CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

1.61a) toelichting (21-0309291)

Gemeenteraad 7 december 2021, gemeente WestlandBij agendapunt: Vaststelling van de afhandeling van de Lijst met Ingekomen Stukken (LIS)14.228 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

27

waterkeringen vastgelegd. Rondom de keringen is een keurzone vastgesteld. Deze bestaat uit het waterstaatswerk (de daadwerkelijke kering) en een beschermingszone. Binnen het waterstaatswerk en de beschermingszone zijn op basis van de Keur Delfland beperkingen gesteld aan activiteiten die het waterkerend vermogen van de kering nu en in de toekomst kunnen aantasten. In het plangebied komen geen waterkeringen voor. Dit thema is niet van toepassing.

R.irŵlwr'*"1

figuur 15: uitsnede Leggerkaart Hoogheemraadschap Delfland 'Legger Regionale Waterkeringen Wa terkwantiteit Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur met voldoende mogelijkheden voor waterberging. Dit streven heeft uiteindelijk tot doel wateroverlast voor de nieuwe en de al aanwezige functies in het gebied te voorkomen. Bij het voorkomen van wateroverlast en het verwerken van hemelwater hebben perceeleigenaar, gemeente en Delfland elk een verantwoordelijkheid. De perceeleigenaar moet het hemelwater zoveel mogelijk zelf verwerken en vasthouden bij de plaats waar het valt, bijvoorbeeld een (slimme)regenton. De gemeente draag zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Dit betekent, dat de gemeente in eerste instantie en initiatiefnemers/perceel eigenaren inspanning moet doen om dit hemelwater vast te houden of terug te brengen in de bodem. Vervolgens kan het (al dan niet na zuivering) worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Delfland is vervolgens verantwoordelijk voor de ontvangst van hemelwater in het oppervlaktewater. In het onderhavige plan wordt aan de noordkant van het plangebied ca. 1075 m2 water gegraven, terwijl er aan de zuidkant 90 m2 gedempt wordt. In het nieuwe te graven water kan ca. 500 m3 (extra) water worden vastgehouden.

Het te graven water wordt aan twee zijden aangesloten op een bestaande watergang en de recreatieve plas van het Prinsenbos.

28

ļ Oppervlak te graven water 11075 m2 (ca. 500 m3)

I Oppervlak pad mei half | verharding 250 m2

gr ì Oppervlak bebouwing scoutingterrein 395 m2 lOppervlak verhard ng lstşouţingterreínō2Drn2 H| Oppervlak grastegels -- :c-t igtenein 75 m2

1 Oppervlak grawegels parkeerterrein 345 m2

I

IOppervlak gehandhaafde NAM ten-en 829

ļOppervlak te dempen Įwatergang 99 m2 IOppervlak antsluitingsvreg 1210 m2

figuur 16: toekomstige verharding en te vergraven water uitbreiding Prinsenbos De wateropgave is berekend in de zogenaamde 'watersleutel', die als bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd is. Hieruit blijkt dat als gevolg van de ontwikkeling 412 m2 waterberging zou moeten worden gerealiseerd, terwijl dus 985 m2 aan waterberging wordt aangelegd. Watersysteemkwaliteit en ecologie In het kader van de herstructurering wordt er gestreefd naar het zoveel mogelijk benutten van kansen en voor het verbeteren van de watersysteemkwaliteit en de ecologie. Ten aanzien van de KRW maatregelen moet er rekening worden gehouden met de afspraken uit de Bestuursovereenkomst KRW Delfland en de afspraken die op dit moment gemaakt worden voor het Stroomgebiedbeheersplan 2015-2021. Het boezemsysteem van Delfland maakt onderdeel uit van de KRW waterlichamen. Delfland en gemeenten zijn in de KRW Delfland overeengekomen om de toestand van de waterlichamen te verbeteren. Onderdeel van deze overeenkomst is dat daar waar langs waterlichamen ruimtelijke mogelijkheden zijn om invulling te geven aan de KRW-opgave, deze worden benut, en dat bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt onderzocht of een deel van de ruimtelijke KRW-opgave hieraan kan worden gekoppeld. In het Waterplan Westland is aangegeven dat als er ruimte is, er een natuurvriendelijke oever moet worden aangelegd.

En als er geen ruimte is maar wel dynamiek, kansen worden benut. Daarnaast mogen ruimtelijke ontwikkelingen niet leiden tot een verslechtering van de ecologische en chemische toestand van deze waterlichamen. De bestemming wordt omgezet van 'bedrijf naar 'groen' en 'maatschappelijk', waardoor de risico's op negatieve effecten worden verminderd. De gronden aan weerszijden van de aan te leggen watergang krijgen een flauw talud en worden bezaaid met een bermmengsel voor natte gronden. Er komt tevens een wand voor oeverzwaluwen en een deel natuurvriendelijke oever. Doordat de waterpartij verbonden wordt met de aanliggende sloot en het water van de recreatieplas, is er sprake van voldoende doorstroming van het water.

29

Kil

mm o ; r.v!

figuur 17: groen inrichtingsplan noordkant uitbreiding Prinsenbos Onderhoud en bagger Delfland is verantwoordelijk voor het onderhoud van het primaire watersysteem en de waterkeringen. Voor secundair boezemwater en polderwateren zijn veelal andere partijen (gemeente, grondeigenaar) onderhoudsplichtig. Onderhoudsplichtigen zijn in de Legger Delfland vastgesteld. Onderhoud aan water en waterkering betekent dat deze toegankelijk moeten zijn voor onderhoud. Ook houdt Delfland ruimte die eventueel nodig is voor dijk- of kadeverzwaring, vrij van andere, conflicterende functies. Het beheer en onderhoud van het watersysteem binnen het plangebied is vastgelegd in de Keur Delfland en Legger Delfland. Voor onderhoud van watergangen is het van belang rekening te houden met de benodigde onderhoudsstroken.Onderhoudsstroken zijn noodzakelijk voor onderhoudsmateriaal en werkruimte, en er kan bagger op de onderhoudsstroken worden gezet. Er gelden de volgende criteria: «

*

* *

als er sprake is van 'varend' onderhoud van watergangen en waterkeringen zijn de dimensionering van het doorstromingsprofiel en van de kunstwerken aan specifieke ontwerpeisen gebonden, bijvoorbeeld een vaardiepte en doorvaarthoogte van 1,0 m en een minimale doorvaarbreedte van 3,1 m bij bruggen. Dit is zeker het geval bij een breedte van meer dan 10 m (gemeten op de waterlijn). voor onderhoudsdoeleinden langs primaire watergangen (breedte tussen 5 en 10 m) is aan weerszijde een onderhoudsstrook (4 m) vrij van bebouwing en obstakels. Is de primaire watergang 5 m of smaller, dan kan in veel gevallen volstaan met een strook van 4 m aan één zijde en 1 m aan de andere zijde. natuurvriendelijke oevers met een plasberm, drasberm of vooroever moeten vanaf de kant onderhouden worden. voor natuurvriendelijke oevers langs watergangen, bijvoorbeeld in verband met de Kaderrichtlijn Water, is ruimte nodig om onderhoud te plegen. Hierbij geldt hetzelfde als voor primaire watergangen.

Bodem en grondwater Bij nieuwe ontwikkelingen/initiatieven is het van belang om rekening te houden met een voldoende drooglegging om grondwateroverlast te voorkomen. Het bouwpeil moet daarom hoog genoeg boven het waterpeil liggen. Een voldoende hoog bouwpeil helpt niet alleen tegen grondwateroverlast, maar ook tegen wateroverlast algemeen. Delfland adviseert om rekening te houden met een drooglegging van 1,2 m, maar met een minimum van 1,0 m. Voor de voorziene bouw van het scoutinggebouw wordt hieraan

30

voldaan. In het onderhavige plan worden geen ondergrondse constructies gemaakt. Afvalwater en riolering Het nog te bouwen scoutinggebouw Z de buitenschoolse opvang wordt aangesloten worden op het rioleringsstelsel. Afvalwater wordt afgevoerd naar de dichtsbijzijnde afvalwaterzuivering. Voor zover bekend zijn er geen problemen bekend omtrent de capaciteit van riolering of zuivering. Voor de afvoer van het hemelwater zijn creatieve en efficiënte maatregelen mogelijk, zoals het ophogen van gronden, een hoger bouwpeil van woningen, open verharding ter plekke van parkeerplaatsen of water vasthouden op particulier terrein, bijvoorbeeld door middel van de aanleg van wadi's, (slimme)regenton, groene daken, het afkoppelen van hemelwaterafvoer, en dergelijke. Het scoutinggebouw Z de buitenschoolse opvang wordt gebouwd met een groen dak (met zonnepanelen), ook voor het bijgebouw. Dit draagt bij aan het beter vasthouden van het water alvorens het richting het riool gaat. 3.6.3

Conclusie

De uitbreiding van het recreatiegebied Prinsenbos en de bouw van een scoutinggebouw Z buitenschoolse opvang is in overeenstemming met de regelgeving van het Hoogheemraadschap van Delfland en betekent een verbetering voor de watersituatie ter plaatse.

3.7

Bodem

3.7.1

Wettelijk kader

Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's.

Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. 3.7.2

Onderzoek

De voormalige NAM locatie is onderzocht wat betreft bodemkwaliteit en eventuele verontreinigingen. Het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsverslag en de sanering is afgrond, geconstateerde verontreinigingen zijn vrijwel volledig verwijderd. De locatie is geschikt voor natuur en voor de zuidkant voor natuur, speelplaats, speelbos en scoutinggebouw. Deze conclusie van de Omgevingsdienst Haaglanden is vervat in een brief die als bijlage 4 bij deze toelichting is gevoegd.

31

3.7.3

Conclusie

De gronden zijn wat betreft de bodemgesteldheid en -kwaliteit geschikt voor de ontwikkelingen waarin dit bestemmingsplan voorziet.

3.8

Ecologie

3.8.1

Wettelijk kader

Natuurnetwerk Nederland Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied. Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking.

De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes: * * *

Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn; Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd.

Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kunnen een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1,3.5 en 3.10. van de Wnb.

32

A Verbodsbepaling

Vogels Vrl

Ë

C

Dieren Hrt/ Planten Hrt/ Bonn/Bern

BonrVBem

0

E

Dieren

Planten

(nationaal’) ('nationaal')

Dieren of planten: Doden of vangen ------------------ -------------------------------------Sloren/verstoren

31.1

351

3.1 4 (tenzij

3.5.2

3101 a

31.5} Plukken, verzamelen, afsnųden. ontwortelen

3.5.5

3.10.1 C

of vernielen Onder neb hebben of vervoeren Plaatsen: Vermelen, beschadigen of wegnemen nesten

3.1.2

Beschadigen of vermelen

3101 b

voortplantingsplaatsen

(vaste vp)

Beschadigen of vermelen rustplaatsen

3.1.2

310 1b (vaste rp)

Eieren: Vernielen (of -Vrt- beschadigen)

3.1.2

Rapen

353 35.3

Onder zich hebben

Toeüchùng: »

Codes verwijzen naar wetsartikelen Wet natuurbescherming

«

Oranje

«

verbodsbepaling geldt alleen wanneer sprake is van opzet verbodsbepaling geldt m alle gevallen, ook wanneer geen sprake is

Tabel verbodsbepalingen soortenbescherming onder de

Vrijstellingen In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet m eegenomen in deze toets ing. Zorgplicht De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten: 1. 2. 3.

Achterwege gelaten worden, of Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt

Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden. 3.8.2

Onderzoek

Aqua Terra Nova heeft een ecologische quickscan uitgevoerd voor het gebied (zie bijlage 5). Voor de soortgroep vogels, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen geldt dat er mogelijk effecten zijn op de huidige staat van instandhouding door de voorgenomen ruimtelijke ingrepen. Voor de overige soortgroepen is dit niet te verwachten. Om deze reden wordt alleen ingegaan op de hiervoor benoemde soortgroepen. Advies te nemen voorzorgsmaatregelen Om de negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen, moeten er voorzorgsmaatregelen worden genomen om overtreding van de Wet natuurbescherming en de daarmee de verstoring van soorten of schade aan de habitat van de soorten te voorkomen. Deze zijn beschreven in Hoofdstuk 5 en 6 van de quickscan en hieronder samengevat. Voor alle soorten geldt de algemene zorgplicht:

33

« * *

werken in éen richting zodat soorten de kans krijgen te vluchten naar een veilige omgeving; werken buiten de kwetsbare periode van soorten; het opzettelijk doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna is ten alle tijden verboden.

Vogels: *

*

In gebruik zijnde nesten en eieren moeten altijd worden gespaard. Geadviseerd wordt om buiten de broedperiode de werkzaamheden uit te voeren. De meeste vogels broeden in de periode maart tot en met juli. Echter zijn vogels welke buiten deze periode broeden ook te allen tijde beschermd. Als de beoogde werkzaamheden in de indicatieve broedperiode worden gestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Indien vogelnesten of broedende vogels aangetroffen worden, dienen de werkzaamheden nabij het nest of broedplaats uitgesteld te worden totdat de jongen vliegvlug zijn of dient er een verstoringsvrije zone rond de broedplaats opgesteld te worden; Werken conform zorgplicht buiten de kwetsbare periode van vogels.

Vleermuizen: * * *

3.8.3

Er mag alleen overdag gewerkt worden om verstoring van vleermuizen (nacht is actieve periode van vleermuizen) uit te sluiten; Er mag geen gebruik worden gemaakt van breed uitstralende bouwverlichting tussen zonsondergang en opkomst; Mocht verlichting tijdens de werkzaamheden noodzakelijk zijn wordt aanbevolen om verlichting toe te passen die verstoring bij vleermuizen zoveel mogelijk beperkt. De lichthinder voor vleermuizen door verlichting kan aanzienlijk worden beperkt door amberkleurig UV-vrije LED-armaturen, lagere lichtmasten en een scherpe afsnede van de lichtinval toe te passen. Conclusie

Door de aanwezigheid van foeragerende vleermuizen is overlast op de vleermuis niet uit te sluiten. Het is belangrijk om speciale vleermuizen verlichting tijdens de bouwwerkzaamheden toe te passen. Ook mag er tussen zondondergang en zonsopgang niet gewerkt worden. De aanwezigheid van beschermde vogels in het plangebied is niet uit te sluiten. Het is belangrijk rekening te houden met het broedseizoen van vogels omdat broedgevallen niet verstoord mogen worden. Alle in Nederland broedende vogels en hun eventuele nesten zijn strikt beschermd. De meeste vogels broeden in de periode maart tot en met juli. Echter zijn vogels welke buiten deze periode broeden ook te allen tijde beschermd. Indien werkzaamheden in de periode maart t/m juli moeten worden uitgevoerd, dient de aanwezigheid van broedende vogels voorafgaand aan de werkzaamheden gecontroleerd te worden. Dit kan door een ter zake deskundig ecoloog uitgevoerd worden. Op advies van de deskundig ecoloog worden de werkzaamheden onder bepaalde voorwaarden uitgevoerd of uitgesteld. Wanneer al de voorzorgsmaatregel zoals beschreven in dit advies worden uitgevoerd is het voorgenomen project uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Dit wordt verzekerd door een voorwaardelijke verplichting in de bouwvoorschriften op te nemen.

3.9

Cultuurhistorische aspecten

3.9.1

Wettelijk kader

In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Sinds 2016 is deze wet vervangen door de Erfgoedwet. Door middel van het overgangsrecht blijven enkele bepalingen uit de Monumentenwet 1988 van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel

34

4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan. Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeentes in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Conform de Erfgoedwet beschermt de gemeente Westland het archeologisch erfgoed middels het bestemmingsplan. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeentes bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De gemeente Westland beschikt sinds 2012 over een vastgestelde archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan. Bekende en verwachte archeologisch waardevolle gebieden krijgen in het bestemmingsplan een archeologische (mede)bestemming met daarbij horende vrijstellingsgrenzen. Binnen deze zones dienen bodemverstorende ingrepen zoveel mogelijk te worden beperkt.

Bodemverstorende werkzaamheden die de aan de bestemmingszones gekoppelde vrijstellingsgrenzen overschrijden, worden gebonden aan het vergunningenstelsel. Zodoende kan het belang van het archeologisch erfgoed worden meegewogen bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning. Dit kan ertoe leiden dat er eisen worden gesteld aan de uitvoering van de werkzaamheden, of dat de voorgenomen ingreep alleen na archeologisch onderzoek wordt toegestaan. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform paragraaf 5.4 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht. Tevens moet dan contact worden opgenomen met de gemeentelijke archeoloog. 3.9.2

Onderzoek

Bestaande situatie Vanuit de landelijke wetgeving geldt dat ingrepen tot een oppervlakte van 100 m2 op voorhand worden vrijgesteld van de verplichting tot archeologisch onderzoek. Op basis van dezelfde wetgeving mogen gemeentes echter, mits goed onderbouwd, naar boven en naar beneden afwijken van deze grens. De gemeente Westland heeft gebruik gemaakt van deze bevoegdheid en heeft daartoe in 2012 een archeologische beleidskaart vastgesteld voor het gemeentelijke grondgebied. Op die kaart staan verschillende verwachtingszones, waaraan vrijstellingsgrenzen zijn gekoppeld. Deze zones worden normaal gesproken overgenomen in de bestemmingsplannen. Ten behoeve van het onderhavige bestemmingsplan is gekeken in hoeverre het beeld van de gemeentelijke beleidskaart en het bestemmingsplan nog actueel is. Onderzoek Voor de zuidkant (waar het scoutinggebouw Z de buitenschoolse opvang voorzien is) van de uitbreiding van het recreatiegebied Prinsenbos is archeologisch onderzoek uitgevoerd door Antea (zie bijlage 6). Op basis van dit bureau- en booronderzoek is gebleken dat voor het onderzochte deelgebied geen archeologische verwachting meer geldt. Het uiterste zuidelijke deel is toen niet onderzocht door boringen. De sanering heeft plaatsgevonden met uitzondering van het uiterst zuidelijke deel.

Voor dit gedeelte van het terrein geldt volgens de beleidskaart in theorie nog een hoge archeologische verwachting. Daarom is een dubbelbestemming archeologie neergelegd met ondergrenzen van 250 m2 en 50 cm diep om eventuele aanwezige waarden te beschermen. Voor de noordkant van de uitbreiding van het recreatiegebied Prinsenbos is archeologisch onderzoek uitgevoerd door ADC ArcheoProjecten (zie bijlage 7). Ondanks de voormalige saneringswerkzaamheden bleek op basis van het bureau- en booronderzoek nog een intacte bodemopbouw aanwezig onder het ophoogzand. Met karterend booronderzoek rondom deze boorlocaties zijn geen archeologische indicatoren opgespoord. De kans dat er (bewonings)resten aanwezig zijn is ook klein. De archeologische verwachting voor resten uit alle periodes kan woren bijgesteld naar laag. Het noordelijke deelgebied heeft daarom geen medebestemming archeologie.

35

3.9.3

Conclusie

In een deel van het bestemmingsplangebied is sprake van een archeologische verwachting. Om een zorgvuldige omgang met deze (mogelijk aanwezige) archeologische waarden te waarborgen dient in dat deel de waarde 'medebestemming-archeologie' te worden opgelegd. De hieraan verbonden vrijstellingsgrens is 250 m2 en 50 cm (specifieke waarde 3). Bodemverstorende werkzaamheden die de aan deze bestemmingszone gekoppelde vrijstellingszone overschrijden, worden gebonden aan een vergunningstelsel. Daarnaast is altijd de algemene meldingsplicht bij het aantreffen van oudheden van toepassing. Op basis van paragraaf 5.4 van de Erfgoedwet moet iedereen die, anders dan bij het doen van archeologisch onderzoek, iets vindt waarvan hij/zij weet of kan vermoeden dat het een (roerend of onroerend) monument betreft, dit melden bij de minister van OCW (om praktische redenen, bij gemeente Westland). Indien het bevoegd gezag van mening is dat dit noodzakelijk is, moet er tijd en ruimte geboden worden om de resten te onderzoeken, documenteren en eventueel veilig stellen. Het niet melden van het aantreffen van oudheden is een overtreding van de Erfgoedwet en daarmee een strafbaar feit.

36

Hoofdstuk 4 4.1 4.1.1

Juridische planbeschrijving

Planvorm Wettelijk voorgeschreven standaardisering

De planregels en de planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen als gepubliceerd door het ministerie van VROM (SVBP 2008) en als wettelijk voorgeschreven in de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 (Staatscourant 2008, nr. 377, van 30 oktober 2008). Daarnaast zijn in de planregels de standaardregels opgenomen als geboden in artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. In een apart artikel zijn de bijzondere gebruiksverboden opgenomen voor alle bestemmingen, welke verboden aansluiten op het wettelijk verbod als neergelegd in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening. Voor uitleg van die planregels wordt verwezen naar de toelichting op het Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008, in samenhang met de jurisprudentie over die uitleg. Voorts is de "Werkafspraak terminologie Wabo in Standaard voor Vergelijkbare bestemmingsplannen" van september 2010 verwerkt. Die werkafspraak in het kader van de ministeriële regeling is gemaakt met het oog op de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010.

4.1.2

Aanvulling en geoorloofde afwijking van de SVBP 2012

De planregels en planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn toegesneden op de specifieke behoefte aan planregulering voor het gegeven plangebied. In de hierna volgende paragrafen is de aan het bestemmingsplan eigen plansystematiek toegelicht voor zover die een aanvulling of een geoorloofde afwijking vormt van de SVBP 2012.

4.1.3

Systematiek van de planregels

Opbouw planregels De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: * inleidende regels; » bestemmingsregels; « algemene regels; * overgangs- en slotregels. Begrippen Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Bes temmingsregels De bestemmingsregels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: * * * *

doeleindenomschrijving (gebruiksregels); bouwregels; nadere eisen; afwijkingsregels.

37

Gebruiksregels De doeleindenbeschrijving van de bestemming of de dubbelbestemming, waarvan opname in de planregels is geboden in artikel 3.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, is in de planregels voor elke bestemming in eerste instantie vervat in het onderdeel "Bestemmingsomschrijving". Van het onderdeel "Specifieke gebruiksregels" wordt in de planregels vooral gebruik gemaakt om regels te geven voor de onder de bestemming of dubbelbestemming vallende functieaanduidingen en bouwaanduidingen en andere aanduidingen. Afwijkingsregels In het onderdeel "Afwijken van de gebruiksregels" wordt alleen die afwijkingsbevoegdheid opgenomen die uitsluitend ziet op het gebruik. Zodra sprake is van het afwijken van de bouwregels - ook al vormt dat bouwen een (klein) onderdeel van het gebruik in ruime zin - wordt de bevoegdheid daartoe geplaatst in het onderdeel "Afwijken van de bouwregels". Aanleggen of slopen De aanlegregels of sloopregels zijn uitvoerig met het oog op een zorgvuldige verlening van de omgevingsvergunning daartoe, voor zover regels daarvoor niet reeds zijn voorzien in de Wet ruimtelijke ordening of het Besluit ruimtelijke ordening.

De aanlegregels of sloopregels kennen de volgende onderverdeling: « het aanlegverbod of sloopverbod zelf; * de voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning mag worden verleend en het inwinnen van deskundigenadvies; * de specifieke aanlegverboden of sloopverboden met de daarop gegeven uitzonderingen. Algemene gebruiksregels In het artikel algemene gebruiksregels zijn naast een verwijzing naar het algemene gebruiksverbod van artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening, specifieke gebruiksverboden ter invulling van het algemene gebruiksverbod opgenomen. Daarin is onderscheid gemaakt tussen het verbod op het gebruik van gronden en het verbod op het gebruik van bouwwerken. Overgangs- en slotregels In het artikel "overgangs- en slotregels" zijn de volgende onderdelen opgenomen: * het onderdeel "Vervangen bestemmingsplannen" waarin een overzicht van de bestemmingsplannen en andere planregimes is opgenomen die met dit bestemmingsplan zijn vervangen; « en het onderdeel "Citeertitel".

4.1.4

Systematiek van de planverbeelding

Wettelijke vereisten De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Hierbij vormt de inhoud van de digitale versie de beslissende versie. De digitalisering brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. De planverbeelding is digitaal vorm gegeven overeenkomstig de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008. De digitale planverbeelding en de andere onderdelen van de dataset hebben het volgende planidentificatie-nummer gekregen: NL.IMRO.1783.NWKPRINSENBOSobp-on01

38

De dataset bestaat uit: * het GML-bestand van de planverbeelding; * het XML-geleideformulier; * de onderliggende bestanden zoals ondergrond en overige topografische informatie; « de PDF- en HTML-bestanden voor respectievelijk de verbeelding van plantoelichting en planregels. Leeswijzer verbeelding Wegwijzer via internet Met de digitalisering van ruimtelijke plannen is het lezen en interpreteren van de verbeelding (voorheen plankaart) een nieuwe aangelegenheid. Via de website www.ruimteliikeplannen.nl kunnen bestemmingsplannen (ook in voorbereiding zijnde plannen voor zover deze ter inzage zijn gelegd) worden ingezien. Via het tabblad 'bestemmingsplannen' kan worden doorgeklikt naar de provincie, de woonplaats of nog specifieker de straatnaam. De gebieden die zwart omlijnd op de kaart staan aangeduid, zijn de gebieden waarvoor een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar is. Zodra het gewenste bestemmingsplan is gevonden en deze voldoende is ingezoomd, wordt de betreffende bestemmingslegging zichtbaar. Om een beter beeld van de omgeving te krijgen, kan voor verschillende ondergronden worden gekozen (luchtfoto, topografie). Zodra linksonder 'legenda' wordt aangeklikt, wordt inzichtelijk wat de verschillende kleuren betekenen. Door vervolgens op een locatie binnen het plangebied te klikken wordt aan de rechterzijde van de kaart de bijbehorende informatie getoond.

Indien meer informatie is gewenst, kan worden doorgeklikt naar de toelichting en/of de regels van het plan. Analoge verbeelding Alhoewel de digitale verbeelding het uitgangspunt vormt, blijft het mogelijk het bestemmingsplan analoog in te zien. Het lezen van de analoge verbeelding is verschillend van de digitale verbeelding. Op de analoge verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. Bestemmingsvlak en bouwvlak Vrijwel elke bestemming bestaat doorgaans uit twee vlakken: een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering. Soms komt het voor dat het bestemmingsvlak en het bouwvlak met elkaar samenvallen. Op de plankaart is dan uitsluitend een bouwvlak te zien (het bestemmingsvlak ligt hieronder). Aanduidingen Op de digitale plankaart is een onderscheid gemaakt in verschillende aanduidingen.

Een aantal functieaanduidingen is gebruikt om de gebruiksmogelijkheden binnen een bestemming of een gedeelte daarvan nader te specificeren. Het kan hierbij gaan om een nadere specificatie van de gebruiksmogelijkheden, een expliciete verruiming daarvan of juist een beperking. Voorbeelden van functieaanduidingen zijn 'bedrijfswoning', 'detailhandel' en 'kantoor'. Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken, worden bouwaanduidingen genoemd. Voorbeelden van bouwaanduidingen zijn 'gestapeld' en 'onderdoorgang'. Alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen, percentages en oppervlakten, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn maatvoeringaanduidingen.

4.2

Bestemmingsregeling

De bestaande functies in het plangebied die overeenkomstig het voorheen geldende bestemmingsplan in dit plan zijn bestemd, zijn de volgende (in alfabetische volgorde van bestemming).

39

4.2.1

Bestemming "Recreatie"

De bestemming 'recreatie' wordt gelegd op de gronden die in aansluiting op het bestaande recreatiegebied Prinsenbos voor recreatieve doeleinden in gebruik worden genomen. 4.2.2

Bestemming "Maatschappelijk"

De bestemming 'maatschappelijk' wordt gelegd op de gronden waar het scoutinggebouw Z de buitenschoolse opvang met een speelplaats wordt gevestigd. Er moet gebouwd worden binnen het aangegeven bouwvlak, terwijl het terrein is omhekt met een hek van 1,80 m hoog. 4.2.3

Dubbelbestemming "Leidingen"

Aan de noordzijde van het plangebied is een hogedruk aardgascondensaat leiding aanwezig, die vanwege een dubbelbestemming op de plankaart is aangegeven. In de planregels is aangegeven hoe rekening moet worden gehouden met (bouw)werkzaamheden t.o.v. de aanwezige leiding.

40

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht gegeven te worden in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Voor het onderhavige plan geldt dat de gemeente zelf eigenaar van de gronden is en de aan te leggen wegen-, groen- en waterstructuur uit middelen van de gemeentelijke begroting worden voldaan. Met de scoutingvereniging wordt een verhuurovereenkomst gesloten. Uitvoering van het plan is derhalve (anderszins) verzekerd.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.2.1

Overleg en zienswijzen

In de periode van PM t/m PM heeft over het ontwerp van dit bestemmingsplan bestuurlijk overleg plaatsgehad als geboden in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Hierbij hebben o.a. de volgende instanties het ontwerp bestemmingsplan kunnen beoordelen: * Ministerie van VROM * Provincie Zuid-Holland « Hoogheemraadschap van Delfland * Gasunie De uitkomsten van het overleg, als bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid, onder c., van het Besluit ruimtelijke ordening, zijn opgenomen in de Bijlage 9 van deze toelichting. Van PM t/m PM heeft het ontwerp van dit bestemmingsplan ter visie gelegen voor het indienen van zienswijzen, als bedoeld in artikel 3.8, lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening in verbintenis met Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Gedurende de periode van tervisielegging zijn PM zienswijzen ingediend. De ontvangen zienswijzen zijn beoordeeld en van een reactie voorzien. Voor een overzicht van de zienswijzen wordt verwezen naar Bijlage 9 van deze toelichting.

41

l Li,LULL]-. IIIEL1LLL

....

Postadres: Postbus 150, 3670 AD Naaldwijk Bfřřŕekadres: Vťjrdliaan 7, 2671 Vw Naaldwijk T 14 0174 F (0174) 673 6Û0

E ļŞflöOgsnnMntewesţlsnd-nl WESTLAND

I www.gemGentewestland.iil

, V'. V;:,;-' , f í--. ui

/JTS

i/fe'

'ľ-

r

*

\ s.

ŗ4Ç

'J

■'ļi' ^ 7

7**4.

1

-K

:W

y™

,.íļ

' JļĮ

üįf

ŠMPŴ 4

^3-M 1LJL rf‘^ \ nri

o

Ai

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=ff7bcf2b-2de4-40a1-9b62-12f27dfb4d69