2.18a) toelichting (21-0118478)
Tekst van het document
In het kader van de herstructurering wordt er gestreefd naar het zoveel mogelijk benutten van kansen en voor het verbeteren van de watersysteemkwaliteit en de ecologie. Ten aanzien van de KRW maatregelen moet er rekening worden gehouden met de afspraken uit de Bestuursovereenkomst KRW Delfland en de afspraken die op dit moment gemaakt worden voor het Stroomgebiedbeheersplan 2015-2021. Het boezemsysteem van Delfland maakt onderdeel uit van de KRW waterlichamen. Delfland en gemeenten zijn in de KRW Delfland overeengekomen om de toestand van de waterlichamen te verbeteren. Onderdeel van deze overeenkomst is dat daar waar langs waterlichamen ruimtelijke mogelijkheden zijn om invulling te geven aan de KRW-opgave, deze worden benut, en dat bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt onderzocht of een deel van de ruimtelijke KRW-opgave hieraan kan worden gekoppeld. In het Waterplan Westland is aangegeven dat als er ruimte is, er een natuurvriendelijke oever moet worden aangelegd. En als er geen ruimte is maar wel dynamiek, kansen worden benut. Daarnaast mogen ruimtelijke ontwikkelingen niet leiden tot een verslechtering van de ecologische en chemische toestand van deze waterlichamen. De inrichting van de openbare ruimte in het plangebied is gericht op het versterken van biodiversiteit.
De wijk wordt klimaatbestendig door een palet aan maatregelen vooral gericht op het voorkomen van wateroverlast en droogte door het infiltreren van water in de bodem, en het (passief) koelen van openbare ruimte en gebouwen bij hitte. In het algemeen is bij het omzetten van glastuinbouw naar wonen en natuur sprake van minder uitstoot van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen, waardoor de waterkwaliteit mogelijk verbetert. Belangrijk onderdeel is het natuurvriendelijk oeverprincipe (NVO). De NVO's bestaan onder meer uit een flauwe oever, moeras en rietoevers. De NVO's voorzien in meerdere ecologische functies. Het natte profiel heeft naast zijn ecologische en visuele functie op meerdere locaties ook en belangrijke functie als bypass voor de omliggende vaarten. In bijlage 4 van het waterhuishoudkundig plan opgesteld door Aqua-Terra Nova (zie bijlage 8) is de algemene uitvoering van de watergangen en oevers opgenomen. Het afstromend hemelwater vanaf het plangebied kan een gering positief effect op de waterkwaliteit hebben. Door de infiltratie van hemelwater in de bodem kan door de bodempassage eveneens een kwaliteitsverbetering plaatsvinden van het grondwater.
43
Onderhoud en bagger
Delfland is verantwoordelijk voor het onderhoud van het primaire watersysteem en de waterkeringen. Voor secundair boezemwater en polderwateren zijn veelal andere partijen (gemeente, grondeigenaar) onderhoudsplichtig. Onderhoudsplichtigen zijn in de Legger Delfland vastgesteld. Onderhoud aan water en waterkering betekent dat deze toegankelijk moeten zijn voor onderhoud. Ook houdt Delfland ruimte die eventueel nodig is voor dijk- of kadeverzwaring, vrij van andere, conflicterende functies. Het beheer en onderhoud van het watersysteem binnen het plangebied is vastgelegd in de Keur Delfland en Legger Delfland. Voor onderhoud van watergangen is het van belang rekening te houden met de benodigde onderhoudsstroken. Onderhoudsstroken zijn noodzakelijk voor onderhoudsmateriaal en werkruimte, en er kan bagger op de onderhoudsstroken worden gezet. Er gelden de volgende criteria: « als er sprake is van 'varend' onderhoud van watergangen, natuurvriendelijke oevers en waterkeringen zijn de dimensionering van het doorstromingsprofiel en van de kunstwerken aan specifieke ontwerpeisen gebonden, bijvoorbeeld een vaardiepte en doorvaarthoogte van 1,0 m en een minimale doorvaarbreedte van 3,1 m bij bruggen. Dit is zeker het geval bij een breedte van meer dan 10 m (gemeten op de waterlijn).
* voor onderhoudsdoeleinden langs primaire watergangen is aan weerszijde een onderhoudsstrook (4 m) vrij van bebouwing en obstakels. Is de primaire watergang 5 m of smaller, dan kan in veel gevallen volstaan met een strook van 5 m aan één zijde en 1 m aan de andere zijde. * voor natuurvriendelijke oevers langs watergangen, bijvoorbeeld in verband met de Kaderrichtlijn Water, is ruimte nodig om onderhoud te plegen. Hierbij geldt hetzelfde als voor primaire watergangen. Watergangen vormen de basis van leefkwaliteit in het gebied. Vanwege de voorziene slootbreedte, natuurvriendelijke oevers en situaties met aan weerszijden private oevers, zal sloot en overonderhoud grotendeels varend uitgevoerd worden. In de planologische voorwaarden zijn de doorvaarthoogten en mogelijkheden geborgd. In de zuidwesthoek van het plangebied is een locatie voorzien ten behoeve van het tewaterlaten van het baggermaterieel maar er zijn tal van plaatsen mogelijk. Vlonders en steigers zijn niet mogelijk gemaakt door opname in het bestemmingsplan (nadat dit ook in de gebiedsvisie is weergegeven). Uitgangspunt voor inrichting en beheer is dat de watergangen een secundaire status hebben. Daarmee komen de (polder-)watergangen in beheer bij gemeente. Bodem en grondwater
Bij nieuwe ontwikkelingen is het van belang om rekening te houden met een voldoende drooglegging om grondwateroverlast te voorkomen. Het bouwpeil moet daarom hoog genoeg boven het waterpeil liggen. Een voldoende hoog bouwpeil helpt niet alleen tegen grondwateroverlast, maar ook tegen wateroverlast in het algemeen. Delfland adviseert om rekening te houden met een drooglegging van 1,2 m, maar met een minimum van 1,0 m. Daarnaast kan het zijn, dat de ontwikkeling juist effecten op het grondwater of het watertekort heeft. Hier moet bijvoorbeeld gedacht worden aan ondergrondse constructies die ervoor zorgen dat de grondwaterstroming wordt afgekapt. In de huidige situatie voldoet de Wippolder, volgens het Peilbesluit uit 2014, aan de normen voor wateroverlast. In eerdere berekeningen is een behoorlijke wateropgave berekend. Nadien hebben er diverse ontwikkelingen plaatsgevonden, waaronder de aanleg van een waterberging en de woonwijk Wateringseveld met veel open water. Daarnaast is het gemaal een paar jaar geleden vernieuwd en heeft nu voldoende capaciteit. In 2016 is er door het hoogheemraadschap een Watersysteemanalyse (WSA) Wippolder en Oud- en Nieuw- Wateringveldsche polder opgesteld. Hierbij is getracht inzicht te krijgen in het huidige functioneren van het watersysteem en de kans op en risico's van wateroverlast.
Uit de WSA blijkt dat er ter plekke van peilgebied III een knelpunt op treedt. Langs de Erasmusweg inunderen delen van het grasland. Dit wordt grotendeels veroorzaakt door de lage maaiveldligging. In de praktijk doen zich geen verontrustende peilstijgingen voor. In 2014 is besloten voor peilgebied I het peil uit het vorige peilbesluit te continueren op NAP -0,80 m. Peilgebied III bestaat voornamelijk uit grasland en er zijn geen knelpunten aanwezig. In 2014 is derhalve besloten het peil uit het vorige peilbesluit te continueren op NAP -1,12 m. Gezien het peilverschil van 0,32 m is in 2014 besloten om deze peilen niet samen te voegen. In het kader van de transformatie van het
44
gebied zal dit nu wel gaan gebeuren, mede door ophoging van het maaiveld. Voor het plangebied wordt in overleg met Delfland een maximale peilstijging van 0,25 m aangehouden. Daarbij is aangegeven dat in het bestaande watersysteem knelpunten voorkomen en dan met name rondom de nieuwbouwlocatie aan zijde Wippolderlaan (lange duiker) en Poeldijkseweg (duiker). Voor de beide peilgebieden wordt in het Peilbesluit 2014 aangegeven dat ze een beperkte drooglegging hebben (0,4 - 0,8 m). Voor zover bekend zijn er geen problemen met betrekking tot de grondwaterstand in het plangebied. Hoewel het plangebied vrij vlak is kent het huidig maaiveld enig verloop in hoogte; vanaf de Poeldijkseweg loopt het terrein langzaam af richting de Erasmusweg, over het eerste deel van -0,30 m NAP naar -0,40 m NAP. De weilanden langs de Erasmusweg liggen beduidend lager; deze verlopen van -0,80 tot ca -1,00 m NAP. De maaiveldhoogte bedraagt volgens de watersysteemanalyse uit 2016 ca. - 0,1 m NAP en de drooglegging voor beide peilen in het projectgebied ligt op ca. 0,7 tot 0,8m. De maaiveldhoogte wordt in de nieuwe situatie naar +0,20 m gebracht. De drooglegging in de nieuwe situatie komt daarmee op 1 m. Delfland adviseert een minimale drooglegging van 1.0 m, hieraan wordt voldaan.
Er wordt een minimaal vloerpeil opgenomen in verband met bergingsmogelijkheden voor regenwater, groendaken, dak overstekken (op zuid). Het bestemmingsplan maakt mogelijk dat onder alle hoofdgebouwen ondergrondse bouwwerken worden gemaakt met een max. verticale diepte van 3m onder peil. Hier is in dit stadium van het proces geen oppervlakte van aan te geven. Afvalwater en riolering
De woningen worden volgens het Verbreed GRP 2011 - 2015 van gemeente Westland aangesloten op het gescheiden gemeentelijke rioleringsstelsel. Afvalwater wordt afgevoerd naar de dichtsbijzijnde afvalwaterzuivering. Voor zover bekend zijn er geen problemen omtrent de capaciteit van riolering of zuivering. Voor de afvoer van het hemelwater zijn creatieve en efficiënte maatregelen mogelijk, zoals het ophogen van gronden, een hoger bouwpeil van woningen, open verharding ter plekke van parkeerplaatsen of water vasthouden op particulier of publiek terrein, bijvoorbeeld door middel van de aanleg van wadi's, groene daken, het afkoppelen van hemelwaterafvoer, en dergelijke. Nieuwe woningen en verharding zullen het hemelwater op oppervlaktewater gaan lozen. Het plan dient te voldoen aan de Leidraad Riolering West Nederland en de Leidraad aan- en afkoppelen verhard oppervlak en de Beslisboom Aanen afkoppelen verharde oppervlakten (2003). Het huishoudelijk afvalwater zal middels een drukrioolstelsel aangesloten worden op het gemeentelijk rioolsysteem. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: « hemelwater vasthouden voor benutting; * water opvangen door toepassen van vegetatiedaken; * (in)filtratie van afstromend hemelwater; * afstromend hemelwater afvoeren naar (nabij gelegen) oppervlaktewater; * afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.
De gevolgen van nieuw afvalwater vanuit het gebied voor het rioolgemaal moeten nog door het hoogheemraadschap worden geïnventariseerd. Momenteel is het gebied van drukriolering voorzien. Het is van belang om een logische verdeling te maken van HWA overstorten in het plangebied. Inzet is bovenal dit te voorkomen door regenwater niet via het riool af te voeren maar vast te houden en te bergen in bodem en oppervlaktewater (zie voorstel klimaatbestendig bouwen). Klima a ta dapta tie
Het watersysteem in het plangebied zal in de toekomstige situatie flink veranderen. Vanwege de voorziene klimaatveranderingen is het van belang om de gebouwde omgeving zodanig te ontwikkelen dat de gevolgen van het veranderende klimaat zonder grote problemen kunnen worden opgenomen. Hiertoe hebben overheden, organisaties en marktpartijen in Zuid-Holland in 2018 afspraken gemaakt in het in hoofdstuk 2 besproken Convenant Klimaatadaptief Bouwen. Vooruitlopend op een definitief instrumentarium is een Minimaal Programma van Eisen ontwikkeld. De gemeente Westland, BPD Ontwikkeling en het hoogheemraadschap van Delfland hebben het convenant ondertekend en dit eisenpakket is dan ook vertrekpunt voor de uitvoering van het plan. Concreet betekent dit voor de inrichting dat een groot deel van de neerslag van hevige buien wordt opgevangen of vertraagd en geleidelijk wordt afgevoerd zodat e.e.a. niet leidt tot grote schade. Kwantitatief dient de helft van de jaarlijkse neerslag in de bodem te worden geïnfiltreerd.
45
In het kader van de zorgplicht wordt in de 'Richtlijn toepassen vasthoudmaatregelen ter compensatie van verharding in het watertoetsproces' van Delfland ook gewezen op klimaatadaptieve maatregelen, aanvullend op de compensatieopgave. Wateroverlast door hoosbuien is een steeds vaker voorkomend probleem. Om overlast te kunnen voorkomen moet water vastgehouden worden en langzaam worden afgevoerd. In de waterstudie worden enkele maatregelen benoemd, die (deels) worden toegepast in het plangebied: *
«
* * * * 3.6.3
Afkoppelen van hemelwaterafvoer van het riool en dit water laten infiltreren: een groot deel van de neerslag van hevige buien wordt opgevangen of vertraagd en geleidelijk wordt afgevoerd zodat e.e.a. niet leidt tot grote schade. Kwantitatief zal de helft van de jaarlijkse neerslag in de bodem worden geïnfiltreerd. Tussen de twee hoven van de appartementen is ruimte in de groenstroken voor een laagteberging waarin hemelwater vanaf gebouwen de gelegenheid krijgt te infiltreren (of direct afstromen) naar het oppervlaktewater. Waterberging op of onder parkeerplaatsen: Vanuit klimaatadaptief oogpunt worden in delen van het plan de bestrating van de parkeerkoffers en waar mogelijk de straten waterdoorlatend/ waterbergend uitgevoerd en worden voldoende bomen geplant. De bestratingen worden ca 10 cm lager t.o.v. het maaiveld aangelegd dan tuinen waardoor op de straten en parkeerterreinen bij hevige regenval hemelwater geborgen kan worden. Het hemelwater wordt bovengronds, via het maaiveld in westelijke richting geleid naar de groenstrook parallel aan de sloot. In deze groenzone wordt het water deels geborgen in een laagteberging, een lager gelegen deel van het maaiveld, waardoor het kan infiltreren in de bodem. Het overtollige water stroomt af via een natuurvriendelijke oever naar de sloot en wordt afgevoerd.
In de groenzone worden volwassen bomen geplant die mede de opwarming van de voorgevels van de woningen zoveel mogelijk beperken. Platte en/of groene daken: deels van toepassing in het plangebied. Grindkoffers onder de verharding Z kolkloos bouwen: deels van toepassing in het plangebied. Wadi's en andere vormen van groenvoorzieningen: dit wordt toegepast in de publieke gebieden Z groenstroken als laagte i n fi ltrati eberging. Vijvers en watertonnen: dit wordt meegenomen in voorlichting aan bewoners. Conclusie
In deze waterparagraaf zijn de verschillende onderdelen van de verplichte watertoets behandeld. Ten aanzien van het 'stand still'-principe dat het Hoogheemraadschap van Delfland hierbij hanteert, wordt in de uitgevoerde waterstudie het volgende geconcludeerd: *
* «
Kans op wateroverlast mag niet toenemen; dit zal in de nieuwe situatie niet gebeuren aangezien er compensatie van toename in verhard oppervlak plaatsvindt door het realiseren van extra wateroppervlak en infiltratie op basis van de nieuwe normen; daarnaast worden verschillende klimaatadaptieve maatregelen genomen; Structuur van het watersysteem mag niet verslechteren; deze wordt verbeterd door verschillende ingrepen, zoals vermindering duikers, meer en bredere watergangen, gelijktrekken peilgebieden; Beheerbaarheid van het watersysteem mag niet achteruit gaan; de beheerbaarheid van de wateropgave zal in overleg met Delfland worden vastgelegd.
3.7
Bodem
3.7.1
Wettelijk kader
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming
De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de
46
daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's. Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. 3.7.2
Onderzoek
Door VanderHelm Milieubeheer B.V. is een inventariserend en historisch bodemonderzoek uitgevoerd. Dit vooronderzoek, ten aanzien van de (land)bodem, is uitgevoerd conform NEN 5725. Het vooronderzoek heeft geresulteerd in een hypothese over de aard en de verdeling van mogelijke verontreinigingen in het onderzoeksgebied. Daarbij is per deellocatie een overzicht gemaakt van de te verwachten verontreinigingssituatie in de bodem, evenals aandachtspunten en 'verdachte' onderdelen. Op basis hiervan is een onderzoeksstrategie per deelgebied opgesteld. De rapportage van het vooronderzoek en de daaruit volgende onderzoeksstrategie is opgenomen in bijlage 9. Het verkennend milieukundig (asbest)bodemonderzoek is momenteel in uitvoering. 3.7.3
Conclusie
Voor het plangebied is een inventariserend en historisch vooronderzoek uitgevoerd. Op basis daarvan is een onderzoeksstrategie voor vervolgonderzoek opgesteld. Uit het verkennend milieukundig (asbest)bodemonderzoek, dat momenteel wordt uitgevoerd, zal blijken of het terrein milieuhygiënisch gezien geschikt is voor de toekomstige functie, en of eventueel aanvullende onderzoeken benodigd zijn.
3.8
Ecologie
3.8.1
Wettelijk kader
Natuurnetwerk Nederland
Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied. Wet natuurbescherming
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling.
47
In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes: « Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn; * Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; * Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1,3.5 en 3.10. van de Wnb. A Verbodsbepaling
Vogels Vrl
B
C
Dieren Hrt/ Planten Hrl/ BonrVBem
BomVBem
0
E
Dieren
Planten
f'nationaal') fnationaal')
Dieren of planten: Doden of vanoen
[\
Sîorenfverstoren
3.1.1
3.5.1
314 (tenzij
3.5.2
3.10.1.a
3,1-5} 3,5.5
Plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen
3.10.1.c
of vernielen Onder zich hebben of vervoeren Plaatsen: Vernielen, beschadigen ot wegnemen nesten
3 12
Beschadigen of vernielen
“
voortpiantingsplaatsen Beschadigen of vernielen rustplaatsen
3.10.1 b (vaste vp)
3.1.2
“
3.10.1 b (vaste rp)
Eieren: Vernielen (of-Vit- beschadiqen) Rapen Onder zich hebben
3.1.2
Jļ
3.5.3 3,5.3
Toelichting *
Codes verwiizen naar wetsartikelen Wet natuurbescherming
*
Oranje
verbodsbepaling geldt alleen wan neer sprake is van opzet
Tabel verbodsbepalingen soortenbescherming onder de Wŭb
Tabel 3.2: verbodsbepalingen soortenbescherming onder de Wnb. Vrijstellingen
In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet m eegenomen in deze toets ing. Zorgplicht
De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten: 1. 2. 3.
Achterwege gelaten worden, of Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt
Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden. 3.8.2
Onderzoek
Soortenbes cherming
48
Door Aqua-Terra Nova is in februari 2020 een Eco-effectscan uitgevoerd in het plangebied. In dit onderzoek is geïnventariseerd welke beschermde soorten er in het plangebied aanwezig kunnen zijn. De volledige rapportage is te raadplegen in bijlage 10. Hieronder zijn de belangrijkste bevindingen uiteengezet. Op grond van dit onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken ten aanzien van het gebied dat niet aangetast wordt: * In de woningen aan de Ambachtsweg is de aanwezigheid van verblijfplaatsen van huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen niet uit te sluiten. Indien één van deze woningen gesloopt wordt is nader onderzoek naar deze soorten noodzakelijk. Er is door de beoogde herinrichting in het naastgelegen gebied geen verstoring te verwachten voor deze soorten. * De flats aan de poortweide, in de noordoost hoek van het plangebied zijn niet geschikt als vaste rust- of verblijfplaats voor beschermde soorten. * De woningen aan de Poeldijkseweg, die behouden blijven, zijn allen ongeschikt voor huismussen en gierzwaluwen. Enkel de woning aan de Poeldijkseweg 23A is mogelijk geschikt voor rust- en nestplaatsen van huismussen. Indien wordt gekozen deze woning te slopen is nader onderzoek naar deze soort noodzakelijk. « Het merendeel van de woningen aan de Poeldijkseweg is geschikt als vast rust- of verblijfplaats voor vleermuizen.
Deze woningen bevatten open stootvoegen, boeiboorden of hebben aan de kopgevel ruimte tussen de muur en de balken. Op grond van de beoogde sloop van woningen en gebouwen (worst-case) kunnen de volgende conclusies getrokken worden: *
Het voorkomen van beschermde plantensoorten is uit te sluiten. Er is potentie voor verschillende soorten orchideeën in de nieuwe inrichting (natuurvriendelijke oevers) van het plangebied. * Onder de dakpannen van de woning aan de Poeldijkseweg 21 kan de aanwezigheid van gierzwaluwnesten niet uitgesloten worden. Nader onderzoek naar gierzwaluw is hier noodzakelijk. * Het kan niet uitgesloten worden dat er ooievaars broeden binnen het plangebied. Nader onderzoek naar het gebruik van het plangebied voor deze soort is noodzakelijk. * Het is niet uit te sluiten dat de weides essentieel foerageergebied zijn voor spreeuwen die broeden in de bebouwing van Wateringen. Nader onderzoek naar het foerageergebied is noodzakelijk. * In het plangebied staan op diverse plaatsen groepen coniferen die geschikt zijn als roestplaats voor ransuilen. Ook zijn er diverse bomen met nesten waarvan onbekend is welke vogelsoort er broedt. Indien er bomen met nesten of groepen coniferen gekapt gaan worden is nader onderzoek naar de aanwezigheid van ransuil en roofvogels noodzakelijk. * De volgende te slopen woningen zijn geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Nader onderzoek naar vleermuizen is hier noodzakelijk: 1. Erasmusweg 2014 2. Erasmus weg 2012 3. Erasmusweg 1800/Poeldijkseweg 9 4.
Poeldijkseweg 21 * Wanneer er bomen gekapt worden, moet eerst nader onderzoek naar de aanwezigheid van holtes en spleten uitgevoerd worden. Indien het voorkomen van verblijfplaatsen niet uitgesloten kan worden is er nader onderzoek naar boombewonende vleermuissoorten noodzakelijk. * Er zijn door het plangebied geen direct opvallende vaste vliegroutes of essentieel foerageergebied vast te stellen voor vleermuizen. Er zijn voldoende mogelijkheden voor vleermuizen om te vliegen richting essentieel foerageergebied. * Tijdens de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met broedende vogels, exoten en algemeen voorkomende dieren. * Bij het dempen van watergangen wordt geadviseerd om aquatische fauna (vissen, libellelarven en amfibieën) weg te vangen. * Het optreden van negatieve effecten op overige (strikt) beschermde soorten in het plangebied is uitges loten. In tabel 3.1 zijn per soort de benodigde vervolgstappen conform de Wet natuurbescherming aangegeven. De gebruikte kleurcodes zijn in tabel 3.2 toegelicht.
49
Soortgroep
Wet*
Te nemen vervolgstappen
Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats
Wnb 3.1
*
Vogels uit categorie 5 Algemene soorten
Wnb 3.1 Wnb 3.1
.
Vogels Poeldiiksewea 21: Nader onderzoek naar vaste rust- en/of verblijfplaatsen van gierzwaluwen is noodzakelijk. Nader onderzoek naar ooievaar en spreeuw is noodzakelijk Bij verwijderen/kappen groepen coniferen en bomen met nesten is onderzoek naar roofvogels en naar ransuil noodzakelijk Verstoring broedende vogels voorkomen Verstoring broedende vogels voorkomen
Vleermuizen *
Vleermuizen
Wnb 3.5
-
Erasmuswea 2014. 2012 en 1800 en Poeldiiksewea 21: Nader onderzoek naar vaste rust- en/of verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen is noodzakelijk. Te kappen bomen onderzoeken op de aanwezigheid van boombewonende vleermuizen in holtesfendoscoop, zo nodig bij opening posten)
Amfibieën, zoogdieren en vaatplanten Algemeen voorkomende Wnb 1.11 soorten
-
Werken conform zorgplicht
Vissen Algemeen voorkomende soorten
-
Afvangen aquatische fauna bij dempen watergangen
* Wnb =
Wnb 1.11
Wet natuurbescherming, artikel 3.1, 3.5, 3.10 en zorgplicht artikel 1.11.
Tabel 3.3: Overzicht beschermde soorten (bron: Aqua-Terra Nova). Kleur Groen Geel
Rood
Betekenis
Werkzaamheden kunnen uìtgevoerd worden met inachtneming van de algemene zorgplicht. Verdere vervolgstappen zijn niet noodzakelijk. Werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd mits maatregelen genomen worden of conform een goedgekeurde gedragscode gewerkt wordt. Indien negatieve effecten niet uitgesloten kunnen worden is nader onderzoek noodzakelijk. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde soorten, functie van het plangebied voor de betreffende soorten en de invloed van het project op individuen en de gunstige staat van instandhouding van de soort is noodzakelijk. Indien uit het onderzoek blijkt dat betreffende soort aanwezig is en negatieve effecten niet uit te sluiten dan wel te voorkomen zijn dient ontheffing aangevraagd te worden.
Tabel 3.4. Betekenis kleurcodes (bron: Aqua-Terra Nova). Naar aanleiding van deze quickscan is door Van der Goes en Groot een inventarisatie uitgevoerd naar de genoemde soorten, vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats (gierzwaluw, ooievaar, spreeuw,ransuil) en vleermuizen. Het rapport is opgenomen in bijlage 11. De belangrijkste resultaten worden hieronder weergegeven. Aanwezig
Verblijfplaats
Essentieel leefgebied
Verblijfplaats
Foerageren
Vliegroute
Vogels Gierzwaluw Ooievaar Spreeuw (cat. 5) Ransuil Vleermuizen
Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger___________
nee
Tabel 3.5: Aangetroffen beschermde soorten in 2020 (bron: Van der Goes en Groot). * *
* * *
«
Tijdens de inventarisatie zijn vleermuizen aangetroffen (zie tabel 3.3); In het plangebied komen geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voor. In het plangebied kunnen wél broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen duurt ruwweg van half maart tot half juli. In het plangebied zijn alleen langsvliegende en foeragerende vleermuizen waargenomen. Na realisatie van de plannen zal vanwege de ontwikkelde begroeiing en gerealiseerde bebouwing de beschutting toenemen en zal het terrein geschikt blijven voor foeragerende vleermuizen. Vanwege het ontbreken van verblijfplaatsen van vleermuizen en/of andere beschermde gebruiksfuncties die in betekenende mate worden aangetast, is het niet nodig ontheffing aan te vragen in het kader van Wnb. Er is geen essentiële vliegroute vastgesteld binnen het plangebied. De overvliegende Laatvliegers vliegen hoog en in een rechte lijn en maken geen gebruik van landschapselementen (uit het plangebied).
Gebiedsbescherming
50
Beschermde natuurgebieden In de eco-effectscan uitgevoerd door Aqua-Terra Nova is tevens getoetst of de geplande activiteiten mogelijk een negatief effect kunnen hebben op beschermde natuurgebieden en ecologische verbindingszones. De belangrijkste conclusies worden hieronder samengevat. * Het plangebied bevindt zich op circa 3,5 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen'. Negatieve effecten van de werkzaamheden op het Natura-2000-gebied kunnen worden uitgesloten. Afhankelijk van de beoogde werkzaamheden in het plangebied is een stikstofdepositieberekening van deze werkzaamheden op nabij gelegen Natura 2000-gebieden noodzakelijk. * Het plangebied bevindt zich op circa 1 km van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op het NNN kunnen worden uitgesloten. Een nadere toetsing is niet noodzakelijk; * In het plangebied ligt een deel van ecologische verbindingszone aangewezen in de SEH. Het betreft hier het groen van de tuinen ten noorden van de Poeldijkseweg, in het zuiden van het plangebied. Onderdelen van het SEH kennen geen wettelijke bescherming, wel is het vanuit de gemeente Den Haag wenselijk geacht om groen zoveel mogelijk te behouden en waar mogelijk te herplanten. Nadere toetsing is niet noodzakelijk. Stikstofdepositie Rondom het plan zijn diverse Natura 2000-gebieden gelegen.
De meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn Solleveld & Kapittelduinen (circa 3,5 km afstand), Westduinpark & Wapendal (circa 4 km afstand) en Meijendel & Berkheide (circa 9 km afstand). De bouw van woningen, een onderwijsvoorziening, integraal kindcentrum en locatie voor verpleeghuis- en gehandicaptenzorg in de nabijheid van stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden noodzaakt tot de uitvoering van een stikstofdepositieonderzoek. Door KuiperCompagnons is voor voorliggend bestemmingsplan een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Dit notitie bij dit onderzoek is opgenomen in bijlage 12. Hierin is de stikstofdepositie in de aanleg- en gebruiksfase voor de bouw en het gebruik van het transformatiegebied beschouwd. Beoordeeld is of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plan. Uit dit onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door de aanleg en het gebruik van de woningen, zorgwoningen en de basisschool met kinderdagverblijf in het plan Wateringen-Noord.
Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan. 3.8.3
Conclusie
Beschermde soorten en natuurgebieden leveren geen belemmering op voor dit bestemmingsplan. Indien werkzaamheden waarbij niet-jaarrond beschermde nesten van broedvogels vernield of verstoord kunnen worden buiten het broedseizoen plaatsvinden, is een ontheffing niet nodig. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden en het NNN kunnen daarnaast worden uitgesloten. Uit een stikstofdepositieberekening blijkt bovendien dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door de aanleg en het gebruik van de voorgenomen ontwikkeling. De Wet natuurbescherming leidt zodoende niet tot belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
3.9
Cultuurhistorische aspecten
3.9.1
Wettelijk kader
Erfgoedwet
In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van
51
bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Sinds 2016 is deze wet vervangen door de Erfgoedwet. Door middel van het overgangsrecht blijven enkele bepalingen uit de Monumentenwet 1988 van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan. Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeentes in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Conform de Erfgoedwet beschermt de gemeente Westland het archeologisch erfgoed middels het bestemmingsplan. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeentes bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk.
De gemeente Westland beschikt sinds 2012 over een vastgestelde archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan. Bekende en verwachte archeologisch waardevolle gebieden krijgen in het bestemmingsplan een archeologische (mede)bestemming met daarbij horende vrijstellingsgrenzen. Binnen deze zones dienen bodemverstorende ingrepen zoveel mogelijk te worden beperkt. Bodemverstorende werkzaamheden die de aan de bestemmingszones gekoppelde vrijstellingsgrenzen overschrijden, worden gebonden aan het vergunningenstelsel. Zodoende kan het belang van het archeologisch erfgoed worden meegewogen bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning. Dit kan ertoe leiden dat er eisen worden gesteld aan de uitvoering van de werkzaamheden, of dat de voorgenomen ingreep alleen na archeologisch onderzoek wordt toegestaan. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland
De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)”. De CHS dient als informatiebron voor beleid op het gebied van erfgoed en ruimtelijke ontwikkeling, van zowel de provincie als de gemeenten. Daarmee wil de provincie stimuleren dat cultuurhistorie behouden of ingepast wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Deze cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland, in de vorm van een digitale atlas, geeft een overzicht van cultuurhistorische kenmerken en waarden in de provincie. Het is een overzicht op hoofdlijnen, bijvoorbeeld van waardevolle verkavelingspatronen of cultuurlandschappen, historische verdedigingslinies, gebieden met een archeologische verwachtingswaarde of monumentale boerderijlinten. Dit is het schaalniveau waarop de provincie beleid voert. De CHS kent drie verschillende thema's: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. Gebiedsprofielen (Kwaliteitskaart provincie Zuid-Holland)
De voormalige Regioprofielen Cultuurhistorie zijn opgegaan in de gebiedsprofielen, die een regionale doorvertaling zijn van de kwaliteitskaart van de provincie Zuid-Holland. De gebiedsprofielen beschrijven en visualiseren kenmerkende ruimtelijke elementen die van bovenregionaal belang zijn, en bevatten in die hoedanigheid ook cultuurhistorische elementen. Als onderdeel van het omgevingsbeleid van de provincie is dit reeds in paragraaf 2.1.2 besproken. 3.9.2
Onderzoek
Uit de cultuurhistorische hoofdstructuurkaart (zie afbeelding 3.6) van de provincie Zuid-Holland blijkt dat het plangebied of de directe omgeving geen belangrijke cultuurhistorische waarden kennen.
52
dl Zeer hoge waarde n Hoge waarde Stiltezone rond eendenkooi. Redelijk hoge Zeer hoge waarde
Dijkwiel
O Redelijk hoge waarde
Fort, batterij - Zeer hoge waarde
Fort, batterij - Redelijk hoge waarde
Historisch landschappelijke lij Zeer hoge waarde Redelijk hoge waarde Historisch landschappelijke vlakken Hoge waarde Redelijk hoge waarde Kroonjuwelen
Afbeelding 3.6: uitsnede cultuurhistorische hoofdstructuurkaart (bron: provincie Zuid-Holland) In 2012 is door de gemeenteraad van de gemeente Westland de archeologische beleidskaart met vrijstellingsgrenzen vastgesteld. In afbeelding 3.7 is een uitsnede van deze archeologische beleidskaart weergegeven. Hieruit blijkt dat het grootste gedeelte van het plangebied ligt in 'verwachtingszone II' met een vrijstellingsgrens van 250 m2 en 0,5 m -mv. Het meest zuidelijk deel, tegen de Poeldijkseweg, ligt in 'verwachtingszone I' met een bijbehorende vrijstellingsgrens van 100 m2 en 0,5 m -mv. In het vigerende bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Westland' is voor het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Het meest zuidelijke deel heeft daarbij de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - 3', de rest van het plangebied 'specifieke vorm van waarde - 4'. De vrijstellingsgrens ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - 3' is een oppervlakte van 250 m2 en diepte van 50 cm -mv, ter plaatse van 'specifieke vorm van waarde - 4' een oppervlakte van 100 m2 en diepte van 50 cm -mv.
Legenda Rijksmonument, Monumentenvergunning via RCE Bekende archeologische vindplaats, > 0 m2 * -30 cm H Historische dorpskern, » 50 m2 t -30 cm Verwachtingszone I, » 100 m2 * -50 cm Verwachtingszone II, a- 250 m2 * -50 cm Verwachtingszone III, » 500 m2 * -50 cm I
I Verwachtingszone IV, Geen voorschriften
Afbeelding 3.7: uitsnede archeologische beleidskaart (bron: gemeente Westland). Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van een woongebied. In het verleden zijn de gronden in het plangebied voor een deel geroerd ten behoeven van de huidige kassen en de kassen die reeds zijn gesloopt. Gezien de lage vrijstellingsgrenzen, de omvang van het plangebied, en de ruime bouwmogelijkheden is het zeker dat de vrijstellingsgrenzen worden overschreden. Archeologisch onderzoek is daarom noodzakelijk. Archeologisch bureauonderzoek Archeologie Delft (2019) Door Archeologie Delft is in juli 2019 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het volledige
53
onderzoek is te raadplegen in bijlage 13.
Afbeelding 3.8: archeologische verwachtingskaart voor het plangebied (bron: Archeologie Delft). Review en Archeologieplan Vestigia (2020) Vestigia heeft nog een review van het bureauonderzoek uitgevoerd. Hierin is allereerst het generieke nieuwe verwachtingsmodel voor het plangebied besproken waarbij middels recente criteria een aangescherpt advies is geformuleerd. De gehele notitie van Vestigia is opgenomen in bijlage 14. Ook is daarbij een Archeologieplan opgesteld voor het plangebied, een procesdocument dat de grote lijn uitzet van de noodzaak en het proces van archeologisch onderzoek in het kader van het nieuwe bestemmingsplan. Vervolgens wordt per deelgebied aangegeven welke stappen noodzakelijk zijn om tot welke vaststelling te komen en welke onderzoeken nodig zijn. Zo kan steeds per deelgebied worden getoetst wat de status van onderzoek is qua uitvoeringsfase en wat er nog moet worden gedaan om de archeologische waarden in het gebied vast te stellen en eventuele archeologie in te passen als mogelijk of om een gebied (na evt. onderzoek) vrij te geven. In de review van het eerdere bureauonderzoek wordt geconstateerd dat de opgestelde archeologische verwachtingskaart en advies vervolgonderzoek op de volgende aspecten moeten worden aangescherpt: 1. de toegepaste archeologische interpretatie van de geologische ondergrond; 2.
de advisering op basis van verouderde onderzoeksmethodes bij eerder archeologisch onderzoek; 3. de gebrekkige ontsluiting van de (boor)gegevens. Hierom wordt geadviseerd de hoge archeologische verwachting, op basis van het landschap en kennis van de vindplaatsen in de wijde omgeving, voor het gehele plangebied te laten gelden. Een geactualiseerde archeologische verwachting is weergegeven in afbeelding 3.10. Plangebied U deelgebieden |
| hoge verwachting
Afbeelding 3.10: Geactualiseerde archeologische verwachting, per deelgebied (bron: Vestigia). De eerstvolgende fase in het onderzoek is een plangebied dekkend inventariserend veldonderzoek middels boringen zodat op een gelijkwaardige wijze onderling vergelijkbare gegevens worden verzameld, volgens de methoden zoals in het Archeologieplan per deelgebied beschreven. Dit hoeft niet
54
te betekenen dat meteen het gehele gebied wordt onderzocht, maar vooral dat als er ná elkaar onderzoeken binnen het gebied worden uitgevoerd deze allen volgens dezelfde methodiek worden verzameld. Op basis daarvan kunnen dan zones en dieptes waarop zich mogelijke archeologische vindplaatsen bevinden worden vastgesteld. De zones en dieptes kunnen dan worden afgezet tegen de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Indien er een raakvlak ontstaat tussen de zone met een archeologische verwachting en de voorgenomen ruimtelijke ingreep, is vervolgonderzoek wenselijk in de vorm van het graven van proefsleuven. Wanneer daarbij een of meerdere archeologische vindplaatsen worden aangetroffen, kunnen deze middels dat onderzoek worden gewaardeerd. De bevoegde overheid kan dan op basis van een advies een selectiebesluit nemen of de vindplaats(en) behoudenswaardig is en deze op locatie dient te worden behouden of moet worden opgegraven. Bij de afwezigheid van vindplaatsen of bij niet-behoudenswaardige vindplaatsen kan de bevoegde overheid besluiten zones van het plangebied vrij te geven voor de verdere ruimtelijke ontwikkeling.
De resultaten van de individuele boor- en gravende onderzoeken worden als een addendum op het algemene PvE Archeologie Wateringen-Noord vastgelegd, zodat duidelijk is wat de status van het onderzoek per deelgebied is, en welke inzichten het uitgevoerde onderzoek heeft opgeleverd voor het betreffende deelgebied en voor het plangebied als geheel. Ook worden de onderzoeksresultaten als shape-bestanden aan de gemeentelijk adviseur gestuurd zodat de status van de onderzoeken binnen het plangebied door middel van een interactieve kaart kunnen worden gemonitord. Er heeft inmiddels afstemming plaatsgevonden van deze notitie (bureauonderzoek plus archeologieplan) met de archeologisch adviseur van de gemeente. Na instemming door de bevoegde overheid zal het vervolgonderzoek worden voorbereid, waarbij een inventariserend veldonderzoek middels grondboringen en proefsleuven aan bod komen. Om te zorgen dat de methoden van onderzoek allemaal uniform binnen het gehele plangebied worden uitgevoerd, wordt er een generiek Programma van Eisen opgesteld zodat de resultaten van deze onderzoeken die mogelijk over de loop van langere tijd worden uitgevoerd wel aan elkaar te koppelen en met elkaar vergelijkbaar zijn. Dit PvE dient dan aan de bevoegde overheid te worden voorgelegd om vast te stellen.
Daarna is dit document leidend voor het inventariserend veldonderzoek in ieder deelgebied binnen het plangebied Wateringen Noord. Van de vervolgstappen wordt te zijner tijd in deze paragraaf verslag gedaan. 3.9.3
Conclusie
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Uit nader onderzoek moet blijken of sprake is van belangrijke archeologische elementen die door voorgenomen ontwikkeling worden geschaad.
55
Hoofdstuk 4
Juridische planbeschrijving
4.1
Planvorm
4.1.1
Wettelijk voorgeschreven standaardisering
De planregels en de planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen als gepubliceerd door het ministerie van VROM (SVBP 2008) en als wettelijk voorgeschreven in de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 (Staatscourant 2008, nr. 377, van 30 oktober 2008). Voor uitleg van die planregels wordt verwezen naar de toelichting op het Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008, in samenhang met de jurisprudentie over die uitleg. Voorts is de "Werkafspraak terminologie Wabo in Standaard voor Vergelijkbare bestemmingsplannen" van september 2010 verwerkt. Die werkafspraak in het kader van de ministeriële regeling is gemaakt met het oog op de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010. 4.1.2
Aanvulling en geoorloofde afwijking van de SVBP 2012
De planregels en planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn toegesneden op de specifieke behoefte aan planregulering voor het gegeven plangebied. In de hierna volgende paragrafen is de aan het bestemmingsplan eigen plansystematiek toegelicht voor zover die een aanvulling of een geoorloofde afwijking vormt van de SVBP 2012. 4.1.3
Systematiek van de planregels
Opbouw planregels
De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: * * * »
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.
Inleidende regels
Begrippen (Begrippen) Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Wijze van meten (Wijze van meten) Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Bes temmingsregels
De bestemmingsregels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: * doeleindenomschrijving (gebruiksregels); * bouwregels; » nadere eisen; « afwijkingsregels. Gebruiksregels De doeleindenbeschrijving van de bestemming of de dubbelbestemming, waarvan opname in de planregels is geboden in artikel 3.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, is in de planregels voor elke bestemming in eerste instantie vervat in het onderdeel "Bestemmingsomschrijving". Van het onderdeel
56
"Specifieke gebruiksregels" wordt in de planregels vooral gebruik gemaakt om regels te geven voor de onder de bestemming of dubbelbestemming vallende functieaanduidingen en bouwaanduidingen en andere aanduidingen. Afwijkingsregels In het onderdeel "Afwijken van de gebruiksregels" wordt alleen die afWijkingsbevoegdheid opgenomen die uitsluitend ziet op het gebruik. Zodra sprake is van het afwijken van de bouwregels - ook al vormt dat bouwen een (klein) onderdeel van het gebruik in ruime zin - wordt de bevoegdheid daartoe geplaatst in het onderdeel "Afwijken van de bouwregels". Aanleggen of slopen De aanlegregels of sloopregels zijn uitvoerig met het oog op een zorgvuldige verlening van de omgevingsvergunning daartoe, voor zover regels daarvoor niet reeds zijn voorzien in de Wet ruimtelijke ordening of het Besluit ruimtelijke ordening. De aanlegregels of sloopregels kennen de volgende onderverdeling: * * *
het aanlegverbod of sloopverbod zelf; de voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning mag worden verleend en het inwinnen van deskundigenadvies; de specifieke aanlegverboden of sloopverboden met de daarop gegeven uitzonderingen.
Algemene gebruiksregels In het artikel "Algemene gebruiksregels" zijn naast een verwijzing naar het algemene gebruiksverbod van artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening, specifieke gebruiksverboden ter invulling van het algemene gebruiksverbod opgenomen. Daarin is onderscheid gemaakt tussen het verbod op het gebruik van gronden en het verbod op het gebruik van bouwwerken. Overgangs- en slotregels
In het artikel "Slotregel" zijn de volgende onderdelen opgenomen: » het onderdeel "Vervangen bestemmingsplannen" waarin een overzicht van de bestemmingsplannen en andere planregimes is opgenomen die met dit bestemmingsplan zijn vervangen; * en het onderdeel "Citeertitel". 4.1.4
Systematiek van de planverbeelding
Wettelijke vereisten
De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Hierbij vormt de inhoud van de digitale versie de beslissende versie. De digitalisering brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. De planverbeelding is digitaal vorm gegeven overeenkomstig de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008. De digitale planverbeelding en de andere onderdelen van de dataset hebben het volgende planidentificatie-nummer gekregen: NL.IMRO.1783.WATNOORDobpDe dataset bes taat uit: * * * *
het GML-bestand van de planverbeelding; het XML-geleideformulier; de onderliggende bestanden zoals ondergrond en overige topografische informatie; de PDF- en HTML-bestanden voor respectievelijk de verbeelding van plantoelichting en planregels.
Leeswijzer verbeelding
57
Wegwijzer via internet Met de digitalisering van ruimtelijke plannen is het lezen en interpreteren van de verbeelding (voorheen plankaart) een nieuwe aangelegenheid. Via de website www.ruimteliikeplannen.nl kunnen bestemmingsplannen (ook in voorbereiding zijnde plannen voor zover deze ter inzage zijn gelegd) worden ingezien. Via het tabblad 'bestemmingsplannen' kan worden doorgeklikt naar de provincie, de woonplaats of nog specifieker de straatnaam. De gebieden die zwart omlijnd op de kaart staan aangeduid, zijn de gebieden waarvoor een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar is. Zodra het gewenste bestemmingsplan is gevonden en deze voldoende is ingezoomd, wordt de betreffende bestemmingslegging zichtbaar. Om een beter beeld van de omgeving te krijgen, kan voor verschillende ondergronden worden gekozen (luchtfoto, topografie). Zodra linksonder 'legenda' wordt aangeklikt, wordt inzichtelijk wat de verschillende kleuren betekenen. Door vervolgens op een locatie binnen het plangebied te klikken wordt aan de rechterzijde van de kaart de bijbehorende informatie getoond. Indien meer informatie is gewenst, kan worden doorgeklikt naar de toelichting en/of de regels van het plan. Analoge verbeelding Alhoewel de digitale verbeelding het uitgangspunt vormt, blijft het mogelijk het bestemmingsplan analoog in te zien.
Het lezen van de analoge verbeelding is verschillend van de digitale verbeelding. Op de analoge verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. Bestemmingsvlak en bouwvlak
Vrijwel elke bestemming bestaat doorgaans uit twee vlakken: een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering. Soms komt het voor dat het bestemmingsvlak en het bouwvlak met elkaar samenvallen. Op de plankaart is dan uitsluitend een bouwvlak te zien (het bestemmingsvlak ligt hieronder). Aanduidingen
Op de digitale plankaart is een onderscheid gemaakt in verschillende aanduidingen. Een aantal functieaanduidingen is gebruikt om de gebruiksmogelijkheden binnen een bestemming of een gedeelte daarvan nader te specificeren. Het kan hierbij gaan om een nadere specificatie van de gebruiksmogelijkheden, een expliciete verruiming daarvan of juist een beperking. Voorbeelden van functieaanduidingen zijn 'bedrijfswoning', 'detailhandel' en 'kantoor'. Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken, worden bouwaanduidingen genoemd. Voorbeelden van bouwaanduidingen zijn 'gestapeld' en 'onderdoorgang'. Alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen, percentages en oppervlakten, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn maatvoeringaanduidingen.
4.2
Bestemmingsregeling
De bestaande functies in het plangebied die overeenkomstig het voorheen geldende bestemmingsplan in dit plan zijn bestemd, zijn de volgende (in alfabetische volgorde van bestemming). 4.2.1
Bestemming "Bedrijf"
De bestemming 'Bedrijf is opgenomen voor twee 'restpercelen' langs de zuidzijde van het plangebied. Daar is de feitelijk aanwezige situatie bestemd.
58
4.2.2
Bestemming "Groen"
De belangrijkste openbare groenstructuren zijn voorzien van de bestemming 'Groen'. De bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn hier beperkt. Uitwisselbaarheid met water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder laagteberging, is uitdrukkelijk overal toegestaan. Diverse specifieke functies zoals een langzaamverkeersverbinding en bruggen zijn voorzien van functieaanduidingen. 4.2.3
Bestemming "Maatschappelijk"
De locatie centraal aan de noordzijde van het plangebied, waar de zorgwoningen en de school moeten komen, is voorzien van de bestemming 'Maatschappelijk'. De beoogde bebouwing is voorzien van specifieke bouwvlakken; hierbuiten zijn geen gebouwen toegestaan. 4.2.4
Bestemming "Recreatie"
De bestaande recreatieve inrichting 2SUR5 aan de zuidwestzijde van het plangebied is van een toereikende bestemming 'Recreatie' voorzien in dit plan, die de feitelijk aanwezige situatie bestemt. Voor het noodzakelijke aantal parkeerplaatsen is een specifieke bepaling opgenomen. 4.2.5
Bestemming "Tuin"
De bestemming 'Tuin' is opgenomen aan de voorzijde van de bestaande woningen langs de randen van het plangebied. De bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn hier beperkt, met het oog op de gewenste uitstraling van deze gronden. 4.2.6
Bestemming "Verkeer"
De hoofdinfrastructuur is bestemd als 'Verkeer'. Het betreft de wegen aan de randen van het plangebied. 4.2.7
Bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied"
De toekomstige (auto)wegen in het plangebied zijn bestemd als 'Verkeer - Verblijfsgebied'. 4.2.8
Bestemming "Water"
De bestaande en toekomstige hoofdwatergangen zijn voorzien van de bestemming 'Water'. De bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn hier beperkt; bruggen en steigers zijn alleen toegestaan waar aangeduid of na afwijking. De beoogde natuurvriendelijke oevers zijn voorzien van een functieaanduiding. 4.2.9
Bestemming "Wonen"
De bestaande woningen langs de randen van het gebied zijn bestemd als 'Wonen'. Er zijn bouwvlakken opgenomen voor de feitelijk aanwezige hoofdgebouwen. Daarbuiten geldt een standaard verbale erfbebouwingsregeling. 4.2.10
Bestemming "Woongebied"
De nieuwe, te ontwikkelen woonvelden in Wateringen-Noord zijn bestemd als 'Woongebied'. Het betreft een globale, directe eindbestemming. Er zijn ruime bouwvlakken getrokken rondom en er zijn aanduidingen opgenomen voor de maximale hoogtes en toegestane bouwvormen. Met de bijbehorende regels worden diverse zaken geregeld zoals onderlinge afstanden en mogelijkheden voor erfbebouwing. Aan de noordzijde zijn op en aantal zaken, conform de gebiedsvisie, figuren 'gevellijn' opgenomen. Hier is het verplicht om aaneengesloten bebouwing met een minimale hoogte van 9 m op te richten. Het parkeren is geregeld met twee gebiedsaanduidingen 'overige zone - parkeren 1 en 2'. 4.2.11
Dubbelbestemming "Waarde - Archeologie"
De vigerende archeologische dubbelbestemmingen zijn overgenomen uit de voorgaande bestemmingsplannen (met daarbij wel een pragmatische aanpassing omdat er technische verschillen zaten tussen de verschillende vigerende plannen). De dubbelbestemming kan mogelijk komen te vervallen als in de toekomst nader archeologisch onderzoek (en/of opgraving) heeft plaatsgevonden.
59
4.2.12
Dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering"
De waterstaatsbelangen van de waterkering zijn voorzien van de dubbelbestemming 'Waterstaat Waterkering'. Hier mogen pas bodemverstorende werkzaamheden plaatsvinden, als de waterstaatsbelangen dat gedogen.
60
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Exploitatieverplichting
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. In het kader van voorgenomen ontwikkeling worden met de diverse grondeigenaren anterieure overeenkomsten gesloten.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1
Overleg
In de periode van [PM] t/m [PM] heeft over het voorontwerp van dit bestemmingsplan bestuurlijk overleg plaatsgehad als geboden in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Hierbij hebben de volgende instanties gereageerd: * Provincie Zuid-Holland * Hoogheemraadschap van Delfland * Gasunie De uitkomsten van het overleg, als bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid, onder c., van het Besluit ruimtelijke ordening, zijn opgenomen in bijlage [PM] Inspraak en overleg van deze toelichting. 5.2.2
Inspraak
In het kader van de Inspraakverordening Westland 2004 vindt er voor het voorontwerp inspraak plaats. De ontvangen inspraakreacties zijn beoordeeld. Voor een overzicht van de reacties wordt verwezen naar bijlage [PM] van deze toelichting. 5.2.3