CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

1.56a) toelichting (21-0253555)

Gemeenteraad 26 oktober 2021, gemeente WestlandBij agendapunt: Vaststelling van de afhandeling van de Lijst met Ingekomen Stukken (LIS)27.585 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De veiligheid van de boezemkade wordt niet negatief beïnvloed door het peilvoorstel.

Leggerprofiel variant nr. 9

kruinhoogte: NAP *0,10m

boezempeil

leggerdiepte boezemwater maaiveld (l,bm *pp

buitentalud ontlerwaterbeloop buitentalud bovenwaterbeloop

kruin

binnenta lid 5m of tot insteek sloot

beschermings

waterstaatswerk

beschermings zone Leggerprofielen Ftegonaie wacerteRngen

Voor begrenzing van waterstaatswerk en beschermingszones; zie leggerkaart

leggerprofiel behoort niet tot leggerprofiel

Uitsnede Leggerkaart Hoogheemraadschap Delfland 'Legger Regionale Waterkeringen' Waterkwantiteit Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur met voldoende mogelijkheden voor waterberging. Dit streven heeft uiteindelijk tot doel wateroverlast voor de nieuwe en de al aanwezige functies in het gebied te voorkomen. Bij het voorkomen van wateroverlast en het verwerken van hemelwater hebben perceeleigenaar, gemeente en Delfland elk een verantwoordelijkheid. De perceeleigenaar moet het hemelwater zoveel mogelijk zelf verwerken en vasthouden bij de plaats waar het valt, bijvoorbeeld een (slimme)regenton. De gemeente draag zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Dit betekent, dat de gemeente in eerste instantie en initiatiefnemers/perceel eigenaren inspanning moet doen om dit hemelwater vast te houden of terug te brengen in de bodem. Vervolgens kan het (al dan niet na zuivering) worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Delfland is vervolgens verantwoordelijk voor de ontvangst van hemelwater in het oppervlaktewater.

54

Het waterpeil Het plangebied maakt deel uit van het peilgebied GPG2014POP 1 van de Poelpolder. Het vigerende peil in het peilgebied is NAP -1,83 m. Ter hoogte van Poelkade 18 ligt het gemaal Poelpolder. Het gemaal loost het overtollige water uit de polder op de boezem. Het gemaal heeft een maximale capaciteit van 16 irP/min. Het totale oppervlak van de Poelpolder is ongeveer 42 ha, de gemaalcapaciteit is daarmee 55 mm/dag. In stedelijke gebieden geldt een referentieafvoer van 21,6 mm/dag. Als er ook rekening wordt gehouden met 4 mm/dag kwelbelasting dan is de totale benodigde afvoercapaciteit circa 26 mm/dag. De gemaalcapaciteit voldoet daarmee ruimschoots aan de benodigde capaciteit. Het vergroten van de gemaalcapaciteit is dus niet noodzakelijk. In onderstaand figuur is de toekomstige ligging van de wateren in het plangebied weergegeven. Parallel aan de nieuwe ontsluitingsweg komt een primaire watergang te liggen van noord naar zuid. Deze primaire watergang is belangrijk in het gebied voor de berging en afvoer van het water. In deze watergang worden natuurvriendelijke oevers/plasbermen aangelegd om de waterkwaliteit in het gebied te verbeteren. De bestaande boezeminlaat ter hoogte van Dijckerwaal 24 wordt verwijderd en de primaire watergang krijgt aan de zuidzijde een nieuwe inlaat aansluitend op de bestemming natuur.

Vanwege de kweldruk is het inlaten van boezemwater voor peilhandhaving niet noodzakelijk. Het inlaten van boezemwater is nodig voor de verversing van het oppervlaktewater in het peilgebied. In de primaire watergang worden op verschillende locaties Natte Ecologische Zones (NEZ's) ingericht. Voor het optimaal functioneren van deze zones is een flexibel peil gewenst waarbij delen van de oevers in de zomerperiode droogvallen en in de winterperiode weer onderlopen. Dit is namelijk optimaal voor de kieming van de oevervegetatie en de ondergedoken waterplanten. Het voorstel is om een flexibel peil in te stellen met een minimum peil van NAP -1,83 m en een maximum peil van NAP -1,68 m. Door het flexibel peil kunnen delen van de oevers in de droge periodes droogvallen en in de nattere periodes onder water komen te liggen. Aan de oostzijde van de ontsluitingsweg en de primaire watergang liggen een tweetal secundaire watergangen. Deze watergangen staan in verbinding met de primaire watergang. De zuidelijke secundaire watergang krijgt ter hoogte van Poelkade 44B een inlaat naar de vijver ten zuiden van de sloot.

Bestaande inlaat ter hoogte van Dijckerwaal 24

Toekomstige inlaat ter hoogte van Poelkade 44b Drooglegging

55

Door de wijziging van landgebruik in de Waelpolder van voornamelijk glastuinbouw naar bebouwing en infrastructuur verandert de geldende droogleggingsnorm in het plangebied. De drooglegging in bebouwd gebied wordt bepaald in overleg met de gemeente. Bij nieuwbouw adviseert Delfland een drooglegging van minimaal 1,20 meter om mogelijke grondwaterproblemen en wateroverlast in de toekomst te voorkomen. Maaiveld en grondwater Huidige grondwaterstand In de polder staat de freatische grondwaterstand onder invloed van de diepere grondwaterstand en het omringende boezemwater. Uit veldonderzoek volgt dat in het centrale gedeelte van de polder de gemiddelde hoogste grondwaterstand ligt op circa NAP -1,10 m en verder oploopt tot circa NAP -0,70 m langs de lintbebouwing aan de boezem. Het hogere boezempeil zorgt voor een verhang in de grondwaterstand in het plangebied. Gedurende de periode juni 2010 tot juli 2012 is aan de buitenranden van het plangebied de grondwaterstanden gemeten. Hieruit volgt dat de freatische grondwaterstand aan de buitenranden ongeveer 0,2 meter fluctueert rondom het boezempeil (NAP -0,43 m). In de zomerperiode daalt de grondwaterstand naar circa NAP -0,60 m en stijgt in de winterperiode naar circa NAP -0,20 m. De diepere grondwaterstand kan oplopen tot circa NAP 0 m, hierdoor is er sprake van een kwelsituatie. De kwelintensiteit wordt ingeschat op 2 tot 4 mm/dag.

Toekomstige grondwaterstand Het voorstel is een flexibel peil met een minimum peil van NAP -1,83 m en een maximum peil van NAP -1,68 m. Het vigerend peil is NAP -1,83 m. Het flexibele peil zal leiden tot een (lichte) verlaging van de grondwaterstand. Voor de woningen op polderniveau is de bovengrens van NAP -1,68 m van het voorgestelde peil maatgevend. Hierbij wordt aangenomen dat de maximale opbolling van de grondwaterstand 0,20 meter is, de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) is dan NAP -1,48 m. Het waterpeil wordt niet verder verlaagd, maar er wordt zelfs een hogere bovengrens ingesteld van NAP -1,68 m. De hogere bovengrens voorkomt bodemdaling in het plangebied. Minimale vloerpeil Voor de woningen op polderniveau is de bovengrens van NAP -1,68 m van het voorgestelde peil maatgevend. Hierbij wordt aangenomen dat de maximale opbolling van de grondwaterstand 0,20 meter is, de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) is dan NAP -1,48 m. De gewenste ontwateringsdiepte voor woningen met een kruipruimte is 0,10 meter. De onderkant van de kruipruimte ligt dan maximaal op een diepte van NAP -1,38 m. De vloerdikte van de kruipruimte en woning en de vrije hoogte in de kruipruimte is in totaal 1 meter. Het minimale vloerpeil voor de woningen op polderniveau komt hierdoor te liggen op NAP -0,38 m.

In verband met de grondslag en mogelijke fluctuaties van het peil is afgesproken om een vloerpeil van NAP -0,05 m en een kruinhoogte van NAP -0,25 m voor de rijbaan aan te houden. Waterberging Het plangebied Waelpolder omvat een gebied van ca. 26,2 ha (incl. boezem). Om wateroverlast te voorkomen dient het oppervlaktewatersysteem over voldoende bergings- en afvoercapaciteit te beschikken. In het kader van de ontwikkeling zijn door Delfland gebiedsgerichte normen bepaald, waarbij een maximale peilstijging van 0,35 m in de boezem en 0,60 m in de polder in acht moet worden genomen. Afhankelijk van het te realiseren verhardingspercentage levert dit voor Waelpolder een bepaald oppervlak aan benodigde waterberging in de boezem en polder. Op basis van de opgestelde verhardingstekening bijlage 1 is bepaald dat in de toekomstige situatie 151.513 m2 verhard oppervlak wordt aangelegd in de polder. De totale grootte van het gebied in de polder is 242.189 m2. Het verhardingspercentage in het poldergebied is hierdoor 62,607o.

56

Bij een verhardingspercentage van 62,60Zo geldt een bergingsnorm van 482 irP/ha. De benodigde waterberging in de polder is hierdoor 11.667 m3 (482 irP/ha x 15,1513 ha). De maximale peilstijging in de polder is 0,60 meter. Hierdoor bedraagt het benodigd wateroppervlak 19.445 m2 (11.667 m3 Z 0,6 m). Na de ontwikkeling van het gebied is in de polder 22.110 m2 oppervlaktewater aanwezig. In de polder is dus sprake van een bergingsoverschot van 2.665 m2. Op basis van de verhardingstekening is ook bepaald dat de toekomstige verharding in de boezem 11.887 m2 bedraagt, het totaal oppervlak van de boezem is 19.390 m2. Het verhardingspercentage in de boezem is hierdoor 61,30Zo. Hierbij geldt een bergingsnorm van 479 irP/ha. De benodigde waterberging in het boezemgedeelte is hierdoor 929 m3 (479 irP/ha x 11.887 ha). De maximale peilstijging in de boezem is 0,35 meter. Het benodigd wateroppervlak is hierdoor 2.654 m2 (929 m3 / 0,35 m). In de Waepolder wordt 1.400 m2 boezemwater gecreëerd, hierdoor ontstaat er een bergingstekort van 1.254 m2 in het boezemgedeelte in de Waelpolder. Het bergingstekort aan boezemwater vormt geen knelpunt omdat in de gehele polder Waelpark meer boezemwater wordt gecreëerd dan benodigd. Het benodigd oppervlak boezemwater is 25.023 m2, in de polder wordt 41.551 2 boezemwater gecreëerd.

Het bergingstekort voor boezemwater in de Waelpolder kan dus gecompenseerd worden met het bergingsoverschot in de overige delen in de polder Waelpark. In onderstaande tabel is weergegeven wat het benodigd wateroppervlak in de boezem en het polder is en wat het gecreëerd wateroppervlak in de boezem en het polder is voor heel Waelpark. Hieruit kan geconcludeerd worden dat in Waelpark geen bergingstekorten zijn in de boezem en polder.

Benodigd wateroppervlak [m2]

Gecreëerd wateroppervlak [m2]

Boezem

Polder

Boezem

Polder

Dijckerwaal 1

6.563

0

10.345

0

Dijckerwaal II

9.852

0

13.514

0

Waelpolder

2.654

19.445

1.400

22.100

Rijnvaart

-

9.975

0

8.854

Waelplas

5.954

2.467

16.292

1.255

Totaal

25.023

31.887

41.551

32.219

Waterbalans polder en boezem Waelpark Gedurende de ontwikkeling van Waelpark wordt een bergingsregister bijgehouden om de gerealiseerde en benodigde berging inzichtelijk te maken. Bij de verdere uitwerking van de Poelpolder wordt dit register door ONW geactualiseerd. Het register vormt een integraal onderdeel bij de vergunningsaanvragen ten aanzien van wijzigingen in het watersysteem. Watersysteemkwaliteit en ecologie In het kader van de herstructurering wordt er gestreefd naar het zoveel mogelijk benutten van kansen en voor het verbeteren van de watersysteemkwaliteit en de ecologie. Ten aanzien van de KRW maatregelen moet er rekening worden gehouden met de afspraken uit de Bestuursovereenkomst KRW Delfland en de afspraken die op dit moment gemaakt worden voor het Stroomgebiedbeheersplan 2015-2021. Het boezemsysteem van Delfland maakt onderdeel uit van de KRW waterlichamen. Delfland en gemeenten zijn in de KRW Delfland overeengekomen om de toestand van de waterlichamen te verbeteren. Onderdeel van deze overeenkomst is dat daar waar langs waterlichamen ruimtelijke mogelijkheden zijn om invulling te geven aan de KRW-opgave, deze worden benut, en dat bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt onderzocht of een deel van de ruimtelijke KRW-opgave hieraan kan worden gekoppeld.

In het Waterplan Westland is aangegeven dat als er ruimte is, er een natuurvriendelijke oever moet worden aangelegd. En als er geen ruimte is maar wel dynamiek, kansen worden benut. Daarnaast mogen ruimtelijke ontwikkelingen niet leiden tot een verslechtering van de ecologische en chemische toestand van deze waterlichamen.

57

Voor de waterkwaliteit geldt net als het watersysteem het standstill-beginsel. De ruimtelijke ontwikkeling mag niet leiden tot een achteruitgang van de chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem. Het plangebied bestond voornamelijk uit glastuinbouw en agrarische gronden. Hierbij is lang gebruik gemaakt van mest en gewasbeschermingsmiddelen. Door de uit- en afspoeling en directe lozingen vanuit de glastuinbouw behoorde de waterkwaliteit van de Poelpolder tot een van de slechtste in het beheergebied van Delfland. Een deel van de nutriënten is terecht gekomen in de waterbodem. Aanbevolen wordt om de bovenste laag van de waterbodem te baggeren om te voorkomen dat de nutriëntrijke sliblaag het watersysteem belast. In het plan 'Waelpark tuinbouwpolder naar woonpolder' wordt aangegeven hoe de waterkwaliteit moet worden verbeterd. Uitgangspunt in het plan is het saneren van de glastuinbouw. Het saneren van de glastuinboouw leidt tot het verminderen van de emissiebronnen van gewasbeschermingsmiddelen in de polder. Om de chemische kwaliteit van de het watersysteem in stand te houden worden geen uitlogende materialen gebruikt die in het water terecht kunnen komen. Daarnaast worden de lozingspunten van het hemelwaterstelsel strategisch geplaatst bij doodlopende en/of smalle watergangen om de doorstroming in de watergangen te bevorderen.

Tot slot worden natte ecologische zones (NEZ's) aangelegd voor het verbeteren van de waterkwaliteit. Een NEZ is een deel van het oppervlaktewaterlichaam waarin door de inrichting en beheer van deze zones leefgebied wordt gecreëerd voor waterplanten en -dieren. De NEZ's worden in de Toetocht aangelegd. Onderhoud en bagger Delfland is verantwoordelijk voor het onderhoud van het primaire watersysteem en de waterkeringen. Voor secundair boezemwater en polderwateren zijn veelal andere partijen (gemeente, grondeigenaar) onderhoudsplichtig. Onderhoudsplichtigen zijn in de Legger Delfland vastgesteld. Onderhoud aan water en waterkering betekent dat deze toegankelijk moeten zijn voor onderhoud. Ook houdt Delfland ruimte die eventueel nodig is voor dijk- of kadeverzwaring, vrij van andere, conflicterende functies. Het beheer en onderhoud van het watersysteem binnen het plangebied is vastgelegd in de Keur Delfland en Legger Delfland. Voor onderhoud van watergangen is het van belang rekening te houden met de benodigde onderhoudsstroken.Onderhoudsstroken zijn noodzakelijk voor onderhoudsmateriaal en werkruimte, en er kan bagger op de onderhoudsstroken worden gezet. Op polderniveau wordt onderscheid gemaakt tussen primaire en secundaire watergangen. In onderstaande tabel zijn de onderhoudsafspraken voor het onderhoud van het oppervlaktewatersysteem weergegeven.

Delfland is verantwoordelijk voor het (varend) onderhoud van het hydraulisch profiel van de primaire watergangen. Daarnaast is Delfland verantwoordelijk voor de inlaat in het zuidelijk deel van de primaire watergang ten behoeve van de NEZ's. De zuidoostelijke polderwatergang is hierop een uitzondering. In samenspraak met ONW is bepaald dat de zuidoostelijke polderwatergang wordt onderhouden conform een VVE-constructie. De inlaat van deze secundaire watergang komt in eigendom en beheer van de gemeente. De inlaat wordt wel bediend door Delfland. Voor de NEZ met KRW status geldt dat Delfland de natte zone en één meter droog talud in onderhoud neemt. Dit onderhoud vindt eens per 3-6 jaar plaats in het najaar en is afhankelijk van de vegetatiegroei. Het overig deel van het talud wordt door de gemeente Westland onderhouden. De nderwaterbeschoeiingen in de NEZ zijn in beheer en onderhoud van de gemeente.

58

watersysteem

status

gedeelte

onderhoudsplichtige

polder

primair

watervoerend deel

HHD

bovenwatertalud en beschermingszone

aanliggend eigenaar

NEZ zonder KRW status

gemeente Westland

secundair watervoerend deel

aanliggend eigenaar (ieder voor halve breedte)

bovenwatertalud en beschermingszone

aanliggend eigenaar

NEZ zonder KRW status

gemeente Westland

Bodem en grondwater Huidige grondwaterstand In de polder staat de freatische grondwaterstand onder invloed van de diepere grondwaterstand en het omringende boezemwater. Uit veldonderzoek volgt dat in het centrale gedeelte van de polder de gemiddelde hoogste grondwaterstand ligt op circa NAP -1,10 m en verder oploopt tot circa NAP -0,70 m langs de lintbebouwing aan de boezem. Het hogere boezempeil zorgt voor een verhang in de grondwaterstand in het plangebied. Gedurende de periode juni 2010 tot juli 2012 is aan de buitenranden van het plangebied de grondwaterstanden gemeten. Hieruit volgt dat de freatische grondwaterstand aan de buitenranden ongeveer 0,2 meter fluctueert rondom het boezempeil (NAP -0,43 m). In de zomerperiode daalt de grondwaterstand naar circa NAP -0,60 m en stijgt in de winterperiode naar circa NAP -0,20 m. De diepere grondwaterstand kan oplopen tot circa NAP 0 m, hierdoor is er sprake van een kwelsituatie. De kwelintensiteit wordt ingeschat op 2 tot 4 mm/dag. Toekomstige grondwaterstand Het voorstel is een flexibel peil met een minimum peil van NAP -1,83 m en een maximum peil van NAP -1,68 m. Het vigerend peil is NAP -1,83 m. Het flexibele peil zal leiden tot een (lichte) verlaging van de grondwaterstand. Voor de woningen op polderniveau is de bovengrens van NAP -1,68 m van het voorgestelde peil maatgevend.

Hierbij wordt aangenomen dat de maximale opbolling van de grondwaterstand 0,20 meter is, de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) is dan NAP -1,48 m. Het waterpeil wordt niet verder verlaagd, maar er wordt zelfs een hogere bovengrens ingesteld van NAP -1,68 m. De hogere bovengrens voorkomt bodemdaling in het plangebied. Minimale vloerpeil Voor de woningen op polderniveau is de bovengrens van NAP -1,68 m van het voorgestelde peil maatgevend. Hierbij wordt aangenomen dat de maximale opbolling van de grondwaterstand 0,20 meter is, de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) is dan NAP -1,48 m. De gewenste ontwateringsdiepte voor woningen met een kruipruimte is 0,10 meter. De onderkant van de kruipruimte ligt dan maximaal op een diepte van NAP -1,38 m. De vloerdikte van de kruipruimte en woning en de vrije hoogte in de kruipruimte is in totaal 1 meter. Het minimale vloerpeil voor de woningen op polderniveau komt hierdoor te liggen op NAP -0,38 m. In verband met de grondslag en mogelijke fluctuaties van het peil is afgesproken om een vloerpeil van NAP -0,05 m en een kruinhoogte van NAP -0,25 m voor de rijbaan aan te houden. Afvalwater en riolering De bestaande woningen aan de Poelkade en de Nieuwe Vaart zijn aangesloten op drukriolering. De bestaande woningen aan de Dijckerwaal zijn aangesloten via vacuümriolering.

Bij de herontwikkeling van het plangebied wordt bij voorkeur het hemelwater bovenstrooms afgevoerd, daar waar dit niet mogelijk is worden de woningen aangesloten op een gescheiden rioolstelsel. Hierbij wordt het hemelwater gescheiden van het afvalwater afgevoerd naar het oppervlaktewater. Hemelwater dat

59

afkomstig is van wegverhardingen wordt gezuiverd door het water zo veel mogelijk via bermpassages en/of greppels afgevoerd naar het oppervlaktewater. Bij de aanleg van een hemelwaterstelsel wordt voor de lozing op het oppervlaktewater ruimte gereserveerd voor een zuiverende voorziening in de vorm van een lamellenafscheider. Het afvalwater in het plangebied wordt verzameld en geleid naar de gemalen in het gebied. Deze gemalen worden zo veel mogelijk aangesloten op de bestaande persleiding in de Rijnvaartweg. De riolering voor het plangebied wordt uitgewerkt in een rioleringsplan. Als basis voor het rioleringsplan gelden het vigerende gemeentelijke rioleringsplan (GRP). Daarnaast dient het plan te voldoen aan de Leidraad Riolering West Nederland van de gemeente Westland en de Leidraad aan- en afkoppelen verhard oppervlak en de Beslisboom aan- en afkoppelen verharde oppervlakten (2003). In het plangebied wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd te worden. Hierbij wordt het hemelwater afkomstig van daken en verhardingen afgevoerd naar het oppervlaktewater. Om dit mogelijk te maken is het van belang dat er geen uitlogende materialen worden toegepast. Het hoogheemraadschap heeft de Leidraad aan- en afkoppelen verhard oppervlak in 2003 geactualiseerd met een nieuwe beslisboom.

Hieruit volgt dat: « Het hemelwater afkomstig van daken en gevels (zonder uitlogende materialen) kunnen direct afgevoerd worden naar het oppervlaktewater. * Licht verontreinigde oppervlakten zoals parkeergelegenheden en voet- en fietspaden is de toepassing van zuiveringstechnieken gewenst alvorens het hemelwater wordt geloosd. * Voor matig verontreinigde oppervlakten zoals ontsluitingswegen is de toepassing van zuiveringstechnieken vereist. Samenvattend Om te komen tot een goed waterhuishoudkundige plan voor het plangebied dienen de volgende conclusies, richtlijnen en adviezen in acht te worden genomen: - Veiligheid en waterkeringen: * Het plangebied grenst aan de oost-, west-, en zuidzijde aan de boezemkade. Het peilvoorstel heeft geen negatief effect op de stabiliteit van de boezemkades. - Veiligheid en waterkeringen: * Bij het verder uitwerken van het ontwerp van de watergangen gelden de regels uit het document “Beleidsregels dempen en graven". -Waterkwantiteit: * De drooglegging moet minstens 1,20 meter bedragen. * Om het gebied te bewateren worden twee inlaten gerealiseerd aan de zuidzijde van het gebied. * In de polder wordt 15,1 ha verhard oppervlak aangelegd, om dit te compenseren moet minstens 19.445 m2 aan oppervlaktewater worden aangelegd.

* In de boezem wordt 11.887 m2 verhard oppervlak aangelegd, om dit te compenseren moet minstens 2.654 m2 boezemwater worden aangelegd. * In de polder is er een bergingsoverschot van 2.665 m2. * In de boezem is er een bergingstekort van 1.254 m2, dit tekort wordt gecompenseerd met de overschotten in de boezem in polder Waelpark. * Er is sprake van kweldruk, de drooglegging en de gemaalcapaciteit is ruim voldoende om de kwel te ondervangen zonder dat er grondwaterproblemen kunnen ontstaan. * De ontwikkeling van de Waelpolder heeft geen negatief effect op de waterhuishouding in het gebied. - Watersysteemkwaliteit en ecologie: * Door de functieverandering van glastuinbouw naar woongebied verdwijnen de directe bronnen van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen. Hierdoor verbetert de waterkwaliteit. * In de Toetocht worden NEZ's aangelegd om leefgebied te creëren voor waterplanten en dieren. - Onderhoud en bagger:

60

* Delfland is verantwoordelijk voor het (varend) onderhoud van het hydraulisch profiel van de primaire watergangen. * Het bedienen van de inlaten is een taak van Delfland, tevens is het onderhouden van de inlaat richting het natuurgebied een taak van Delfland. * De gemeente Westland onderhoudt de NEZ zonder KRW status en de inlaat ter plaatsen van de Polderkade 44b. * De onderhoudsplicht voor de secundaire watergangen ligt bij de aanliggende eigenaren (ieder voor de helft). Voor zover de watergangen onderdeel zijn van de openbare ruimte is dit de gemeente Westland. 3.7.3

Conclusie

Gelet op het vorenstaande vormt water geen belemmering voor de planontwikkeling.

3.8

Bodem

3.8.1

Wettelijk kader

Wet bodembescherming De Wet bodembescherming ziet, vanuit een goed milieubeheer, op de bodembescherming en bodemsanering. Met deze wet moet rekening worden gehouden met het ontwikkelen en realiseren van ruimtelijke plannen. In een bestemmingsplan dat voorziet in ruimtelijke ontwikkeling, moet verantwoord zijn dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is op grond van de bodemkwaliteit voor die ruimtelijke ontwikkeling. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht. 3.8.2

Onderzoek

In de bijlagen 10 t/m 32 zijn verschillende bodemonderzoeken opgenomen. Op de tekening in bijlage 33 is opgenomen welke locaties gesaneerd moeten worden. De bodemonderzoeken tonen aan dat de locatie - op een aantal plekken na sanering van de grond -geschikt is om de beoogde ontwikkeling uit te voeren. 3.8.3

Conclusie

Het aspect bodem vorm geen belemmering voor de planontwikkeling.

3.9

Ecologie

3.9.1

Wettelijk kader

Natuurnetwerk Nederland Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones.

61

Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied. Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan.

Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes: * » *

Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn; Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd.

Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. van de Wnb.

62

Verbod shepalmg

vogels vu

Dienen Hm Planter Hrv BonrVBern

BornVBsm

Dienen

Planten

fjiįļiwaan fnalionaan

Dieren of planten:

Doden of vangen

3 tC t a

storen/verstoren

3.T.4 ((jĖľlľJij 3 1 5)

3 10 l.t

Plukken. verzamelen, afsnijden. onlworteien oí vernielen Ond er zich heb Ijen of vervoeren

Plaatsen: vernieler. Ijeschadgen of wegnemen resten Beschadigen of vernielen

3 10 1 b

■vodlpijnlingsplanlsen

ĮvaslĚ vp)

Beschadigen of vernielen ruslp aatsen

3.10.1 .D

u-asre rpi Eieren vernielen (oT-vn- beschadigenj

Papen Onder ach heb ;en TaeKChOiQO

Codes vowyzen naar wetsartikelen Wet natuurtjes charming

Orane

veriiodsbepalmg geldt alleen wanneer sprake is van opzei verbodsbepaling geld' in alle gevallen, ook wanneer geen sprake is

Tabel verbodsbepalingen soortenbescherming onder de jįùlÈ

Vrijstellingen In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Zorgplicht De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten: 1. 2. 3.

Achterwege gelaten worden, of Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt

Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden. 3.9.2

Onderzoek

Eco-effectscan Op 27 mei 2019 is door Aqua Terra Nova een Eco-effectscan opgesteld. De Eco-effectscan heeft als doel te inventariseren of het project mogelijk in strijd is met de Wet natuurbescherming of het Natuurnetwerk

63

Nederland in de Wet ruimtelijke ordening. Aan de hand van een veldbezoek, verspreidingsatlassen, overige naslagwerken en lokale waarnemingen wordt een lijst samengesteld van categorie 1 en 2-soorten en vogels met jaarrond beschermde nesten welke in en in de nabije omgeving van het plangebied zijn waargenomen of potentieel aanwezig zijn. Deze lijst met soorten is een momentopname, is niet limitatief en kan aangevuld worden met beschermde soorten waarvan de aanwezigheid aannemelijk is. Voor deze soorten wordt op basis van het verkennend locatiebezoek de geschiktheid van biotopen in het plangebied beoordeeld.

Op grond van het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: * De aanwezigheid van de strikt beschermde rugstreeppad is reeds uitgesloten door Aqua-Terra Nova in een nader onderzoek in 2017 (zie Bijlage 36 Ecologisch onderzoek 2017) « De aanwezigheid van de volgende soorten kan redelijkerwijs uitgesloten worden op basis van verspreidingsgegevens en habitatvoorkeuren: - beschermde vaatplanten: - beschermde grondgebonden zoogdieren - beschermde vissen - beschermde dagvlinders/insecten en weekdieren - beschermde reptielen » De zorgplicht is te allen tijde van kracht (bijlage 1); « Tijdens de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met broedende vogels in bomen en op de grond en met algemeen voorkomende dieren, zoals egel, marterachtigen, konijn, haas en muizen. Het weren van grondbroedende vogels voor de aanleg van de Waalcampus is reeds gestart. Voor de andere delen binnen het plangebied zal dit nog uitgevoerd moeten worden; * Bij het dempen van watergangen wordt het wegvangen van algemeen voorkomende vissen, amfibieën en geleedpotigen (Amerikaanse rivierkreeften) aanbevolen. * De Amerikaanse rivierkreeft moet afgevangen en op humane wijze gedood worden; » De aanwezigheid van boombewonende vleermuizen in de bomen langs de Nieuwe Vaart en de wilg bij Poelkade 32 kan niet uitgesloten worden.

Nader onderzoek naar boombewonende vleermuizen in deze bomen is noodzakelijk; * Het verwijderen van bomen langs de Nieuwe Vaart, bouwen van woningen en verleggen van watergangen kan een nadelig effect hebben op een mogelijk vliegroute boven deze vaart. Nader onderzoek naar de Nieuwe Vaart als potentiële vliegroute en foerageergebied is noodzakelijk; * De woningen rond het plangebied zijn geschikt voor diverse gebouwbewonende soorten, zoals huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Het vleermuis- en huismusonderzoek voor de Poelkade 32a is in het voorjaar van 2019 opgestart; « De bescherming van de vaste vliegroute van vleermuizen over de Poelkade is reeds vastgesteld in een Ecologisch vervolgonderzoek uit 2013 (212102^QT302bFF^G ). Hieruit kwam naar voren dat de watergangen in het plangebied de funtie hebben als foerageergebied en vliegroute van gewone- en ruige dwergvleermuizen. Het aantasten van essentiële vliegroutes van vleermuizen is in strijd met de Wet natuurbescherming. Indien grootschalige werkzaamheden gaan plaatsvinden aan de Poelkade en/of bij kap van wilgen langs de Poelkade zal een actualiserend vliegrouteonderzoek uitgevoerd moeten worden ter ondersteuning van een ontheffingaanvraag voor het verstoren van een vaste vliegroute voor vleermuizen.

Vleermuizenonderzoek Uit de Eco-effectscan is gebleken, dat de aanwezigheid van een vliegroute en foerageergebied van vleermuizen boven de Nieuwe Vaart en de wilg bij Poelkade 32 niet uitgesloten kan worden, waardoor aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Daarom is door Aqua Terra Nova een Vleermuizenonderzoek verricht, hetgeen is opgenomen in het rapport van 22 november 2019. Het aantal bezoeken, het tijdstip en de periode(n) voor het vleermuisonderzoek zijn gebaseerd op het meest recente Vleermuisprotocol en de Kennisdocumenten voor vleermuizen. In het protocol en de Kennisdocumenten is de minimale inspanning omschreven om de aan- dan wel afwezigheid van beschermde soorten en de functies in hun leefgebied te onderzoeken. De focus van dit soortgericht onderzoek ligt met name op de aanwezigheid van een essentiële vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen langs de watergang de Nieuwe Vaart . Langs de watergang Poelwatering, welke langs de Poelkade gelegen is, is in het verleden reeds een vaste vliegroute van diverse vleermuissoorten,

64

waaronder gewone dwergvleermuis en watervleermuis, vastgesteld. Op basis van dit soortgerichtonderzoek naar vleermuizen kan gesteld worden dat het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk is, mits voldaan wordt aan het volgende punt: ^ De watergang de Nieuwe Vaart mag niet meer verlicht worden dan nu het geval is, omdat anders de zeer lichtgevoelige watervleermuis verstoord wordt. Daarnaast wordt door Aqua Terra Nova geadviseerd om: *

*

*

De nieuw aan te leggen ecologische zone door het plangebied zo donker mogelijk te houden, bij voorkeur verlichting met een uitstraling van minder dan 0,5 lux, om foeragerende en overvliegende vleermuizen niet te verstoren; De hogere bomengroep langs de Nieuwe Vaart en overige bomen in het plangebied blijven naar alle waarschijnlijkheid behouden. Indien er toch een aantal bomen niet behouden kunnen blijven, wordt geadviseerd een ecoloog in te schakelen welke de boom kan controleren op geschiktheid voor boombewonende vleermuizen. Wanneer de te kappen bomen geschikte holtes of kieren en spleten bevatten voor boombewonende vleermuizen, dient jaarrond onderzoek uitgevoerd te worden naar vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen (minimaal twee bezoeken in het voorjaar en minimaal twee bezoeken in het najaar).

Voorts doet Aqua Terra Nova de volgende aanbevelingen: « Wanneer tijdens de werkzaamheden gebruik gemaakt wordt van bouwverlichting, wordt geadviseerd deze verlichting in de nacht, tussen zonsondergang en zonsopkomst, uit te zetten. Indien dit niet mogelijk is, dient de verlichting niet uit te stralen naar omliggende watergangen of groen. Het gebruik van groene of blauwe verlichting, met name tussen zonsondergang en zonsopkomst, is niet toegestaan. Het gebruik van amberkleurige bouwverlichting is wel toegestaan; * Wanneer er bij de werkzaamheden nieuwe verlichting langs de wegen en de watergangen wordt geplaatst, wordt aanbevolen om verlichting toe te passen die verstoring bij vleermuizen zoveel mogelijk beperkt. De lichthinder voor vleermuizen door verlichting kan aanzienlijk worden beperkt door het toepassen van amberkleurige UV-vrije LED-armaturen, lagere lichtmasten en een scherpe afsnede van de lichtinval; * Door het bouwen van woningen, zullen (ontsluitings)wegen aangepast moeten worden, en daar waar nodig verbreed worden. Dit heeft een mogelijk effect op laan- en straatbomen, met name de knotwilgen langs de Nieuwe Vaart en de Poelkade. Het wordt aanbevolen om de weg zodanig in te richten dat de bomenrijen van knotwilgen behouden kunnen blijven, zodat de watergangen Nieuwe Vaart en Poelwatering donker genoeg blijven voor de watervleermuis en andere vleermuizen.

Dit is onder andere mogelijk door op bepaalde wegen eenrichtingsverkeer in te stellen voor gemotoriseerde voertuigen. De aanbevelingen en adviezen uit dit rapport worden overgenomen bij de uitvoering van het plangebied. Soortgerichtonderzoek Poelkade 32A Om de aan- dan wel afwezigheid van (essentiële) leefgebieden, vaste verblijfplaatsen van huismussen en vleermuizen aan te tonen is in en om de woning aan Poelkade 32a is door Aqua Terra Nova op 22 november 2019 een Soortgericht onderzoek Poelkade 32A) verricht. Op basis van het onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden, zie ook figuur 5.1: * * * * »

In het plangebied zijn drie vaste nestlocaties van de huismus aanwezig; Er is geen essentieel foerageergebied van huismussen aanwezig in het plangebied; Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig in het plangebied; Er zijn geen essentieel foerageergebied of essentiële vliegroutes aanwezig van vleermuizen in het plangebied; De watergang de Poelwatering wordt gebruikt door watervleermuis en gewone dwergvleermuis als essentiële vliegroute en foerageergebied.

Voor deze locatie is inmiddels een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming verleend.

65

De woningen in Waelpolder zullen natuur inclusief worden gebouwd. Natuur inclusief en klimaat gericht bouwen houdt in dat oriëntatie op wind en zon uitgangspunt is voor de situering van bebouwing. Daarnaast zijn groene daken, muurvegetatie en huismusinbouwstenen van toepassing. De kwaliteit van de woonomgeving wordt vergroot, door de woonomgeving en de tuinen in te richten met oog voor ecologie en klimaatadaptatie. Daarbij moet ten eerste worden bepaald dat verharding tot het minimaal noodzakelijk wordt beperkt. Daarnaast kan worden gedacht aan beplanting gericht op vlinders, egels, vleermuizen, libellen, mezen, vissen, maar ook het plaatsen van insectenhotels. Nestmogelijkheden voor gierzwaluwen en vleermuizen zijn onderdeel van het eisenpakket. Gebiedsbescherming Op 26 maart 2021 heeft Antea Group een stikstofdepositieberekeningerzoek opgeleverd (zie Memo stikstofdepositieberekening, AERIUS calculator gebruiksfase enAERIUS calculator realisatiefase). In Waelpolder worden circa 720 woningen gerealiseerd. Daarnaast wordt er circa 7.500 m2 ontwikkeling verwacht ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen. Tevens is de aanleg van een natuurnetwerk beoogd. Van oudsher waren op de locatie waar de ontwikkelingen gepland zijn kassen aanwezig. Het totaaloppervlak van het plan/projectgebied bedraagt 226.729 m2.

Waelpolder is vanaf de noordkant op circa 2,5 km gelegen van het Natura-2000 gebied Solleveld & Kapittelduinen, waar zich stikstofgevoelige habitattypen bevinden (zie figuur 1.2). Het plan/projectgebied ligt vanaf de zuidkant op circa 1,7 km van hetzelfde Natura-2000 gebied. In dit Natura-2000 gebied bevinden zich stikstofgevoelige habitattypen waarbij de achtergrondwaarde op hexagon(en) hoger is dan de KDW (Kritische Depositiewaarde), waarmee er sprake is van een zogenoemde overbelaste situatie.

N213 Rolpaal Pląş.ĩţan Winden Baakwoning

Prínsenbos

N211 ‘s-Gravenzande Zandeveft

N213

Teylingen Pijlenjìnen Naaldwijk Opstal ūuinrfet Galgeblok

N220

Kruisbroek

Heenweg

{pek van Holland

Nieuwe

Waieiweg Westerse

ĨKċtuaul Stikstofgevoelige habitattypen in Solleveld 8* Kapittelduinen

ĒI05M f. Kadaster

AERIUS Calculator 2020 toont voor de realisatiefase vergeleken met de referentiesituatie nergens een bijdrage groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Op het Natura-2000 gebied Solleveld & Kapittelduinen is in de realisatiefase ten opzichte van de referentiesituatie sprake van een afname van 0,01 mol/ha/jaar. Dit betekent dat er in de realisatiefase vergeleken met de referentiesituatie geen sprake is van een toename van stikstofdepositie en derhalve geen significant (negatief) gevolg.

66

AERIUS Calculator 2020 toont voor de gebruiksfase vergeleken met de referentiesituatie nergens een bijdrage groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Op het Natura-2000 gebied Solleveld & Kapittelduinen is in de gebruiksfase ten opzichte van de referentiesituatie sprake van een afname van stikstofdepositie van 0,03 mol/ha/jaar. Dit betekent dat er in de gebruiksfase ten opzichte van de referentiesituatie geen sprake is van een toename van stikstofdepositie. 5 Conclusie 3.9.3

Conclusie

Gelet op het vorenstaande vormt ecologie geen belemmering voor de planontwikkeling.

3.10 Cultuurhistorische aspecten

3.10.1

Wettelijk kader

Als gevolg van het Verdrag van Valetta, dat in 1998 door het Nederlandse parlement is goedgekeurd en in 2006 zijn beslag heeft gekregen in de gewijzigde Monumentenwet 1988, stellen Rijk en Provincie zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Het Rijk heeft deze beleidsuitgangspunten neergelegd in onder meer de Erfgoedwet, de Cultuurnota 2005 - 2008, de Nota Belvedère, de Nota Ruimte en het Structuurschema Groene Ruimte 2. De provincie Zuid-Holland hanteert het uitgangspunt dat op terreinen die voorkomen op de Archeologische Monumentenkaart Zuid-Holland en in gebieden die op de kaart archeologische waarden van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS-kaart) ten minste een redelijke tot grote kans op archeologische sporen hebben, archeologisch vooronderzoek in het kader van de planvoorbereiding dient plaats te vinden. Voor zover er onzekerheid bestaat over de precieze aanwezigheid van archeologische waarden, dient in het bestemmingsplan voor het bouwrijp maken een omgevingsvergunningplicht te worden gehanteerd. Het verlenen van een omgevingsvergunning wordt daarbij afhankelijk gesteld van de uitkomsten van nader archeologisch onderzoek en de belangenafweging op grond daarvan. Doelstelling van het Verdrag van Valetta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden.

Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. 3.10.2

Onderzoek

Conform de Erfgoedwet beschermt de gemeente Westland het archeologisch erfgoed middels het bestemmingsplan. Bekende en verwachte archeologisch waardevolle gebieden krijgen een archeologische (mede)bestemming. Binnen deze zones dienen bodemverstorende ingrepen zoveel mogelijk te worden beperkt. Bodemverstorende werkzaamheden die de aan de bestemmingszones gekoppelde vrijstellingsgrenzen overschrijden, worden gebonden aan het vergunningenstelsel. Zodoende kan het belang van het archeologisch erfgoed worden meegewogen bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning. Dit kan ertoe leiden dat er eisen worden gesteld aan de uitvoering van de werkzaamheden, of dat de voorgenomen ingreep alleen na archeologisch onderzoek wordt toegestaan.Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. In juli 2020 is door Archeologie Delft een archeologisch onderzoek verricht (zie Bijlage 43 Archeologisch onderzoek).

Er wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te laten voeren in het plangebied, aangezien er geen aanwijzingen voor vindplaatsen aanwezig zijn.In dit geval is alleen de meldplicht van toepassing. Dat betreft een algemene meldingsplicht bij het aantreffen van oudheden. Op basis van paragraaf 5.4 van de Erfgoedwet moet iedereen die, anders dan bij het doen van archeologisch onderzoek, iets vindt waarvan hij/zij weet of kan vermoeden dat het een (roerend of onroerend) monument betreft, dit melden bij de minister van OCW (of in deze, bij de gemeente Westland of in deze,

67

bij de gemeente Westland. 3.10.3

Conclusie

Gelet op het vorenstaande vormt archeologie geen belemmering voor deze ontwikkeling.

68

Hoofdstuk 4

Juridische planbeschrijving

4.1

Planvorm

4.1.1

Wettelijk voorgeschreven standaardisering

De planregels en de planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen als gepubliceerd door het ministerie van VROM (SVBP 2008) en als wettelijk voorgeschreven in de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 (Staatscourant 2008, nr. 377, van 30 oktober 2008). Daarnaast zijn in de planregels de standaardregels opgenomen als geboden in artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. In een apart artikel zijn de bijzondere gebruiksverboden opgenomen voor alle bestemmingen, welke verboden aansluiten op het wettelijk verbod als neergelegd in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening. Voor uitleg van die planregels wordt verwezen naar de toelichting op het Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008, in samenhang met de jurisprudentie over die uitleg. Voorts is de "Werkafspraak terminologie Wabo in Standaard voor Vergelijkbare bestemmingsplannen" van september 2010 verwerkt. Die werkafspraak in het kader van de ministeriële regeling is gemaakt met het oog op de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010.

4.1.2

Aanvullingen geoorloofde afwijking van de SVBP 2012

De planregels en planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn toegesneden op de specifieke behoefte aan planregulering voor het gegeven plangebied. In de hierna volgende paragrafen is de aan het bestemmingsplan eigen plansystematiek toegelicht voor zover die een aanvulling of een geoorloofde afwijking vormt van de SVBP 2012.

4.1.3

Systematiek van de planregels

Opbouw planregels De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: * Inleidende regels; » Bestemmingsregels; « Algemene regels; * Overgangs- en slotregels. Inleidende regels Begrippen (Begrippen) Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Wijze van meten (Wijze van meten) Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Bestemmingsregels De bestemmingsregels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: » doeleindenomschrijving (gebruiksregels); « bouwregels; * nadere eisen;

69

afwijkingsregels. Gebruiksregels De doeleindenbeschrijving van de bestemming of de dubbelbestemming, waarvan opname in de planregels is geboden in artikel 3.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, is in de planregels voor elke bestemming in eerste instantie vervat in het onderdeel "Bestemmingsomschrijving". Van het onderdeel "Specifieke gebruiksregels" wordt in de planregels vooral gebruik gemaakt om regels te geven voor de onder de bestemming of dubbelbestemming vallende functieaanduidingen en bouwaanduidingen en andere aanduidingen. Afwijkingsregels In het onderdeel "Afwijken van de gebruiksregels" wordt alleen die afwijkingsbevoegdheid opgenomen die uitsluitend ziet op het gebruik. Zodra sprake is van het afwijken van de bouwregels - ook al vormt dat bouwen een (klein) onderdeel van het gebruik in ruime zin - wordt de bevoegdheid daartoe geplaatst in het onderdeel "Afwijken van de bouwregels". Aanleggen of slopen De aanlegregels of sloopregels zijn uitvoerig met het oog op een zorgvuldige verlening van de omgevingsvergunning daartoe, voor zover regels daarvoor niet reeds zijn voorzien in de Wet ruimtelijke ordening of het Besluit ruimtelijke ordening. De aanlegregels of sloopregels kennen de volgende onderverdeling: * * *

het aanlegverbod of sloopverbod zelf; de voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning mag worden verleend en het inwinnen van deskundigenadvies; de specifieke aanlegverboden of sloopverboden met de daarop gegeven uitzonderingen.

Algemene gebruiksregels In het artikel "Algemene gebruiksregels" zijn naast een verwijzing naar het algemene gebruiksverbod van artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening, specifieke gebruiksverboden ter invulling van het algemene gebruiksverbod opgenomen. Daarin is onderscheid gemaakt tussen het verbod op het gebruik van gronden en het verbod op het gebruik van bouwwerken. Overgangs- en slotregels In het artikel "Slotregel" zijn de volgende onderdelen opgenomen: * het onderdeel "Vervangen bestemmingsplannen" waarin een overzicht van de bestemmingsplannen en andere planregimes is opgenomen die met dit bestemmingsplan zijn vervangen; * en het onderdeel "Citeertitel".

4.1.4

Systematiek van de planverbeelding

Wettelijke vereisten De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Hierbij vormt de inhoud van de digitale versie de beslissende versie. De digitalisering brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. De planverbeelding is digitaal vorm gegeven overeenkomstig de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008. De digitale planverbeelding en de andere onderdelen van de dataset hebben het volgende planidentificatie-nummer gekregen: NL.IMRO.1783.ONWWAELPOLDERpbp-ON01

70

De dataset bestaat uit: * het GML-bestand van de planverbeelding; * het XML-geleideformulier; * de onderliggende bestanden zoals ondergrond en overige topografische informatie; « de PDF- en HTML-bestanden voor respectievelijk de verbeelding van plantoelichting en planregels. Leeswijzer verbeelding Wegwijzer via internet Met de digitalisering van ruimtelijke plannen is het lezen en interpreteren van de verbeelding (voorheen plankaart) een nieuwe aangelegenheid. Via de website www.ruimteliikeplannen.nl kunnen bestemmingsplannen (ook in voorbereiding zijnde plannen voor zover deze ter inzage zijn gelegd) worden ingezien. Via het tabblad 'bestemmingsplannen' kan worden doorgeklikt naar de provincie, de woonplaats of nog specifieker de straatnaam. De gebieden die zwart omlijnd op de kaart staan aangeduid, zijn de gebieden waarvoor een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar is. Zodra het gewenste bestemmingsplan is gevonden en deze voldoende is ingezoomd, wordt de betreffende bestemmingslegging zichtbaar. Om een beter beeld van de omgeving te krijgen, kan voor verschillende ondergronden worden gekozen (luchtfoto, topografie). Zodra linksonder 'legenda' wordt aangeklikt, wordt inzichtelijk wat de verschillende kleuren betekenen. Door vervolgens op een locatie binnen het plangebied te klikken wordt aan de rechterzijde van de kaart de bijbehorende informatie getoond.

Indien meer informatie is gewenst, kan worden doorgeklikt naar de toelichting en/of de regels van het plan. Analoge verbeelding Alhoewel de digitale verbeelding het uitgangspunt vormt, blijft het mogelijk het bestemmingsplan analoog in te zien. Het lezen van de analoge verbeelding is verschillend van de digitale verbeelding. Op de analoge verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. Bestemmingsvlak en bouwvlak Vrijwel elke bestemming bestaat doorgaans uit twee vlakken: een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering. Soms komt het voor dat het bestemmingsvlak en het bouwvlak met elkaar samenvallen. Op de plankaart is dan uitsluitend een bouwvlak te zien (het bestemmingsvlak ligt hieronder). Aanduidingen Op de digitale plankaart is een onderscheid gemaakt in verschillende aanduidingen.

Een aantal functieaanduidingen is gebruikt om de gebruiksmogelijkheden binnen een bestemming of een gedeelte daarvan nader te specificeren. Het kan hierbij gaan om een nadere specificatie van de gebruiksmogelijkheden, een expliciete verruiming daarvan of juist een beperking. Voorbeelden van functieaanduidingen zijn 'bedrijfswoning', 'detailhandel' en 'kantoor'. Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken, worden bouwaanduidingen genoemd. Voorbeelden van bouwaanduidingen zijn 'gestapeld' en 'onderdoorgang'. Alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen, percentages en oppervlakten, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn maatvoeringaanduidingen.

4.2

Bestemmingsregeling

De bestaande functies in het plangebied die overeenkomstig het voorheen geldende bestemmingsplan in dit plan zijn bestemd, zijn de volgende (in alfabetische volgorde van bestemming).

71

4.2.1

Bestemming "Gemengd"

Op de gronden waarop de nutsvoorziening is gesitueerd, is de bestemming “Gemengd" (Gd) neergelegd. Binnen de bestemming "Gemengd" zijn de gronden bestemd voor maatschappelijke functies, in combinatie met wonen. De maatschappelijke functies moeten op de begane grond worden gerealiseerd met uitzondering van zorgwoningen, deze mogen ook op de verdiepingen worden gerealiseerd. 4.2.2

Bestemming "Groen"

Op de gronden voor openbare groenvoorziening is de bestemming “Groen” neergelegd. 4.2.3

Bestemming "Maatschappelijk"

Deze gronden zijn bestemd voor maatschappelijke functies, waaronder educatieve, sociaal-culturele, welzijns- en onderwijsvoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van kinderopvang en gezondheidszorg, voorzieningen ten behoeve van de openbare dienstverlening. In het bestemmingsplan zijn de gronden voor de schoolgebouwen en schoolterreinen dan ook bestemd als 'Maatschappelijk'. Door het ruim bestemmen van deze gronden, kunnen ook andere functies dan onderwijsvoorzieningen binnen deze bestemming worden gerealiseerd. 4.2.4

Bestemming "Natuur"

Op de gronden waarop nieuwe natuur in de vorm van een ecologische verbindingszone zal worden gerealiseerd, is de bestemming “Natuur” neergelegd. Op twee punten is de functieaanduiding "Brug" opgenomen. Op deze locaties zullen 2 bruggen voor langzaamverkeer worden gerealiseerd. Aan deze bestemming is een aanlegstelsel verbonden. 4.2.5

Bestemming "Tuin"

Op de gronden bij de woningen die onder de bestemming “Wonen” zijn geplaatst, hebben de tuinen de bestemming “Tuin” gekregen. Naast beperkt bouwen is het bouwen van erkers op die gronden onder voorwaarden toegestaan. Bij deze bestemmings is deels aangesloten bij de regels die vóór het van kracht worden van dit bestemmingsplan golden. 4.2.6

Bestemming "Verkeer"

Op de gronden waarop wegen voor wegverkeer zijn of worden gesitueerd, is de bestemming “Verkeer” neergelegd. 4.2.7

Bestemming "Water"

Op de gronden waarop oppervlaktewater is en op de gronden waarop nieuw water is voorzien, is de bestemming “Water” neergelegd. 4.2.8

Bestemming "Wonen"

Op de gronden waarop de bestaande woningen langs de Poelkade en de Nieuwe Vaart zijn gesitueerd, is de bestemming “Wonen” neergelegd. Bij deze bestemming is aangesloten bij de regels die binnen de gemeente Westland gelden voor de bestemming "Wonen". 4.2.9

Bestemming "Woongebied"

Op de gronden waarop het woningbouwplan Waelpolder zal worden gerealiseerd is de bestemming “Woongebied” neergelegd. Deze gronden zijn ingedeeld in de bestemming "Woongebied - 1", "Woongebied - 2", "Woongebied - 3" en "Woongebied - 4" . Volgens de bestemmingsomschrijving van deze bestemming zijn naast het realiseren van de woningen een verblijfsgebied (o.a. woonstraten, voet- en fietspaden), tuinen, erven, water, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en andere bij de bestemming behorende voorzieningen mogelijk gemaakt. De gronden met de bestemming "Woongebied -1" zijn voornamelijk bestemd voor grondgebonden woningen in de vorm van vrijstaande en halfvrijstaande woningen. De gronden met de bestemming

72

"Woongebied - 2" zijn bestemd voor gestapelde en grondgebonden woningen waarbij de grondgebonden woningen gelegen zijn aan de randen van het plangebied of aan de ecologische zone en de gestapelde woningen meer aan de binnenzijde van het plangebied zijn gelegen. De gronden met de bestemming "Woongebied - 3" zijn bestemd voor gestapelde woningen. De gronden met de bestemming "Woongebied - 4" zijn bestemd voor rijwoningen. Daar waar de specifieke bouwaanduiding "bijgebouw en bouwwerk geen gebouw zijnde uitgesloten" [sba-bgg] zijn bijgebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde uitgesloten, maar mogen er wel hoofdgebouwen worden gerealiseerd. Daar waar de specifieke bouwaanduiding “zonder bebouwing” [sba-zbb] aan de gronden is toegekend, zijn geen bouwwerken toegestaan, behoudens straatmeubilair. Deze aanduiding is van toepassing op gronden gelegen aan de ecologische verbindingenszone. Om te voorkomen dat deze zone volgebouwd is en er geen sprake is van beleefbaar groen, is deze aanduiding opgenomen. Deze gronden dienen niet te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidt op het moment van de datum van inwerkingtreding van dit plan. De gronden waarop de oevers liggen hebben de functieaanduiding “specifieke vorm van woongebied - oeverzone” (swg-oev) gekregen.

Deze gronden moeten als onbebouwde gronden worden ingericht, zodat er vanuit de waterzijde bezien geen volgebouwde gevel ontstaat. Deze gronden dienen niet te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidt op het moment van de datum van inwerkingtreding van dit plan. Voor de gronden met de aanduiding “milieuzone” geldt een aanlegvergunningenstelsel. Indien woningen binnen de aanduiding "specifieke vorm van wonen geluidsbelasting" (sw-gb) worden gebouwd, moet worden aangetoond dat het binnenniveau van de woningen maximaal 33 dB bedraagt; Op de gronden met de functieaanduiding "speelvoorziening"(sv) moet het aantal op de planverbeelding opgenomen speelvoorzieningen worden gerealiseerd. 4.2.10

Dubbelbestemming "Waterstaat - Waterberging"

Op de gronden met de bestemming Waterstaat - Waterberging (dubbelbestemming)' zijn bestemd voor waterberging, zoals opgenomen in de waterparagraaf 3.6 Waterhuishouding ten behoeve van de waterbergingsopvave binnen het plangebied Waelpolder. 4.2.11

Dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering"

Op de gronden van de primaire waterkering en de daarbij behorende beschermingszone is de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" neergelegd.

73

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

5.1

Economische uitvoerbaarheid

5.1.1

Grondexploitatieen kostenverhaal

Voor het bestemmingsplan is geen exploitatieplan, als bedoeld in artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening opgesteld, omdat de kosten voor het realiseren van het woningbouwplan, die verhaald dienen te worden, zijn opgenomen in de grondprijs van de uit te geven gronden. Dit is ten finale vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomstmet Ontwikkelingsmaatschappij Het Nieuwe Westland (ONW). Het plangebied is onderdeel van het project Waelpark waarvoor een sluitende grondexploitatie is opgesteld. Waelpolder is een van de deelplannen van Waelpark. Waelpolder is een van de deelplannen van Waelpark. Eventuele vergoeding van planschade, als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening, is als kostenpost in de grondexploitatie opgenomen, zodat kan worden geconcludeerd, dat het bestemmingsplan ook op dit vlak uitvoerbaar is. In juli 2020 heeft de gemeente in overleg met ONW een subsidieaanvraag ingediend bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze is in het najaar 2020 verleend. Belangrijkste randvoorwaarde hiervoor was dat minimaal 500Zo van de woningen in de betaalbare categorie wordt gerealiseerd. Met dit bestemmingsplan wordt het mogelijk gemaakt om 500Zo betaalbare woningbouw, waarvan een deel in de sociale sector valt, te realiseren en zo te voldoen aan de subsidie-eisen van de Woningbouwimpuls gelden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=a1090c27-c46e-453b-ad51-0dba7633496e