2.16) Schrijven TK advocaten d.d. 10-08-21 inzake bezwaar Plan van Scholen (G21-001637)
Tekst van het document
Ingekomen - Team Registfa''
11 AUG. 2021 Vooruit per email
Gemeente Westland t.a.v. de Gemeenteraad Postbus 150 2670 AD NAALDWIJK
Gemeente Westland
G21-001637
info@gemeentewestland.nl
Behandeld door Telefoon Mobiel E-mail Onze referentie Uw referentie Plaats/Datum
mr. F.P. van Galen, Advocaat partner +51 (0)71 555 80 50 +31 (0)6 104 11 245 vangalen@tk.nl ISNO - Gemeente WestLand, weigering opname plan van scholen II, 2020.36561, PHdL/FG 4161-2655-6464 Amendement 18-A d.d. 1 juni 2021 Leiden, 10 augustus 2021
Aanvullende gronden bezwaarschrift
Geachte leden van raad, Bij bezwaarschrift d.d. 9 juli 2021 werd door mij namens de stichting Islamitische Stichting Nederland voor Onderwijs en Opvoeding - ISNO, Yunus Emre Den Haag (hierna: Yunus Emre), gevestigd te Den Haag, bezwaar gemaakt tegen het besluit van uw raad d.d. 1 juni 2021, waarbij is besloten om het ontwerp-raadsbesluit “Voorstel tot vaststelling van het plan van scholen 2022-2025”, documentnummer 21-0096441, te wijzigen door het plan van scholen 2021-2024 in te trekken, het plan van scholen 20222025 niet vast te stellen, uit te spreken dat het college niet meewerkt aan de huisvesting en bekostiging van Yunus Emre per 1 augustus 2022 en uit te spreken dat het college met de raad overlegt omtrent de verdere voortgang en het verzoek te doen om de aanvraag van Yunus Emre te behandelen als een nieuw verzoek en daarbij de wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen toe te passen. Yunus Emre kan zich met het bestreden besluit niet verenigen op de navolgende gronden. 1.
Feiten
Bij brief van 27 januari 2016 heeft Yunus Emre een aanvraag ingediend tot opneming op het plan van scholen van een nieuw te stichten basisschool op islamitische grondslag in de gemeente Westland. Bij besluit van 5 juli 2016 heeft de raad het verzoek ingewilligd en de school opgenomen op het plan van scholen 2017-2019. Bij besluit van 22 december 2016 heeft de staatssecretaris goedkeuring aan het plan van scholen onthouden. Yunus Emre heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De
Vondellaan 51 P.O. Box 201 2300 AE Leiden
T +31 71 53 - 58 OOO F +31 71 53 - 58 001 I www.tk.nl
TeekensKarstens advocaten notarissen
Gemeente West.».--**
Bij besluit van 17 mei 2018 heeft de minister, opnieuw beslissend, wederom goedkeuring onthouden aan het besluit van de raad van 5 juli 2016. Yunus Emre heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 24 april 2019 ook dat beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 mei 2018 vernietigd, bepaald dat de minister de school voor bekostiging in aanmerking brengt en dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Ingevolge artikel 79 lid 7 WPO was de raad vervolgens wettelijk verplicht de school op te nemen op het eerstvolgende plan van scholen. Desondanks heeft de raad bij besluit van 9 juli 2019 het vaststellen van een plan van scholen achterwege gelaten. Op 11 juli 2019 heeft de minister als reactie op deze taakverwaarlozing het plan van scholen 2020-2023 vastgesteld door middel van een indeplaatsstellingsbesluit op grond van artikel 124 van de Gemeentewet, gelezen in samenhang met artikel 124b van die wet. Bij brief van 17 juli 2019 heeft de minister de raad medegedeeld dat het plan van scholen 2020-2023, met daarin opgenomen de school Yunus Emre, met ingang van 17 juli 2019 als vastgesteld heeft te gelden. Bij uitspraak van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:263, heeft de Afdeling het door de raad tegen het besluit van 11 juli 2019 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Bij brief van 23 oktober 2019 heeft de Minister vervolgens het plan van scholen 20202023 goedgekeurd. Tegen die beslissing is door de raad beroep ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft bij uitspraak van 25 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1512, na een vereenvoudigde behandeling, overwogen dat de minister het plan van scholen 2020-2023 voor de gemeente Westland niet hoefde goed te keuren, omdat hij bij besluit van 11 juli 2019 dit plan zelf heeft vastgesteld en een bestuursorgaan een door hemzelf genomen besluit niet kan goedkeuren. De Afdeling heeft daarom geoordeeld dat de brief van de minister van 23 oktober 2019 niet is gericht op rechtsgevolg en dus geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bevat. De Afdeling heeft zich om die reden onbevoegd verklaard kennis te nemen van het door de raad ingestelde beroep. Tegen die uitspraak is door de raad verzet aangetekend. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft dat verzet bij uitspraak van 30 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1842, ongegrond verklaard. Hoewel het college in de programmabegroting 2020-2023 van de gemeente Westland reserveringen had opgenomen voor de realisatie van een basisschool op islamitische grondslag in Westland, zijn die budgetten in de raadsvergadering van 12 november 2019 bij amendement uit de begroting geschrapt.
Daartoe overwoog de raad dat het opnemen van de budgetten voorbarig was gelet op de nog lopende procedures tegen de indeplaatsstelling. Bij besluit van 8 juli 2020 heeft de raad opnieuw geweigerd de school op te nemen in het opvolgende plan van scholen 2021-2024. De Minister heeft op zijn beurt op 9 juli 2020 opnieuw een indeplaatsstellingsbesluit genomen wegens taakverwaarlozing en daarbij besloten namens de raad van de gemeente Westland 1) in het plan van scholen 2021-2024, met als startjaar het schooljaar 2021/2022, op te nemen een door de Islamitische Stichting Nederland voor
2
TeekensKarstens advocaten notarissen
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:421, het beroep van Yunus Emre tegen het besluit van de staatssecretaris van 22 december 2016 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Inmiddels heeft Yunus Emre begrepen dat de raad opnieuw bij amendement in de raadsvergadering van 10 november 2020, de vereiste middelen uit de begroting heeft geschrapt, ondanks de uitdrukkelijke waarschuwing van gedeputeerde staten dat deze middelen verplicht in de begroting dienen te worden opgenomen. Yunus Emre heeft overigens niet kunnen vaststellen dat daadwerkelijk op enig moment door het college een Programma als bedoeld in artikel 95 WPO is vastgesteld en op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. Vervolgens heeft de raad bij het bestreden besluit op 1 juni 2021 geweigerd een Plan van Scholen 2022-2025 vast te stellen en besloten het Plan van Scholen 2021-2024 in te trekken. Al met al blijft het gemeentebestuur de komst van de school op volstrekt onrechtmatige wijze verhinderen. De minister heeft inmiddels bij brief van 8 juli 2021 aangekondigd over te zullen gaan tot vernietiging van het raadsbesluit wegens strijd met het recht en strijd met het algemeen belang. 2.
Gronden
Het besluit tot intrekking van het plan van scholen 2021-2024 is onbevoegd genomen Op 9 juli 2020 heeft De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media een indeplaatsstelLingsbesLuit als bedoeld in artikel 124, juncto 124b van de Gemeentewet genomen, met kenmerk 25047620/OCW (bijlage 2). bijlage 2:
besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media tot indeplaatsstelling als bedoeld in artikel 124, juncto 124b van de Gemeentewet d.d. 9 juli 2020.
De Minister heeft daarbij besloten namens de gemeenteraad van de gemeente Westland Yunus Emre op te nemen in het plan van scholen 2021-2024, met als startjaar het schooljaar 2021/2022 en het plan van scholen 2021-2024 vast te stellen. Dit besluit is niet door de gemeenteraad van de gemeente Westland genomen. De gemeenteraad van de gemeente Westland is dan ook niet bevoegd om het betreffende besluit in te trekken, nu dit besluit afkomstig is van een ander bestuursorgaan, te weten de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media. Dit heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd in haar uitspraak van 30 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1842. De Afdeling oordeelt in deze uitspraak: “4. (...) De Afdeling heeft in haar uitspraak van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:263, waarbij op het beroep van de raad tegen het besluit van 11 juli 2019 is beslist, dit bestuit ook aangemerkt als een besluit van de minister. Dit lag ook voor de hand, omdat de minister dit besluit juist heeft genomen omdat de raad nalatig is gebleven de door artikel 79, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO) gevorderde beslissing tot opneming van de school in
3
TeekensKarstens advocaten notarissen
Onderwijs en Opvoeding - ISNO Yunus Emre - te stichten basisschool op islamitische grondslag; en 2) het plan van scholen 2021-2024 vast te stellen. Tegen dit besluit is door de raad beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (kenmerk: 202004094/1/A2). De behandeling van dit beroep stond gepland voor 23 april 2021. Het beroep is door de raad ingetrokken, zodat de behandeling niet heeft plaatsgevonden. Daarmee is het indeplaatsstellingsbesLuit onherroepelijk geworden.
Aldus is naar het oordeel van de Afdeling sprake van een besluit genomen door de Minister, ook formeel. Ook het nieuwe, onherroepelijke, indeplaatsstellingsbesluit van de Minister van 9 juli 2020, is een besluit van de Minister. De gemeenteraad stelt in de motivering van het amendement: “Allereerst wordt het besluit van 2020 ingetrokken. Formeel bezien is dat besluit nog steeds een raadsbesluit. (,.)“ Deze stelling van de gemeenteraad is derhalve onjuist. De Minister heeft een besluit genomen. De gemeenteraad heeft niet de bevoegdheid om een besluit in te trekken dat genomen is door een ander bestuursorgaan, in dit geval de Minister. Ook de Minister is van oordeel dat het besluit onbevoegd genomen is gelet op de brief die de Minister op 8 juli 2021 aan de gemeenteraad van de gemeente Westland toegezonden heeft bijlage 3:
brief van de minister van 8 juli 2021
Yunus Emre concludeert dat het besluit tot intrekking van het besluit tot vaststelling van het plan van scholen 2021-2024 onbevoegd is genomen. De Wet op het primair onderwijs, zoals deze voorheen luidde, bevat geen grondslag voor intrekking van het besluit tot vaststelling van het plan van scholen De wettelijke regeling, zoals deze luidde tot 1 februari 2021 regelt uitputtend onder welke omstandigheden een school wordt opgenomen op het plan van scholen, welke scholen worden opgenomen op een opvolgend plan van scholen en wanneer dat niet het geval is. De wet voorziet niet in intrekking van het besluit tot vaststelling van het plan van scholen. Aan de opneming op het plan van scholen zijn de rechtsgevolgen verbonden die de wet daaraan verbond en verbindt. Het rechtszekerheidsbeginsel staat aan de intrekking van het vaststellingsbesluit in de weg. Intrekking is ondeugdelijk gemotiveerd Bovendien is, voor zover de raad daartoe al bevoegd zou zijn en de wet daartoe een grondslag zou bieden, in het bestreden besluit niet, althans onvoldoende, onderbouwd waarom intrekking gerechtvaardigd is. Verwezen wordt naar “de argumenten zoals de
4
TeekensKarstens a d vo ca te n n o ta risse n
kwestie in het plan van scholen 2020-2023 te nemen. Zou het besluit van 11 juli 2019 als een besluit van de raad moeten worden aangemerkt, zoals de raad betoogt, dan zou zich de ongerijmde situatie voordoen dat de raad met zijn destijds tegen het besluit van 11 juli 2019 ingestelde beroep tegen een besluit van de raad zou zijn opgekomen. Het betoog van de raad kan dan ook niet worden gevolgd. 5. Omdat het besluit van 11 juli 2019 tot vaststelling van het plan van scholen 2020-2023 voor de gemeente Westland een besluit van de minister is en een bestuursorgaan niet een door hemzelf genomen besluit kan goedkeuren, heeft de Afdeling in haar uitspraak van 25 juni terecht overwogen dat dit besluit geen goedkeuring van de minister behoefde, de brief van de minister van 23 oktober 2019 daarom niet is gericht op rechtsgevolg en die brief dus geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bevat. De Afdeling heeft zich daarom terecht onbevoegd verklaard kennis te nemen van het door de raad ingestelde beroep."
Eerder heeft de Afdeling al geoordeeld dat artikel 79, zevende lid van de WPO (waarnaar verwezen wordt in artikel 194e van de WPO) imperatief geformuleerd is. De Afdeling oordeelde op 29 januari 2020, ECU:NL:RVS:2020:263: “6. De Afdeling is van oordeel dat de raad op grond van artikel 79, zevende lid, van de WPO verplicht is de school in kwestie op te nemen in het plan van scholen 20202023. Dat de raad ervan overtuigd is dat die school vanwege onder meer gewijzigde omstandigheden, niet aan de stichtingsnorm voldoet, doet daaraan niet af. De eerdergenoemde bepaling is imperatief geformuleerd en laat daarom aan de raad geen ruimte om opnieuw integraal te beoordelen of de school aan de stichtingsnorm voldoet. Dat de wetgever dit niet expliciet heeft verwoord in de parlementaire stukken die aan die bepaling ten grondslag liggen, leidt evenmin tot een ander oordeel.
Omdat de formulering van artikel 79, zevende lid, van de WPO duidelijk is, moet deze bepaling letterlijk worden uitgelegd en is er ook uit een oogpunt van rechtszekerheid geen ruimte voor de door de raad gegeven interpretatie van die bepaling, inhoudende dat daarmee slechts is beoogd te voorkomen dat een beroepsbeslissing gevolgen heeft voor lopende plannen van scholen, waardoor het primaat van de raad om te beoordelen of een school voldoet aan de stichtingsnorm niet wordt doorkruist.” De door de raad aangevoerde argumenten zijn dan ook geen gerechtvaardigde reden voor het niet opnemen van de school op het plan van scholen en daarmee evenmin voor de intrekking van het besluit tot vaststelling van het plan van scholen. Overgangsrecht Wet meer ruimte voor nieuwe scholen In het bestreden besluit wordt gesteld dat de minister de raad op het verkeerde been zou hebben gezet door eerder in januari per email te berichten dat de school nog eenmaal zou moeten worden opgenomen op een nog vast te stellen plan van scholen 2022-2025. Yunus Emre constateert dat, als dit al door de minister gesteld zou zijn, die mededeling inderdaad onjuist is. Op 1 februari 2021 is de Wet op het primair onderwijs gewijzigd en is artikel 194e van de Wet op het primair onderwijs in werking getreden. Artikel 194e van de WPO luidt: “1.
Na inwerkingtreding van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160) vindt nog één maal vaststelling plaats van een plan van scholen conform titel IV, afdeling 2, zoals luidend direct voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van genoemde wet. 2. Een school die is vermeld op het laatste plan van scholen dat is vastgesteld en door Onze Minister is goedgekeurd voor inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wet en ten aanzien waarvan op dat tijdstip nog niet is beslist over aanvang van de bekostiging of die is vermeld op het plan van scholen dat is vastgesteld op grond van het eerste lid, wordt aangemerkt als een school waarvoor Onze Minister op grond van artikel 75, derde lid, zoals luidend op de dag van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, van de in het eerste lid genoemde wet
5
TeekensKarstens a d v o c a te n notarissen
raad die al eerder vanaf in ieder geval 2018 verwoord heeft en die bij dit amendement gevoegd worden”.
Op 9 juli 2020 heeft de Minister het Plan van Scholen vastgesteld namens de gemeenteraad van de gemeente Westland. Daarbij is niet vereist dat de Minister ook nog goedkeuring geeft aan dit Plan van Scholen (vgl. ABRvS 30 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1842). De onderhavige school is opgenomen op het plan van scholen 2021-2024 en wordt daarmee op de voet van artikel 194e lid 2 WPO aangemerkt als een school waarvan de minister heeft beslist dat zij voor bekostiging uit ’s Rijks kas in aanmerking wordt gebracht. Na de inwerkingtreding van de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen is de raad hoe dan ook niet langer bevoegd om een plan van scholen vast te stellen, anders dan het in artikel 194e WPO genoemde plan van scholen. Artikel 194e Wpo verbindt aan het feit dat een school op het moment van inwerkingtreding van de wet op 1 februari 2021 op het plan van scholen is opgenomen bepaalde rechtsgevolgen. De wet bepaalt eveneens welk recht van toepassing is op geschillen ten aanzien van plannen van scholen die nog niet onherroepelijk zijn en wat de gevolgen zijn van een uitspraak in die geschillen. Daarmee ontbreekt vanaf 1 februari 2021 naar de mening van Yunus Emre iedere bevoegdheid van de raad om tot intrekking van eerder vastgestelde plannen van scholen, die onherroepelijk zijn, over te gaan. Ook om die reden is het bestreden besluit onbevoegd genomen. 3.
Conclusie
Yunus Emre verzoekt de raad het bestreden besluit te herroepen. Tevens verzoekt Yunus Emre om vergoeding van de kosten die in verband met de behandeling van dit bezwaarschrift redelijkerwijs zijn gemaakt, waaronder de kosten van door ondergetekende beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
,S M.IĹ m
6
TeekensKarstens a d v o c a te
heeft beslist dat zij voor bekostiging uit ’s Rijks kas in aanmerking wordt gebracht. Artikel 75, zesde, zevende en achtste lid, is van toepassing. 3. Op geschillen die in beroep aanhangig zijn of binnen de beroepstermijn dan wel verschoonbaar daarbuiten aanhangig worden gemaakt tegen besluiten die zijn genomen door Onze Minister op grond van het eerste lid of op grond van titel IV, afdeling 2, en daarop berustende bepalingen zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van de desbetreffende onderdelen van de in het eerste lid genoemde wet blijven de op die datum geldende regelingen van toepassing. Indien de uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 80 zoals luidend voor de inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wet strekt tot opneming van een school in het plan van scholen, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing. De eerste volzin is hangende het beroep van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid tot het intrekken en vervangen van besluiten die tot de aldaar bedoelde geschillen hebben geleid. 4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op geschillen die betrekking hebben op de toepassing van artikel 84a, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van de desbetreffende onderdelen van de in het eerste lid genoemde wet. 5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere uitvoeringsvoorschriften worden gesteld. ”
i/i
en
ft)
Bijlage 2
STAATSCOURANT
23 juli
2020
Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.
Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 9 juli 2020, nr. 130916/OCW, tot indeplaatsstelling als bedoeld in artikel 124, juncto 124b van de Gemeentewet De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,
Overwegende: -
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
dat hij bij besluit van 11 juli 2019 in het kader van een indeplaatsstelling als bedoeld in artikel 124, juncto artikel 124b van de Gemeentewet namens de raad van de gemeente Westland (hierna: de gemeenteraad), het plan van scholen 2020-2023 heeft vastgesteld, met daarin opgenomen de islamitische basisschool van Islamitische Stichting Nederland voor Onderwijs en Opvoeding Yunus Emre; dat hij hiermee gevolg gaf aan de uitspraak van 24 april 2019 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Raad van State) en de daarin aangehaalde wettelijke bepaling artikel 79, zevende lid, van de WPO - die voorschrijft dat de genoemde school voor bekostiging in aanmerking moet worden gebracht; dat de gemeenteraad beroep heeft ingesteld tegen genoemd indeplaatsstellingsbesluit, welk beroep de Raad van State in zijn uitspraak van 29 januari 2020 ongegrond heeft verklaard, waarbij de Raad van State heeft bevestigd dat de onderhavige school voor bekostiging in aanmerking gebracht dient te worden; dat de Raad van State deze verplichting heeft herhaald in zijn uitspraak van 25 juni 2020 waarbij is beslist op het beroep dat de gemeenteraad heeft ingesteld tegen het besluit waarbij het namens de raad vastgestelde plan van scholen 2020-2023 is goedgekeurd; dat de gemeenteraad, het aangehaalde indeplaatsstellingsbesluit en de bovengenoemde drie uitspraken van de Raad van State ten
spijt, zich blijft verzetten tegen de stichting van de onderha vige school; dat de gemeenteraad in zijn vergadering van 12 november 2019 de door het college van burge meester en wethouders (hierna: B&W) voorgestelde huisvestingsbudgetten voor de onderhavige school bij amendement uit de gemeentelijke begroting heeft geschrapt, zodat het plan van scholen 2020-2023 niet ten uitvoer kan worden gelegd; dat de gemeenteraad dusdoende ook in strijd handelde met de artikelen 91 e.v. van de WPO die de gemeente opdragen te voorzien in de huisvesting van de scholen op haar grondgebied; dat de school dientengevolge niet eerder dan in het schooljaar 2021/2022 voor bekostiging in aanmerking kan worden gebracht, maar dat daartoe op grond van artikel 74 van de WPO een nieuw plan van scholen moet worden vastgesteld - het plan van scholen 2021-2024 - waarin de onderhavige school opnieuw wordt opgenomen en dat dit plan vóór 1 augustus 2020 dient te worden vastgesteld; dat uit artikel 82, eerste lid van de WPO volgt dat de onderhavige school opgenomen dient te worden in het nieuwe plan van scholen, omdat zij in een voorgaand plan was opgenomen en nog niet voor bekostiging in aanmerking is gebracht; dat de gemeenteraad tijdens een commissievergadering van 15 juni 2020 heeft laten uitkomen nog steeds tegen de komst van de school te zijn en niet voornemens te zijn de school op het plan van scholen
2021-2024 te plaatsen indien B&W de raad dat plan in zijn vergadering van 8 juli 2020 zouden voorleggen; dat hij, de Minister voornoemd, naar aanleiding daarvan de gemeenteraad op 6 juli 2020 een brief heeft gestuurd, waarin hij de raad heeft gewezen op bovengenoemde wetsartikelen en de aangehaalde uitspraken van de Raad van State, en de raad heeft verzocht in zijn vergadering van 8 juli 2020 te besluiten de school in het nieuwe plan van scholen 2021-2024 op te nemen zodat hij niet opnieuw hoefde over te gaan tot het nemen van een indeplaatsstellingsbesluit; dat de gemeenteraad het de raad door B&W voorgelegde plan van scholen 2021-2024 niettemin heeft afgewezen en aldus niet de beslissing heeft genomen die wordt gevorderd door artikel 79, zevende lid, juncto artikel 74, eerste en tweede lid, en artikel 82, eerste lid, van de WPO; dat artikel 124, juncto artikel 124b van de Gemeentewet, voor zover hier van belang, voor dat geval bepalen dat de verantwoordelijke Minister namens de gemeenteraad de door de wet gevorderde beslissing neemt ten laste van de gemeente; dat de mogelijkheid een school voor bekostiging in aanmerking te brengen met een jaar wordt vertraagd als een plan van scholen na de in artikel 74, tweede lid, van de WPO voorgeschreven datum van 1 augustus wordt vastgesteld; dat hij de gemeenteraad de gelegenheid biedt om voor genoemde datum van 1 augustus 2020
Staatscourant 2020 nr. 39162
23 juli 2020
-
alsnog zelf te voorzien in hetgeen het onderhavige indeplaatsstellingsbesluit vordert, en wel tot en met 23 juli 2020; dat hij, in overeenstemming met artikel 124b, tweede lid, van de Gemeentewet, gedeputeerde staten van Zuid-Holland voorafgaand aan het nemen van het onderhavige besluit heeft geïnfor meerd.
Besluit: gezien het bepaalde in artikel 79, zevende lid, juncto artikel 74, eerste en tweede lid, en artikel 82, eerste lid van de WPO, met toepassing van de artikelen 124 e.v. van de Gemeentewet: 1. namens de raad van de gemeente Westland: - in het plan van scholen 2021-2024, met als startjaar het schooljaar 2021/2022, op te nemen een door de Islamitische Stichting Nederland voor Onderwijs en Opvoeding - ISNO Yunus Emre te stichten basisschool op islamitische grondslag; - het plan van scholen 2021-2024 vast te stellen; 2. de uitvoering van dit besluit aan te houden tot 24 juli om de raad de gelegenheid te bieden het besluit alsnog zelf te nemen; 3. dit besluit onmiddellijk ten uitvoer te leggen indien de raad op 24 juli in verzuim is gebleven het onderhavige besluit alsnog zelf te nemen; 4. van dit besluit mededeling te doen in de Staatscourant; 5. een afschrift van dit besluit aan de gemeenteraad van Westland te zenden.
De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob Een belanghebbende kan tegen dit besluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het beroepschrift moet binnen zes weken na de dag waarop de beschikking is verzonden, worden gestuurd naar de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, postbus 20019, 2500 EA Den Haag.
Staatscourant 2020 nr. 39162
23 juli 2020
Bijlage 3
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
retouradres Postbus 16375 2500 BJ Den Haag
Gemeenteraad gemeente Westland Postbus 150 2670 AD NAALDWIJK
Primair Onderwijs
Rijnstraat 50 Den Haag Postbus 16375 2500 BJ Den Haag www.rijksoverheid.nl Contactpersoon
F. Dinant T +31 6 53 93 66 04 f.dinant@minocw.nl Onze referentie
28622473
Datum Betreft
0 8 JULI 2021 Amendement d.d. 1 juni 2021 inzake intrekking plan van scholen
Geachte leden van de raad, Op 2 juni jl. is mijn medewerker, dhr. A. Breuer, door uw burgemeester op de hoogte gesteld van uw besluit van 1 juni jl. tot onder andere: het intrekken van het plan van scholen 2021-2024, zoals dat namens uw raad middels een indeplaatsstellingsbesluit van 9 juli 2020 door mij is vastgesteld; Het plan van scholen 2021-2024, waarin de islamitische school van het schoolbestuur Yunus Emre is opgenomen met schooljaar 2021/2022 als startjaar, heb ik bij besluit van 9 juli 2020, in het kader van een índeplaatsstelling als bedoeld in artikel 124 jo. artikel 124b van de Gemeentewet, namens uw raad vastgesteld. Uit artikel 124d jo. artikel 124b, eerste lid van de Gemeentewet en de toelichting daarbij, volgt dat de bevoegdheid om een besluit, dat is genomen in het kader van een indepiaatsstelling in te trekken, exclusief ligt bij het bestuursorgaan dat dat indeplaatsstellingsbesluit heeft genomen; in dit geval de minister die het aangaat. Ik wijs in dit kader op de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van 30 juli 2020, waarin de Afdeling oordeelt dat mijn besluit tot vaststelling van het plan van scholen 2020-2023 in het kader van het indeplaatsstellingsbesluit, ook formeel een besluit van mij is.1 Dit geldt uiteraard ook voor mijn besluit tot het vaststellen van het plan van scholen 2021-2024.
Hieruit volgt dat u het plan van scholen 2021-2024 onbevoegd heeft ingetrokken. Ik verzoek u dan ook uw besluit in te trekken. Indien u besluit hiertoe niet over te gaan, zal ik genoodzaakt zijn om met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overleg te treden om te komen tot een voordracht voor vernietiging bij de Kroon van uw besluit tot het intrekken van het plan van scholen 2021-2014 van 1 juni 2021. Deze brief dient u 1 ECLI: NL: RVS: 2020:1842.
Pagina 1 van 2
te beschouwen als invulling van stap 5 van de Interventieladder in het beleidskader schorsing en vernietiging. In artikel 132, vierde lid, van de Grondwet is bepaald dat de Kroon een besluit van een gemeentelijk of provinciaal bestuursorgaan kan vernietigen indien het besluit in strijd is met het recht of het algemeen belang. Ik acht uw besluit van 1 juni jl. zowel in strijd met het recht als met het algemeen belang. Uw besluit is, zoals hierboven aangegeven, in strijd met artikel 124d jo, artikel 124b van de Gemeentewet. De Wet op het primair onderwijs biedt ook geen grondslag om een eerder vastgesteld plan van scholen in te trekken.
Onze referentie
28622473
Graag stel ik u, in overeenstemming met artikel 10:41 Algemene wet bestuursrecht, in de gelegenheid met mijn medewerkers in overleg te treden over mijn verzoek tot het intrekken van uw besluit. U kunt hierover contact opnemen met de contactpersoon bovenaan deze brief.
De minis!
■aşns-yen Voortgezet Onderwijs en Media,
Arif/Slob
Pagina 2 van 2
Post NL Afz. 2332 AA 51
ïŕįïiHľ:
biodegradable window film
r~ĩŕ NL
Aangetekend
3SRRDT0110006
P.O. Box 201 | 2300 AE Leiden | www.tk.nl
Brief: D-A-l Pakket: B-P-3
C9,05 NEDERLAND 10.08.21 NetSet FM 114230
^TeekensKarstens advocaten notarissen 2 o2o. 'ļćhéì ńjG