2.10b) toelichting (21-0350333)
Tekst van het document
GALGEWEG 3 NAALDWIJK bestemmingsplan NL.IMRO.1783.GWGALGEWG3obp-ON01 ontwerp
Toelichting
3
4
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
3 Inleiding
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Ligging plangebied
6
1.3
Geldend bestemmingsplan
6
1.4
Leeswijzer
7
Hoofdstuk 2
Gebiedsvisie
8
2.1
Beleidskader
8
2.2
Ruimtelijk-functionele structuur
16
2.3
Gebiedsvisie
17
Hoofdstuk 3
Onderzoek
19
3.1
Ladder voor duurzame verstedelijking
19
3.2
Bedrijven en milieuzonering
20
3.3
Geluid
21
3.4
Luchtkwaliteit
22
3.5
Externe veiligheid
24
3.6
Water
29
3.7
Bodem
36
3.8
Ecologie
37
3.9
Cultuurhistorische aspecten
42
Hoofdstuk 4
Juridische planbeschrijving
44
4.1
Planvorm
44
4.2
Bestemmingsregeling
46
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
48
5.1
Economische uitvoerbaarheid
48
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
48
5
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Aanleiding voor deze ontwikkeling is de wens van het Hoogheemraadschap van Delfland en de gemeente om in het kader van klimaatadaptatie en een goede waterkwaliteit voor het gehele Westland te voorzien in waterberging en natte ecologische zones in het boezemwatersysteem. Op het perceel Galgeweg 3 -direct gelegen aan de Poelwatering- is een waterberging op boezempeil met ecologie in het gebied. voorzien om een bijdrage te leveren aan de waterbergingscapaciteit en ecologische en recreatieve doelstellingen. De locatie wordt op boezempeil gehouden en ecologisch ingericht met natuur-vriendelijke oevers en/of vispaaiplaatsen (natte ecologische zones). Daarmee levert het gebied als stepping-stone langs de Poelwatering een bijdrage aan de Kaderrichtlijn Water (KRW). Tevens kan er op boezempeil ca. 5000 m3 water worden geborgen doordat het gebied meeloopt met de natuurlijke peilstijging bij hevige neerslag. Daarnaast zijn de gemeente en de eigenaar van de grond aan de Galgeweg 3 te Naaldwijk al geruime tijd ìn gesprek over het opheffen van het bestaand strijdig gebruik met het bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Westland". Deze ontwikkeling maakt het mogelijk om strijdigheden op te heffen danwel te legaliseren en ter plaatse een burgerwoning, natuur en groen en een natte ecologische zone en/of natuurvriendelijke oevers mogelijk te maken.
1.2
Ligging plangebied
De locatie bevindt zich tussen de kernen 's-Gravenzande en Naaldwijk en is gelegen aan de Galgeweg, welke de hoofdverbinding vorm tussen Naaldwijk en 's-Gravenzande. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Naaldwijk, ingeklemd tussen de Opstalweg aan de oostzijde, de Galgeweg aan de zuidzijde en de Poelwatering aan de westzijde met aan de overzijde de uitbreidingswijk Waelpark. In het plangebied is bestaande bebouwing aanwezig met een agrarische glastuinbouwfunctie.
Figuur 1: Ligging plangebied
1.3
Geldend bestemmingsplan
Binnen het plangebied waren, voor het van kracht worden van dit bestemmingsplan, de volgende planregimes van kracht: Glastuinbouw Westland.
6
figuur 2: Bestemmingsplan 'Glastuinbouw Westland' uitsnede planverbeelding plangebied
De voorgenomen ontwikkeling is in strijd met het vigerende bestemmingsplan Glastuinbouwgebied Westland" vastgesteld op 19 december 2012. De ontwikkeling is gelegen op gronden met de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw' met de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 2' en de functieaanduiding 'Specifieke vorm van waarde-2'. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken dient het bestemmingsplan gewijzigd te worden.
1.4
Leeswijzer
Het bestemmingsplan "Galgeweg 3 Naaldwijk" bestaat uit een toelichting, planregels en een planverbeelding. De toelichting is als volgt opgebouwd. In Hoofdstuk 2 komt de gebiedsvisie aan de orde. Hierin wordt de ruimtelijke en functionele hoofdstructuur van het plangebied beschreven met aandacht voor cultuurhistorisch waardevolle elementen, overige ruimtelijke kwaliteiten, aanwezige knelpunten en te verwachte ontwikkelingen. Dit tezamen leidt tot een beschrijving van de gemeentelijke visie op het gewenste behoud en beheer van de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied. In Hoofdstuk 3 wordt onderzoek op het gebied van milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie en water behandeld. In Hoofdstuk 4 wordt dieper ingegaan op de planvorm en de achtergrond bij de regels die zijn opgenomen voor de verschillende bestemmingen. Tot slot wordt in Hoofdstuk 5 ingegaan op de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
7
Hoofdstuk 2 2.1
Gebiedsvisie
Beleidskader
De beleidscontext voor de visie op het plangebied wordt gevormd door gemeentelijke, regionale, provinciale en landelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat. Het hier samengevatte beleidskader is niet uitputtend. In de toelichting wordt op een aantal plaatsen verwezen naar specifiek beleid of beleidsnotities die niet in deze paragraaf worden behandeld. Tot slot wordt in dit hoofdstuk een beschrijving gegeven van de visie op het plangebied. Deze visie is gericht op het behoud en beheer van de ruimtelijke kwaliteit. 2.1.1
Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie 2.0: Visie op Westland Op 8 december 2020 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie 2.0: Visie op Westland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat onder andere in op de samenhang tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur en cultureel erfgoed. De Omgevingsvisie is breder dan alleen de fysieke leefomgeving; ook onderwerpen als gezondheid, veiligheid en duurzaamheid moeten onderdeel uitmaken van de visie. De Omgevingsvisie geeft weer waar we met Westland naartoe willen en bindt de gemeente aan haar eigen voornemens en ambities. De Omgevingsvisie werkt door in het (later nog op te stellen) omgevingsprogramma, waarin beleidsvoornemens en maatregelen staan die dienen om de doelen in de leefomgeving te bereiken. De Omgevingsvisie geeft ook richting aan het ontwikkelen van het omgevingsplan. Hierin worden de algemene regels en vergunningsplichten vastgelegd die bindend zijn voor burgers en bedrijven (bestemmingsplannen en verordeningen worden hiermee vervangen). De belangrijkste opgave is het verhogen van de leefkwaliteit in Westland, waarbij het sociaal-maatschappelijke en economische belang van het tuinbouwcluster niet uit het oog wordt verloren. De oorspronkelijke structuren in het landschap moeten behouden blijven, net als de gemeenschapszin in de dorpen. Westland wil een groenere, gezonde en aantrekkelijke gemeente zijn.
Met een people - planet - profit benadering, vindt vergroening plaats langs de belangrijke groene verbindingen en in de wijken, terwijl initiatiefnemers en ontwikkelaars worden gevraagd groeninclusief te ontwerpen en in te richten. Een klimaatbestendig beleid wordt doorgevoerd in ruimtelijke inrichting, nieuwbouw en verkeersmaatregelen. Bodemwarmte moet worden benut en er wordt aangesloten op warmtenetten in de regio. Betere bereikbaarheid en een toonaangevende rol op het gebied van kennis, innovatie en duurzaamheid in de Greenport blijven een belangrijke rol spelen. De autonome groei van inwoners wordt geaccommodeerd door het invullen van de zachte plannen voor woningbouw in combinatie met inbreiding door bv. hoger te bouwen. De kwaliteit van de omgeving wordt verbeterd met een groen/blauwe inrichting (groene daken, beleefbaar groen en waterberging) om hittestress en wateroverlast tegen te gaan. Voor 2040 wordt één vierkante meter groen per huishouden extra gerealiseerd, voor nieuwbouwprojecten geldt een norm van 50 m2 verblijfsgroen per woning. Bij projectontwikkeling worden zoveel mogelijk de minimale eisen uit het Convenant Klimaatadaptief Bouwen gehanteerd en is het uitgangspunt dat niet langer gebruik wordt gemaakt van fossiele brandstoffen. Het woningaanbod moet aansluiten bij de Westlandse behoeften en economisch verbondenen.
Westland wil meer dan 8000 woningen realiseren, waarvan een grote opgave betaalbaar wonen. Er ligt ook een opgave voor de huisvesting van (tijdelijke) arbeidsmigranten. Het duurzaam glastuinbouwgebied behoudt voldoende kritische massa om een innovatieve glastuinbouwgemeente te blijven, maar het toevoegen van beleefbaar groen mag ten koste gaan van glastuinbouw. De glastuinbouw produceert in de toekomst circulair, wordt energieneutraal en klimaatadaptief. Om de modernisering en herstructurering op gang te brengen moet er letterlijk ruimte worden gemaakt, bv. door het uitplaatsen van (bedrijfs)woningen naar de dorpen. Integrale
8
gebiedsplannen moeten betaalbaar en met voldoende draagvlak gerealiseerd kunnen worden. Langs de kust is een strand dat uitblinkt in rust en ruimte met een goede balans tussen natuur en recreatie. Daarnaast wil Westland sluitende recreatieve netwerken creëren voor verschillende gebruiksgroepen d.m.v. robuuste groen-blauwe aders. Er wordt ingezet op een hoogwaardige OV verbinding tussen Den Haag en de Hoekse Lijn richting Delft. Bepaalde bedrijventerreinen kunnen uitbreiden, in de kernen worden (compacte) kernwinkelgebieden aangewezen. Rond 2030 zijn grote ingrepen nodig om de infrastructuur op orde te houden (vrijliggend logistiek netwerk, ongelijkvloerse kruispunten), er komt een verkenning naar de mogelijkheden voor lightrail. Het fietsnetwerk binnen en van/naar Westland wordt verbeterd met o.a. metropolitane fietspaden. Vrachtverkeer krijgt wellicht hubs en goede doorstroming naar de A4/A20 blijft een belangrijk aandachtspunt. Natuurgebieden (Natura 2000 en het Natuur Netwerk Nederland) moeten robuust, veerkrachtig, aaneengesloten en beleefbaar worden gemaakt. Voor 2030 zijn ontbrekende zones en schakels in ecologische verbindingen ingevuld, zodat de biodiversiteit bevorderd wordt. De waterkwaliteit moet worden verbeterd en er komt meer ruimte voor het vasthouden van water.
Dit vraagt ook inspanningen van de glastuinbouw om meer circulair te worden, minder grondwater te onttrekken en water te bergen. De toekomstkaart van Westland:
Mobiliteitsvisie Duurzaam Bereikbaar Westland Op 10 december 2019 is de Mobiliteitsvisie Duurzaam Bereikbaar Westland vastgesteld door de gemeenteraad. Het gemeentelijk mobiliteitsbeleid was tot de vaststelling van deze Mobiliteitsvisie gebaseerd op het Westlands Verkeer- en Vervoerplan 2005-2015 (WVVP) en de Structuurvisie Westland 2025. Veel van de in het WVVP opgenomen doelstellingen en uitvoeringsprogramma's zijn gerealiseerd, dan wel waren aan herziening toe. Na vaststelling van de Mobiliteitsvisie is het WVVP komen te vervallen. De structuurvisie 2025 niet. Er komt steeds meer verkeer in Westland. Om ervoor te zorgen dat we nu en in de toekomst nog vlot tussen dorpen en van dorp naar steden kunnen reizen, maken we plannen en nemen we maatregelen. De volgende mobiliteitsdoelen zijn opgenomen in de Mobiliteitsvisie 2040: Logistieke bereikbaarheid; De auto minder dominant; Volwaardige alternatieven voor de auto; Westland verkeersveilig; Duurzaam Bereikbaar Westland. Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018 In de vergadering van burgemeester en wethouders van 16 januari 2018 is de 'Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018' vastgesteld. Hiermee vervalt de verwijzing naar het WVVP.
9
In het beleid is de parkeernormering van de gemeente Westland geactualiseerd en in overeenstemming gebracht met de meest recente kerncijfers van het CROW (landelijke richtlijnen). Beleidsnotitie conventionele explosieven in het Westland In de beleidsnotitie conventionele explosieven in het Westland wordt beschreven hoe om moet worden gegaan met diepte werkzaamheden op locaties die mogelijk conventionele explosieven bevatten. De basis voor het gemeentelijk beleid voor het opsporen van explosieven is de explosieven risicokaart. Deze kaart geeft een eerste indicatie van het mogelijke gevaar van diepte werkzaamheden op bepaalde locaties in het Westland. In het projectgebied zijn geen mogelijke vindplaatsen van conventionele explosieven aanwezig. Handhaven op maat Op 17 november 2015 hebben burgemeester en wethouders van Westland de beleidsnota 'Handhavingsbeleid, integrale handhaving Wabo taken' vastgesteld. Hierin zijn de doelen en richting voor milieuhandhaving en bouw- en woningtoezicht beschreven. De naleving van wet- en regelgeving is daarbij een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeente, burgers en bedrijven. De wet- en regelgeving zijn bedoeld om kwaliteit, veiligheid en leefbaarheid binnen de leefomgeving te beschermen en te bevorderen en dat is in ieders belang.
Dit draagt bij aan een prettige woon-, werk- en leefomgeving voor de burgers en ondernemers van de Gemeente Westland. De handhaving van de regelgeving vervat in dit plan is een bevoegdheid van burgemeester en wethouders. Het gaat daarmee vooral om de planregels inzake het bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken. Een aantal vormen van gebruik wordt specifiek aangeduid als strijdig met de bestemming, zodat handhavend optreden hiertegen eenduidig mogelijk wordt gemaakt. Uiteraard betreft het hier een niet-limitatieve opsomming. Handhaving van dit plan is van belang om de ruimtelijke kwaliteit en de leefbaarheid er van in stand te houden. Daarnaast heeft handhaving uiteraard ook een belangrijke functie in het kader van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. De planregels in dit plan zijn voldoende duidelijk, concreet en toepasbaar om te kunnen handhaven. Handhaving van het plan zal in de praktijk primair plaatsvinden via de bestemmingsplantoets in het kader van de omgevingsvergunning en door feitelijk toezicht op de aanwezigheid van bouwwerken en op gebruiksactiviteiten. Binnen de gemeente heeft het team bouw- en woningtoezicht van de afdeling Ruimte, Omgeving en Veiligheid hierin een centrale taakstelling. Bij gebleken strijdigheid met het plan wordt, afhankelijk van de prioriteitsstelling, een handhavingstraject ingezet.
Woonvisie 2020-2030 De Woonvisie 2020-2030 is een actualisatie van de Woonvisie Westland 2030 die is opgesteld in 2016 en vastgesteld door de raad in 2020. Met de actualisatie krijgt de gemeente de gelegenheid om integraal de afweging te maken voor welke doelgroep er gebouwd moet worden in Westland op basis van actuele gegevens. De visie vormt de basis voor nieuwe woningmarktafspraken met de regio Haaglanden, afspraken voor huisvesting van arbeidsmigranten, zorginstellingen en de prestatieafspraken met de woningcorporaties. Conclusies Woonvisie De conclusies die uit de "Woonvisie 2020-2030" getrokken kunnen worden zijn: de behoefte aan sociale huurwoningen blijft onverminderd groot en krijgt een belangrijke plaats in het (ambitieuze) bouwprogramma; blijvende aandacht voor de groep middeninkomens is gerechtvaardigd; het aantal 70-plussers verdubbelt, zodat wonen met zorg verder moet worden ontwikkeld; de huisvestingsopgave voor arbeidsmigranten is substantieel; flexwonen krijgt een plaats in het bouwprogramma. Voor nieuwe bouwplannen geldt in beginsel de volgende verdeling in prijssegmenten: 45% dure/extra dure koop, 20% middeldure koop/huur, 5% goedkope koop, 30% sociale huur. Daarbij geldt een ambitie voor zorg- en ouderenwoningen en de huisvesting van arbeidsmigranten.
Beleid en beleidsregels voor opslag en verkoop van consumentenvuurwerk in Westland In deze Nota wordt aangegeven dat het wenselijk is een goede ruimtelijke spreiding van de
10
verkooppunten van consumentenvuurwerk te bewerkstelligen. Doel bij een ruimtelijke benadering is het bereiken van een gelijkmatige spreiding van (kleine) bedrijven voor verkoop en opslag van consumentenvuurwerk over Westland, om op deze wijze straathandel en vuurwerktoerisme zoveel mogelijk te voorkomen. Daarbij moet er binnen elk verzorgingsgebied sprake zijn van voldoende (vuurwerk)aanbod om de lokale markt te voorzien en zodoende illegale handel in principe overbodig te maken en te voorkomen. Het uitgangspunt voor opslag en verkoop van consumentenvuurwerk van de gemeente Westland is: Ruimte bieden aan ondernemers voor opslag en verkoop van consumentenvuurwerk met inachtneming van veiligheid en milieuregelgeving onder voorwaarde van een goede ruimtelijke spreiding. Met daarbij de volgende randvoorwaarden: in de gemeente Westland wordt alleen consumentenvuurwerk opgeslagen.
Opslag en verkoop van professioneel vuurwerk is niet toegestaan; iedere vestiging van opslag en verkoop van consumentenvuurwerk zal worden getoetst aan voldoende ruimtelijke spreiding in de gemeente Westland; in de gemeente Westland worden maximaal 18 vestigingen voor opslag- en verkooppunten van consumentenvuurwerk toegestaan; opslag tot en met 1.000 kg is beperkt toegestaan in de dorpskernen; nieuwe vestiging in dorpskernen is niet toegestaan; de vestiging van bedrijven met een opslag tot en met 10.000 kg heeft de voorkeur in gebieden waar een bedrijfsbestemming geldt of in tuincentra; opslag boven de 10.000 kg consumentenvuurwerk is uitgesloten; bestaande bedrijven in strijd met deze uitgangspunten mogen de activiteiten voortzetten. In de planregels van het voorliggende bestemmingsplan is opgenomen dat opslag en verkoop van consumentenvuurwerk niet is toegestaan. Convenant klimaatadaptief bouwen Zuid-Holland (2018) Nieuwbouwlocaties in Zuid-Holland worden zoveel mogelijk klimaatadaptief gebouwd, zodat ze bestand zijn tegen weersextremen als gevolg van klimaatverandering. Deze ambitie is vastgelegd in het convenant (overeenkomst) klimaatadaptief Bouwen. Dit is ondertekend door onder meer bouwbedrijven, gemeenten -waaronder Westland-, de provincie, waterschappen, maatschappelijke organisaties, financiers en projectontwikkelaars.
Klimaatverandering heeft grote impact op de leefomgeving en het aantal weersextremen neemt toe. Zuid-Holland staat voor een grote bouwopgave, tot 2025 zijn er in de provincie 100.000 nieuwe woningen nodig. Deze ontwikkelingen maken het van belang dat klimaatadaptief bouwen zo snel mogelijk de nieuwe norm wordt. Dit is concreet vertaald in het convenant klimaatadpatief bouwen in Zuid-Holland. Hierin zijn procesafspraken gemaakt gericht op het verminderen van de wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit. Het convenant is op 4 oktober 2018 van start gegaan. In de eerste fase van dit convenant is toegewerkt naar een minimaal programma van eisen voor nieuwbouw in relatie tot: Hevige neerslag: Hevige neerslag leidt niet tot grote schade aan infrastructuur, gebouwen, eigendommen of groen in of buiten het plangebied; Droogte: Langdurige droogte leidt niet tot verdroging of schade aan de gebouwde omgeving; Hitte: Tijdens hitte biedt de bebouwd omgeving een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving; Bodemdaling: Bodemdaling in bebouwd gebied blijft beperkt en betaalbaar; Overstromingen: Bebouwde omgeving is bestand tegen overstromingen; Biodiversiteit: Groenblauwe structuur en biodiversiteit worden versterkt op de planlocatie en in de directe stedelijke omgeving.
De realisatie van waterberging en natte ecologische zones in het boezemwatersysteem binnen het plangebied past binnen het programma van het Convenant.
2.1.2
Regionaal beleid
Metropoolregio Den Haag-Rotterdam
11
In de metropoolregio Rotterdam Den Haag werken 23 gemeenten samen aan het verbeteren van de bereikbaarheid en het vernieuwen van de economie. Daarmee versterken ze onder meer de (internationale) concurrentiepositie van de regio. Met elkaar vormen deze 23 gemeenten het bestuur van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH). Voor het overleg tussen de 23 gemeenten en het nemen van besluiten kent de MRDH de volgende besturen en commissies: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur, de bestuurscommissie Vervoersautoriteit (Va), de bestuurscommissie Economisch Vestigingsklimaat (EV) en de voorzitter. Met 23 gemeenten, 2,3 miljoen mensen, 1,2 miljoen banen met werk voor 13,5% van de Nederlanders en een bijdrage van 15% aan het BNP is de metropoolregio een regio die er toe doet. Voor een grootstedelijke regio waar het goed wonen, werken en recreëren is, heeft de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) zichzelf twee belangrijke ambities gesteld: het vernieuwen van economie en het verbeteren van de bereikbaarheid. Het Rijk gaf de Metropoolregio Rotterdam Den Haag de status van vervoerregio. En daarmee ook wettelijke taken rond verkeer en vervoer. Aan het begin van elke nieuwe bestuursperiode (elke vier jaar) stelt het bestuur een regionale strategische agenda vast, van waaruit de regionale vraagstukken worden opgepakt. De huidige strategische agenda loopt tot en met 2022.
2.1.3
Provinciaal beleid
Het omgevingsbeleid Zuid-Holland is op 1 april 2019 in werking getreden. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Omdat onderdelen uit het Programma ruimte naar het visiedeel zijn omgezet, is het resterende deel hiervan nu onderdeel van het Omgevingsbeleid. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hieraan wordt richting gegeven door het maken van samenhangende beleidskeuzes, die volgen uit provinciale opgaven en belangen. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma's en naar regels in de provinciale verordening. Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma's en verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Introductie op het omgevingsbeleid: de ruimtelijke hoofdstructuur Zuid-Holland wil slim en schoon zijn. Klimaatverandering heeft in het laaggelegen deltagebied grote ruimtelijke, economische en sociale gevolgen. Als open economie is Zuid-Holland gevoelig voor gevolgen van globalisering. De segregatie neemt toe. De energie-intensieve economie heeft, zoals ook benoemd in het klimaatakkoord van Parijs, alleen toekomst als wordt overgegaan tot verduurzaming.
De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving: naar een klimaatbestendige delta, naar een nieuwe economie (the next level), naar een levendige meerkernige metropool, energievernieuwing, best bereikbare provincie en gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Belangrijk om de ambities waar te kunnen maken zijn innovatieve oplossingen voor waterberging en het voorkomen van hittestress, de overstap van een fossiele naar een circulaire economie, het uitbreiden van warmtenetten, een forse woningopgave en de verduurzaming van woningen, vitale kernen, het aanpakken van verkeersknelpunten, het versterken van openbaar vervoer en gebruik van de fiets en de kwaliteit van de leefomgeving versterken door natuur, water, recreatie, cultureel erfgoed en economie in samenhang te bezien. De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie.
12
figuur 3: de provinciale ruimtelijke hoofdstructuur (uitsnede Westland)
Gemeente Westland laat zich kenmerken door de glastuinbouw (Greenport Westland) omringd door kust, natuur en stedelijk groen met daarbinnen woonkernen en logistieke overslagpunten. Naaldwijk is als regiokern aangewezen. Wateringen behoort tot de stedelijke agglomeratie. Nabij de vestiging van Flora Holland is een kenniscentrum aangegeven. Wat betreft mobiliteit is een (boven) regionale HOV-net busroute voorzien van Den Haag, via Naaldwijk naar Maassluis, alwaar op het HOV-net kan worden aangesloten richting Rotterdam. De greenport wordt benoemd als volwassen cluster dat tot de wereldtop behoort. Deze positie moet behouden blijven en waar mogelijk versterkt worden. Er wordt gestreefd naar synergie van mainport Rotterdam en de greenports. De groene ruimte heeft intrinsieke waarde en het kustlandschap vormt mede de grondslag voor de identiteit van de bebouwde en groene ruimte. De provincie zet in op de groenblauwe structuur om groene kwaliteiten binnen en buiten stedelijk gebied te versterken en de samenhang tussen parken, recreatiegebieden, natuurgebieden en agrarisch landschap te vergroten. Omgevingsverordening Regels aangaande bestemmingsplannen bv.
met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit, de ladder voor duurzame verstedelijking en voor ruimtelijke ontwikkelingen als stedelijke ontwikkelingen, kantoren, bedrijven, detailhandel, glastuinbouwgebied, infrastructuur, veiligheid, natuur en cultureel erfgoed zijn opgenomen in de Omgevingsverordening. De regels zijn van overeenkomstige toepassing op ruimtelijke initiatieven waarvoor een zogenaamde 'grote buitenplanse afwijking' wordt doorlopen. Op grond van de regels die zijn gesteld voor natuur, is voor Westland het volgende gebied aangewezen als ecologische verbindingen binnen het Natuurnetwerk Nederland:
figuur 4: uitsnede provinciale kaart Natuurnetwerk Nederland
13
Programma Ruimte Een intensiever gebruik van steden en dorpen vergroot het draagvlak voor openbaar vervoer. Andersom kan de capaciteit op het infrastructuurnetwerk helpen om keuzes te maken waar en wanneer er verdicht en geconcentreerd kan worden. De provincie streeft er naar de agglomeratiekracht te vergroten. Stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Op de kaart 'woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen' (ook wel genoemd: '3ha kaart') zijn nog te ontwikkelen locaties voor deze doeleinden groter dan 3 ha buiten BSD opgenomen. Als een locatie hier is opgenomen, betekent dit dat de provincie op hoofdlijnen geen bezwaar heeft tegen de betreffende ontwikkeling.
figuur 5: de '3ha kaart'
Op de kaart zijn, indicatief, woningbouwlocaties weergegeven die gelegen zijn buiten het bestaand stads- en dorpsgebied en meer dan 3 hectare groot zijn. Op de kaart staat zowel harde als zachte capaciteit buiten BSD. Met deze toevoeging wordt invulling gegeven aan bestuurlijke continuïteit.
figuur 6: glastuinbouwconcentratiegebied Westland
Het plangebied is gelegen in glastuinbouwconcentratiegebied. Een groenblauwe dooradering van dit gebied is van belang en gewenst. Daarbij is het voorkomen van wateroverlast als gevolg van piekbuien ook voor het glastuinbouwgebied, mede door de grote verhardingsgraad, van groot belang. Er zijn zwaarwegende belangen om het belang van voldoende productieareaal ondergeschikt te maken aan het belang van waterberging, natuur en ecologie, ook gelet op de ligging tussen de woonkernen Naaldwijk en 's-Gravenzande in. De ontwikkelingen die voorzien zijn in dit bestemmingsplan, de aanleg van een recreatieve waterberging, past binnen de ambities van de provincie om te werken aan klimaatbestendigheid en aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving.
14
2.1.4
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Met de komst van de Omgevingswet die vanaf 2022 in werking zal treden, is het van belang dat de ruimtelijke opgave in lijn is met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De eerste NOVI is vastgesteld in 2021. De NOVI bestaat uit één Rijksvisie op de leefomgeving. Het uitgangspunt van dit beleidsdocument is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in een samenhangend geheel. De NOVI schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050. Om dit te realiseren is collectieve verantwoordelijkheid van alle overheden van belang. Het Rijk benoemt in de NOVI 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid en vermeldt hierbij de opgaven en de rol van het Rijk bij het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven worden samengebracht in vier prioriteiten. Deze prioriteiten vormen complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Deze prioriteiten zijn: Naar een duurzame en concurrerende economie; Naar een klimaatbestendige en klimaatneutrale samenleving; Naar een toekomstbestendige en bereikbare woon- en werkomgeving; Naar een waardevolle leefomgeving.
Deze vier opgaven kunnen alleen in samenhang verder worden gebracht wanneer aandacht is voor thema's die hier dwars doorheen lopen, zoals omgevingskwaliteit, gezondheid, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, water, bodem, (nationale) veiligheid en milieukwaliteit. Een gezonde leefomgeving die zo min mogelijk negatieve invloed heeft op de gezondheid is volgens het Rijk van belang. De omgeving dient uitnodigend te zijn voor gezond gedrag en dient een plek te zijn waar inwoners zich prettig voelen. De omvang van de vraag is afhankelijk van de het tempo van economische groei, maar ook van de specifieke bedrijfstaksamenstelling per regio, omdat de ramingen voor verschillende bedrijfstakken uiteenlopen. Het Rijk stelt dat een zorgvuldige raming van ruimtebehoefte- en aanbod van groot belang is. Om voldoende ruimte voor economische activiteit te faciliteren en deze optimaal te benutten, stellen overheden regionale programma's en transitieagenda's op. Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen en (groot)winkelbedrijven moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk. Deze locaties moeten goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven én de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte & AMvB ruimtelijke ordening Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig.
Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is daarvoor nodig. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Doelen In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028): het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en
15
cultuurhistorische waarden behouden zijn. Het Westland is op de kaart van de nationale ruimtelijke hoofdstructuur aangewezen als Greenport.
Figuur 7: Uitsnede kaart nationale ruimtelijke hoofdstructuur
Nationale belangen De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in de AMvB ruimtelijke ordening. De AMvB omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met de AMvB Ruimte maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij de AMvB kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. Voor het projectgebied zijn geen nationale belangen in het geding. 2.1.5
Conclusie
De ontwikkeling voor de omzetting van glastuinbouwgebied naar een burgerwoning, een maatschappelijke voorziening, waterberging, groen en natuurontwikkeling op het perceel aan de Galgeweg 3 te Naaldwijk is in overeenstemming met de beleidskaders van de verschillende overheden.
2.2
Ruimtelijk-functionele structuur
2.2.1
Ruimtelijke aspecten
De Randen West: De Poelwatering is voor het watersysteem de belangrijkste boezemwatergang die het boezem- en polderwater verzamelt en afvoert naar enerzijds het gemaal Vlotwatering aan de Noordzee en anderzijds het gemaal Westland aan de Nieuwe Waterweg. De locatie ligt grofweg halverwege beide gemalen. De Poelwatering is een belangrijke recreatieve (hoofd)vaarroute voor het Westland. Tevens staat de Poelwatering in zowel de gemeentelijke structuurvisie als de provinciale structuurvisie aangemerkt als drager voor een hoofd ecologische zone. Zuid: De Galgeweg is de belangrijkste verbinding tussen Naaldwijk en 's-Gravenzande. Het is een relatief drukke weg. De weg bestaat uit 2 rijbanen en gaat aan beide uiteinden (van de locatie) over in een bocht. Aan de oostzijde is de weg voorzien van een VRI installatie. Aan de zuidzijde van de weg bevindt zich het grootste koelopslagbedrijf van het Westland met een inrit (vlak voor de bocht aan de oostzijde) op de Galgeweg. De vrachtwagenbewegingen rond deze inrit zorgen voor veel overlast. Aan de zuidelijk
16
westzijde bevindt zich vlak voor de bocht een inrit voor een vrijstaande woning. De locatie wordt halverwege de Galgeweg ontsloten met een inrit. Oost: De oostelijke rand wordt hoofdzakelijk gevormd door de achterkanten van de woningen aan de Opstalweg. De opstalweg is aan deze zijde de oostelijke grens van de kern Naaldwijk. Noord: De noordelijke rand betreft een glastuinbouwbedrijf. De noordwestelijke hoek van dit bedrijf is strijdig in gebruik als siertuin. 2.2.2
Inventarisatie van functies
De huidige bestemming van de locatie is agrarisch met specifieke aanduiding glastuinbouw. Op deze gronden is een woning gelegen. Deze woning wordt gebruikt als burgerwoning en de omliggende gronden zijn ingericht als dierenweide en siertuin. Dit betreft in totaal 20.000m2. De bestaande schuur werd gebruikt voor horecadoeleinden en andere bedrijvigheid. In de zuidoosthoek bevindt zich nog een perceel met een bedrijfsbestemming. Deze bestemming zal naar verwachting worden omgezet naar een andere bestemming. In de noordoosthoek van de locatie bevindt zich nog een klein glastuinbouwbedrijf. De intentie is dit glastuinbouwbedrijf te verwijderen en bij de ontwikkelingen op de locatie te betrekken. 2.2.3
Verkeer
Het plangebied wordt ontsloten door de Galgeweg. Er zullen voldoende (tijdelijke) parkeerplaatsen worden gerealiseerd overeenkomstig het "Paraplubestemmingsplan Parkeernormen" in samenhang met de beleidsregel "Parkeernormering gemeente Westland" voor het park. Een inrichtingsschets van het groen en parkeren is opgenomen in Bijlage 1. De woning en het park ontsluiten op de Galgeweg.
2.3
Gebiedsvisie
2.3.1
Algemeen
Vanuit het Hoogheemraadschap van Delfland is aangegeven dat er behoefte is aan een waterberging en natte ecologische zones in het boezemwatersysteem in het kader van klimaatadaptatie, een robuust watersysteem en een goede waterkwaliteit voor het gehele Westland. De waterberging zou in eerste instantie in de tegenoverliggende te ontwikkelen woonwijk voorzien worden, maar dit bleek niet haalbaar. Er is vervolgens een vervolg onderzoek geweest waarna deze locatie gezien de ligging aan de Poelwatering als zeer geschikt is aangemerkt. De locatie zal worden ontwikkeld voor verschillende doeleinden waarbij meervoudig ruimtegebruik een vereiste is. De behoefte aan een waterberging is gecombineerd met de wens van de gemeente en de eigenaar van de grond aan de Galgeweg 3 te Naaldwijk om diverse strijdigheden met het bestemmingsplan "Glastuinbouw Westland" op te heffen en/of deze te legaliseren en ter plaatse een burgerwoning, groen, natuur en een natte ecologische zone en/of natuurvriendelijke oevers mogelijk te maken. 2.3.2
Stedenbouwkundige randvoorwaarden
De westelijke rand langs de Poelwatering zal worden ingericht als een natte ecologische zone die onderdeel uitmaakt van de ecologische zone die is aangegeven in de structuurvisie. De huidige woning, die zich in deze zone bevindt, zal blijven staan en zal worden omgezet naar burgerwoning. De locatie van het (te slopen) bedrijfsgebouw in de zuidwesthoek zal worden herontwikkeld. De herontwikkeling zal moeten aansluiten bij zowel de nieuwe ontwikkeling van een waterberging, dat zal worden ingericht als groenrecreatiegebied (park), als de directe omgeving waaronder de kern Naaldwijk, de woningen in de omgeving en de naastgelegen maatschappelijke bestemming inclusief de groene wal. De zuidelijke zone tussen het park/ de waterberging en de Galgeweg krijgt een gemengd gebruik. De bestaande schuur behoudt de agrarische bestemming, maar zal met het oog op eventuele toekomstige woningbouw voor 1 maart 2025 worden gesloopt.
17
Aan de oostelijke zijde grenst de waterberging aan de achterzijde van de woningen die langs de Opstalweg staan. De grens is hier gekarteld met woonkavels van verschillende diepte. Als de waterberging op termijn als centraal gemeentepark wordt gebruikt dan is het wenselijk dat er een ruimtelijke aansluiting van kwaliteit wordt gerealiseerd. Dus geen aansluiting van achterkanten met hekken en schuttingen maar een park rand met kwaliteit. Dit kan op verschillende manieren gerealiseerd worden en zal nader moeten worden uitgewerkt. Te denken valt aan een parklaan langs het park met woningen van kwaliteit gericht met hun voorzijde naar het park. Of een parkrand die specifiek voor de locatie is ontworpen en eenduidig van uitstraling. Dus wel een mooie grote haag of speciaal ontworpen muur langs de hele lengte die zorgt voor eenheid in uitstraling maar geen afwisseling van allerlei verschillende hekken, schuttingen etc. Recreatie en waterberging Het gebied met de bestemming "Recreatie" zal worden gebruikt als groenrecreatiegebied en incidenteel als waterberging. In het boezemgebied van de gemeente Westland stijgen de waterpeilen bij hevige neerslag door de combinatie van een sterk verhard gebied en veel smalle watergangen relatief snel.
Met de verwachte effecten van klimaatverandering neemt de kwetsbaarheid van het kapitaalintensief bebouwd glastuingebied voor wateroverlast naar de lange termijn nog verder toe. De gemeente en het Hoogheemraadschap Delfland willen daarom in het kader van het waterplan Westland Waterproof gezamenlijk de klimaatbestendigheid en de robuustheid van het boezemgebied binnen de gemeente, gebruikmakend van de ruimtelijke kansen die zich voordoen, vergroten. De gemeente en het Hoogheemraadschap Delfland hebben samen een gebiedsproces voor mogelijke waterbergingen in het Westland doorlopen. In het onderhavige plangebied biedt zich de mogelijkheid aan om een waterberging te realiseren. Door de ligging aan de Poelwatering is het plangebied uitermate geschikt als waterberging. Bovendien is er sprake van dubbelruimtegebruik doordat deze gronden als park worden ingericht en voor het publiek toegankelijk zijn. Daarom hebben de gronden de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterberging en ecologie" gekregen. Het gebied zal in de toekomst mogelijk onderdeel uitmaken van een groter gebied dat tevens als park zal kunnen fungeren. Natuur De gronden, die als "Natuur" worden bestemd, worden ontwikkeld als een natte ecologische zone met natuurvriendelijke oevers conform de Kaderrichtljn Water. Deze gronden hebben een oppervlakte van circa 4.714 m2.
Bestaande woning In het kader van de herstructurering glastuinbouw kan de agrarische bedrijfswoning worden gewijzigd naar een burgerwoning tot 1.000 m2. Door het kopen van 2 woonrechten van de Harteveldlaan 50 te Honselersdijk en de Zwethlaan 44a te Honselersdijk kan het woonkavel met 2.000 m2 worden vergroot. De woonrechten afkomstig van de Zwethlaan 44a te Honselersdijk en de Harteveldlaan 50 zijn aangekocht in het kader van de uitkoopregeling hoogspanningslijnen (vastgesteld 7 februari 2017) en kan worden gebruikt als woonrecht ten behoeve van het vergroten van bestaande woonvlakken. In lijn met het bepaalde in artikel 3.7.4 van het Bestemmingsplan alsmede ter uitvoering van de in 2012 aangenomen motie 'Compensatiefonds glastuinbouw’, dient de bestemmingswijziging ruimtelijk te worden gecompenseerd. Op 2 plaatsen binnen het plangebied wordt de bestemming natuur opgenomen. Deze gronden zijn gelegen aan de groenblauwe verbinding als bedoeld in de "Structuurvisie Westland 2025: perspectief 2040". Als gevolg van natuurcompensatie (4.714 m2) kan het woonkavel met nog eens 1.000 m2 worden uitgebreid. Hiermee kan de woonkavel in totaal worden vergroot naar maximaal 4.000m2 en kan het maximale toelaatbare bouwvolume navenant worden vergroot.
18
Hoofdstuk 3
Onderzoek
3.1
Ladder voor duurzame verstedelijking
3.1.1
Wettelijk kader
In deze paragraaf is het bestemmingsplan getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking als neergelegd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening en als verder aangevuld in artikel 2.1.1 van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland. De ladder voor duurzame verstedelijking is op 1 juli 2017 vereenvoudigd. Op grond van het nieuwe artikel 3.1.6, tweede lid, moet in de toelichting van een bestemmingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de behoefte aan die ontwikkeling worden beschreven. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het bestaand stedelijk gebied, dan moet de behoefte op grond van een goede ruimtelijke ordening worden gemotiveerd. De provincies mogen deze wettelijke regel aanvullen. Deze aanvulling mag echter niet in strijd zijn met het doel van de regel, namelijk vereenvoudiging van de ladder zoals die vóór 1 juli 2017 luidde en daarmee het loslaten van de norm "actuele regionale" behoefte en de drie treden van de ladder. De provinciale regeling in artikel 2.1.1 van de Verordening ruimte 2014 bevat nog wel de drie treden van de ladder. Gelet op bovenstaande uitleg van de aanvullingsbevoegdheid van provincies, hoeft aan artikel 2.1.1 niet te worden getoetst voor zover deze regels in strijd zijn met - het doel van - de wijziging van de wettelijke regeling. 3.1.2
Preliminaire toets
Bij de beoordeling of de ladder voor duurzame verstedelijking moet worden toegepast, moet eerst nagegaan worden of er met het bestemmingsplan "Galgeweg 3" sprake is van een stedelijke ontwikkeling en of dit plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft. Met het bestemmingsplan wordt voorzien in een waterberging en de verburgelijking van een voormalige bedrijfswoning. 3.1.3
Motivering van de behoefte aan ontwikkeling
Provinciaal beleid: Omgevingsvisie Zuid-Holland Als kassen hun tuinbouwfunctie verliezen, en hergebruikt worden voor andere functies (zoals caravanstalling), dan is de functie niet meer in overeenstemming met de verschijningsvorm en is sprake van ongewenste aantasting van de ruimtelijke kwaliteit van het landschap. Sanering van de kassen heeft dan prioriteit. Wanneer een dergelijke ontwikkeling zich voordoet in bijvoorbeeld stads- en dorpsranden, waar de invloed van de kas op (de kwaliteit van) de omgeving beperkt is, is hergebruik of herontwikkeling voor een nadere, passende functie bij uitzondering mogelijk. Door het saneren van de nog aanwezige kassen wordt de ruimte beschikbaar voor waterberging, terwijl de voormalige bedrijfswoning een woonbestemming krijgt. Dit betreft een stedelijke ontwikkeling (kleiner dan 3 ha) tegen de rand van het bestaande stads- en dorpsgezicht. In de beleidskeuzes van de Omgevingsvisie is aangegeven dat kleinschalige stedelijke ontwikkelingen in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied kunnen worden gerealiseerd. Gemeentelijk beleid: Omgevingsvisie 2.0 en Beleidsvisie "Beleef Westland" De omgevingsvisie vertaalt deze doelstelling naar ruimtelijke ontwikkelingen die invulling geven aan de gestelde ambitie.
De uitdaging voor de toekomst is te zorgen dat in de kernen het juiste aanbod is van zorg, onderwijs, sport- en cultureel-maatschappelijke voorzieningen. Bovenkernse voorzieningen moeten bereikbaar zijn voor alle inwoners van het Westland, waardoor een centrale en goed bereikbare locatie de voorkeur geniet. Nieuwe voorzieningen dienen zo breed mogelijk te worden gebruikt. Dat betekent dat
19
ze ook een functie moeten hebben als ontmoetingsplek. In de beleidsvisie "Beleef Westland" worden de ambities geschetst op het gebied van toerisme en reactie. De missie van de gemeente Westland op het gebied van toerisme en recreatie is kwaliteit – en imagoversterking: Recreëren in Westland met een positieve beleving. Hiervoor zijn de volgende doelen geformuleerd: 1. versterken van aantrekkelijkheid voor onze dag- en verblijfsgasten 2. versterken van het aantrekkelijk leefklimaat voor Westlanders wat betreft het recreëren 3. versterken van het glastuinbouwcluster door de verbinding te maken met toerisme en recreatie 4. een visie bieden op gewenste ontwikkelingen en imago op het gebied van toerisme en recreatie 5. heldere positionering en verwachtingen gemeente en andere actoren In dit kader is onder meer het volgende beleidsuitgangspunt geformuleerd: stimuleren van initiatieven voor de doelgroepen dagrecreatie, educatie en zakelijke markt, die de glastuinbouw op een positieve manier benadrukken. De waterberging zal worden ingericht als park waar kan worden gerecreëerd. Dit versterkt zowel het leefklimaat voor de Westlanders als de aantrekkelijkheid voor dagrecreatie versterkt. 3.1.4
Conclusie
In de directe omgeving van het plangebied is weinig aanbod dat dezelfde mogelijkheden biedt als die binnen het plangebied gefaciliteerd kunnen worden. De locatie is gunstig gelegen ten opzichte van de kern Naaldwijk. Het transformeren van de agrarische bestemming (tuinbouw) naar een recreatieve ontwikkeling is mogelijk op grond van het provinciaal en gemeentelijke beleid. Het gebruik zoals beoogd sluit aan bij de beleidsvisie 'Beleef Westland'.
3.2
Bedrijven en milieuzonering
3.2.1
Wettelijk kader
Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de aanwezige functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. De beoordeling hiervan is opgenomen in Bijlage 2. 3.2.2
Onderzoek
Voor deze ontwikkeling is de invloed van de omgeving op het plangebied en anderzijds de invloed van het plangebied op de omgeving. Voor de invloed van de omgeving op het plangebied is de bestemmingswijziging van agrarisch naar wonen (gevoelige functie) van belang. Omgeving op plangebied De percelen in de nabijheid van het plangebied hebben de bestemming 'agrarische handel en exportbedrijven, tot maximaal categorie 3.1', detailhandel (met verkoop vuurwerk), verkooppunt brandstoffen inclusief LPG en glastuinbouw. In het woongebied Nieuwe Water ten westen van het plangebied is een kantoorfunctie aanwezig. Voor de agrarisch handel en exportbedrijven wordt de grootste richtafstand bepaald door de aspecten geluid en gevaar. Voor de detailhandel (verkoop vuurwerk) en het verkooppunt brandstoffen is de grootste richtafstand gevaar. Geur en stof zijn in dit kader niet relevant.
20
Figuur 8: richtafstanden gemengd gebied VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering 2009
De afstand van het perceel wonen tot de nabijgelegen bedrijven is groter dan de richtafstanden uit de VNG-publicatie. Hierdoor vormen de nabijgelegen bedrijven geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat. Houden van dieren Binnen de woon- en groenbestemming zullen hobbymatig dieren worden gehouden. Het gaat om één Longhoorn stier, drie Longhoorn koeien (tijdelijk), 1 paard, 3 pony's en 12 stuks pluimvee. De kalveren, die ter plekke worden geboren, zullen uiterlijk 1 oktober van datzelfde jaar van het terrein zijn verwijderd. Deze dieren zullen worden geweid op de strook groen die gelegen is tussen de toegangsweg tot zijn woning en de Galgeweg. De dieren zullen alleen overdag worden geweid. 's-Nachts worden zij in de stal onder gebracht. Het Longhoorn vee wordt in de periode november t/m april niet geweid. De omgeving zal van deze hobby activiteit geen hinder kunnen ondervinden gelet op de afstand van 116 meter tot de dichtstbijzijnde woning. 3.2.3
Conclusie
De nabijgelegen bedrijven vormen geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de toekomstige bestemming wonen.
3.3
Geluid
3.3.1
Wettelijk kader
Wet geluidhinder Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld terwille van het woon- en leefklimaat. 3.3.2
Onderzoek
Op 18 juni 2019 is door adviesbureau Peutz een akoestisch onderzoek (rapportnummer O 16112-2-RA-003) opgesteld, zie Bijlage 3. Wegverkeerslawaai Geluidbelasting ten gevolge van de N467 Ter plaatse van het perceel met de bestemming "Wonen" voor het toekomstige jaar (2030) bedraagt de geluidbelasting maximaal 48 dB bedraagt inclusief 5 dB aftrek ex artikel 110g Wgh, vanwege de verwachting dat in de toekomst het verkeer stiller zal zijn. De geluidbelasting ter plaatse van het perceel met de bestemming Wonen voldoet aan de voorkeurswaarde van 48 dB. Gecumuleerde geluidbelasting en kwaliteitsindicatie geluid (RIVM) De gecumuleerde geluidbelasting ter plaatse van het perceel met de bestemming Wonen bedraagt ten
21
hoogste 53 dB voor het toekomstige jaar 2030. 3.3.3
Conclusie
De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai levert geen belemmering op voor de wijziging van de bestemming van de woning.
3.4
Luchtkwaliteit
3.4.1
Wettelijk kader
Wet luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 (Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Geldig
stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie
60 ìg/m³
2010 t/m 2014
jaargemiddelde concentratie
40 ìg/m³
vanaf 2015
jaargemiddelde concentratie
48 ìg/m³
jaargemiddelde concentratie
40 ìg/m³
24-uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 75 ìg/m³
24-uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg/m³
fijn stof (PM10)1)
vanaf 11 juni 2011 vanaf 11 juni 2011
1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing
(volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007). Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien: de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). Besluit niet in betekenende mate (nibm) In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.
Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 1% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit
22
oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. 3.4.2
Onderzoek
Op 18 juni 2019 is door adviesbureau Peutz een luchtkwaliteitonderzoek (rapportnummer O 16112-2-RA-003) opgesteld, zie Bijlage 3. Ter hoogte van het perceel dat de bestemming Wonen krijgt worden op vier verschillende posities de luchtkwaliteit en de geluidbelasting beoordeeld. Huidige situatie
Voor het berekenen van de huidige situatie zijn de wegverkeersgegevens van 2018 vergeleken met de achtergrondconcentraties van 2018.
Toekomstige situatie Voor de bijdrage van het wegverkeer van de Opstalweg en de N467 op de luchtkwaliteit op het perceel van de beoogde woning zijn wegverkeersgegevens voor het maatgevende toekomstige jaar 2030 gebruikt. De bijdrage van het wegverkeer in de nabijgelegen woonwijk op de luchtkwaliteit bij de beoogde woning is gebaseerd op de verkeersgegevens uit het bestemmingsplan 'Dijckerwaal Fase 1'. Bij de schuur komt een parkeerterrein met (tijdelijke) parkeerplaatsen. De gemiddelde uurverdeling per voertuigcategorie per periode is gebaseerd op de wegverkeersgegevens van de N467 uit het jaar 2030 (kruising Heenweg tot kruising Opstalweg). De snelheid van de motorvoertuigen naar het autoparkeerterrein is gemodelleerd op 15 km/uur, gebaseerd op de lage snelheid die noodzakelijk is bij parkeren. De mogelijkheden voor wonen worden met het nieuwe bestemmingsplan verruimd. De voertuig verdeling per periode is gebaseerd op de wegverkeersgegevens van de N467 uit het jaar 2030 (kruising Heenweg tot kruising Opstalweg).
23
3.4.3
Conclusie
Huidige situatie Uit de resultaten volgt dat voor NO2, PM10 en PM2,5 ten gevolge van de omliggende wegen voor het jaar 2018 geen sprake is van overschrijdingen van grenswaarden zoals opgenomen in de Wet milieubeheer. De concentratiebijdragen van de wegen op de grenzen van het perceel met de bestemming "Wonen" is 'niet in betekenende mate' (Besluit NIBM). Ter hoogte van het plangebied kan voor de overige in de Wet milieubeheer opgenomen stoffen voor het jaar 2018 zonder verder onderzoek worden geconcludeerd dat er wordt voldaan aan de genoemde grenswaarde. Toekomstige situatie Uit de resultaten volgt dat voor NO2, PM10 en PM2,5 ten gevolge van de omliggende wegen, de weg naar de geplande woningen en het beoogde (tijdelijke) parkeerterrein voor het maatgevende toekomstige jaar 2030 geen sprake is van overschrijdingen van grenswaarden zoals opgenomen in de Wet milieubeheer. De concentratie bijdragen van de wegen op het perceel met de bestemming "Wonen" is 'niet in betekenende mate' (Besluit NIBM). Ter hoogte van het plangebied kan voor de overige in de Wet milieubeheer opgenomen stoffen voor het jaar 2030 zonder verder onderzoek worden geconcludeerd dat er wordt voldaan aan de genoemde grenswaarde.
3.5
Externe veiligheid
3.5.1
Wettelijk kader
Externe veiligheid is een begrip in het milieurecht en gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen. Als gevaarlijke stoffen kunnen worden genoemd vuurwerk, lpg en munitie. Het beleid en de wetgeving zijn erop gericht om maatregelen te treffen om de risico's van deze risicovolle activiteiten te reguleren. Voor dit bestemmingsplan is toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de daarop gestoelde regelingen vereist. Op grond van de regels voor externe veiligheid moeten afstanden in acht worden genomen tussen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten. In de betreffende regelgeving wordt uitgegaan van een risicobenadering - en niet het volledig uitsluiten van het risico - waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het risico kan op een afbeelding zichtbaar worden gemaakt door een (iso)risicocontour die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt. Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers
24
plaatsvindt. Het drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting, als bedoeld in de Wet milieubeheer, of bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet onderzocht - en verantwoord - worden omdat ook buiten de genoemde risicocontour van het plaatsgebonden risico nog letale effecten kunnen optreden in het invloedgebied van de risicovolle activiteit en groepen personen slachtoffer kunnen worden van een calamiteit. 3.5.2
Onderzoek
Inleiding In verband met onderhavige ontwikkeling is onderzoek verricht naar externe veiligheid, zie Bijlage 4. Externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico's die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen, waardoor de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het ruimtelijk besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met het oog op de Modernisering Omgevingsveiligheidsbeleid van het Rijk wordt het accent verlegd van de risicobenadering naar een effectbenadering. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet zijn in dat verband de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations (Stcrt. 2016, 31453) en de Circulaire externe veiligheid LNG-tankstations (Stb. 2015, 3125) gepubliceerd en in werking getreden. Risicovolle inrichtingen In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn milieukwaliteitseisen geformuleerd ter bescherming van de mens tegen de kans om te overlijden als gevolg van het vrijkomen of ontstaan van gevaarlijke stoffen bij een ongeval in een bedrijf of ander risicovol object. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar.
Binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour gerealiseerd worden. Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR. De aan te houden veiligheidsafstanden zijn voor nader beschreven situaties vastgelegd in de Regeling externe veiligheid inrichtingen. Voor overige gevallen dient de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour te worden berekend. Tot risicovolle inrichtingen behoren ook mijnbouwinrichtingen en inrichtingen voor de opslag van explosieven. In de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations wordt onderscheid gemaakt tussen (beperkt) kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten. De effectafstanden zijn respectievelijk 60 m en 160 m, gerekend vanaf het LPG-vulpunt. Tot de zeer kwetsbare objecten behoren verblijfsfuncties voor mensen die beperkt zelfredzaam zijn zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven. De circulaire is niet van toepassing op het vaststellen van een conserverend bestemmingsplan. De circulaire geldt evenmin voor