1.61b) bijlagen bij de toelichting (21-0309258)
Tekst van het document
2.1
Beschrijving onderzoekslocatie
2.1.1
Begrenzing onderzoeks- en plangebied Het is van belang een onderscheid te maken tussen onderzoeksgebied enerzijds en plangebied anderzijds. Met plangebied wordt het gebied bedoeld waarop de werkzaamheden betrekking hebben. Het plangebied betreft in dit geval het te ontmantelen perceel, dat is gelegen aan de Grote Achterweg ten noordwesten van Naaldwijk (ten noorden/noordoosten ligt hier de recreatieplas het prinsenbos). Binnen dit gebied kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. Het onderzoeksgebied omvat het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden in het onderzoeksgebied. Dit gebied is veelal groter dan het plangebied en verschilt al naar gelang het te onderzoeken aspect. In dit geval is een onderzoeksgebied aangehouden van circa 500 m rondom het plangebied.
Afbeelding 2. De NAM-locatie (rood omkaderd) met daarin het te ontmantelen deel (blauw omkaderd) op recente luchtfoto.
Blad 4 van 25
Antea Group Archeologie 2017/161
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417964 13 november 2018 revisie 01 NAM B.V.
2.1.2
antea'group
Huidig en toekomstig gebruik Huidig gebruik plangebied
In het plangebied - met een oppervlakte van circa 8250 m2 - zijn bovengrondse- en ondergrondse installaties aanwezig. Het maaiveld bestaat hoofdzakelijk uit (asfalt)verharding. Langs de noordoostrand van de locatie bevindt zich een beplante strook. Consequenties toekomstig gebruik
De installaties en verhardingslagen zullen worden verwijderd over het gehele terrein. Het terrein heeft een omvang van 35 bij 120 m binnen de omheining (circa 4200 m2). Bij de ontmanteling kunnen eventueel aanwezige archeologische resten worden geschaad. Het zuidelijke gedeelte van het plangebied, met een oppervlakte van circa 4050 m2, blijft bestaan. De voorgenomen ontgravingsdiepte is nog niet geheel bekend; dat hangt af van de verontreinigingssituatie waarnaar op dit moment nog onderzoek wordt gedaan. In ieder geval wordt t.p.v. de boorkelder tot 3 m - mv ontgraven. Maar hier is (naar verwachting) de grond al geroerd tot 3,0 m - mv bij aanleg kelder en boring. In het noordelijke deel zal de ontgravingsdiepte plaatselijk 2,0 à 3,0 m mv bedragen. Binnen het grootste gedeelte van de locatie wordt alleen asfalt en de funderingslaag en/of het cunetzand verwijderd tot circa 0,5 m -mv.
2.1.3
Archeologisch beleid en regelgeving Het plangebied ligt in de gemeente Westland en valt onder het Bestemmingsplan Glastuinbouwgebied Westland, vastgesteld in 2012. Op het plangebied ligt een dubbelbestemming waarde archeologie, swr-4. Er geldt een vrijstelling voor graafwerkzaamheden tot 100 m2 en minder dan 0,5 m -mv. Deze regelgeving in het bestemmingsplan komt overeen met de beleidszone op de gemeentelijke beleidskaart: verwachtingszone I (advies, vrijstelling tot 100 m2 en 0,5 m -mv). Archeologisch onderzoek is op grond van de geplande werkzaamheden, het beleid en de regelgeving verplicht.
2.1.4
Landschappelijke situatie In het Westland is in de loop der tijd veel sedimentatie opgetreden. Als gevolg van deze geologische ontwikkelingen was het uiterlijk van het landschap continu aan verandering onderhevig. De verschillende geologische afzettingen die na elkaar zijn ontstaan hadden een conserverende of juist erosieve invloed op de onderliggende afzettingen. Door een geleidelijke temperatuurstijging aan het einde van de laatste ijstijd (rond 9500 voor Chr.) smolt het aanwezige landijs en steeg de zeespiegel. Als gevolg van grondwaterstijgingen trad boven op de zandige ondergrond (Formaties van Boxtel en Kreftenheye, circa 20-22 m -NAP) veengroei op (Basisveen Laag). Rond 6000 voor Chr. verdronk dit landschap en veranderde het gebied in een getijdegebied of waddenzee, waarin dikke lagen klei en zand werden afgezet. Deze waddenzee was door middel van een kustbarrière met daarin plaatselijk zeegaten van de Noordzee gescheiden. Rond 4000 voor Chr. nam de snelheid van de zeespiegelstijging af en ontstonden strandwallen (Laagpakket van Zandvoort) met lage duinen op de plaats van de kustbarrières. De kustlijn verschoof geleidelijk westwaarts, waarbij steeds nieuwe strandwallen ontstonden. Op deze strandwallen, die van elkaar werden gescheiden door strandvlaktes, vormden zich her en der lage
Blad 5 van 25
Antea Group Archeologie 2017/161
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417964 13 november 2018 revisie 01 NAM B.V.
antea'group
duintjes. De vorming van strandwallen met duinen is belangrijk geweest voor de bewoningsmogelijkheden in het Westland. Uit de jongere duinfase (Laag van Voorburg) zijn bij Naaldwijk resten bewaard gebleven van een haakwal1 die zich langs de noordelijke oever van de Maas heeft gevormd (zie onder). Door de vorming van de strandwallen ontstond een lagunair gebied dat geleidelijk dichtslibde en verzoette. Door inbraken vanuit zee overstroomden ook geregeld delen van het landschap achter de duinen. Het landschap werd ook aangetast door erosie van de Maas en de daarin uitkomende zijrivieren. Deze rivieren schuurden uit tot eb- en vloedkreken, waarlangs oeverwallen ontstonden. Buiten deze rivieren werden kleidekken afgezet (Laagpakket van Wormer). De Gantel is een dergelijk geulsysteem dat zich achter de kustlijn ver landinwaarts insneed. Rond 300 voor Chr. drong deze geul via (het huidige) Wateringen, Midden-Delfland en Rijswijk door tot aan Delft. De geulen uit deze fase raakten later opgevuld met klei, afgewisseld met zandlaagjes. De dekafzettingen van De Gantel (de Gantel Laag) bestaan uit zware klei en zijn over het grootste deel van Westland verspreid. Ze bedekken ook de strandwallen ten oosten van Loosduinen en Monster. Rond het begin van de jaartelling vormde zich een zandige haakwal tussen Monster en Naaldwijk, die uiteindelijk de monding van de Gantel afsloot.
Deze haakwal bood gunstige bewoningsmogelijkheden vanaf de late ijzertijd. Het plangebied ligt op het naar het zuidoosten gebogen deel van deze wal richting Naaldwijk. Volgens de paleogeografische reconstructie is dit deel van de wal gevormd tussen 225 voor Chr. en 100 na Chr.1 2 Hier ligt het Laagpakket van Schoorl3 aan het oppervlak en ligt de Laag van Voorburg4 op de oudere geulafzettingen van De Gantel.5 Geomorfologie en AHN
Op de Geomorfologische kaart van Nederland, 1:50.000 (Alterra, Wageningen) ligt het plangebied op afgegraven/geëgaliseerde duinen of strandvlakte (code 2M49). Het betreft hier de hierboven genoemde haakwal die rond het begin van de jaartelling ontstond. Ten noorden van het plangebied liggen dekafzettingen (code 2M35), ten zuidoosten zijn resten van het Gantel systeem (gekarteerd als getijdeinversieruggen, code 3K33) aanwezig. Ten westen ligt een erosiegeul (code 2R14). De zandige wal die is afgezet op de (geul)afzettingen van de Gantel wordt ook wel aangeduid als de Naaldwijkse geest.
1 Een haakwal is een rij duinen die loodrecht op de kust stonden. 2 Vos 2017, p.36. 3 Eén van de vier laagpakketten van de Formatie van Naaldwijk. Het laagpakket van Schoorl bestaat uit fijn duinzand (ook wel jonge duinen genoemd).
4 De Laag van Voorburg betreft de jongere fase van het Laagpakket van Zandvoort (,eén van de vier laagpakketten van de Formatie van Naaldwijk). Het gaat hier om de zogenaamde oude duinen (strandwal).
5 Zone 21 op de geologische kaart van Westland/Delfland (Vos, 2017).
Blad 6 van 25
Antea Group Archeologie 2017/161
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417964 13 november 2018 revisie 01 NAM B.V.
antea'group
2 R1 4
3K33
Naaldwijk 2 M 49
2 M3 4
Bron ltJchtfotox-Ķadaster, Şrdn Geomorfologische kaart: Alterra, Wageningen UR Afbeelding 3. Uitsnede uit de geomorfologische kaart (1:50.000), (bron: cultureelerfgoed.nl).
2M49
afgegraven/geëgaliseerde duinen/strandwallen
2M35(a) vlakte van getijdeafzettingen (hooggelegen) 2R14
zee-erosiegeul
2M34
vlakte van getijde-riviermondafzettingen
3K33
getijde-inversierug
Op de hoogtekaart, die is gebaseerd op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN2), is te zien dat het plangebied op een actuele hoogte van circa 1,1 m +NAP ligt. Dit is beduidend hoger dan de omgeving van het plangebied, waar het maaiveld op een hoogte ligt van circa 0,3 m +NAP. Mogelijk is het plangebied opgehoogd met zand uit het zandgat ten oosten van het plangebied (recreatieplas de Prinsenbosplas).
Blad 7 van 25
Antea Group Archeologie 2017/161
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417964 13 november 2018 revisie 01 NAM B.V.
antea'group
Afbeelding 4. Hoogtekaart op basis van het AHN2 (bron: ahn.arcgisonline.nl).
Bodem en grondwater
De bodemkundige opbouw binnen het plangebied is afgeleid van de Bodemkaart van Nederland, Blad 37 West (zie afb. 5). Het plangebied ligt op de overgang van twee bodemeenheden. Bodemeenheid EZ50A betreft een door mensenhanden gevormde bodem die enkel in de bollenstreek voorkomt en is geclassificeerd als kalkhoudende enkeerdgrond. Eenheid EK19 betreft tuineerdgrond, in historische zin heet dit ook wel ook wel 'opgevaren grond'.6 Beide zijn sterk met humus en organische stof aangerijkte bodems. Ze zijn aangereikt met bijvoorbeeld duinzand en/of slootbagger welke met boten werd aangevoerd. De gronden zijn redelijk goed ontwaterd (grondwatertrap VI). De gronden zijn ontstaan door eeuwenlang gebruik als tuinbouwgrond, een historisch grondgebruik dat teruggaat tot in de vroege 17e eeuw. De enkeerdgrond bestaat tot ongeveer 1 m -mv uit opgebrachte tuingrond en de tuineerdgrond bestaat tot tot ongeveer 0,7 m -mv uit opgebrachte tuingrond.7
6 Jongmans e.a. 2013. 7 Vos, 1984.
Blad 8 va
25
Antea Group Archeologie 2017/161
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417964 13 november 2018 revisie 01 NAM B.V.
antea'group
wmm
vis
Äia AìľŶ
Afbeelding 5. Uitsnede uit de bodemkaart van Nederland (1:50.000, kaartblad 17W), (bron: cultureelerfgoed.nl Z Stiboka).
2.1.5
Historische situatie en mogelijke verstoringen Historische situatie
De kaart van Kruikius voor het Hoogheemraadschap van Delfland uit 1712 is een van de eerste betrouwbare kaarten van Zuid-Holland. Op deze kaart is te zien dat de Achter Wegh (de huidige Grote Achterweg) op dat moment al bestond (afb. 6). Het plangebied bevindt zich in een aaneengesloten complex van bouwlanden met daaromheen weilanden. Deze strikte scheiding in grondgebruik is vermoedelijk inherent aan de aard van de ondergrond, die, zoals in het vorige paragraaf (paragraaf 2.1.4) is besproken, bestaat uit een zandige wal op de Gantel-afzettingen. Op verschillende plaatsen in de omgeving zijn tuincomplexen aanwezig, maar niet aan dit deel van de Achterweg. Bewoning is spaarzaam aanwezig en vond en vindt kennelijk vooral plaats in de bestaande kernen. Uit het kadastraal minuutplan uit 1819 (met bijbehorende tafelen) (afb. 7) blijkt dat het plangebied toen nog steeds in gebruik was als bouwland. Er zijn geen huizen in de directe omgeving van het plangebied. Op de topografische kaart van omstreeks 1900 (Bonneblad) (afb. 8) blijkt dat het belang van de landbouw rond deze tijd heeft ingeboet en de omvang van de tuinderijen sterk is toegenomen. Het plangebied is in de 20e eeuw in gebruik genomen als weiland.
Blad 9 va
25
Antea Group Archeologie 2017/161
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417964 13 november 2018 revisie 01 NAM B.V.
antea'group
'-ř'AIon/trii
NE NJ
’Vort Pat
y Odra's -ŵ
TÛ^Sj
tsTirśs-
BE DO.
Afbeelding 6. Uitsnede uit de kaart van het Hoogheemraadschap van Delfland, Kruikius 1712 (bron: tresor.tudelft.nl). Het plangebied is rood omkaderd. Met een witte lijn zijn de bouwlanden omkaveld.
Afbeelding 7. Uitsnede uit het kadastraal minuutplan 1819 (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). Rood kader: plangebied.
Blad 10 van 25
Antea Group Archeologie 2017/161
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417964 13 november 2018 revisie 01 NAM B.V.
antea'group
Mjooiwrali'
iV HŚSŴ/İ.*AÍ TA
r»
Afbeelding 8. Uitsnede uit topografische kaart rond 1900 (bron: topotijdreis.nl). Rood kader: ligging plangebied.
Mogelijke verstoringen
Door de aanleg van de NAM-locatie (circa 1960) in het plangebied kan de bodem zijn verstoord. Ook door het eeuwenlang gebruik als tuinbouw- of landbouwgrond is de bodem tot 0,7 à 1 m verstoord c.q. opgebracht. Door het afgeesten (afgraven van het zand tot vlak boven de waterspiegel) kunnen eventueel aanwezige archeologische resten op de zandwal zijn verstoord.
2.2
Bekende waarden
2.2.1
Archeologische waarden Uit het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed zijn de bekende archeologische waarden in een omtrek van ongeveer 500 m rondom het plangebied opgevraagd. Het betreft archeologische monumenten (AMK-terreinen), archeologische waarnemingen (zoals vondsten) en meldingen van eerdere archeologische onderzoeken (zie kaart 417964-ARCHIS in de kaartenbijlage). Gegevens uit ARCHIS: AMK-terreinen In het plangebied en onderzoeksgebied bevinden zich geen AMK-terreinen. Gegevens uit ARCHIS: archeologische waarnemingen (zie tabel 1) In ARCHIS zijn op ongeveer 200 m ten westen van het plangebied twee waarnemingen geregistreerd. De eerste waarneming (3105850100) is afkomstig uit literaire bron en betreft de hofsteden Hoog en Lage Doortoghe. Deze hofdsteden dateren uit de 13e eeuw en waren een grafelijke leen van Brederode. Een exacte locatie van deze hofsteden is niet bekend, er wordt aangenomen dat de overblijfselen volledig zijn uitgebroken.
Blad 11 van 25
Antea Group Archeologie 2017/161
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417964 13 november 2018 revisie 01 NAM B.V.
antea'group
De tweede waarneming betreft een vroege archeologische opgraving aan de Grote Achterweg in De Geest, uitgevoerd door Holwerda en Krom in 1907. Waar de opgraving exact heeft plaatsgevonden is niet bekend. Tijdens deze opgraving is vondstmateriaal aangetroffen dat te dateren is in de vroege middeleeuwen B (knikwandpotten) en daarnaast vele aardewerkscherven die dateren uit de midden-Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen. Deze resten houden vermoedelijk verband met een grafveld dat zich hier heeft bevonden. Waarneming
Locatie
Aard
Datering
3105850100
Niet exact bekend
Hofstede
13e eeuw
3109399100
De Geest/Grote Achterweg
Onbekend
Tabel 1. Archeologische waarnemingen binnen onderzoeksgebied (bron: ARCHIS)
Binnen het onderzoeksgebied zijn verder geen archeologische waarnemingen geadministreerd. Gegevens uit ARCHIS: eerdere onderzoeken (zie tabel 2) Aan het Monstersepad, dat ongeveer 450 m ten westen van het plangebied ligt, is door Archeologisch Adviesbureau ADC in 2011 een archeologisch booronderzoek uitgevoerd (archisnummer 2312122100).8 Aan de hand van dit onderzoek is geconcludeerd dat de duinafzettingen zijn omgewerkt en vermoedelijk ook zijn afgezand of afgegeest ten behoeve van de tuinbouw. De dieper liggende laag betreft geulafzettingen van de Gantel. Dit betreft geen potentieel vopndstniveau. Er is dan ook geadviseerd tot vrijgave. Bij booronderzoek (archisnummer 2160020100) langs een waterweg tussen de Grote en de Kleine Achterweg, dat plaats vond aan de overzijde van de weg ten zuiden van het plangebied, zijn door ADC afzettingen van de geul van het Gantelsysteem aangetroffen. Daarop is duinzand afgezet. De geul in het zuidelijk deel (bij de Kleine Achterweg) is geïnterpreteerd als een hoofdgeul van de Gantel. De geul aan de noordzijde (bij de Grote Achterweg en nabij het plangebied) is te interpreteren als een zijgeul. Er zijn wel landschappelijke, maar geen archeologische waarnemingen gedaan. Ook is de verwachting voor archeologische resten laag, zodat is geadviseerd tot vrijgave.
Aan de andere zijde van de Prinsenbosplas ligt de onderzoekslocatie Grote Achterweg 17 (archisnummer 2296645100). Op dit perceel, dat ongeveer 350 m ten oosten van het plangebied ligt, is door Archeologie Delft in 2010 een booronderzoek uitgevoerd.9 Er is in een grid van 30 bij 30 m geboord. Ondanks het landgebruik (bollenteelt) is de bodem beneden de 50 cm-mv intact te noemen. Er zijn echter geen archeologische indicatoren of interessante lagen aangetroffen, zodat er geen nader onderzoek noodzakelijk is geacht.
8 Blom, 2011. 9 Penning, 2010.
Blad 12 va
25
Antea Group Archeologie 2017/161
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417964 13 november 2018 revisie 01 NAM B.V.
antea'group
ARCHIS3
Jaar
Locatie
Uitvoerder
Type onderzoek
2360204100
2012
gemeente Westland
Archeologie
opstellen
Advies
n.v.t. (geen
Delft
verwachtingskaart
onderzoek ihkv
Grote Achterweg 17
Archeologie
booronderzoek
Monstersepad
ADC
booronderzoek
Watergang tussen Grote
ADC
booronderzoek
AMZ) 2296645100
2010
2312122100
2011
2160020100
2007
Delft
vrijgave
en Kleine Achterweg
vrijgave vrijgave
Tabel 2. Eerder uitgevoerde onderzoeken binnen onderzoeksgebied (bron: ARCHIS).
2.2.2
Ondergrondse bouwhistorische waarden Er zijn op basis van de geraadpleegde gegevens geen aanwijzingen gevonden om ondergrondse bouwhistorische waarden in het plangebied te verwachten.
2.3
Archeologische verwachting
2.3.1
Bestaande verwachtingskaarten Gemeentelijke verwachtingskaart
Op de gemeentelijke verwachtingskaart (vertaald naar de beleidskaart) is voor het plangebied een middelhoge verwachting opgenomen. Dit vanwege de duin- en strandafzettingen in de ondergrond (afb. 9).
Blad 13 va
25
Antea Group Archeologie 2017/161
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417964 13 november 2018 revisie 01 NAM B.V.
antea'group
ïSM WK
\\.Vļŕį-yļļjįŕSŗn'
VŠ'
wSŗįï*
V'*'
HĽU
LV
Afbeelding 9. Uitsnede uit de archeologische beleidskaart van de gemeente Westland (bron: Kerkhof 2012). Het plangebied ligt bij de rode pijl.
blauw: (rijks)beschermde vindplaatsen donkerrood: historische stads- of dorpskern lichtrood: hoge verwachtingszone oranje: middelhoge verwachtingszone geel: lage verwachtingszone wit: geen verwachting
Explosievenkaart gemeente Westland
Op de explosievenkaart van de gemeente Westland zijn locaties opgenomen die explosievenverdacht zijn. Dit heeft niets te maken met de archeologische verwachting, maar wordt in dit rapport meegenomen als beperking voor het uit te voeren booronderzoek.
Blad 14 van 25
Antea Group Archeologie 2017/161
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417964 13 november 2018 revisie 01 NAM B.V.
Afbeelding 10. Uitsnede uit de explosievenkaart van de gemeente Westland met daarop explosievenverdachte locaties. (bron: website gemeente Westland Z Saricon 2006). Het plangebied ligt ter plaatse van het rode kader.
Blad 15 van 25
antea'group
Antea Group Archeologie 2017/161
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417964 13 november 2018 revisie 01 NAM B.V.
2.3.2
antea'group
Gespecificeerde archeologische verwachting Datering
»
Romeinse tijd tot en met late middeleeuwen, middelhoge verwachting.
Complextype
»
Uit de Romeinse tijd tot en met de late middeleeuwen, te verwachten zijn huisplaatsen of nederzettingen eventueel met grafritueel en resten van landinrichting.
Omvang
»
De huisplaatsen en/of nederzettingen en grafvelden hebben naar verwachting een omvang van 100 m2 - 1000 m2. Eventuele sporen van landinrichting overschrijden waarschijnlijk de grenzen van het plangebied.
Diepteligging
»
Romeinse tijd: resetn uit deze periode zijn te verwachten op een eventuele vegetatielaag of woudlaag aan de bovenzijde van de Gantel Laag van geul- of dekzafzettingen. Dit niveau ligt onder de duin- en strandafzettingen.
»
Indien de duin- en strandafzettingen niet zijn afgegeest kunnen hierin nog intacte archeologische niveaus worden verwacht.
»
Het plangebied ligt hoger dan de omgeving. Het betreft mogelijk een kunstmatige ophoging, hierdoor is de kans aanwezig dat de verstoringsdiepte tijdens de werkzaamheden geheel binnen het reeds verstoord pakket zullen liggen (te toetsen aanname).
Locatie
»
De genoemde resten zijn in het gehele plangebied te verwachten.
Uiterlijke kenmerken
»
Bewoningsresten uit de Romeinse tijd en vroege middeleeuwen kunnen bestaan uit houtbouw met vlechtwerkwanden, leemvloeren, mestlagen, spiekers, afvalkuilen, afrastering (staken of greppels), akkers, aardewerk/keramiek, glas, metaal, hout, bot en natuursteen. In de late middeleeuwen en nieuwe tijd behoort ook steenbouw tot de mogelijkheden, evenals bouwkeramiek zoals bakstenen en dakpannen. Nederzettingen kunnen bovendien herkend worden aan een eventueel loopvlak of vegetatielaag of aan eventuele opgebrachte lagen. Een grafveld kan worden herkend aan een archeologische loopvlak (mogelijk), grafkuilen, greppels, menselijk botmateriaal, keramiek en mogelijk ook andere bijgiften.
Mogelijke verstoringen
»
Voor mogelijke verstoringen, zie paragraaf 2.1.5
Blad 16 va
25
Antea Group Archeologie 2017/161
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417964 13 november 2018 revisie 01 NAM B.V.
2.4
antea'group
Conclusies en advies voor vervolgonderzoek Op basis van de samengebrachte gegevens in dit bureauonderzoek blijkt dat het plangebied bestaat uit een sterk gelaagd landschap waarvan de bewoningsmogelijkheden begonnen bij de vorming van een wal die de mond van het Gantel systeem afsloot. De bovengrond bestaat hier uit zand en dieper zijn kleiige en zandige (geul)afzettingen van de Gantel te verwachten. Er zijn weinig archeologische waarnemingen in het onderzoeksgebied. Op grond van de paleogeografische reconstructie kunnen we bewoningsresten en resten van landinrichting vanaf de Romeinse tijd verwachten (waarbij een middelhoge verwachting geldt). De bewoningsomstandigheden bleven ook daarna gunstig, zodat ook resten uit de vroege en late middeleeuwen kunnen worden verwacht. In de nieuwe tijd was er sprake van een landbouw- en tuinbouwcultuur op de geestgrond die ontstond door afgraving van het duin- en strandzand. Op basis van historische kaarten bevonden zich in de nieuwe tijd geen bebouwing of andere bijzondere structuren in het plangebied. De mogelijkheid is aanwezig dat door het gebruik als landbouw- en tuinbouwgrond de bodem tot op geruime diepte is verstoord en dat er bij het ontmantelen van de locatie geen archeologische resten worden verstoord.
Wij adviseren om de verwachting, zoals hierboven geschetst, door middel van een verkennend archeologisch booronderzoek te toetsen. De boringen zullen worden verricht met een gutsboor met een diameter van 3 cm. Het booronderzoek bestaat uit circa 8 boringen die zoveel mogelijk verspreid worden geplaatst. De boringen zullen worden doorgezet tot 2 m -mv. Om de diepere bodemopbouw op grotere diepte te kunnen vaststellen wordt (minimaal) één boring tot minimaal 4 m -mv doorgezet. De boringen worden geplaatst in een ideaalgrid van 30 bij 30 m. Er gelden voor de locatie echter twee beperkingen die reden kunnen zijn om van dit ideaalgrid af te wijken, in de noordoosthoek van het terrein zijn verdachte locaties voor conventionele explosieven. De NAM-locatie zelf is geasfalteerd zodat alleen kan worden geboord op plaatsen waar een betonboring is gezet, langs de beplante strook aan de noordoostzijde of desnoods direct buiten de locatie.
:
Ä O 04
003 08
Pĩ/’
02
07
01
06
005
AA
Afbeelding 11. Voorstel boorpuntenkaart op de te ontmantelen NAM-locatie.
Blad 17 van 25
V”
Antea Group Archeologie 2017/161
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417964 13 november 2018 revisie 01 NAM B.V.
3
Veldonderzoek
3.1
Doel- en vraagstelling
antea'group
Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van de archeologische verwachting, zoals deze op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek is opgesteld. Het uitgevoerde onderzoek betreft een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase. Een verkennend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en aldus het in kaart brengen van kansrijke en kansarme zones wat betreft archeologie. Het onderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen: »
Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen?
»
Is er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig en/of zijn er archeologische indicatoren aangetroffen die hierop kunnen wijzen? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren/vindplaats?
»
Indien archeologische lagen aanwezig zijn, op welke diepte bevinden deze zich en wat is de maximale diepte?
» »
Waaruit bestaat of bestaan deze archeologische laag of lagen? In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door realisatie van geplande bodemingrepen?
»
Hoe kan deze verstoring door planaanpassing tot een minimum worden beperkt?
»
In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van
»
Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan deze
de bureaustudie? bestaan?
3.2
Onderzoeksopzet en werkwijze Datum uitvoering
29-11-2017
Veldteam
P.C. Teekens (senior KNA-archeoloogAprospector)
Weersomstandigheden
Halfbewolkt, ca. 7 graden Celsius
Boortype
7/10 cm Edelmanboor en zuigerboor
Methode conform Leidraad SIKB10
N.v.t. (Het betreft verkennende boringen).
Motivatie boormethode
Vanwege de verwachte bodemverstoring is ervoor gekozen om in eerste instantie een verkennend booronderzoek uit te voeren.
Aantal boringen
10
Diepte boringen
Boringen 1 - 4 en 5 - 10 zijn doorgezet tot 2,0 m - mv. Boring 4 is doorgezet tot 4,0 m - mv
10 Tol e.a. 2012.
Blad 18 van 25
Antea Group Archeologie 2017/161
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417964 13 november 2018 revisie 01 NAM B.V.
3.3
antea'group
Oriëntatie grid t.o.v. geomorfologie/paleolandschap
N.v.t. (de boringen zijn verspreid over het plangebied gezet, waarbij de plaatsing van de betonboringen leidend was).
Wijze inmeten boringen
TopCon GPS
Overige toegepaste methoden
N.v.t.
Wijze onderzoek Z beschrijving boorkolom Verzamelwijze archeo logische indicatoren
ASB Z NEN5104
Bemonstering
Van enkele bodemlagen zijn monsters genomen ten behoeve van het bepalen van het kalkgehalte
Vondstzichtbaarheid aan oppervlak
Nul (asfalt en bosgrond)
Omschrijving oppervlaktekartering
N.v.t.
Afwijkingen t.o.v. PvA
N.v.t.
Snijden, brokkelen, doorwoelen en visuele inspectie van de boorkernen
Resultaten Voor een overzicht van de boringen wordt verwezen naar de boorprofielen in bijlage 3 en de situatiekaart in de kaartenbijlage.
3.3.1
Bodemopbouw Bodemopbouw
De bodem binnen het plangebied wordt, van boven naar beneden, gekenmerkt door de aanwezigheid van een 0,9 à 1,5 m dik (meerlagig), deels opgebracht zandpakket. Dit zandpakket bestaat uit matig fijn, matig siltig, lichtbruin zand. Dit zand is soms zwak schelpenhoudend en is vaak matig tot uiterst sterk baksteen- en/of puinhoudend. Deze zandlaag is gaat abrubt over in een laag matig zandige, zwak schelpenhoudende neutraalgrijze klei met plaatselijk zandlaagjes. Hieronder is in boringen 4 - 7 en 10 opnieuw matig fijn, matig siltig, zwak schelpenhoudend, zand aanwezig. Boringen 8 en 9 zijn niet gezet op de geplande locatie, maar in de groenstrook. In deze boringen , is onder het opgebrachte zandpakket (vanaf 0,9 m - mv) geen klei aanwezig maar is direct matig fijn, matig siltig zand mét kleilaagjes aanwezig. De waargenomen bodemverstoring (inclusief de bouwvoor) reikt tot op een diepte van 0,9 à 1,5 m - mv. Kalkgehalte
Van enkele lagen van een 4-tal boringen zijn monsters genomen die op kantoor middels een 10% oplossing zoutzuur zijn onderzocht op het kalkgehalte (zie onderstaande tabel). Over het algemeen is het zand kalkrijk (sterk hoorbaar bruisend). Veelal is het bovenste gedeelte ervan kalkloos (niet bruisend).
Blad 19 van 25
Antea Group Archeologie 2017/161
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 417964 13 november 2018 revisie 01 NAM B.V.
antea'group
Boorpunt
Begin diepte (in cm)
Eind diepte (in cm)
Aard
Kalkgehalte
4
95
120
zand
kalkloos
4
200
250
zand
kalkrijk
5
190
200
zand
kalkloos
6
150
200
zand
kalkrijk
8
100
150
Top
kalkloos
(humeus)
8
100
150
zand
kalkrijk
8
150
200
zand
kalkrijk
Tabel 1. Het kalkgehalte per laag en per boring.
Interpretatie
Binnen het plangebied is sprake van een 0,9 à 1,5 m dikke (sub)recente ophogingslaag die hoogstwaarschijnlijk is aangebracht ten behoeve van de aanleg van de bestaande NAM-locatie. Ter plaatse van boringen 1 - 3 en 8 zijn in deze ophogingslaag weliswaar geen baksteenfragmenten en kleibrokken aangetroffen, maar vanwege de textuur ervan is dit pakket ook hier als een (sub)recente ophogingslaag geïnterpreteerd. De zandige klei dan wel het schelpenhoudende zand (met soms kleilaagjes) betreffen hoogstwaarschijnlijk (geul)afzettingen van de Gantel. Een intact pakket jonge of oude duinafzettingen (waaronder de verwachtte haakwal), behorende tot oftewel het Laagpakket van Schoorl dan wel het Laagpakket van Voorburg, is nergens aangetroffen. Aangenomen kan worden dat deze, zoals op basis van het bureauonderzoek ook werd verwacht, reeds zijn afgegraven. Overigens werd ook nergens een vegetatiehorizont aangetroffen.
3.3.2
Archeologie Er zijn tijdens het veldonderzoek geen archeologische indicatoren aangetroffen. Het gaat hier echter wel om een verkennende fase van het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Het doel van de verkennende fase van het veldonderzoek is het in kaart brengen van de bodemopbouw en het aantonen van eventuele bodemverstoringen. De afwezigheid van archeologische indicatoren kan dan ook niet worden beschouwd als indicatie voor de afwezigheid van een archeologische vindplaats. Echter, gezien de waargenomen bodemverstoring en de aard van de bodemopbouw (geen intacte duinafzettingen (waaronder de verwachte haakwal) dan wel een vegetatielaag in/op de afzettingen van de Gantel), wordt de kans op de aanwezigheid van (intacte) archeologische waarden binnen het thans onderzochte deel van het plangebied laag ingeschat.
Blad 20 va
25