt gebouwd, teneinde te waarborgen dat de te bouwen gebouwen geen onnodige nadelige veranderingen teweegbrengen in de bezonningssituatie op de aangrenzende erven of tuinen en in de lichttoetreding van het naastgelegen hoofdgebouw, met dien verstande dat: a. b.
11.4
daardoor de gebruikswaarde van het te bebouwen erf niet onevenredig worden geschaad; de goot- of boeibordhoogte van (delen van) gebouwen niet wordt teruggebracht tot minder dan 2,50 meter. Specifieke gebruiksregels
Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: Aan-huis-gebonden-ondernemingen Onder strijdig gebruik wordt niet verstaan het gebruik van gedeelten van woningen ten behoeve van aan-huis-gebonden ondernemingen, mits: a. b. c. d. e. f.
g. h.
de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd blijft; het netto vloeroppervlak in gebruik voor de aan-huis-gebonden onderneming niet groter is dan 250Zo van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw met een maximum van 50 m2; het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluiting en parkeersituatie ter plaatse; er geen gebruik wordt gemaakt van gevelreclame; de onderneming uitsluitend door een van de bewoners (zonder ander personeel) wordt uitgeoefend; voor de activiteiten van de onderneming geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, onder e., van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist en de inrichting valt onder het begrip type A van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; er geen horeca- en/of detailhandelsactiviteiten plaatsvinden; de activiteiten worden uitgevoerd in het hoofdgebouw plus aan-, uitbouw en aangebouwd bijgebouw.
Strijdig gebruik 1. Tot een strijdig gebruik van bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik van bijgebouwen voor het wonen.
25
2.
Tot een strijdig gebruik van de gronden bouwwerken wordt in ieder geval gerekend het gebruik voor kamerbewoning en een woongroep. Tevens wrodt tot een strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken gerekend het recreatief verhuren van de woning aan derden voor korte perioden, tenzij voldaan wordt aan de beleidsregels particuliere verhuur woningen Westland.
26
Artikel 12 Woongebied 12.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c.
het wonen; ter plaatse van de aanduiding "parkeerterrein": uitsluitend voor een parkeerterrein; bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven en water, speelvoorzieningen, verkeeren verblijfsgebied, tuinen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen en (al dan niet gebouwde) parkeervoorzieningen; alsmede voor: d.
12.2
dienstverlening, sociale en culturele instellingen en gezondheidszorg ter plaatse van de aanduiding "gemengd", uitsluitend op de begane grond. Bouwregels
Op deze gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. woningen; b. bijbehorende bouwwerken en overkappingen; c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, m its , d. e.
in het hele plangebied maximaal 700 woningen worden gebouwd; waarvan tenminste 300Zo als sociale huurwoningen en 50Zo als sociale koopwoning wordt gerealiseerd en gelden de volgende regels: 12.2.1 Hoofdgebouwen a. b.
c. d. e. f. g. h. i. j. k.
l.
hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd; ingeval binnen een bestemmingsvlak een figuur 'gevellijn' is opgenomen, worden hoofdgebouwen aan die zijde van het bestemmingsvlak in of maximaal 0,5 m achter die lijn gebouwd; de bebouwing dient over de gehele strekking van de lijn te worden gebouwd met een bouwhoogte van minimaal 9 m, waarbij onderbrekingen in de vorm van poorten, onderdoorgangen e.d. toegestaan zijn; de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding "maximum bouwhoogte (m)" aangegeven bouwhoogte; de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten minste de met de aanduiding "minimum bouwhoogte (m)" aangegeven bouwhoogte; de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding "maximum goothoogte (m)" aangegeven goothoogte; ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' zijn hoofdgebouwen uitsluitend in de vorm van gestapelde woningen toegestaan; ter plaatse van 'aaneengebouwd' zijn hoofdgebouwen uitsluitend in de vorm van aaneengebouwde woningen toegestaan; ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 1" bedraagt de verdiepingshoogte van de eerste bouwlaag (begane grondlaag) minimaal 3,6 m; de goothoogte mag alleen worden overschreden door een kap; de afstand van hoofdgebouwen van vrijstaande en halfvrijstaande woningen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 3 meter; de afstand van hoofdgebouwen in de
vorm van rijwoningen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 2 meter indien het zijerf grenst aan de bestemmingsvlakgrens; en in overige situaties wordt het hoofdgebouw in de zijdelinge perceelsgrens gebouwd dan wel wordt een afstand van minimaal 1 m aangehouden; het voorgaande geldt niet ter plaatse van de aanduidingen 'gestapeld' en 'specifieke bouwaanduiding - gestapeld of aaneengebouwd'; de afstand tussen de achtergevel en de perceelsgrens dient minimaal 8 m te bedragen; het voorgaande geldt niet ter plaatse van de aanduidingen 'gestapeld' en 'specifieke bouwaanduiding
27
- gestapeld of aaneengebouwd'; m. ter plaatse van de aandudiing 'minimaal vloerpeil' moet de bovenkant van de begane grondvloer van hoofdgebouwen ten minste op 0,40 m boven NAP liggen; in afwijking van het elders in deze regels bepaalde geldt dat de maximaal toegestane hoogtes voor deze hoofdgebouwen (en bijbehorende aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) dienen te worden gemeten vanaf deze bovenkant van de begane grondvloer. 12.2.2
Bijbehorende bouwwerken en overkappingen
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen gelden de volgende regels: a.
b.
c. d. e.
f. g.
h. i. j. k. l.
voor kavels waarvan het bouwperceel kleiner of gelijk is aan 100m2 bedraagt het gezamenlijk oppervlak van bijbehorende bouwwerken en overkappingen maximaal 500Zo van het achter- en zijerf met een maximum van 50 m2; indien het bouwperceel een grotere oppervlakte heeft dan 100m2 mag bij de maximale oppervlakte van 50 m2 een percentage van 100Zo van het meerdere worden opgeteld, tot een maximum van 75 m2 ; indien niet in de perceelsgrens wordt gebouwd, bedraagt de afstand tot de perceelsgrens ten m ins te 1m ; aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd op minimaal 1 m achter de voorgevel(rooilijn) van het hoofdgebouw; de diepte van een aan- en uitbouw, gemeten vanuit de oorspronkelijke achtergevel waaraan gebouwd wordt, bedraagt: 1. bij aaneengebouwde en half vrijstaande woningen: 3 meter; 2. bij vrijstaande woningen: 5 meter. de breedte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen (gezien vanaf de voorzijde) op een zijerf dat grenst aan openbaar toegankelijk gebied mag ten hoogste 3,5 m bedragen; indien er sprake is van een voorerf, zijn hierop onder de volgende voorwaarden aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen toegestaan: 1. uitsluitend erkers en veranda's zijn toegestaan; 2.
een erker is toegestaan onder de volgende voorwaarden: » de erker wordt gesitueerd tenminste 0,5 m uit de zijgevel van het hoofdgebouw en tenminste 0,5 m uit de kap; * de diepte van de erker bedraagt ten hoogste 1/3 van de afstand van de voorgevel tot de voorste perceelsgrens, met een maximum van 1,5 m; * de breedte van de erker bedraagt ten hoogste 2/3 van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw; * de goothoogte van de erker bedraagt ten hoogste 3 m of 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw; » de bouwhoogte van de erker bedraagt ten hoogste 3 m of 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw; * de erker blijft buiten de vrije uitzichthoek van 45 graden van de gevel van de naastgelegen woning. 3. een veranda is toegestaan onder de volgende voorwaarden: * de diepte van de veranda bedraagt ten hoogste 1/3 van de afstand van de voorgevel tot de voorste perceelsgrens, met een maximum van 1,5 m; * de veranda blijft buiten de vrije uitzichthoek van 45 graden van de gevel van naastgelegen woning; tenzij veranda's spiegelsymmetrisch t.o.v.
de erfgrens en tegelijkertijd worden gebouwd - in dat geval geldt de regel inzake de vrije uitzichthoek niet; de goothoogte van aan- en uitbouwen bedraagt ten hoogste 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw op de aangrenzende gronden; de bouwhoogte van aan-, uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen bedraagt ten hoogste 4 m; de goothoogte van vrijstaande bijgebouwen/aangebouwde bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m; de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen bedraagt ten hoogste 5 m; de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 3 m.
12.2.3 a. b.
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde de bouwhoogte van erfafscheidingen tussen de openbare weg en 2 meter achter de voorgevelrooilijn bedraagt ten hoogste 1 m; de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;
28
c. d.
de bouwhoogte van straatverlichting bedraagt ten hoogste 7 m; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt ten hoogste 3 m.
12.3
Nadere eisen
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen omtrent de plaatsing en de goot- en boeibordhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, indien over een lengte van meer dan 2,5 m in de zij erfafscheiding wordt gebouwd, teneinde te waarborgen dat de te bouwen gebouwen geen onnodige nadelige veranderingen teweegbrengen in de bezonningssituatie op de aangrenzende erven of tuinen en in de lichttoetreding van het naastgelegen hoofdgebouw, met dien verstande dat: a. daardoor de gebruikswaarde van het te bebouwen erf niet onevenredig worden geschaad; b. de goot- of boeibordhoogte van (delen van) gebouwen niet wordt teruggebracht tot minder dan 2,5 m; c. geen inbreuk wordt gemaakt op het bepaalde in 12.2.2 onder a of b ten aanzien van het maximaal te bebouwen gedeelte van de gronden. 12.4
Specifieke gebruiksregels
Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: 12.4.1
Woningtypologieën
Binnen de bestemming dienen de woningen te worden gerealiseerd in de volgende segmenten: a. b.
minstens 30Zo sociale huurwoningen, en minstens 5Zo sociale koopwoningen.
12.4.2
Aan-huis-gebonden ondernemingen
Onder strijdig gebruik wordt niet verstaan het gebruik van gedeelten van woningen ten behoeve van aan-huis-gebonden ondernemingen, mits; a. b. c. d. e. f.
g. h.
de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd blijft; het netto vloeroppervlak in gebruik voor de aan-huis-gebonden onderneming niet groter is dan 250Zo van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw met een maximum van 50 m2; het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluiting en parkeersituatie ter plaatse; er geen gebruik wordt gemaakt van gevelreclame; de onderneming uitsluitend door een van de bewoners (zonder ander personeel) wordt uitgeoefend; voor de activiteiten van de onderneming geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist en de inrichting valt onder het begrip type A van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; er geen horeca- en/of detailhandelsactiviteiten plaatsvinden; de activiteiten worden uitgevoerd in het hoofdgebouw plus aan-, uitbouw en aangebouwd bijgebouw.
12.4.3
Strijdig geb ruik
Tot een gebruik, in srijd met de bestemming, wordt, tenzij in 12.1 en/of 12.4.2 anders bepaald, in elk geval gerekend:' a. het gebruik van bijgebouwen voor het wonen; b. het overmatig verharden van het onbebouwde deel van het perceel in die zin dat: 1. bij rijwoningen: minimaal 16 m2 onverhard dient te blijven; 2. bij twee-aaneengebouwde woningen: minimaal 50Z onverhard dient te blijven; 3. bij vrijstaande woningen: minimaal 50Z onverhard dient te blijven. c. het gebruik van gronden en bouwwerken voor kamerbewoning en een woongroep. Tevens wordt tot een strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken gerekend het recreatief verhuren van de woning aan derden voor korte perioden, tenzij voldaan wordt aan de beleidsregels particuliere verhuur woningen Westland. 12.4.4 a. b.
Situering parkeerplaatsen parkeerplaatsen op het voor- en achterterrein van een woonperceel zijn niet toegestaan; het bepaalde onder a geldt niet voor (half)vrijstaande woningen, waar parkeerplaatsen op het voorerf naast het hoofdgebouw wel zijn toegestaan.
29
Artikel 13 Waarde - Archeologie 13.1
Bestemmingsomschrijving
De voor "Waarde - Archeologie" aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. 13.2
Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd, met dien verstande dat: *
indien strijd ontstaat tussen het belang van de bescherming van de archeologische waarden als bedoeld in dit artikel en het bepaalde in de overige artikelen prevaleert de bestemming "Waarde Archeologie";
en gelden tevens de volgende bouwregels ten aanzien van: Onderliggende bestemming Op de gronden mogen ten behoeve van de onderliggende bestemming(en) bouwwerken, met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw-)regels, binnen de beschermingszone worden gebouwd, mits: * voor de verlening van de omgevingsvergunning burgemeester en wethouders schríftelijk advies hebben gevraagd aan de archeologische deskundige van de gemeente Westland of een daarvoor in de plaats gestelde deskundige, tenzij geen archeologisch onderzoek benodigd is. Uitzonderingen onderliggende bestemming De verplichting voor een archeologisch onderzoek geldt niet voor: *
bouwwerken, werken en werkzaamheden ter plaatse van de functieaanduiding "(swr-3)" met een maximale oppervlakte van 250 m2 en maximale diepte beneden maaiveld van 50 cm; * bouwwerken, werken en werkzaamheden ter plaatse van de functieaanduiding "(swr-4)" met een maximale oppervlakte van 100 m2 en maximale diepte beneden maaiveld van 50 cm; Voorwaarden Indien uit het hiervoor genoemde archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden als gevolg van het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning: * de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; * de verplichting tot het doen van opgravingen; * de verplichting de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 13.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
13.3.1
Verb odsregel
Het is verboden op of in de gronden met de bestemming "Waarde - Archeologie" zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, aan te leggen of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. grondwerken dieper 50 cm, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven of dempen van (hoofd-)watergangen en waterpartijen en het aanleggen van drainage; b. het verlagen en verhogen van het waterpeil; c. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard, waarbij stobben worden verwijderd; d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het aanleggen en verwijderen van verhardingen ten behoeve van wegen, paden,
30
parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen;. 13.3.2
Uitzondering op het aanlegverbod
Het verbod als bedoeld in lid 13.3.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van het van kracht worden van het plan; c. die mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning; d. die archeologisch onderzoek betreffen of daarop zijn gericht; e. welke betrekking hebben op: a. bouwwerken, werken en werkzaamheden ter plaatse van de functieaanduiding "(swr-3)" met een maximale oppervlakte van 250 m2 en maximale diepte beneden maaiveld van 50 cm; b. bouwwerken, werken en werkzaamheden ter plaatse van de functieaanduiding "(swr-4)" met een maximale oppervlakte van 100 m2 en maximale diepte beneden maaiveld van 50 cm. 13.3.3 a. b.
c.
Voorwaarden voor een omgevingsvergunning de werken of werkzaamheden die onder het verbod vallen, zijn slechts toelaatbaar indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden niet worden verstoord; indien uit het onder a. genoemd archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties; voor de verlening van de omgevingsvergunning hebben burgemeester en wethouders schriftelijk advies gevraagd aan de archeologische deskundige van de gemeente Westland of een daarvoor in de plaats gestelde deskundige, tenzij geen archeologisch onderzoek benodigd is.
31
Artikel 14 Waterstaat - Waterkering 14.1
a. b.
14.2
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de waterkering. de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende enkelbestemmingen. Voor zover deze dubbelbestemming samenvalt met andere dubbelbestemmingen is de voorrangsregeling in artikel 19.3 van toepassing. Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. b.
14.3
op de gronden mogen ten behoeve van de in lid 14.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m; ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 14.2 onder b, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het waterkeringsbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens te beslissen, wint het bevoegd gezag advies in bij de beheerder van de waterkering.
32
Hoofdstuk 3
Algemene regels
Artikel 15 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
33
Artikel 16 Algemene bouwregels 16.1
Overschrijding van hoogte-aanduidingen op de planverbeelding
16.1.1
ondergeschikte bouwdelen
De hoogteaanduidingen op de planverbeelding mogen worden overschreden door antenne installaties, indien en voorzover de overschrijding niet meer dan 5 m. bedraagt , alsmede door schoorstenen, trappenhuizen, alarminstallaties en andere ondergeschikte bouwdelen, indien en voorzover de overschrijding niet meer dan 1 m. bedraagt, tenzij in hoofdstuk 2 anders is bepaald. 16.1.2
liftkokers
De hoogteaanduidingen op de planverbeelding mogen worden overschreden door liftkokers, indien en voor zover de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt, tenzij hoofdstuk 2 anders bepaald.. 16.2
Overschrijding bouwgrenzen
De op de planverbeelding aangegeven bouwgrenzen mogen uitsluitend worden overschreden door: a. b.
c. d. e.
f. g. h. 16.3
a. b.
16.4
tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden en funderingen; bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden van gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen, indien en voorzover de overschrijding niet meer dan 0,5 m bedraagt. gevel- en kroonlijsten, indien en voorzover de overschrijding niet meer dan 1,0 m bedraagt; rookkanalen, indien de overschrijding niet meer dan 0,5 m bedraagt; putten, leidingen, goten en inrichtingen voor de watervoorziening of de afvoer of verzameling van water rioolstoffen; hijsinrichtingen, indien en voorzover de overschrijding niet meer dan 0,5 m bedraagt; overstekende daken, indien de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt; balkons, indien de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt; bestaande dakopbouwen, bestaande luifels en bestaande uitbouwen aan de voorzijde. Ondergrondse bouwwerken