1.62a) toelichting (21-0320282)
Tekst van het document
Dit omdat het een onvermijdbare situatie is en zowel technische als organisatorische maatregelen bij de woningen aan De Hunselaar 50 en 102 op 5 meter hoogte geen soelaas biedt om het geluidniveau te beperken.
Dĩjkstiaat
- j w.-
Afhankelijk hoe de gevels zijn uitgevoerd (mogelijk doof ofwel geen te openen delen), of er aan de
26
beoordeelde gevels geluidgevoelige (verblijf)ruimten gesitueerd zijn, voldoet naar verwachting het binnenniveau van respectievelijk LAr,LT en LAmax in geluidgevoelige ruimten van 35 en 55 dB(A) in de dagperiode (uitgaande van een gemiddelde gevelwering van 20 dB). Dit is bij respectievelijk 55 en 75 dB(A) op de gevel (langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en maximale geluidniveau). Hiermee is met één van de maatregelen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woning gegarandeerd. 3.4.3
Conclusie
Het onderdeel geluid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
3.5
Externe veiligheid
3.5.1
Wettelijk kader
Externe veiligheid is een begrip in het milieurecht en gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen. Als gevaarlijke stoffen kunnen worden genoemd vuurwerk, lpg en munitie. Het beleid en de wetgeving zijn erop gericht om maatregelen te treffen om de risico's van deze risicovolle activiteiten te reguleren. Voor dit bestemmingsplan is toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de daarop gestoelde regelingen vereist. Op grond van de regels voor externe veiligheid moeten afstanden in acht worden genomen tussen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten. In de betreffende regelgeving wordt uitgegaan van een risicobenadering - en niet het volledig uitsluiten van het risico - waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het risico kan op een afbeelding zichtbaar worden gemaakt door een (iso)risicocontour die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt. Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers plaatsvindt.
Het drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting, als bedoeld in de Wet milieubeheer, of bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet onderzocht - en verantwoord - worden omdat ook buiten de genoemde risicocontour van het plaatsgebonden risico nog letale effecten kunnen optreden in het invloedgebied van de risicovolle activiteit en groepen personen slachtoffer kunnen worden van een calamiteit. 3.5.2
Onderzoek
Inleiding Externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico's die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen, waardoor de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het ruimtelijk besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats
27
overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met het oog op de Modernisering Omgevingsveiligheidsbeleid van het Rijk wordt het accent verlegd van de risicobenadering naar een effectbenadering. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet zijn in dat verband de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations (Stcrt. 2016, 31453) en de Circulaire externe veiligheid LNG-tankstations (Stb. 2015, 3125) gepubliceerd en in werking getreden. Risicovolle inrichtingen In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn milieukwaliteitseisen geformuleerd ter bescherming van de mens tegen de kans om te overlijden als gevolg van het vrijkomen of ontstaan van gevaarlijke stoffen bij een ongeval in een bedrijf of ander risicovol object. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt.
Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour gerealiseerd worden. Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR. De aan te houden veiligheidsafstanden zijn voor nader beschreven situaties vastgelegd in de Regeling externe veiligheid inrichtingen. Voor overige gevallen dient de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour te worden berekend. Tot risicovolle inrichtingen behoren ook mijnbouwinrichtingen en inrichtingen voor de opslag van explosieven. In de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations wordt onderscheid gemaakt tussen (beperkt) kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten. De effectafstanden zijn respectievelijk 60 m en 160 m, gerekend vanaf het LPG-vulpunt. Tot de zeer kwetsbare objecten behoren verblijfsfuncties voor mensen die beperkt zelfredzaam zijn zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven. De circulaire is niet van toepassing op het vaststellen van een conserverend bestemmingsplan. De circulaire geldt evenmin voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten die al binnen de betreffende contouren aanwezig zijn. De effectafstanden voor LNG-tankstations zijn afhankelijk van de aanwezige veiligheidsvoorzieningen. De systematiek is vergelijkbaar met die voor LPG-tankstations.
28
ŕ»
Gasunie W454
ľSosefb.v.
I
,Van der Bos
FloraHolland
Uit de risico-inventarisatie blijkt dat er binnen een straal van circa 450 meter zich geen relevante risicobronnen bevinden. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichtingen zijn Sosef b.v., Van den Bos flowerbulbs en het terrein van Flora Holland. Het plangebied ligt buiten de invloedsgebied van het (voormalige) bedrijf Sosef b.v. en het bedrijf Van den Bos Flowerbulbs. Volledigheidshalve wordt vermeld dat Sosef b.v. niet meer gevestigd is op deze locatie. Maar zolang het bestemmingsplan niet gewijzigd is, kan de vestiging van een nieuwe Bevi inrichting op deze locatie niet uitgesloten worden. Mocht daar sprake van zijn, ligt deze alsnog buiten de invloedsgebied. Het plangebied ligt op circa 900 meter van de ammoniakleiding (NH3-installatie) op het terrein van FloraHolland. Hiermee ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van FloraHolland aangezien dat 1.125 meter is. In principe dient er op basis van de afstand het groepsrisico verantwoord te worden. Echter, op basis van het in 2011 uitgevoerde onderzoek door Silva Consultancy (referentie RB2011001, d.d. 31-10-2011), wordt geconcludeerd dat een nieuwe groepsrisico niet uitgevoerd hoeft te worden. Dit omdat het rapport berekend heeft dat het maximale aantal dodelijke slachtoffers bij een incident minder dan 10 bedraagt en dat er feitelijk geen sprake is van een groepsrisico.
Vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute. Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. In regio Haaglanden zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens tussen Leidschendam-Voorburg en Zoeterwoude (wegvakken Z8 en Z7), en de A13, tussen knooppunt Ypenburg en Deft-Zuid (wegvakken Z29 en Z113), basisnetafstanden vastgelegd. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand
29
van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd. Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling. Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale). Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 m van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord.
Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10Zo toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. In de toelichting moet worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid). Deze verplichting geldt ongeacht of het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van de betreffende transportroutes. Op het vraagstuk zelfredzaamheid moet worden ingegaan wanneer (beperkt) kwetsbare bestemmingen binnen het invloedsgebied van een dergelijke weg zijn geprojecteerd. De dichtbij zijnde transportroute loopt via de N213 - Burgemeester Elsenweg. Gezien de afstand van het plangebied tot deze weg, te weten minimaal 950 meter, vormt deze weg geen risico op het gebied van externe veiligheid voor het plan. In de directe omgeving van het planvoornemen zijn geen spoorlijnen gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk.
Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten. De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan kan worden met een beperkte verantwoording: 1. 2.
Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100Zo letaliteitszone en de 10Zo letaliteitszone van de buisleiding, of Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10Z toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.
30
De dichtstbijzijnde relevante buisleiding zijn de hoge druk aardgas transportleidingen (W-522- 01, W-522-03 en W-522-05). Er zijn geen buisleiding in de directe nabijheid van de projectlocatie gelegen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Daarmee is het projectgebied niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour en het invloedsgebied van de buisleidingen. Op basis van de Netkaart van het Rivm blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen bovengrondse hoogspanningslijnen aanwezig zijn. Explosieven In de gemeente Westland zijn op verschillende plaatsen munitie en explosieven vanuit de Tweede Wereldoorlog gevonden. Er is een gemeentelijke kaart opgesteld met mogelijk verdachte locaties en vindplaatsen van explosieven.
Dť lumen II OOI d .o
House Ier sdi j k
o įř,
4
'í-
Y
De Tuinen Legenda
«44 Verdacht op vemielingsladingen
CD Onderzoeksgebied ___ | Vrij van alle CE, tot bekende diepte rj Vrij van alle CE, tot onbekende diepte
Verdacht op KKM en hand- en geweergranaten |X X X| Verdacht op alle hoofdsoorten CE behalve afwerpmunitie en onderwatermunitie
Vrij van onbekende CE, tot onbekende diepte
ĩįįįįįįt Verdacht op afwerpmunitie
Verdacht op geschutmunitie. KKM en hand-en geweergranaten Verdacht op geschutmunitie. KKM, hand- en geweergranaten en afwerpmunitie
Verdacht op V-wapens
Verdacht op munitie voor granaatwerpers
Verdacht op landmijnen
Aanvullend onderzoek noodzakelijk
CE-bodembelastingkaart Documentcode: Behoort bij rapport: Schaal: Coörd i natenstelsel: Formaat: Tekenaar: Status: Datum: Akkoord:
14S023-BB-03 14S023-AO-02 1:15.937 RD New AO G.J. van Dam Definitief 18-11-2014 Ron Beute
SARICON SAFETY Ã RISK CONSULTANCY Saricon bv Postbus 92 3360 AB Sliedrecht
Tel. +31 (184) 422538 Fax +31 (184)419821
Industrieweg 24 3361 HJ Sliedrecht
info@saricon.nl www.saricon.nl
Uitsnede Explosievenkaart Westland Met de beschikbare informatie kan gesteld worden dat er zich geen ongeëxplodeerde explosieven in het plangebied bevinden. Nader onderzoek hiernaar is niet nodig.
31
3.5.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Dat de locatie binnen het invloedsgebied van FloraHolland ligt, leidt niet tot belemmeringen. In een eerder uitgevoerd onderzoek is namelijk gebleken dat er feitelijk geen sprake is van een groepsrisico. In de omgeving liggen geen risicovolle inrichtingen welke invloed hebben op de planvoornemen.
3.6
Water
3.6.1 Wettelijk kader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: « Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); * Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); * Waterwet. * Nationaal waterplan Provinciaal: * * *
Provinciaal Waterplan; Visie Ruimte en Mobiliteit; Verordening Ruimte en de waterverordening Zuid-Holland.
Nationaal beleid Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering. Nationaal Waterplan Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld.
In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: * Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; * Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; * Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; * Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; « Nederlanders leven waterbewust. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie sluit aan op de uitgangspunten van het Nationaal Waterplan en vult deze op onderdelen aan. Uitgangspunten zijn het verbeteren van de waterkwaliteit, het voorkomen van wateroverlast, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling.
32
Provinciaal beleid Het provinciaal waterbeleid voor de periode 2016-2021 bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) 2016 - 2021 en onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015. In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zijn de ruimtelijke componenten opgenomen van het waterbeleid. Hoofdstuk 4 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid: * de ambitie om een duurzaam, concurrerende en leefbare Europese topregio te zijn. De Provincie bevordert de transitie naar een water -en energie efficiënte samenleving. Daar spelen het verbeteren van toekomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde een belangrijke rol; * aan het watersysteem worden grote uitdaging gesteld door verzilting, klimaatverandering, inklinking, veranderd ruimtegebruik en de daarbij passende veranderingen van het watersysteem; * het beter benutten van de kansen en natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de ondergrond is tevens een speerpunt van het provinciaal waterbeleid; * tenslotte door een verandering naar een duurzame voorziening in de energiebehoefte kan worden ingezet op een energie-efficiënte samenleving. De doelen, maatregelen en afspraken voor de kwaliteit van het water van grond- en oppervlakte water zijn opgenomen het Stroomgebied beheerplan Rijn-West 201-2015 (SGB-1).
Voor opvolgende periode 2016-2021 is het SGB-2 op 22 december 2014 gereedgekomen. De invulling van de verantwoordelijkheid in dit SGB-2 is vastgelegd in de KRW 2016-2021. Het Waterplan Zuid-Holland 2015 was van kracht tot 22 december 2015. Op grond van artikel 48 Waterwet moet het plan om de zes jaar door de Provinciale Staten worden herzien. Het is niet noodzakelijk om een nieuw plan vast te stellen. Voldaan kan worden met het nemen van een planherzieningsbesluit. Dit besluit is genomen op 29 juni 2016 en bekend gemaakt op 8 juli 2016. De onderdelen 'Waarborgen waterveiligheid (hoofdstuk 4)' en 'Realiseren mooi en schoon water (hoofdstuk 5)' en 'operationeel grondwaterbeleid (bijlage 7)' van het Waterplan 2015 blijven van kracht. De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (Visie Ruimte en Mobiliteit), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (Verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (Uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn bijvoorbeeld regels opgenomen met betrekking tot regionale keringen in bestemmingsplannen. Daarnaast is de Waterverordening Zuid-Holland van belang. Daarin zijn onder meer veiligheidsnormeringen voor regionale keringen en waterkwantiteitsnormen opgenomen.
De waterkwantiteitsnormen geven aan, waar de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit op ingericht moeten zijn. Deze normen definiëren de gemiddelde overstromingskans vanuit het oppervlaktewater per jaar van daarbij aan te wijzen gebieden. Het beschermingsniveau verschilt per vorm van landgebruik en is gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij overstromingen. De waterkwaliteitsnormen zijn gerelateerd aan het landgebruik en daarmee bepalend voor de mogelijkheden, die het bestemmingsplan biedt. De provincie heeft samen met de gemeente Den Haag en Westland een Visie Vaartenland opgesteld, een visie op hoe de vaartenstructuur in Westland en Den Haag recreatief/toeristisch en economisch elkaar kan versterken. Het project Westlandse Waterlijnen heeft de provincie in samenwerking met heel veel stakeholders uit het gebied ten westen van het Rijn-Schiekanaal opgesteld (Westland, Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis). Dit heeft een wensenlijst met een soort top 5 opgeleverd, met betrekking tot versterking van de vaarrecreatie en economische spin-off, waar burgers, verenigingen en ondernemers hun zinnen op hebben gezet.
Verder is in de Visie Ruimte en Mobiliteit aangegeven dat de juridische borging en versterking van het vaarnetwerk overgedragen is aan de gemeenten die hierop hun lokale beleid en bestemmingsplannen moeten aanpassen.
33
Waterschapsbeleid Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap'. In dit Waterbeheerplan 5 (WBP 5) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: * de waterveiligheid; * het waterbeheer; * de waterkwaliteit; * het zuiveren van afvalwater. Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Delfland voert zijn kerntaken uit ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leefomgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheergebied. Het is een uitdaging om bij de uitvoering van die taken aan te sluiten bij de beleving en de behoeften van de maatschappij. Waterbewustzijn vormt de onmisbare schakel voor draagvlak.
Delfland wil dat mensen zich in de komende planperiode bewust worden van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van Delfland in de komende planperiode. De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap: 1. In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden. De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. Delfland werkt bij het bestendigen van het beheer van de infrastructuur toe naar de levenscyclusbenadering; 2. Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afvalwatersysteem. Dit betekent de kans op natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer vast te houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voor de multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeteren en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen tot zoetwaterfabrieken.
Bij elk project, proces en activiteit worden de innovatieve mogelijkheden en de meest duurzame wijze van uitvoering meegenomen in de afwegingen; 3. Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven. De samenwerking in het waterbeheer is pluriform van karakter. Het waterschap speelt hierop in door goed omgevingsmanagement en door op basis van transparantie en vertrouwen de samenwerking te zoeken en structureel te onderhouden. Delfland wil het waterbewustzijn bevorderen door samenwerking met belanghebbenden en delen van verantwoordelijkheden; 4. Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Duidelijke kaders worden neergezet, zoals financieel gezond en bijdragen aan toekomstbestendig waterbeheer, maar dogma's zijn er niet. Dit betekent dat er in de werk- en beleidsprocessen van de ambtelijke organisatie en bij bestuurlijke besluitvorming binnen de wettelijke mogelijkheden voldoende ruimte moet zijn om maatwerk te leveren. Innovatie fungeert daarbij als aanjager om te blijven vernieuwen, mee te bewegen met veranderingen en te voorkomen dat het waterschap statisch wordt.
In 2007 (herzien in oktober 2018) is een Handreiking Watertoets, ruimte voor water in ruimtelijke plannen opgesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland stelt voorwaarden aan de inhoud van de watertoets (waterparagraaf) als verplicht onderdeel van de onderbouwing van ruimtelijke plannen. De toelichting van bestemmingsplannen dient een beschrijving te bevatten van de volledige watersituatie binnen het plangebied, alsmede de te verwachten ontwikkelingen. Deze beschrijving dient in te gaan op de volgende aspecten: « beleidskader omtrent water; * waterkeringen;
34
« waterkwantiteit; * waterkwaliteit en ecologie; * afvalwater en riolering; waterprojecten welke onderdeel zijn van ABC-Delfland. Gemeentelijk beleid Het Waterplan Westland , met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: ’’Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie", worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven.
Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd.
WATERPLAN WESTLAND WESTLAND WATER, NU EN LATER
3'fëbruari 2 3.6.2
VV.-7/v
Onderzoek
Voor de ontwikkeling in het Centrum van Honselersdijk is door IDDSAqua in Bijlage 3 een watertoets opgesteld (kenmerk 18101665ZJLAZrap3). Veiligheid en waterkeringen Uit de Leggerkaart van Delfland blijkt dat er in en nabij het plangebied geen waterkeringen aanwezig zijn die van invloed zijn op dit plan. In de nieuwe situatie zal er geen oppervlaktewater aanwezig zijn of worden aangelegd. Dit thema vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. Waterkwantiteit
35
Nieuwe plannen dienen te voldoen aan de provinciale normen voor bergings- en afvoercapaciteit. Het plangebied ligt in het boezemland van Delfland. Concreet betekent dit dat het gebied zonder gemalen afWatert op het boezemstelsel. Er is sprake van een vastgesteld boezemwaterpeil van circa -0,43 m NAP en er dient rekening gehouden te worden met een maximale peilstijging van 0,25 m voor bebouwd gebied. De nieuwe functies dienen op dit beschermingsniveau te worden aangepast. De nieuwe en de bestaande functie hebben hetzelfde beschermingsniveau. In het bestemmingsplan Kern Honselersdijk (vastgesteld 20 maart 2012) zijn voor het boezemgebied binnen dit plan geen aanvullende maatregelen ten aanzien van de waterkwantiteit voorzien. In onderstaand figuur is ter illustratie de hoogtekaart van het gebied weergegeven. Het maaiveld zal op minimaal + 0,54 m NAP blijven. De hoogtekaart van het gebied is in onderstaande figuur weergegeven. Het grondwaterpeil zit op circa minimaal 0,8 m onder maaiveld en hierop kan, indien gewenst, geïnfiltreerd worden. ļ Fazanìlaan 4, Honselersdijk, Wei X | Ą Toon zoekresiilisten voor Fazantlaan
AHN2 Hoogte (m): 0.536 Zoomen naar
Uitsnede actueel Hoogtebestand Nederland -Hoogte (m) 0,536 - ahn.arcgisonline.nl Om te bepalen of er wordt voldaan aan het stand-still beginsel, zijn drie onderdelen van belang die als richtlijn dienen voor vasthoudmaatregelen ter eventuele compensatie van verharding: - De kans op wateroverlast mag niet toenemen als gevolg van het ruimtelijke plan: aangezien de verharde oppervlakte niet zal toenemen, zal dat in de nieuwe situatie niet gebeuren; - De structuur van het watersysteem mag door het ruimtelijke plan niet verslechteren; aangezien er geen aanpassingen in de structuur plaatsvinden, zal dat in de toekomstige situatie geen rol spelen; - Beheerbaarheid van het watersysteem mag niet achteruit gaan; aangezien er geen activiteiten worden uitgevoerd die hier betrekking op hebben wordt hier aan voldaan. Het bestemmingsplan voldoet aan de trits 'vasthouden, bergen en afvoeren'. Op basis van de Watersleutel hoeft er binnen het plangebied geen watercompensatie plaats te vinden.
36
Bij de uitvoering van het plan wordt er nader invulling gegeven aan de inrichting van de openbare ruimte. Hierbij is de uitganssituatie dat dit niet negatief is voor de waterhuishouding, omdat er geen verhard oppervlak wordt gerealiseerd ten opzichte van wat er altijd geweest is. Bij de uitvoering zal worden onderzocht wat de mogelijkheden zijn voor het toepassen van maatregelen ten gunste van de waterhuishouding. Voor een vertraagde afvoer van het hemelwater zijn creatieve en efficiënte maatregelen mogelijk, zoals het ophogen van gronden, Waterkwaliteit en ecologie Het projectgebied heeft vanwege het ontbreken van oppervlaktewater, geen directe invloed op de kwaliteit van het oppervlaktewater. Door de eventuele infiltratie van hemelwater in de bodem kan door de bodempassage een kwaliteitsverbetering plaatsvinden van het grondwater. Onderhoud en bagger In het plangebied bevindt zich geen oppervlaktewater en dit wordt er ook niet gerealiseerd. Het plangebied ligt bovendien niet in een beschermingszone en ligt op voldoende afstand van watergangen en ecologische zones. Onderhoud en bagger is dan ook niet aan de orde in het plangebied. Afvalwater en riolering Als basis voor het rioleringsplan dient het gemeentelijke rioleringsplan van de gemeente Westland.
Het plan zal voldoen aan de Leidraad Riolering West Nederland en de Leidraad aan-en afkoppelen verhard oppervlak en de Beslisboom Aan- en afkoppelen verharde oppervlakten. Dit betekent voor het plangebied dat er een zogenaamd gescheiden rioleringsstelsel wordt aangelegd. Het afvalwater wordt afgevoerd naar de dichtstbijzijnde A.W.Z.I., Harnasch polder. Procedure Op 13 december 2018 is de waterparagraaf in het kader van het vooroverleg ontvangen door het Hoogheemraadschap Delfland. Op basis van dat advies zijn er enkele aanpassingen gedaan. Tijdens het waterspreekuur heeft het Hoogheemraadschap nog enkele opmerkingen geplaatst welke zijn verwerkt in deze watertoets. 3.6.3
Conclusie
Gelet op de geringe fysieke aanpassingen vormt het aspect water geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.
3.7
Bodem
3.7.1
Wettelijk kader
Wet bodembescherming De Wet bodembescherming ziet, vanuit een goed milieubeheer, op de bodembescherming en bodemsanering. Met deze wet moet rekening worden gehouden met het ontwikkelen en realiseren van ruimtelijke plannen. In een bestemmingsplan dat voorziet in ruimtelijke ontwikkeling, moet verantwoord zijn dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is op grond van de bodemkwaliteit voor die ruimtelijke ontwikkeling. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht.
37
3.7.2
Onderzoek
Voor de ontwikkeling in het Centrum van Honselersdijk zijn de volgende bodemonderzoeken uitgevoerd: -
Milieuhygienisch vooronderzoek, verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek 13 februari 2019 Bijlage 4) ;
-
Milieuhygienisch vooronderzoek, aanvullend onderzoek en asfaltonderzoek 12 augustus 2019 (Bijlage 5).
Resultaten verkennende bodemonderzoeken Uit de bodemonderzoeken blijkt geen sprake is van ernstige bodemverontreiniging. In de grond wordt de achtergrondwaarde (AW 2000) overschreden waardoor er beperkingen gelden bij afvoer van de grond ten aanzien van het hergebruik. Opgemerkt wordt dat indien bijvoorbeeld bij de herinrichtingswerkzaamheden grond vrijkomt die niet ter plaatse kan worden hergebruikt er restricties gelden ten aanzien van het hergebruik. 3.7.3
Conclusie
Aan de hand van de resultaten van de bodemonderzoeken wordt geconcludeerd dat het aspect bodem de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
3.8
Ecologie
3.8.1
Wettelijk kader
Natuurnetwerk Nederland Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied. Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking.
De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes: *
Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn;
38
« *
Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd.
Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. van de Wnb.
Verbodsbepaling
vogels vil
Dieren Hro
Planter Hru
theren
pjanten
Bonn/Bem
BoruVB&m
manonaan
oianortaan
Gieren of planten: Doden of vangen
3 tc i a 3.1.4 (tènaj
3 WĚň.versľorĚň
ĩ 1 5)
3 iū i.c
FïdKken. verzamelen, afsnijden, ontwrteien of vernielen
Ond er zich heb ten of vervoeren
P Matsen: vernieler, besch negen of wegnemen resten Beschadigen of vermelen
3 tu t b
voorìpiantinrļspianlsen
i.vasiė vp)
Beschadigen of vernielen ruste nntsen
3.10.1.b
u
rpi
Eieren; Vernielen (ot-vn- beschadigen;'
Rapen Onder ach heb ;en Tiofitchímg Codes verween naar wetsadikeien Wet natPurDoschemung Oranje
verlKHlsbepalmg geld! alleen wanneer sprake is van opze:
verbodsbepaling geler in alle gevallen, ook wanneer geen sprake is
Tabel verbodsbepalingen soortenbescherming onder de Wnb Vrijstellingen In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Zorgplicht De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten: 1. 2.
Achterwege gelaten worden, of Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of
39
3.
Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt
Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden. 3.8.2
Onderzoek
Op 17 december 2018 is door IDDS B.V. een natuurtoets uitgevoerd voor het Centrum Honselersdijk (kenmerk 1808L774^B^rap2 Bijlage 6 Ecologisch onderzoek). Voorafgaand aan deze natuurtoets is het gebied in 2014 door Aqua-Terra Nova reeds onderzocht op het voorkomen van beschermde flora en fauna. In 2014 heeft dit bureau ook een nader onderzoek naar vleermuizen in het gebied gedaan (Aqua-Terra Nova 214072/ 3 november 2014). Deze onderzoeksresultaten zijn verouderd en de wetgeving is in de tussentijd veranderd. De toen geldende Flora- en Faunawet is met ingang van januari 2017 vervangen door de Wet natuurbescherming. Tevens zijn de omstandigheden in het plangebied veranderd. De natuurtoets bestaat uit twee delen, te weten: een bronnen- en literatuuronderzoek (bureaustudie) en een biotooptoets (veldbezoek). De biotooptoets is door een ecoloog uitgevoerd op 7 november 2018 in de ochtend bij windkracht 2, bewolking en lichte regen en circa 12^. Vleermuizen Resultaten bureauonderzoek Het plangebied heeft meerdere opstallen waarin vleermuizen kunnen verblijven indien geschikte invliegopeningen aanwezig zijn. De meest voorkomende gebouwbewonende vleermuissoort (pipistrelllus pipistrelllus) is de gewone dwergvleermuis.
Andere soorten die vaak of regelmatig in stedelijk gebied in gebouwen verblijven en voorkomen in de provincie Zuid-Holland zijn de ruige dwergvleermuis (pipistrelllus nathusii), gewone grootoorvleermuis (plecotus auritus), laatvlieger (eptesicus serotinus) en meervleermuis (myotis dasycneme). Verschillende ruimten in gebouwen kunnen door vleermuizen gebruikt worden als verblijfplaatsen. Dit gebruik is afhankelijk van de tijd van het jaar, de (buiten)temperatuur en de functie van de verblijfplaats. De gewone dwergvleermuis gebruikt bijvoorbeeld spouwmuren en de ruimten onder daken van woningen als kraamverblijfplaatsen. Bomen van voldoende grootte zijn in het plangebied aanwezig waardoor de aanwezigheid van boombewonende soorten kan worden verwacht. De ruige dwergvleermuis is een boombewonende soort die volgens verspreidingsgegevens kan voorkomen. Zomerverblijven bevinden zich vaak in (oude) bomen met holten. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger kunnen holten gebruiken als paarverblijf. De bomen in het plangebied moeten worden onderzocht op holtes die voor vleermuizen geschikt zijn om in te verblijven, zoals ingerotte boomdelen, ingescheurde takken en loshangend schors. Tijdens het vleermuisonderzoek uit 2014 zijn kortstondig twee vleermuizen in het plangebied waargenomen. De overige waarnemingen waren van vleermuizen buiten het plangebied.
Resultaten veldbezoek In het plangebied staat met name laagbouw. De school heeft aan de voorzijde enkele open stootvoegen, die zich op minder dan 3m hoogte bevinden. Deze zijn vanwege de hoogte niet geschikt. Het woonhuis in het plangebied heeft aan alle zijden boven de rode lijn open stootvoegen. Vleermuizen zouden van deze stootvoegen gebruik kunnen maken om zich in de spouw te vestigen. Het andere woonhuis in het plangebied, aan de Fazantlaan, beschikt niet over invliegopeningen voor vleermuizen. In de platanen op het schoolplein, de populieren en de overige bomen in het plangebied bevinden zich geen holtes. Conclusie vleermuizen In 2014 zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen. Een zeer beperkt aantal vleermuizen werd waargenomen tijdens die bezoeken. De conclusie in 2014 was: " Het project heeft een zeer beperkt effect op vleermuizen. In het kader van de Zorgplicht wordt geadviseerd om aanwezige verlichting tussen zonsondergang en zonsopkomst in de periode maart t/m oktober naar de grond te richten. De situatie voor vleermuizen is in 2018 ten opzichte van 2014 in het plangebied hetzelfde gebleven. De enige plaats waar vleermuizen zouden kunnen verblijven is het woonhuis.
Omdat vleermuizen vaak meerdere jaren van hetzelfde verblijf gebruik maken, en in 2014 geen activiteit van vleermuizen rond het woonhuis is waargenomen, is geen reden om aan te nemen dat vleermuizen thans wel van het woonhuis gebruikt
40
maken. Het is onaannemelijk dat van de woning gebruik wordt gemaakt door vleermuizen. Uit het vleermuisonderzoek van 2014 bleek dat het project een zeer beperkt effect op vleermuizen heeft. Er is, gezien de omstandigheden, geen reden om aan te nemen dat de resultaten van dit vleermuisonderzoek, zouden veranderen indien een nieuw vleermuisonderzoek zou plaatsvinden. Op basis van het bovenstaande is het uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten hebben op vaste rust- en/of verblijfplaatsen, vaste vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen. Een nieuw vleermuisonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Grondgebonden zoogdieren Resultaten bureauonderzoek Op basis van biotoop en verspreidingsgegevens zijn geen beschermde soorten zoogdieren te verwachten in het plangebied. Resultaten veldbezoek Beschermde zoogdieren of sporen hiervan zijn niet aangetroffen. Geconstateerd is dat het biotoop hiervoor ongeschikt is. Conclusie zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen zoogdieren aangetroffen. Voor beschermde zoogdieren is het plangebied niet de juiste habitat of grootte. Voor eventueel aanwezige algemene soorten geldt de zorgplicht. Door de dieren te vangen in uit te zetten in een zelfde habitat nabij het plangebied wordt hier invulling aan gegeven. Nader onderzoek naar zoogdieren wordt naar aanleiding van het bovenstaande niet nodig geacht.
Vaatplanten Resultaten bureauonderzoek Op basis van verspreidingsgegevens en biotoop kan de aanwezigheid van beschermde soorten vaatplanten worden uitgesloten. Resultaten veldbezoek Beschermde vaatplanten zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Geconstateerd is dat het biotoop hiervoor niet geschikt is. Conclusie vaatplanten Geconcludeerd kan worden dat de aanwezige vaatplanten geen beschermde status hebben en ontwikkelingen niet in de weg staan. Vogels Resultaten bureauonderzoek In de verspreidingsgegevens worden over de afgelopen drie jaar meerdere vogelsoorten genoemd. Gebouwbewonende soorten als gierzwaluw (apus apus) en huismus (passer domesticus) kunnen aanwezig zijn. Vanwege de afwezigheid van veel groen op de luchtfoto, en het onderzoek uit 2014, worden andere jaarrond beschermde soorten niet verwacht. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen vogels waargenomen in het plangebied. De opstallen beschikken niet over invliegopeningen voor huismus of gierzwaluw. Nesten van broedvogels met een jaarrond beschermde status zijn niet gevonden. Huismussen zijn in het plangebied niet waargenomen. In de nabijheid van het gebied zijn ook geen huismussen waargenomen. Het plangebied is geen broed- of foerageergebied voor huismussen. Conclusie vogels
41
Het plangebied heeft geen functie voor broedvogels met een jaarrond beschermde status. In het gebied zijn geen (jaarrond) beschermde nesten aangetroffen. Huismussen zijn in het gebied niet gesignaleerd, noch doet het plangebied dienst als (essentiële) foerageerplaats of schuilplaats voor huismussen. Tijdens het onderzoek uit 2014 zijn evenmin jaarrond beschermde soorten waargenomen. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten vogels in het plangebied gaan broeden. De Wet natuurbescherming biedt bescherming aan alle in gebruik zijnde nesten en rustplaatsen van vogels. De nestbescherming geldt voor alle soorten gedurende het broedseizoen en voor een beperkt aantal soorten jaarrond. Iedere vogel is tijdens het broeden beschermd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode, globaal wordt uitgegaan van half maart tot half augustus. Het groen in het plangebied moet buiten het broedseizoen worden gekapt om verstoring van broedvogels te voorkomen. Kap tijdens het broedseizoen is alleen mogelijk wanneer vooraf 2x is geïnventariseerd op broedvogels door een deskundig ecoloog. Blijkt na een eerste bezoek dat vogels broeden, dan is een tweede bezoek niet nodig en moet worden gewacht met de kap tot einde broedseizoen. Blijkt na twee onderzoeken dat vogels niet in het gebied broeden, dan mag op zeer korte termijn daarna worden gekapt.
Amfibieën en reptielen Resultaten bureauonderzoek Wat betreft in Zuid-Holland beschermde amfibieën komt in de verre omgeving van het plangebied alleen de rugstreeppad (bufo calamita) voor. De aanwezigheid van deze soort kan op basis van verspreidingsgegevens en biotoop worden uitgesloten. Reptielen kunnen eveneens op basis van verspreidingsgegevens worden uitgesloten. Resultaten veldbezoek Amfibieën zijn niet waargenomen. Het plangebied beschikt niet over watergang. Ook in de directe omgeving van het plangebied is geen watergang aanwezig. Poeltjes of plaatsen waar regenwater kan blijven staan wat dienst kan doen als voortplantingswater zijn niet aanwezig in of nabij het plangebied. Het plangebied is over het algemeen verhard. Het plangebied vormt geen geschikt biotoop voor rugstreeppad of andere amfibieën. Conclusie amfibieën en reptielen Beschermde amfibieën en reptielen kunnen op basis van verspreidingsgegevens worden uitgesloten. Algemene soorten kikkers worden gezien het biotoop, geen water en schuilmogelijkheden, eveneens niet verwacht aanwezig te zijn. Vanwege de afwezigheid van de beschermde rugstreeppad en andere amfibieën zijn nader onderzoek naar het voorkomen van rugstreeppad en maatregelen met betrekking tot rugstreeppad en andere amfibieën niet noodzakelijk.
Overige beschermde soorten Resultaten bureauonderzoek De verschillende soorten libellen, vlinders, insecten en andere ongewervelden die vermeld worden in de Wet natuurbescherming zijn aanwezig in een ander verspreidingsgebied dan het plangebied. Meldingen van deze soorten in het plangebied zijn er niet, het verspreidingsgebied ligt buiten het plangebied. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat het biotoop ongeschikt is voor beschermde soorten libellen en vlinders, vanwege het ontbreken van poeltjes of waardplanten. Conclusie overige beschermde soorten Met beschermde ongewervelde diersoorten hoeft op grond van biotoop en verspreidingsgegevens geen rekening gehouden te worden. 3.8.3
Conclusie
Tabel: Overzicht van onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten in het plangebied
42
Soort(groep)
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffing
Vleermuizen
Nee
Nee
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Nee
Nee
Nee
Vogels Amfibieën en reptielen
Bijzonderheden/ opmerkingen Geen soorten aanwezig, het gebied heeft geen (essentiële) functie voor vleermuizen. Geen beschermde soorten aanwezig. * zie zorgplicht vogels hoofdstuk 6. Geen beschermde soorten aanwezig.
Vaatplanten
Geen beschermde soorten aanwezig.
Overige soorten
Geen beschermde soorten aanwezig.
Gebiedsbescherming Wettelijk kader Binnen de EU worden de belangrijkste leefgebieden van de meest bedreigde en waardevolle soorten en habitattypen aangewezen als Natura 2000-gebied. Deze Natura 2000-gebieden moeten samen een Europees ecologisch netwerk vormen om de achteruitgang van de biodiversiteit te keren. De juridische basis voor dit netwerk zijn de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, die in Nederland zijn doorvertaald in de Wet natuurbescherming (Wnb). Per gebied worden voor de soorten en habitattypen instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Dit kunnen behouds- of uitbreidings^verbeteringsdoelstellingen zijn. Het is verplicht om plannen en projecten te beoordelen op de gevolgen voor deze instandhoudingsdoelstellingen. Voor projecten geldt een vergunningsplicht als het project een verslechterend of significant verstorend effect kan hebben op een Natura 2000-gebied (art. 2.7 lid 2, Wnb). Bij vaststelling van plannen moet het bevoegd gezag rekening houden met de gevolgen van het plan voor Natura 2000-gebieden (art. 2.7 lid 1, Wnb). Onderzoek Op 6 januari 2020 is door IDDS een Notitie stikstofberekening gemaakt op basis van 2 Aerius berekeningen (Aeriusberekening bouw en Aerius berekening gebruik) voor deze ontwikkeling. In de directe nabijheid van het plangebied liggen geen Natura 2000- gebieden.
Wel zijn de volgende gebieden in de omgeving te vinden: ^ Solleveld & Kapittelduinen - 4 km ^ Westduinpark & Wapendal - 7 km Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelig Natura 2000-gebied ligt op circa 4.000 meter (Solleveld & Kapittelduinen) van het plangebied. Gelet op de omvang van het planvoornemen is voor deze ontwikkeling een berekening opgesteld. Beoordeeld wordt of als gevolg van het project de kwaliteit van het natuurlijke leefgebied of de habitat van soorten in een Natura-2000 gebied kan verslechteren. Met behulp van het voorgeschreven rekenprogramma AERIUS is het planvoornemen doorberekend. Bij de berekening is een onderscheid gemaakt tussen de bouw-/ aanlegfase en de gebruiksfase. De conclusie luidt dat er geen beschermde natuurgebieden worden getroffen door deze ontwikkeling. De rekentool geeft op basis van de door de initiatiefnemer aangeleverde input, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van het planvoornemen treedt er dus geen stikstofdepositie op in Natura 2000-gebied.
43
3.8.3
Conclusie
De aspecten soorten- en gebiedsbescherming staan de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Het planvoornemen leidt niet tot extra stikstofdepositie in Natura 2000-gebied en er zijn geen beschermde soorten die zorgen voor een belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Met de aanbevelingen in het rapport zal tijdens de realisatie van het project rekening worden gehouden.
3.9
Cultuurhistorische aspecten
3.9.1
Wettelijk kader
In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Sinds 2016 is deze wet vervangen door de Erfgoedwet. Door middel van het overgangsrecht blijven enkele bepalingen uit de Monumentenwet 1988 van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan. Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeentes in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Conform de Erfgoedwet beschermt de gemeente Westland het archeologisch erfgoed middels het bestemmingsplan.
Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeentes bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De gemeente Westland beschikt sinds 2012 over een vastgestelde archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan. Bekende en verwachte archeologisch waardevolle gebieden krijgen in het bestemmingsplan een archeologische (mede)bestemming met daarbij horende vrijstellingsgrenzen. Binnen deze zones dienen bodemverstorende ingrepen zoveel mogelijk te worden beperkt. Bodemverstorende werkzaamheden die de aan de bestemmingszones gekoppelde vrijstellingsgrenzen overschrijden, worden gebonden aan het vergunningenstelsel. Zodoende kan het belang van het archeologisch erfgoed worden meegewogen bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning. Dit kan ertoe leiden dat er eisen worden gesteld aan de uitvoering van de werkzaamheden, of dat de voorgenomen ingreep alleen na archeologisch onderzoek wordt toegestaan. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek. 3.9.2
Onderzoek
Tijdends het verkennende booronderzoek dat is opgesteld door Archeologie Delft van 9 september 2021 (nummer WL231 Bijlage 10 Archeologisch onderzoek zijn vijf boringen gezet in het plangebied. Al deze boringen lagen in het westelijk deel van het plangebied, in het oostelijk deel was boren niet mogelijk vanwege de aanwezigheid van asfalt. Eén van de boringen is gestuit op 1 m -mv. De andere boringen konden gezet worden tot 2 m -mv. In drie van deze boringen is in de Gantel Laag op een diepte van 95-130 cm -mv fosfaat, houtskool en puinfragmentjes aangetroffen. Deze vondsten duiden op de mogelijk aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Om die reden is er geadviseerd om een vervolgonderzoek uit te voeren door middel van proefsleuven. In één van de boringen is onder de Gantel Laag een grijze kleilaag aangetroffen vanaf 180 cm m -mv met een zweem fosfaat. Deze laag is in de rapportage geïnterpreteerd als de Oer-Gaag Laag (in de
44
rapportage Hoekpolder Laag genoemd). De fosfaat zweem heeft waarschijnlijk een natuurlijke oorzaak. Op basis van de geologische ondergrond van het plangebied wordt deze laag in principe niet verwacht in het plangebied. Het is goed mogelijk dat het hier ook de Gantel Laag betrof. 05400
feďe.nl.Md-b.e i----- 1----- 1----- 1----- 1----- 1----- 1----- 1----- 1 ū
I 3.9.3
15
30
00
I Plangebied 2021
0
Meters
Boringen 2014
Conclusie
Op basis van het aanvullende bureauonderzoek kan geconcludeerd worden dat er een middelhoge verwachting geldt voor archeologische resten uit het Neolithicum, de Romeinse tijd en de Late Middeleeuwen en een hoge verwachting voor archeologische resten uit de Nieuwe tijd. Bij graafwerkzaamheden bestaat de kans dat eventuele archeologische resten verloren gaan. Op basis van de resultaten van het booronderzoek in 2014 kan geen goed beeld verkregen worden van de bodemopbouw van het huidige plangebied en de omvang van eventuele vindplaatsen. Daarnaast biedt de locatie van de gesloopte kerk de mogelijkheid om ook dit deel van het gebied te onderzoeken. Gelet op het bovenstaande is geadviseerd om opnieuw een verkennend booronderzoek uit te voeren in het plangebied om de archeologische verwachting te toetsen en om de bodemopbouw in kaart te brengen. De geslaagde boringen uit het onderzoek uit 2014 kunnen bij dit onderzoek betrokken worden. Er wordt geadviseerd om de boringen aan de oostzijde van het plangebied, waar de Laag van Ypenburg wordt verwacht, tot minstens 0,30 m in de top van de Laag van Ypenburg te zetten. In de rest van het plangebied wordt geadviseerd om tot minstens 0,50 m in de top van de Gantel Laag te boren. Er moet rekening worden gehouden met het van tevoren verwijderen van het asfalt, om de boringen goed verspreid over het plangebied te kunnen verdelen. Op.......
is opdracht gegeven om een verkennend booronderzoek uit te voeren in het plangebied op basis van bovenstaand advies.
45
46
Hoofdstuk 4
Juridische planbeschrijving
4.1
Planvorm
4.1.1
Wettelijk voorgeschreven standaardisering
De planregels en de planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen als gepubliceerd door het ministerie van VROM (SVBP 2008) en als wettelijk voorgeschreven in de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 (Staatscourant 2008, nr. 377, van 30 oktober 2008). Daarnaast zijn in de planregels de standaardregels opgenomen als geboden in artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. In een apart artikel zijn de bijzondere gebruiksverboden opgenomen voor alle bestemmingen, welke verboden aansluiten op het wettelijk verbod als neergelegd in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening. Voor uitleg van die planregels wordt verwezen naar de toelichting op het Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008, in samenhang met de jurisprudentie over die uitleg. Voorts is de "Werkafspraak terminologie Wabo in Standaard voor Vergelijkbare bestemmingsplannen" van september 2010 verwerkt. Die werkafspraak in het kader van de ministeriële regeling is gemaakt met het oog op de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010. 4.1.2