15) Getekende Verordening afvalstoffen
Tekst van het document
pS WESTLAND
RAADSBESLUIT De raad van de gemeente Westland; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 21 november 2023; gelet op artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; gehoord de beraadslagingen in de vergadering van de raadscommissie Bestuur en Economie van 30 november 2023;
BESLUIT:
vastte stellen de:
VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN AFVALSTOFFENHEFFING WESTLAND 2024. Artikel 1
Definitie
In deze verordening wordt verstaan onder ’gebruik maken’: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer. Artikel 2
Aard van de belasting en belastbaarfeit
1. Onder de naam ’afvalstoffenheffing’ wordt een directe belasting geheven als bedoeldin artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. 2. De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtensde artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Artikel 3
Voorwerpvan de belasting
1. Voorwerp van de belasting is een perceel. 2. Als perceel wordt aangemerkt: 1. de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken;
2. de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is; 3. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak datblijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; 4. een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren. 5. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
WESTLAND
Artikel 4
Belastingplicht
De belasting wordt geheven van degene die al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel. Artikel 5
Maatstaf van heffing en belastingtarief
1. De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar: € 287,64; 2. De belasting als bedoeld in onderdeel 1 bedraagt, indien het perceel op 1 januari of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, 1. wordt gebruikt door één persoon
€ 287,64;
2. wordt gebruikt door twee personen
€ 324,84;
3. wordt gebruikt door drie personen of meer
€ 362,76.
. In afwijking van het tweede lid is het tarief, indien het heffingstijdvak afwijkt van het kalenderjaar,gelijk aan de som van de evenredige delen van de voor de desbetreffende kalenderjaren geldende tarieven. . Het aantal personen, dat gebruik maakt van een perceel, wordt beoordeeld naar de situatie op het tijdstip van ontstaan van de belastingplicht. Voor de vaststelling van de gebruikssituatie is beslissend watter zake in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is geregistreerd, tenzij blijkt dat de gebruikssituatie andersis. . Indien in de loop van hetbelastingjaar enige wijziging optreedt in de samenstelling van hetin lid 4 bedoelde aantal personen, wordt bij de berekening van de belasting hiermede geen rekening gehouden op de wijze als bedoeld in artikel 8. . De belasting voor het op verzoek verwijderen van grove huishoudelijke afvalstoffen bedraagt per afvaldeelstroom per 3m?of minder € 12,50. . De belasting voor het op verzoek direct verwijderen van grove huishoudelijke afvalstoffen bedraagt per afvaldeelstroom per 3m°of minder € 100,00.
Artikel 6
Belastingjaar
Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 7
Wijze van heffing
1. De belasting, bedoeld in artikel 5, eerste lid, wordt bij wege van aanslag geheven. 2: De belasting, bedoeld in artikel 5, zesde en zevende lid, wordt geheven door middel van voldoening op aangifte of op andere wijze. Het gevorderde bedrag wordt mondeling of langs elektronische weg, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijike kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt. Artikel 8
Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
1. De belasting, bedoeld in artikel 5, eerste lid, is verschuldigd bij de aanvang van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting bedoeld in artikel 5, eerste lid, verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voordatjaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing. . Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting bedoeld in artikel 5, eerste lid, als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Het
vijfde lid is van overeenkomstige toepassing. 4. Bij de aanvang van de belastingplicht op de eerste van een kalendermaandis over die maandde volle belasting verschuldigd. Bij aanvang op een latertijdstip wordt over de lopende kalendermaand geen belasting geheven. 5. Bij beéindiging van de belastingplicht na de eerste van een kalendermaand is over die maand de volle belasting verschuldigd. 6. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar van een ander perceel gebruik maakt. 7. De belasting, bedoeld in artikel 5, zesde en zevende lid, is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening. Artikel 9
Termijnen en wijze van betaling
1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvande eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, en de tweede termijn 6€n maand later. 2. In afwijking van heteerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, 3. € 100,00 of meer bedraagt, maar minder ofgelijk is aan € 10.000,00, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso van de betaalrekening van de belastingplichtige kunnen worden afgeschreven, met inachtneming van hetgeen is opgenomenin hetvierde lid van dit artikel, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste werkdag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. Elk van de volgende termijnen vervalt telkens 6én maand later op de laatste werkdag van die maand. Indien het totaalbedrag van het aanslagbiljet minder bedraagt dan € 100,00 gelden er twee maandelijkse incassotermijnen. 4.
De aanslag, bedoeld in artikel 5, zesde en zevende lid, moet worden betaald op het moment van uitreiking van de kennisgeving, dan wel ingeval van toezending daarvan, binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving. 5. De Algemene termijnenwetis niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 10
Kwijtschelding
Bij de invordering van de belasting voor het op verzoek (direct) verwijderen van grove huishoudelijke afvalstoffen wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 11
Overgangsrecht
De 'Verordening afvalstoffenheffing Westland 2023’ wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 12, tweede lid, genoemde datum van ingang van heffing, met dien verstande datzij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Artikel 12
Inwerkingtreding en citeerartikel
1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024. 3. Deze verordening wordt aangehaald als ’Verordening Afvalstoffenheffing Westland 2024’.
WESTLAND
Aldus besloten doorde raadin zijn openbare vergadering van 13 december 2023,
de griffier
P. van Oosten
.
B.R. Arends