CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

2.12a) toelichting voorontwerp (21-0141927)

Gemeenteraad 1 juni 2021, gemeente WestlandBij agendapunt: Vaststelling van de afhandeling van de Lijst met Ingekomen Stukken (LIS)25.511 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In de bedrijventerreinenvisie is opgenomen dat een uitbreiding van milieuhinderlijke bedrijven in de gemeente Westland niet wenselijk is en dat er behoefte is aan gemengde zones om alternatieven te bieden voor publieksfuncties buiten de dorpskernen. 3.2.3

Onderzoek

Voor deze ontwikkeling is door Aqua Terra Nova op 8 juli 2019 een rapportage Bedrijven en milieuzonering (zie Bijlage 4 Bedrijven en milieuzonering en externe veiligheid) en een aanvulling hierop (zie Bijlage 5 notitie bedrijven en milieuzonering) opgesteld. Aan de hand van een SBI-codering zijn voor deze thema's richtafstanden vastgesteld. Deze afstanden gelden als een handreiking voor een goede ruimtelijke ordening. Op basis van jurisprudentie is afwijking mogelijk mits dit gemotiveerd en onderbouwd plaatsvindt op basis van een milieukundig onderzoek. Binnen het plangebied zelf is de huidige bestemde functie 'Uit te werken Woongebied'. In de nieuw te bestemmen situatie worden voornamelijk woningen gerealiseerd. Verder wordt een school met kinderopvang en een gezondheidscentrum gerealiseerd. Basisscholen en kinderopvang zijn op grond van de VNG publicatie in te delen in categorie 2 met een grootste richtafstand van 30 meter (bepalend is hierbij de afstand voor geluid). Een gezondheidscentrum is op grond van de VNG publicatie in te delen in

32

categorie 1 met een grootste richtafstand van 10 meter (bepalend is hierbij de afstand voor geluid). Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit die wordt nagestreefd in een 'rustige woonwijk'. Geadviseerd wordt om de functies school met kinderopvang (met name de buitenspeelplaats) en het gezondheidscentrum zodanig in te passen in het bestemmingsplan dat aan deze richtafstand wordt voldaan tot omliggende woonbestemmingen. Op de percelen met bedrijfsbestemmingen t/m milieucategorie 4.1, die gelegen zijn binnen 200 meter afstand van het plangebied, bevinden zich bedrijven met de milieucategorieën 1 t/m 3.2. Het ligt volgens de bedrijventerreinvisie van de gemeente niet in de lijn der verwachtingen dat zich hier nog bedrijven met milieucategorie 4.1 zullen gaan vestigen. Op de percelen met bedrijfsbestemmingen met milieucategorie 3.2, die gelegen zijn binnen 100 meter afstand van het plangebied, bevinden zich bedrijven met de milieucategorie 2 of 3.1. Het ligt volgens de bedrijventerreinvisie van de gemeente niet in de lijn der verwachtingen dat zich hier nog bedrijven met milieucategorie 3.2 zullen gaan vestigen. De bedrijfsactiviteiten op bedrijventerrein Teylingen zullen niet leiden tot een aantasting van een goed woonen leefklimaat bij de woningen in het plangebied. De volgende locaties verdienen een nadere beschouwing: 1.

Wattstraat (bedrijfsgebouwen op meerdere plekken). Deze locatie ligt op 500 meter van het plangebied. Op korte afstand ten westen en noorden van Flint liggen al bestaande woningen die maatgevend zijn voor Flint. Op deze bestaande woningen moet al voldaan worden aan de eisen in de milieuvergunning of het Activiteitenbesluit. Hierdoor zal deze inrichting zeker geen effect hebben op het woon- en leefklimaat in het plangebied. 2. BOAL Systemen B.V., Marie Curiestraat 3. Dit betreft de bestaande locatie van BOAL. De nieuwe locatie van BOAL is wel beschouwd omdat deze in een gebied met categorie 4.1 ligt. BOAL valt onder categorie 3.2. De bestaande locatie van BOAL is niet beschouwd omdat de bestemming hier categorie 3.2 is en deze locatie is gelegen op 100 meter van het plangebied. 3. Brandweerkazerne (bij uitruk) Fultonstraat 2. De brandweerkazerne is gelegen op 370 m van het plangebied. Het incidenteel wegrijden bij uitruk heeft gezien deze afstand zeker geen effect hebben op het woon- en leefklimaat in het plangebied. Verder liggen tegenover de kazerne al bestaande woningen. 4. Verschillende kunststofverwerkende bedrijven aan de Franklinstraat. Kunststofverwerkende activiteiten kunnen milieucategorie 3.2 of 4.1 zijn.

De locaties op de Franklinstraat met bestemde milieucategorie 3.2 en 4.1, gelegen op minder dan 100 meter respectievelijk 200 meter van het plangebied, zijn onderzocht. Hierbij zijn geen kunststofverwerkende bedrijven aangetroffen die onder respectievelijk categorie 3.2 en 4.1 vallen. Wel is er een botenbouw en reparatie bedrijf aanwezig dat voor reparatie waarschijnlijk polyestherhars gebruikt. Deze activiteiten vallen deels in milieucategorie 3.2 of 4.1, maar is gelegen maar op meer dan 200 meter afstand van het plangebied en daarmee geen belemmering voor het plangebied. 5. Beko groothandel (transport) Franklinstraat 17 Dit bedrijf heeft als SBI code categorie 2 gekregen. Gezien de aard van de producten, die worden getransporteerd, is dit de juiste SBI code en derhalve de juiste milieucategorie om in te delen. Bepalende afstand is de afstand voor geluid van 30 meter. Deze wordt bepaald door het laden en lossen van vrachtwagens (manoevreerbewegingen vrachtwagens en het in en uitrijden van goederen). Voor deze activiteiten is normaliter het piekgeluid (Lamax) de bepalende geluidwaarde. Deze is niet afhankelijk van het aantal laad/losbewegingen. Het langtijdgemiddeld geluidsniveau is normaliter niet de bepalende geluidwaarde.

Mocht dit door het aantal transportbewegingen wel het geval zijn dan zijn de 2 aanwezige woningen op het industrieterrein zelf (ten noorden en ten zuiden van de laad/losplaats) de maatgevende woningen waar voldaan moet worden aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit. Er

33

word dan ook bij de woningen in het plangebied voldaan aan deze geluidnormen. Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de huidige en toekomstige bedrijfsactiviteiten op bedrijventerrein Teylingen niet zullen leiden tot een aantasting van een goed woon- en leefklimaat bij de woningen in het plangebied. Verder kan in beginsel geluid een relevant aspect zijn bij WKK-installaties. In de praktijk staan deze echter opgesteld in geluid geïsoleerde ruimten waardoor deze niet tot geluidhinder zullen leiden. Overige inpandige geluidbronnen (in kassen en werkruimten) dragen niet significant bij aan de geluidproductie en zullen niet tot hinder kunnen leiden bij woningen in het plangebied. Het merendeel van de glastuinbouwbedrijven wordt ontsloten via wegen ten oosten van deze bedrijven en daarmee aan de zijde die van het plangebied afgekeerd is. Laad en losactiviteiten en eventuele WKK-installaties zijn daarmee gelegen op veel meer dan 30 meter van het plangebied en afgeschermd van het plangebied door de tussenliggende kassen. Op de enkele locaties waar laad en los activiteiten wel plaatsvinden aan de westzijde van de glastuinbouwbedrijven is de laad/loslocatie gelegen op ca. 30-40 meter van het plangebied. Verder is bij deze bedrijven geen WKK-installatie aanwezig nabij het plangebied.

De werkelijk geluidproductie van de glastuinbouwbedrijven zal daarmee niet leiden tot een aantasting van een goed woon- en leefklimaat bij de woningen in het plangebied. Op 2 onbebouwde percelen is nog de uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf mogelijk. Gezien de ligging van deze percelen ligt het in de lijn der verwachting dat hier alleen uitbreiding van kassen worden gerealiseerd en geen ruimte voor laad/losactiviteiten of ruimten voor technische installaties (zoals een WKK). Tegenover deze percelen zijn overigens al bestaande woningen aanwezig waardoor nieuwbouwactiviteiten op deze locaties reeds zijn beperkt zijn door de bestaande woningen. Geconcludeerd wordt dat de bestemming Agrarisch-Glastuinbouw ten oosten van het plangebied nu en in de toekomst niet zal leiden tot een aantasting van een goed woon- en leefklimaat bij de woningen in het plangebied. 3.2.4

Conclusie

Het aspect Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling.

3.3

Geluid

3.3.1

Wettelijk kader

Wet geluidhinder

Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld terwille van het woon- en leefklimaat. 3.3.2

Onderzoek

Op 2 juni 2020 is door Goudappel Coffeng een akoestisch onderzoek verkeerslawaai opgeleverd (zie Akoestisch onderzoek). De wegen die van invloed zijn op de geluidsssituatie in het plangebied zijn: - Lorentzlaan - Braillestraat (30 km/h) - Poelkade (60 km/h) - Nieuwe wijkverzamelweg door plangebied (30 km/h) Een aantal wegen heeft een snelheidsregime van 30 k/h en daarmee is wettelijk gezien geen sprake van een formele geluidszone. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidssituatie langs 30 km/h-wegen voor de beoogde ontwikkeling wel beschouwd.

34

Overzicht van de wegvakken intensiteit

gemiddeld uurpercentage

plansituatie

t.o.v. etmaal (%/h)

wegvak

2030

licht verkeer

middelzwaar

zwaar vrachtverkeer

vrachtverkeer (^)

dag

avond

nacht

dag

avond

nacht

dag

avond

nacht

dag

avond

nacht

0,7

,

(mvt/etm) 1. Fluwijn

2.100

6,9

3,2

0,6

98,6

99,2

97,0

1,1

0,7

2,3

0,3

0.2

2 Nieuwe wijkverzamelweq

1.700

6,9

3,2

0,6

98,7

99,2

97,1

1,1

0,7

2,2

0,3

0,1

0,7

3 Nieuwe wijkverzamelweg

3.400

6,9

3,2

0,6

98,3

99,0

96,4

1,4

0,8

2,8

0,3

0,2

0,8 0,8

4. Grote Vos

3.400

6,9

3,2

0,6

98,3

99,0

96,4

1,4

0,8

2,8

0,3

0,2

5. Oijckerwaal

4 900

6,9

3,1

0,6

9S,9

97.6

91,5

3,3

2,0

6,5

0.8

0.4

2,0

6 Lorentzstraat

500

6,9

2,5

0,9

72,6

76,7

68,2

11,0

10,0

11,1

16,5

13,3

20,6

7. Braillestraat

500

6,9

2,5

0,9

72,6

76,7

68,2

11,0

10,0

11,1

16,5

13,3

20,6

8. Poelkade

150

6,9

3,2

0,6

98.0

98,0

98,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

Overzicht van de verkeersgegevens Poelkade Er is alleen sprake van bestemmingsverkeer van 34 woningen in de voorliggende situatie. Daarbij verspreidt het verkeer zich via de noordzijde naar de oostzijde. Er is uitgegaan van de maximale verkeersintensiteit van 150 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etmaal). De 48-dB contour van de voorkeursgrenswaarde ligt op de randen van de nieuwe woongebieden. De woningen zullen echter niet direct op de randen van de woongebieden worden gerealiseerd. Doordat de nieuwe woningen buiten de 48-dB contour vallen is nader onderzoek niet noodzakelijk en zijn geen hogere waarden noodzakelijk. Naar verwachting komt de Poelkade uiteindelijk binnen de uiteindelijke plansituatie binnen de bebouwde kom te liggen en wordt de maximumsnelheid 30 km/h. In dat geval neem ook de geluidsbelasting verder af.

Teyliņípn

MS 3

35

«

Lorentzstraat Om te voorkomen dat wordt uitgegaan van een onderschatting van de verkeershoeveelheid, is een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd met extra verkeer. Als uitgangspunt is een situatie genomen waarbij 1.500 extra personenauto's op het wegvak geprojecteerd zijn. Een verkeersintensiteit van 2.000 mvt/etmaal is derhalve onderzocht. Ten gevolge van de Lorentzlaan-Braillestraat is geen geluidsbelasting te verwachten die hoger is dan de vooreursgrenswaarde voor de nieuwe woningen. Aan de zuidzijde op de randen van het woongebied bedraagt de maximale berekende geluidsbelasting 51 dB. Deze geluidsbelasting is niet uitzonderlijk voor een dergelijk woongebied. Het vaststellen van hogere waarden ten gevolge van 30 km/h wegen is niet mogelijk.

1*

o - ie d6 - sĩ de 53 - 56 dS 5Î- 63 dB

Geluidscontour t.g.v. lorentzstraat - Braillestraat extra verkeer Nieuwe wijkverzamelweg door het plangebied Het plangebied wordt ontsloten via een centrale verzamelweg. Daarbij kan het verkeer het plangebied zowel vanuit noordelijke als zuidelijke richting bereiken.Rrondom de nieuwe wijkverzamelweg zijn geluidsbelastingen berekend die hoger zijn dan de voorkeursgrenswarde van 48 dB. De hoogst berekende geluidsbelasting bedraagt 57 dB op de randen van de bestemmingsvlakken. De geluidsbelastingen zijn echter niet hoger dan de geldende maximale ontheffingswaarde die geldt bij gezoneerde wegen. De berekende geluidsbelastingen zijn daarnaast niet uitzonderlijk voor wegen met een maximumsnelheid van 30 km/h met een wijkontsluitende functie. De geluidbelasting vanwege 30 km/uur wegen dient te worden beoordeeld in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Bij een hogere geluidbelasting dan de voorkeursgrenswaarde, dient in het kader van het woon- en leefklimaat de binnenwaarde te worden beschouwd. De binnenwaarde kan niet middels het Bouwbesluit worden gegarandeerd als er geen sprake is van hogere grenswaarden. Daarom is een gebiedsaanduiding 'specifieke vorm van wonen - geluidsbelasting' rondom de wijkverzamelweg opgenomen.

Indien woningen binnen deze zone worden opgericht dient vanwege de gecumuleerde geluidbelasting te worden aangetoond dat het binnenniveau maximaal 33 dB bedraagt conform het Bouwbesluit. Langs de overige woonstraten is de verkeersdruk en daarmee is er ook sprake van een lagere verkeersdruk. De nieuwe wijkverzamelweg door Waelpolder komt aan de achterzijde van een aantal bestaande woningen aan de Poelkade te liggen. Voor de maatgevende locaties is inzichtelijk gemaakt of er sprake is van geluidsbelastingen die hoger zijn dan de voorkeursgrenswarde. De nieuwe weg heeft geen formele geluidszone, maar is wel beschouwd in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Voor

36

geen van de bestaande woningen is een geluidsbelasting berekend die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Er is dan ook geen sprake van een onacceptabele geluidsbelasting en er is geen nader onderzoek naar geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk. 3.3.3

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

3.4

Luchtkwaliteit

3.4.1

Wettelijk kader

Wet luchtkwaliteit

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 (Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10)1)

Toetsing van

Grenswaarde

Geldig

jaargemiddelde concentratie

60 ìg/m3

jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie

40 ìgAr|3 48 ìgAr|3

2010 t/m 2014 vanaf 2015

jaargemiddelde concentratie

40 ìgAr|3

24-uurgemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 75 ìg/im max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg/im

vanaf 11 juni 2011 vanaf 11 juni 2011

Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007). Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien: * de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); * de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); * bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); * de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); * het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).

Besluit niet in betekenende mate (nibm)

In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: * een project heeft een effect van minder dan 107o van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en

37

PM10; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. *

3.4.2

Onderzoek

De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de toevoeging van 720 woningen. Hiermee wordt onder de aantallen gebleven zoals genoemd in de 'Regeling niet in betekende mate bijdragen'. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling niet in strijd is met het bepaalde in de Wet milieubeheer. Er bestaan voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Op de volgende afbeeldingen zijn de concentraties over 2019 van fijnstof (PM2,5 en PM10) en stikstofdioxide (NO2) weergegeven. Uit deze afbeeldingen blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de gestelde grenswaarde van 25 en 40 ìg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar.

38

’s Gravenzande

‘V

N02-concentratie Alleen toetspunten

'■f»' r-ļm

O

« 35 ugZm3

#

35 - 38-5 ugZm3

#

38.5* 40.5 M9/IT13

9

40.5 - 42.5 (jgZm3

s

» 42.5 pg/mî

Concentratie stikstofdioxide (N02) (NSL Monitoringstool Viewer)

ŕ/iïiiefll

Jbįmoàn

V. CD Teyitngtn

PMlO-concentratie .

.1

Wpffr \

. .V» «'«

■SjMn

^1

Alleen toetspunten

KÖS fi

.i

O

« 35 pg/mĵ

e

SS - 36. S pg/mS

m

m 38.5 - 40.S pg/rrrô

S3

«

40.5 - 42.S pgZm3

@

«

» 42.S pgZm3

@

Coneen ŕroŕ/e fĩjnstof (PMlćty (NS/. Mo n itoringstoot Viewer)

39

.‘s-Gravertiande

PM2.S-eaneentratie Alleen toetspunten

Y

O

< 20 pgZm3

3

«

20 - 23.5 pgZm3

gļ

«

23.5 - 25.5 wgZm3

e

25.5 - 27.5 pgZm3

0

> 27.5 pfl/m3

:şíl

Concentrotie fijnstof (PM2,5) (NSL Monitoringstooí Viewer)

's-Gravenzandc

.ŕ,tp«n

PM10 overschrijd ingsdager Alleen toetspunten 35 dagen 37 dagen 38 dagen 39 dagen 39 (jagçi

Aantal overschrý'dingzdag&i {P\ũ 0) (}ìSL ļíomloringstool ľiffwar)

3.4.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling.

3.5

Externe veiligheid

3.5.1

Wettelijk kader

Externe veiligheid is een begrip in het milieurecht en gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen. Als gevaarlijke stoffen kunnen worden genoemd vuurwerk, lpg en munitie. Het beleid en de wetgeving zijn erop gericht om maatregelen te treffen om de risico's van deze risicovolle activiteiten te reguleren.

40

Voor dit bestemmingsplan is toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de daarop gestoelde regelingen vereist. Op grond van de regels voor externe veiligheid moeten afstanden in acht worden genomen tussen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten. In de betreffende regelgeving wordt uitgegaan van een risicobenadering - en niet het volledig uitsluiten van het risico - waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het risico kan op een afbeelding zichtbaar worden gemaakt door een (iso)risicocontour die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt. Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers plaatsvindt. Het drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting, als bedoeld in de Wet milieubeheer, of bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet onderzocht - en verantwoord - worden omdat ook buiten de genoemde risicocontour van het plaatsgebonden risico nog letale effecten kunnen optreden in het invloedgebied van de risicovolle activiteit en groepen personen slachtoffer kunnen worden van een calamiteit. 3.5.2

Onderzoek

Inleiding

Voor deze ontwikkeling is door Aqua Terra Nova op 8 juli 2019 een rapportage Bedrijven en milieuzonering en externe veiligheid opgesteld (zie Bijlage 4 Bedrijven en milieuzonering en externe veiligheid). Externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico's die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen, waardoor de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het ruimtelijk besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden.

In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met het oog op de Modernisering Omgevingsveiligheidsbeleid van het Rijk wordt het accent verlegd van de risicobenadering naar een effectbenadering. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet zijn in dat verband de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations (Stcrt. 2016, 31453) en de Circulaire externe veiligheid LNG-tankstations (Stb. 2015, 3125) gepubliceerd en in werking getreden. Risicovolle inrichtingen

In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn milieukwaliteitseisen geformuleerd ter bescherming van de mens tegen de kans om te overlijden als gevolg van het vrijkomen of ontstaan van gevaarlijke stoffen bij een ongeval in een bedrijf of ander risicovol object. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op

41

een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour gerealiseerd worden. Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR. De aan te houden veiligheidsafstanden zijn voor nader beschreven situaties vastgelegd in de Regeling externe veiligheid inrichtingen. Voor overige gevallen dient de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour te worden berekend. Tot risicovolle inrichtingen behoren ook mijnbouwinrichtingen en inrichtingen voor de opslag van explosieven. In de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations wordt onderscheid gemaakt tussen (beperkt) kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten. De effectafstanden zijn respectievelijk 60 m en 160 m, gerekend vanaf het LPG-vulpunt. Tot de zeer kwetsbare objecten behoren verblijfsfuncties voor mensen die beperkt zelfredzaam zijn zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven. De circulaire is niet van toepassing op het vaststellen van een conserverend bestemmingsplan. De circulaire geldt evenmin voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten die al binnen de betreffende contouren aanwezig zijn.

De effectafstanden voor LNG-tankstations zijn afhankelijk van de aanwezige veiligheidsvoorzieningen. De systematiek is vergelijkbaar met die voor LPG-tankstations.

42

Plangebied

Legenda Ľ—i Onderzoeksgetaed

vbrcJacM op verme mgsisd mgen

Vrij van alls ÜĽ bul trakende diepte vrij van, alle CE ců1 ũribekende dieple

vfe-rdacm ap KKM en Mand- en geweergranalen * K * wrdacm op ale hooĩdaũūrten CE behalve awerpítiunme en «laerwarennunme

vnj van ontkende CE. lor onWkerK» dieple

vŵrŵcm op geschu&nur.MR KKM en Mand- en geweergmnslen

vardeem o* awefpm unit*

vprdacM op ōtìeGhutřïìuťnţlo, KKM, hand en gevrwrgrtmalen en aiwemnujoitie

verdijcm op v-wapens

VņrţfeicW op munitie voor gran DObwerperg

veiűacm dtp laiidiìiinen

i^iivulleiiü üiiütfituťh iiL-j'Jvdf.trlii?. ãifln :mlř-iT:-r-í Hr:nn*n Ecu Nirtp-’bind E in. KnriiKter L.'rlbĩ Mn VRZJU Rp ţv.-il-tvj.il *n newiHHiliin Hnllwdim rli-di ĩïhirn

CE-bodembelastingkaart Documenten de:

14SŪ23-BB-03

B ťhoor Į |] Ij r a ŗj fļ [] r 1:

14S02Ĵ-AQ-02

SARICON SAFETY Ã RlSK CONSULTANCY

Afbeelding ligging plangebied (rode lijn) op risicokaart Het plangebied bevindt zich niet in de directe nabijheid van risicovolle activiteiten binnen inrichtingen. De meest dichtbij zijnde risicovolle inrichtingen zijn: * LPG tankstation Texaco, Naaldwijkerweg 255a in 's-Gravenzande (nummer 1 in figuur 4.1). Het LPG vulpunt is gelegen op een afstand van 340 meter van het plangebied. Dit LPG tankstation valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Op grond van de Regeling externe veiligheid geldt een invloedsgebied van 150 meter rondom het LPG vulpunt en het LPG reservoir. Het plangebied

43

*

*

is gelegen buiten het invloedsgebied van het LPG tankstation. Brinkman Agro B.V., Woutersweg 10 in 's-Gravenzande (nummer 2 in figuur 4.1). Opslag van gevaarlijke stoffen: vloeibare meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen (opslagvoorzieningen M0 ton). Het bedrijf is gelegen op een afstand van 895 meter van het plangebied. Het plangebied is net gelegen buiten het invloedsgebied van de opslagvoorzieningen. Multifunctioneel centrum Maesemunde, Koningin Julianaweg 158 in 's-Gravenzande (nummer 3 in figuur 4.1). Opslag van chloorbleekloog t.b.v. het zwembad. Het zwembad valt niet onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Er gelden verder geen veiligheidsafstanden op grond van het Activiteitenbesluit.

De aanwezigheid van risicovolle activiteiten binnen inrichtingen vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied. Vervoer gevaarlijke stoffen

Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute. Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. In regio Haaglanden zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens tussen Leidschendam-Voorburg en Zoeterwoude (wegvakken Z8 en Z7), en de A13, tussen knooppunt Ypenburg en Deft-Zuid (wegvakken Z29 en Z113), basisnetafstanden vastgelegd. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd.

Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling. Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale). Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 m van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan.

Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 100Zo toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. In de toelichting moet worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid). Deze verplichting geldt ongeacht of het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van de betreffende transportroutes. Op het vraagstuk zelfredzaamheid moet worden ingegaan wanneer (beperkt) kwetsbare bestemmingen binnen het invloedsgebied van een dergelijke weg zijn geprojecteerd. Het invloedsgebied van de N467 valt voor een klein gedeelte over het plangebied. Voor de hoogte van het

44

groepsrisico is vooral de bebouwing dichtbij de transportroute van belang. Bebouwing die op grotere afstand van de transportroute is gelegen draagt minder bij aan de hoogte van het groepsrisico dan dichtbij gelegen bebouwing (met een zelfde personendichtheid). Vanaf een bepaalde afstand (mede afhankelijk van het aantal personen in het plangebied) draagt een ontwikkeling niet meer significant bij aan de hoogte van het groepsrisico. In het Besluit externe veiligheid transportroutes is daarom opgenomen dat een berekening en verantwoording van het groepsrisico achterwege kan blijven bij ruimtelijke ontwikkelingen die op meer dan 200 meter van een transportroute zijn gelegen. De N467 is gelegen op meer dan 200 meter van het plangebied, namelijk op ongeveer 305 meter. Een beschouwing en verantwoording van het groepsrisico op grond van artikel 8 van het Bevt kan hierdoor achterwege blijven. Wel dient op grond van artikel 7 van het Bevt te worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de N467 met een tankwagen met GF3-stoffen en de mogelijkheden van personen in de nieuw te bouwen woningen in het plangebied om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp op de N467 voordoet met een tankwagen met GF3-stoffen.

Bij een ongeval met een tankwagen met GF3-stoffen kan door beschadiging van de tankwagen een koude BLEVE ontstaan. Dodelijke effecten van een koude BLEVE reiken tot ca. 200 meter. Dit scenario leidt niet tot dodelijke slachtoffers in het plangebied. Als bij een ongeval met een tankwagen met GF3-stoffen brand ontstaat bij de tankwagen of daar omheen kan de tankwagen opwarmen waardoor uiteindelijk een warme BLEVE kan ontstaan. Bij een warme BLEVE zullen de optredende warmtestralingseffecten in het plangebied dermate beperkt zijn dat personen binnen gebouwen niet gewond zullen raken. Buiten kunnen personen gewond raken door de optredende warmtestraling. Deze personen kunnen zich in veiligheid brengen door te schuilen in gebouwen of achter gebouwen/objecten. De personen in het plangebied worden als zelfredzaam beschouwd en kunnen zelfstandig schuilen. De aanwezigheid van de N467 vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied. Buisleidingen

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten. De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan kan worden met een beperkte verantwoording: 1. 2.

Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100Zo letaliteitszone en de 1Zo letaliteitszone van de buisleiding, of Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 100Zo toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.

Het plangebied bevindt zich niet in de directe nabijheid van buisleidingen. De meest dichtbij zijnde buisleidingen zijn: *

Aardgas buisleiding W-522-05 van Gasunie (werkdruk 40 bar, diameter 16 inch, nummer 4 in figuur 4.1). De buisleiding is gelegen op een afstand van 468 meter van het plangebied. De

45

*

buisleiding heeft een 10 letaliteitscontour van 170 meter. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van de buisleiding. Aardgas buisleiding MN-411041 van de NAM (werkdruk 44 bar, diameter 6 inch, nummer 5 in figuur 4.1). De buisleiding is gelegen op een afstand van 297 meter van het plangebied. De buisleiding heeft een 10 letaliteitscontour tussen de 70 en 90 meter. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van de buisleiding.

De aanwezigheid van buisleidingen met gevaarlijke stoffen vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied. Explosieven

In de gehele strook langs de Nederlandse kust is er in de Tweede Wereldoorlog veel gebombardeerd. Ook zijn er vliegtuigen met niet afgeworpen bommen neergestort en waren er munitieopslagen van de bezetter aanwezig. Vooral bij werkzaamheden in sinds 1945 niet geroerde grond spelen deze risico's. Primair gaat het om risico's die behoren tot het domein van arbeidsveiligheid maar, gezien de afstand van het plan tot dichtbij gelegen bebouwing, zijn er ook risico's voor derden. Heien nabij een achtergebleven explosief kan op een afstand van 50 meter nog tot detonatie leiden. Het is naast een arbeidsveiligheidsprobleem dus ook een issue ten aanzien van openbare orde en veiligheid. In de gemeente Westland worden op verschillende plaatsen munitie en explosieven gevonden uit de WOII. Er is een gemeentelijke kaart opgesteld met mogelijk verdachte locaties en vindplaatsen van explosieven. Ter plaatse van eventuele vindplaatsen is in de bestemmingsplannen Glastuinbouwgebied Westland en Teylingen s-Gravenzande de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone-munitie' opgenomen. Binnen deze gebiedsaanduiding is het niet toegestaan werkzaamheden uit te voeren of werken aan te leggen, tenzij uit nader onderzoek blijkt dat dit verantwoord is. De locatie is getoetst aan de explosievenkaart (C.E. Bodembelastingkaart) van de gemeente Westland.

Ter hoogte van het plangebied is een vooronderzoek uitgevoerd door Saricon B.V. (projectnr. 14S023). Zie figuur 4.3. Het plangebied ligt aan de westzijde voor een klein gedeelte in een strook (voormalige tankgracht) waarop een verhoogde verdenking rust van de aanwezigheid van achtergebleven conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog (verdacht op alle hoofdsoorten CE behalve afwerpmunitie en onderwatermunitie). In het bestemmingsplan direct grenzend aan het plangebied (Teylingen s-Gravenzande) is voor deze tankgracht de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone-munitie' opgenomen. In de regels is een omgevingsvergunningsplicht opgenomen gericht op het beperken van veiligheidsrisico's. Dit deel van de tankgracht is overgenomen in het bestemmingsplan Waelpolder met de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone-munitie' om ervoor te zorgen, dat - in geval van werkzaamheden aan de oevers - een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd. Het overige deel van de tankgracht valt in de bestemmingsplannen Dijckerwaal fase 1 en Dijckerwaal fase 2.

46

Legenda a Onderzoeksgebied

ļļįţ Verdacľit op vernielingsladingen

Vrij von alle GE, tot bekende diepte

|

Vrij van alle CE, tot onbekende diepte

| Verdacht op KKM en hand- en geweergranaten XX| Verdacht op alle ľioofdsoorten CE behalve aíwerpmunitie en onderwatermunitie

Į^S^y\; Vrij van onbekende CE, tot onbekende diepte Verdacht op afwerpmunitie

Verdacľitop geschutmunitie, KKM en hand- en geweergranaten Verdacľitop geschutmunitie, KKM, hard- en geweergranaten en afwerpmunitie

ļ Verdacht op V-wapens

Verdacht op munitie voor granaatwerpers

Verdacht op landmijnen

Aanvullend onderzoek noodzakelijk Bion ondergrond: Bronnen: Esrî Nederland, Esri. Kadaster, CBS Min VROM. Rijkswaterstaat en gemeenten: Rotterdam. Brede, Tilburg

CE-bodembelastingkaart Documentcode: Behoort bij rapport:

14S023-BB-03 14S023-AQ-02

SARICON SAFETY fiį RISK CONSULTANCY

Uitsnede Explosievenkaart Westland 3.5.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen ontwikkeling voor deze planontwikkeling.

47

3.6 Water

3.6.1

Wettelijk kader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: * Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); * Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); * Waterwet. * Nationaal waterplan Provinciaal: * * *

Provinciaal Waterplan; Visie Ruimte en Mobiliteit; Verordening Ruimte en de waterverordening Zuid-Holland.

Nationaal beleid

Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering. Nationaal Waterplan

Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: « Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; * Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; * Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; * Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; * Nederlanders leven waterbewust. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie sluit aan op de uitgangspunten van het Nationaal Waterplan en vult deze op onderdelen aan. Uitgangspunten zijn het verbeteren van de waterkwaliteit, het voorkomen van wateroverlast, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. Provinciaal beleid

Het provinciaal waterbeleid voor de periode 2016-2021 bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) 2016 - 2021 en onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015.

48

In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zijn de ruimtelijke componenten opgenomen van het waterbeleid. Hoofdstuk 4 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid: * de ambitie om een duurzaam, concurrerende en leefbare Europese topregio te zijn. De Provincie bevordert de transitie naar een water -en energie efficiënte samenleving. Daar spelen het verbeteren van toekomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde een belangrijke rol; * aan het watersysteem worden grote uitdaging gesteld door verzilting, klimaatverandering, inklinking, veranderd ruimtegebruik en de daarbij passende veranderingen van het watersysteem; * het beter benutten van de kansen en natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de ondergrond is tevens een speerpunt van het provinciaal waterbeleid; * tenslotte door een verandering naar een duurzame voorziening in de energiebehoefte kan worden ingezet op een energie-efficiënte samenleving. De doelen, maatregelen en afspraken voor de kwaliteit van het water van grond- en oppervlakte water zijn opgenomen het Stroomgebied beheerplan Rijn-West 201-2015 (SGB-1). Voor opvolgende periode 2016-2021 is het SGB-2 op 22 december 2014 gereedgekomen. De invulling van de verantwoordelijkheid in dit SGB-2 is vastgelegd in de KRW 2016-2021. Het Waterplan Zuid-Holland 2015 was van kracht tot 22 december 2015.

Op grond van artikel 48 Waterwet moet het plan om de zes jaar door de Provinciale Staten worden herzien. Het is niet noodzakelijk om een nieuw plan vast te stellen. Voldaan kan worden met het nemen van een planherzieningsbesluit. Dit besluit is genomen op 29 juni 2016 en bekend gemaakt op 8 juli 2016. De onderdelen 'Waarborgen waterveiligheid (hoofdstuk 4)' en 'Realiseren mooi en schoon water (hoofdstuk 5)' en 'operationeel grondwaterbeleid (bijlage 7)' van het Waterplan 2015 blijven van kracht. De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (Visie Ruimte en Mobiliteit), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (Verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (Uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn bijvoorbeeld regels opgenomen met betrekking tot regionale keringen in bestemmingsplannen. Daarnaast is de Waterverordening Zuid-Holland van belang. Daarin zijn onder meer veiligheidsnormeringen voor regionale keringen en waterkwantiteitsnormen opgenomen. De waterkwantiteitsnormen geven aan, waar de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit op ingericht moeten zijn.

Deze normen definiëren de gemiddelde overstromingskans vanuit het oppervlaktewater per jaar van daarbij aan te wijzen gebieden. Het beschermingsniveau verschilt per vorm van landgebruik en is gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij overstromingen. De waterkwaliteitsnormen zijn gerelateerd aan het landgebruik en daarmee bepalend voor de mogelijkheden, die het bestemmingsplan biedt. De provincie heeft samen met de gemeente Den Haag en Westland een Visie Vaartenland opgesteld, een visie op hoe de vaartenstructuur in Westland en Den Haag recreatief/toeristisch en economisch elkaar kan versterken. Het project Westlandse Waterlijnen heeft de provincie in samenwerking met heel veel stakeholders uit het gebied ten westen van het Rijn-Schiekanaal opgesteld (Westland, Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis). Dit heeft een wensenlijst met een soort top 5 opgeleverd, met betrekking tot versterking van de vaarrecreatie en economische spin-off, waar burgers, verenigingen en ondernemers hun zinnen op hebben gezet. Verder is in de Visie Ruimte en Mobiliteit aangegeven dat de juridische borging en versterking van het vaarnetwerk overgedragen is aan de gemeenten die hierop hun lokale beleid en bestemmingsplannen moeten aanpassen. Waterschapsbeleid

Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap'. In dit Waterbeheerplan 5 (WBP 5) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5

49

staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: * * * »

de waterveiligheid; het waterbeheer; de waterkwaliteit; het zuiveren van afvalwater.

Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Delfland voert zijn kerntaken uit ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leefomgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheergebied. Het is een uitdaging om bij de uitvoering van die taken aan te sluiten bij de beleving en de behoeften van de maatschappij. Waterbewustzijn vormt de onmisbare schakel voor draagvlak. Delfland wil dat mensen zich in de komende planperiode bewust worden van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van Delfland in de komende planperiode. De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap: 1. In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden. De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. Delfland werkt bij het bestendigen van het beheer van de infrastructuur toe naar de levenscyclusbenadering; 2.

Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afvalwatersysteem. Dit betekent de kans op natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer vast te houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voor de multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeteren en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen tot zoetwaterfabrieken. Bij elk project, proces en activiteit worden de innovatieve mogelijkheden en de meest duurzame wijze van uitvoering meegenomen in de afwegingen; 3. Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven. De samenwerking in het waterbeheer is pluriform van karakter. Het waterschap speelt hierop in door goed omgevingsmanagement en door op basis van transparantie en vertrouwen de samenwerking te zoeken en structureel te onderhouden. Delfland wil het waterbewustzijn bevorderen door samenwerking met belanghebbenden en delen van verantwoordelijkheden; 4. Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen.

Duidelijke kaders worden neergezet, zoals financieel gezond en bijdragen aan toekomstbestendig waterbeheer, maar dogma's zijn er niet. Dit betekent dat er in de werk- en beleidsprocessen van de ambtelijke organisatie en bij bestuurlijke besluitvorming binnen de wettelijke mogelijkheden voldoende ruimte moet zijn om maatwerk te leveren. Innovatie fungeert daarbij als aanjager om te blijven vernieuwen, mee te bewegen met veranderingen en te voorkomen dat het waterschap statisch wordt. In 2007 (herzien in oktober 2018) is een Handreiking Watertoets, ruimte voor water in ruimtelijke plannen opgesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland stelt voorwaarden aan de inhoud van de watertoets (waterparagraaf) als verplicht onderdeel van de onderbouwing van ruimtelijke plannen. De watertoets berust op twee uitgangspunten: *

»

Standstill-beginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; Het is belangrijk om water al bij de locatiekeuze en het ontwerp van ruimtelijke ontwikkelingen als ordenend principe te gebruiken. Dat voorkomt het ontstaan van knelpunten achteraf, zoals (grond)wateroverlast of slechte waterkwaliteit; Verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Het gaat daarbij ook om de relatie tussen de verschillende waterthema's (droogte en wateroverlast, afvalwater, waterkwaliteit en ecologie, waterkeringen). Waterknelpunten en/of problemen met waterkeringen worden niet afgewenteld op de omgeving of verschoven naar de toekomst

50

De toelichting van bestemmingsplannen dient een beschrijving te bevatten van de volledige watersituatie binnen het plangebied, alsmede de te verwachten ontwikkelingen. Deze beschrijving dient in te gaan op de volgende aspecten: * Beleidskader omtrent water; « Veiligheid en waterkeringen; * Waterkwantiteit; * Grondwater en voorkomen van (zoet) water te kort; * Onderhoud en bagger; * Watersysteemkwaliteit en ecologie; * Afvalwater en riolering; * Klimaatadaptie.

Gemeentelijk beleid Het Waterplan Westland , met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: ’’Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie", worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd.

WATERPLAN WESTLAND WESTLAND WATER, NU EN LATER

3;februari 2

51

3.6.2

Onderzoek

Het te ontwikkelen gebied ligt in de Poelpolder en heeft een oppervlak van circa 26,2 ha. Het plangebied ligt tussen 's-Gravenzande en Naaldwijk in. Het plangebied grenst aan de westzijde aan de Nieuwe Vaart en aan de oostzijde aan de Poelwatering. Deze primaire watergangen behoren tot het boezemstelsel van Delfland. Het plangebied ligt in peilgebied 1 van de Poelpolder, het vigerend waterpeil is NAP -1,83 m. Rondom het plangebied ligt de Delflandse boezem met een waterpeil van NAP -0,43 m. In het noordelijk deel van het plangebied loopt in het midden van het gebied de Toetocht. Haaks op de Toetocht ligt de Molensloot waar het poldergemaal zich bevindt. Het plangebied wordt in een noordelijk en zuidelijk deel gedeeld door een boezemwatergang die de Nieuwe Vaart met de Poelwatering verbindt. In onderstaand figuur is ook de toekomstige inrichting van het plangebied weergegeven. De Toetocht wordt verbreed en deels naar het westen verlegd. Aan de zuidzijde wordt middels een inlaat een verbinding gemaakt met het boezemwater. Pal ilcr 3« ilcc ijc UebMrne

V»rh«rd«g

gemaal

IrļottM gcM

ķ'taivng

molensloot

ï«ekw»stnļe uliKl

Werven

toetocht

[tctloţlď* {44*1

PirVee'defc

boezem PI»- irai SktlMUI pcl3*r

Boeier S«ilajn9 UMl Vwhartì"g

irļMftur ļ*»*c W.Kgrcŕ' iMlļgicfi* 2(4*1 B**f tnaWir

r*'

Veiligheid en waterkeringen

Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. In de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland zijn de ligging en de minimale afmetingen van de waterkeringen vastgelegd. Rondom de keringen is een keurzone vastgesteld. Deze bestaat uit het waterstaatswerk (de daadwerkelijke kering) en een beschermingszone. Binnen het waterstaatswerk en de beschermingszone zijn op basis van de Keur Delfland beperkingen gesteld aan activiteiten die het waterkerend vermogen van de kering nu en in de toekomst kunnen aantasten.

52

Het plangebied Waelpolder ligt in de Poelpolder, deze polder wordt beschermd door een regionale kering. De kering is opgenomen in de Legger van het hoogheemraadschap van Delfland en voldoet aan de vastgestelde normen. De regionale waterkering heeft minimaal veiligheidsklasse III. Delfland heeft in een notitie van 12 mei 2014 "Masterplan Het Nieuwe Water" vastgelegd dat de verstedelijking van de Poelpolder niet leidt tot een zwaardere veiligheidsklasse. De overgang tussen polder en boezemland in het zuidelijke deel van het plangebied wordt gevormd door een nieuwe boezemverbinding tussen de Nieuwe Vaart en de Poelwatering inclusief nieuwe boezemkade (per besluit Delfland 24 april 2017, DSM nr. 1304715). De bestaande boezemverbinding die de polder doorsnijdt blijft o.a. vanuit cultuurhistorisch oogpunt gedeeltelijk (oostzijde) behouden. Binnen de leggerzoneringen gelden beperkingen op grond van de Keur. Zonder watervergunning mogen geen activiteiten worden uitgevoerd zoals bouwen, aanleggen van wegen, ontgraven of ophogen en het aanbrengen van kabels en leidingen. In Figuur 2 is het geldende leggerprofiel voor de boezemkades weergegeven. In het waterhuishoudkundigplan Waelpark wordt voorgesteld om het waterpeil te wijzigen van een vast peil van NAP -1,83 m naar een flexibel peil met een minimum peil van NAP -1,83 m en een maximaal peil van NAP -1,68 m.

De veiligheid van de boezemkade wordt niet negatief beïnvloed door het peilvoorstel.

Leggerprofiel variant nr. 9

kruinhoogte: NAP *u,1um

boezempeil

leggerdiepte boezemwater maaiveld U,5m *pp

buitentalud onderwaterbeloop buitentalud bovenwaterbeloop

beschermings zone

Voor begrenzing van waterstaatswerk en beschermingszones; zie leggerkaart

kruin

binnentalud

waterstaatswerk

beschermings zone

leggerprofiel behoort niet tot leggerprofiel

Uitsnede Leggerkaart Hoogheemraadschap Delfland 'Legger Regionale Waterkeringen'

Wa terkwantiteit

Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur met voldoende mogelijkheden voor waterberging. Dit streven heeft uiteindelijk tot doel wateroverlast voor de nieuwe en de al aanwezige functies in het gebied te voorkomen. Bij het voorkomen van wateroverlast en het verwerken van hemelwater hebben perceeleigenaar, gemeente en Delfland elk een verantwoordelijkheid. De perceeleigenaar moet het hemelwater zoveel mogelijk zelf verwerken en vasthouden bij de plaats waar het valt, bijvoorbeeld een (slimme)regenton. De gemeente draag zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Dit betekent, dat de gemeente in eerste instantie en initiatiefnemers/perceel eigenaren inspanning moet doen om dit hemelwater vast te houden of terug te brengen in de bodem. Vervolgens kan het (al dan niet na zuivering) worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Delfland is vervolgens verantwoordelijk voor de ontvangst van hemelwater in het

53

oppervlaktewater. Het waterpeil Het plangebied maakt deel uit van het peilgebied GPG2014POP 1 van de Poelpolder. Het vigerende peil in het peilgebied is NAP -1,83 m. Binnen het plangebied worden op verschillende locaties Natte Ecologische Zones (NEZ's) ingericht. Voor het optimaal functioneren van deze zones is een flexibel peil gewenst waarbij delen van de oevers in de zomerperiode droogvallen en in de winterperiode weer onderlopen. Dit is namelijk optimaal voor de kieming van de oevervegetatie en de ondergedoken waterplanten. Het voorstel is om een flexibel peil in te stellen met een minimum peil van NAP -1,83 m en een maximum peil van NAP -1,68 m. Door het flexibel peil kunnen delen van de oevers in de droge periodes droogvallen en in de nattere periodes onder water komen te liggen. Ter hoogte van Poelkade 18 ligt het gemaal Poelpolder. Het gemaal loost het overtollige water uit de polder op de boezem. Het gemaal heeft een maximale capaciteit van 16 irP/min. Het totale oppervlak van de Poelpolder is ongeveer 42 ha, de gemaalcapaciteit is daarmee 55 mm/dag. In stedelijke gebieden geldt een referentieafvoer van 21,6 mm/dag. Als er ook rekening wordt gehouden met 4 mm/dag kwelbelasting dan is de totale benodigde afvoercapaciteit circa 26 mm/dag. De gemaalcapaciteit voldoet daarmee ruimschoots aan de benodigde capaciteit.

Het vergroten van de gemaalcapaciteit is niet noodzakelijk. Ter hoogte van Dijckerwaal 24 bevindt zich de bestaande boezeminlaat, het betreft een inlaat met een diameter van 400 mm en lengte van circa 33 meter. Vanwege de kweldruk is het inlaten van boezemwater voor peilhandhaving niet noodzakelijk. Het inlaten van boezemwater is wel nodig voor de verversing van het oppervlaktewater in het peilgebied.

54

Baakwonín

■lilde

De Hoeksteen 5 -0.43

”U

I r vli n gr

iļ» -043/wp-1.20

0.43 /wp -1.20

2p -0.43 t wp -075 ľp-0 43 Oms1.i1

-025

\JN467

Peilgebied GPG2014POP 1 in de Poelpolder. Drooglegging Door de wijziging van landgebruik in de Waelpolder van voornamelijk glastuinbouw naar bebouwing en infrastructuur verandert de geldende droogleggingsnorm in het plangebied. De drooglegging in bebouwd gebied wordt bepaald in overleg met de gemeente. Bij nieuwbouw adviseert het hoogheemraadschap van Delfland een drooglegging van minimaal 1,20 meter om mogelijke grondwaterproblemen en wateroverlast in de toekomst te voorkomen. Voor de woningen op polderniveau is de bovengrens van NAP -1,68 m van het voorgestelde peil maatgevend. Hierbij wordt aangenomen dat de maximale opbolling van de grondwaterstand 0,20 meter is, de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) is dan NAP -1,48 m. De gewenste ontwateringsdiepte voor woningen met een kruipruimte is 0,10 meter. De onderkant van de kruipruimte ligt dan maximaal op een diepte van NAP -1,38 m. De vloerdikte van de kruipruimte en woning en de vrije hoogte in de kruipruimte is in totaal 1 meter. Het minimale vloerpeil voor de woningen op polderniveau komt hierdoor te liggen op NAP -0,38 m. In verband met de grondslag en mogelijke fluctuaties van het peil is afgesproken om een vloerpeil van NAP -0,05 m en een kruinhoogte van NAP -0,25 m voor de rijbaan aan te houden.

55

Waterberging Het plangebied Waelpolder omvat een gebied van ca. 26,2 ha (incl. boezem). Om wateroverlast te voorkomen dient het oppervlaktewatersysteem over voldoende bergings- en afvoercapaciteit te beschikken. In het kader van de ontwikkeling zijn door Delfland gebiedsgerichte normen bepaald, waarbij een maximale peilstijging van 0,35 m in de boezem en 0,60 m in de polder in acht moet worden genomen. Afhankelijk van het te realiseren verhardingspercentage levert dit voor Waelpolder een bepaald oppervlak aan benodigde waterberging. In onderstaande tabel is het benodigde bergingsoppervlak voor een aantal verhardingspercentages berekend. Op basis van het stedenbouwkundig plan wordt het totaal aan verharding in de polder geschat op 15,1 ha, dit komt over-een met een verhardingspercentage van circa 600Zo. In de boezem wordt het totaal aan verharding geschat op 1,2 ha, dit komt ook overeen met een verhardingspercentage van circa 600Zo. Hierdoor is de bergingsopgave in de polder 18.689 m2 en in de boezem 2.604 m2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=efdaa1ef-378a-466d-a0e8-f9c2abaa42eb