CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

1.40c) Bijlagen (21-0269981)

Gemeenteraad 26 oktober 2021, gemeente WestlandBij agendapunt: Vaststelling van de afhandeling van de Lijst met Ingekomen Stukken (LIS)35.307 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

©- i@ jicj-i;

IjJm JJ

-'/Ww

W.'jíJ

WESTERHONK bestemmingsplan NL.IMRO.1783.MONWESTERHONKobp-ON01 ontwerp

GEMEENTE

vrW/ r V-*

^ V

yļļlţiţí^yļ^iŗ ^ s-r-

".rif

Kŕl-u-c.ř- -' yp'y^

J UİİÉİ

jrf1

-

V* Jý 11 TMÌli '

j

"V

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10

Vormvrije m.e.r-beoordeling Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Onderzoek Stikstofdepositie Onderzoek externe veiligheid Onderzoek bodemkwaliteit Onderzoek ecologie Onderzoek Archeologie BRO overleg Inspraakreacties Samenvatting informatiebijeenkomst 2021

i

Vormvrije m.e.r.-beoordeling voor bestemmingsplan Westerhonk

i

Inhoudsopgave ínhoud 1.

2.

3.

4.

5.

2

Inleiding............................................................................................................................................................................ 3 1.1.

Aanleiding...................................................................................................................................................... 3

1.2.

Waarom een vormvrije m.e.r.-beoordeling?................................................................................. 3

1.3.

Wat houdt een m.e.r.-beoordeling in?............................................................................................. 4

1.4.

Leeswijzer...................................................................................................................................................... 4

Plaats van het project.............................................................................................................................................. 6 2.1.

Plaats van het project ............................................................................................................................ 6

2.2.

Gevoelige gebieden in en nabij het plangebied.......................................................................... 7

Kenmerken van het project ....................................................................................................................................8 3.1.

Omvang van het project......................................................................................................................... 8

3.2.

Verkeersaspecten ..................................................................................................................................... 8

Kenmerken van de milieueffecten....................................................................................................................10 4.1.

Bedrijven en milieuzonering................................................................................................................ 10

4.2.

Geluid .............................................................................................................................................................11

4.3.

Luchtkwaliteit.............................................................................................................................................. 13

4.4.

Externe veiligheid..................................................................................................................................... 14

4.5.

Water.............................................................................................................................................................. 16

4.6.

Bodem ............................................................................................................................................................ 21

4.7.

Ecologie ........................................................................................................................................................ 22

4.8.

Stikstofdepositie........................................................................................................................................ 30

4.9.

Cultuurhistorie en archeologie........................................................................................................... 32

Conclusie.......................................................................................................................................................................37

1.

Inleiding

1.1.

Aanleiding

's-Heerenloo (zorgaanbieder) heeft voor haar locatie Westerhonk een huisvestingsopgave, welke voornamelijk bestaat uit vervangende nieuwbouw, dan wel renovatie van de bestaande zorggebouwen, die dateren uit de jaren '60 (de begintijd van Westerhonk). In deze huisvestingsopgave is rekening gehouden met een lichte uitbreiding van zorgwoningen, als strategische voorraad. Daarmee kan worden geanticipeerd op toekomstige ontwikkelingen. Voor de herinrichting van Westerhonk is door 's-Heerenloo een gebiedsvisie opgesteld. Deze gebiedsvisie is een integrale ontwikkelingsvisie voor Westerhonk als een optimaal functionerend en kwalitatief woonzorgpark, uitnodigend en open. Het is een visie op gebouwen, voorzieningen, buitenruimte, infrastructuur en duurzaamheid. Het is een visie waarbinnen Westerhonk de komende 10 jaar met een bepaalde flexibiliteit gefaseerd kan ontwikkelen.

.. i ĽL '"-i' ;

- -

f Jr*

*

v.

figuur 1.1 locatie plangebied

Om deze gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken dient het bestemmingsplan geactualiseerd te worden. Het nu geldende bestemmingsplan biedt geen mogelijkheid de gewenste ontwikkelingen te realiseren. Ten behoeve van het hiervoor opgestelde bestemmingsplan ‘Westerhonk' wordt een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. De vormvrije m.e.r.-beoordeling heeft als doel om te toetsen of de voorgenomen ontwikkeling zorgt voor mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. l. 2.

Waarom een vormvrije m.e.r.-beoordeling?

De procedure van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang vroegtijdig en volwaardig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een besluit, bijvoorbeeld een bestemmingsplan of structuurvisie. Het centrale onderdeel van een m. e.r. is het milieueffectrapport(MER) waarin de milieueffecten geanalyseerd en beoordeeld

3

worden ten opzichte van de referentiesituatie. Deze m.e.r.-procedure is van toepassing bij activiteiten waarvan reeds vaststaat dat er mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Deze activiteiten met bijbehorende drempelwaarden staan weergegeven in onderdeel C van het Besluit m.e.r. (dit geldt eveneens voor activiteiten uit onderdeel D waar een plan voor nodig is). Naast het direct uit moeten voeren van een m.e.r. zijn in het Besluit m.e.r. ook activiteiten met bijbehorende drempelwaarden aangegeven waarvoor eerst beoordeeld moet worden of sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze activiteiten en drempelwaarden staan benoemd in onderdeel D van het Besluit m.e.r. Voor deze activiteiten dient een zogenaamde m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. De voorgenomen activiteit is opgenomen in onderdeel D onder categorie D11.2. In het Besluit milieueffectrapportage staat onder categorie D.11.2 opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op minimaal 2000 woningen of 100 hectare. De beoogde ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van een biologisch substraatbedrijf (van 2 hectare) in het glastuinbouwgebied (wat, op basis van jurisprudentie, aangemerkt wordt als een stedelijk gebied) en blijft ruim onder deze drempelwaarde.

Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling'. Voorliggend document bevat deze beoordeling. Catejorie D.11.2 Besluit milieueffectrapportage D 11.2

Activiteiten

Gevallen

Besluit

De -wnleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk

In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijtsvloeroppervlakte van 200.000 nr of meer

De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld ín artikel 3.1, eerste lid, van díe wet.

ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen

1.3.

Wat houdt een m.e.r.-beoordeling in?

Voor het toetsen of sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen bestaan bepaalde inhoudelijke vereisten. Deze inhoudelijke vereisten staan benoemd in bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.. In deze richtlijn staan een aantal aspecten waaraan de voorgenomen activiteiten in een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan getoetst worden:

1.4.

»

Kenmerken van het project;

»

De plaats van het project;

»

De kenmerken van de potentiële milieueffecten. Leeswijzer

Dit rapport volgt de indeling van bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r. Hoofdstuk 2 beschrijft de plaats en het projecten. Hoofdstuk 3 de kenmerken van het project. In Hoofdstuk 4 worden de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toegelicht. Ten slotte geeft dit rapport in hoofdstuk 5 de conclusie weer.

4

Selectiecriteria Europese richtlijn 1. Kenmerken van de projecten Eij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder ŕn overweging worden genomen? " de omvang van het project, « de cumu latie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten, w w " ~ w

het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen verontreiniging en hinder, risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën, de risico's voor de menselijke gezondheid.

2. Plaats van de projecten Eij de mate van kwetsbeerheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: “ het bestaande en goedgekeurde landgebruik, " de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied, e het cpnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: o wetlands, oeverformaties, riviermond in gen, o kustgebieden en het mariene milieu, o berg- en bosgebieden, o reservaten en natuurparken,

o o o

o o

gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd? speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 2ŪŪ5/147/EG en Richtlijn 52/43/EEG, gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds wonden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.

3. Kenmerken van het potentiële effect Eij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen: " het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking}, " de aard van het effect, w het grensoverschrijdende karakter van het effect, “ de intensiteit en complexiteit van het effect, " de waarschijnlijkheid van het effect, " de vervrachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect, " "

5

de cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten, de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.

2.

Plaats van het project

2.1.

Plaats van het project

Het plangebied bestaat uit het woonzorgpark Westerhonk en het woongebied Polanen en biedt een beschermde woonomgeving voor mensen met een verstandelijke beperking. Het accent in de zorgverlening ligt op het verlenen van zware zorg (intensieve medische zorg, intensieve zorg m.b.t gedrag). Daarnaast zijn er op het terrein een aantal reguliere burgerwoningen aanwezig. Het gebied is gelegen ten noorden van de kern Monster en is 44 hectare groot. Het terrein wordt aan de noordzijde begrensd door de Haagweg en aan de zuidzijde door de Madeweg en wordt verder omsloten door tuinbouwbedrijven en watergangen. Het terrein bestaat uit een dicht wegen­ en padennetwerk, eiken en essenbossen, solitaire bomen, een paar bomenlanen en diverse waterpartijen. Van noord naar zuid loop je hemelsbreed 600 meter op het breedste stuk, van oost naar west 1000 meter. Het woonzorgterrein ligt vlakbij de duinen en het strand. Aan de noordzijde, tussen Westerhonk en de Haagweg, maken tuinbouwbedrijven nu plaats voor woningen binnen de ontwikkeling 'Westlandse Zoom'. Binnen deze ontwikkeling zullen circa 1000 woningen gerealsieerd worden. Verspreid over het ruim opgezette terrein liggen een twintigtal gebouwen ten behoeve van de zorg. Aan de westzijde zijn in de jaren '90 circa 90 particuliere woningen gebouwd.

Anno 2021 biedt Westerhonk zorg aan circa 575 cliënten, waarvan er 450 ook daadwerkelijk op Westerhonk wonen. Daarnaast zijn er op het terrein diverse voorzieningen in een twintigtal gebouwen ten behoeve van zorg, medische voorzieningen, kantoren, recreatie en dagbesteding aanwezig. Binnen het plangebied waren, voor het van kracht worden van dit bestemmingsplan, de volgende planregimes van kracht: »

Bestemmingsplan Westmade, vastgesteld op 30 augustus 2005;

»

Bestemmingsplan Monster Noord, vastgesteld op 24 juni 2008;

»

Bestemmingsplan Woongebied Polanen, vastgesteld op 13 maart 2009;

»

Bestemmingsplan Glastuinbouwgebied Westland, vastgesteld op 18 december 2012;

»

Uitwerkingsplan Madewater, vastgesteld op 7 april 2014;

»

Uitwerkingsplan Westmade fase 1b, vastgesteld op 14 juli 2015;

»

Wijzigingsplan 24 zorgwoningen Westerhonk, vastgesteld op 29 maart 2018

Als gevolg van een half afgebouwd stedenbouwkundig plan is het gebied onsamenhangend, onleesbaar en onduidelijk. Er is een lege middenzone in plaats van een hart of centraliteit. Oude centrale functies zijn uit elkaar getrokken en op stedenbouwkundig onlogische posities geplaatst. Deze erfenis wordt met deze nieuwe visie zo goed mogelijk hersteld. Er zijn een aantal plekken waar gesloopt is of zal worden, waardoor leegte ontstaat op ongewenste plekken. Voor de benodigde samenhang is een nieuwe invulling van deze plekken noodzakelijk. De functionele- en conceptionele driedeling, de verbeterde wegenstructuur en het ecologisch plan welke gecreëerd zullen worden zullen meewerken aan de samenhang van het gebied. De karakters van de drie zones worden expliciet als kwaliteit benoemd. Zo ontstaat er een vanzelfsprekende logica op het terrein, waardoor samenhang en leesbaarheid ontstaan. Zo wordt bewoners en verwante herkenbaarder en logischer. Zone 1: het woongebied Polanen met particuliere woningen, zorgwonen en maatschappelijke functies zoals een zorgboerderij, een zwembad en de nieuwe VIC-woningen, is al erg waterrijk.

6

Dit waterrijke karakter wordt in de toekomst versterkt. Er wordt meer water gerealiseerd en het water wordt gevarieerder. Zone 2: de centrale zone van het plangebied met al enkele recreatieve voorzieningen wordt versterkt tot het hart van Westerhonk, een ecologisch landschapspark met diverse voorzieningen voor dagbesteding, educatie, recreatie en een dorpsplein waar optimale ontmoeting kan plaatsvinden tussen bewoners van Westerhonk en de mensen buiten Westerhonk. De al aanwezige kunstmatige duinen vormen en verbinding met het kustlandschap. Door de aanwezige duinen uit te breiden ontstaat een eigen karakter voor dit deelgebied dat gezien kan worden als een uitloper van de duinen aan zee. Zone 3: Westerhonk met zorgwoningen en de diverse dagbestedingen is al erg bosrijk. Dit bosrijke karakter wordt versterkt door het diverser maken van het groen, onder nadere door aanpassingen te doen in het onderhoud.

toekomstige gebiedsindeling Westerhonk 2.2.

Gevoelige gebieden in en nabij het plangebied

Het plangebied is niet gelegen in, maar grenst wel aan gebieden beschermd door de Natuurbeschermingswet. De planlocatie is gelegen op een afstand van circa 200 tot 800 meter van de beschermde Natura2000-gebieden 'Solleveld & Kapittelduinen' en 'Westerpark & Wapendal'. Op basis van de archeologische waarden-en beleidskaart kan er geconcludeerd worden dat het plangebied een verwachtingszone III heeft. In het plangebied zijn geen elementen aanwezig die cultuurhistorisch waardevol zijn, zoals beschermde monumenten.

7

3.

Kenmerken van het project

3.1.

Omvang van het project

Het zorgpark Westerhonk dateert uit de jaren '60. Naast de particuliere woningen die zich op het terrein bevinden biedt het park een twintigtal zorggebouwen, van zeer diverse aard. De gebouwen vormen qua verschijningsvorm een weinig samenhangend geheel door sloop en nieuwbouw door de jaren heen. Door de weidsheid van de locatie is dit geen probleem, al versterkt het de samenhang van het beeld niet. De bouwkundige en functionele kwaliteit van de gebouwen varieert sterk. Veel bebouwing

is ouder dan 50 jaar. Een aantal gebouwen kunnen nog voor 20 jaar

gerenoveerd worden. Echter zijn er ook gebouwen op het terrein, met grote woonvolumes, die dermate technisch verouderd zijn dat deze op korte termijn vervangen dienen te worden. De grote vraag wat de huidige bebouwing aan gaat, op het terrein, betreft vervanging. Een beperkt deel zal worden toegevoegd en ingezet worden als strategische voorraad. Met het oog op het verouderen van de populatie is het tevens belangrijk dat er voldoende aandacht is voor enerzijds levensloopgeschiktheid van de toekomstige woningvoorraad en anderzijds de te verwachten toenemende psychogeriatrische problematiek bij cliënten. Omdat 's-Heerenloo eigenaar is van het complete zorgpark, is het niet noodzakelijk om in de hoogte te bouwen. Ook is vanuit de zorg en de bewoners het wonen op de begane grond zeer wenselijk. Niet elke bewoner van het zorgpark is goed ter been, waardoor enkel laags bouwen het een praktische leefomgeving maakt. 's-Heerenloo heeft voor haar nieuwbouw zorgwoningen een huisvestingsconcept ontwikkeld op basis waarvan landelijk al de nieuwbouw wordt gerealiseerd. Zo ook op Westerhonk. De vervangende nieuwbouw is daarmee toekomstbestendig en geschikt voor alle doelgroepen. In verschijningsvorm en stedenbouwkundige opzet is variatie mogelijk maar functioneel, kwalitatief en technisch zijn de zorgwoningen gestandaardiseerd. 3.2.

Verkeersaspecten

Uitgangspunten zijn verkeersveiligheid voor de bewoners en duurzaamheid. Daarom worden rij­ afstanden waar mogelijk verkort en wordt de Vijverweg ontlast. De ruggengraad wordt uitgebreid van alleen de Vijverweg naar Vijverweg plus Polanensingel. Er komt een nieuwe aftakking aan de Vijverweg naar de Polanensingel. Op deze manier ontstaat een logische lus als ruggengraad voor al het verkeer, die tevens de drie verschillende zones (blauw, geel, groen) op een logische manier begrenzen en ontsluiten. De duinzone, omsloten door de ruggengraad wordt autovrij (bestemmingsverkeer uitgezonderd). De doorsteek van Vijverweg naar polanensingel (de Groenendaal) wordt ook autovrij. De parkzone krijgt een systeem van paden en wegen voor langzaam verkeer, waarbij bestaande straten doorverbonden worden zodat het makkelijk wordt je weg te vinden en de verschillende gebieden goed met elkaar verbonden zijn. De infrastructuur is de drager van een veilige goed bereikbare, toegankelijk woonzorgpark, waarbij zowel aan bewoners als bezoekers is gedacht. Met dit herzien wegenpatroon kan Westerhonk de komende decennia vooruit. De aanpassingen zullen in fasen worden gerealiseerd. Uitgangspunt voor de uitwerking is het tracé van de bestaande infrastructuur zoveel mogelijk te handhaven. Binnen de parkzone zullen bestaande autoroutes bijvoorbeeld worden afgeschaald naar langzaam verkeerswegen.

Tracé blijft liggen maar weg wordt ingezet voor andere gebruik. Een doorgaande route in de dwarsrichting over het terrein van Westerhonk is voor autoverkeer niet wenselijk vanwege sluipverkeer, maar een doorgaande route voor fietsers en voetgangers is een kans om de dwarsverbindingen in de regio te verbeteren en mensen van buiten het terrein

8

over Westerhonk naar de Haagweg en het strand te leiden. Deze langzaam verkeersroute zal ook over het plein lopen en zal de voorbijgangers een goed beeld geven van Westerhonk. Voor het woonzorgdeel neemt men in de nieuwe opzet de eerste afslag vanaf de Vijverweg naar rechts. Zo worden auto-meters beperkt. In combinatie met aanpassingen van infrastructuur en aanpassingen rond het gebouw Buitenhof, van achterkant naar voorkant, leidt dit tot een meer directe en logische toegang van het rechter woonzorggebied. De uitwerking van de nieuwe toegang/aansluiting van de Polanensingel (nabij Vijverweg 2) zal nog de nodige aandacht vragen. Verkeersbewegingen De verkeersbewegingen zullen in de toekomst niet gaan toenemen. In het verleden is er rekening gehouden met 200 extra particuliere woningen die, bij nader inzien, niet meer gerealiseerd gaan worden. Voor Westerhonk gaat het voornamelijk om het vervangen van bestaande voorraad. De bewoners van Westerhonk zijn niet in het bezit van een auto. Hierdoor vindt door de bewoners geen verkeersbeweging plaats. De verkeersbewegingen op het zorgpark zullen alleen plaatsvinden door medewerkers, verwanten en vervoerders van cliënten. Doordat er minder externe dagbesteding zal komen, zijn er ook minder verkeersbewegingen met busjes op het terrein.

Wel zullen er meer busjes komen door de school voor tijdelijk onderwijs aan het nieuwe plein, waar juist ook veel kinderen van buiten Westerhonk komen. De busjes kunnen de kinderen op het schoolplein afzetten. Parkeren Door de verschuiving van functies en het realiseren van nieuw programma, zijn er ook veranderingen in het parkeren. Voor nieuwe functies komen er parkeerplaatsen bij. In de toekomstige bouwvlekken is het aantal en de positie van deze parkeerplekken nog niet bekend.

9

4.

Kenmerken van de milieueffecten

In dit hoofdstuk worden de belangrijkste milieueffecten van de beoogde ontwikkeling beschreven. Het is gebruikelijk de milieueffecten van de beoogde situatie te vergelijken met de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie inclusief de effecten van ontwikkelingen in de omgeving waarvan de realisatie zeker is (autonome ontwikkelingen). In het verleden had het plangebied verschillende eigenaren, welke het gebied op verschillende manieren gebruikte. 4.1.

Bedrijven en milieuzonering

In de directe omgeving het plangebied is glastuinbouw en woongebied aanwezig, en zijn er tevens enkele bedrijven te vinden. Glastuinbouwbedrijven zijn bedrijven met milieucategorie 2. Hiermee hebben dusdanige bedrijven een zonering van 30 meter. De te realiseren woningen en verblijven vallen hiermee buiten deze zonering, zoals te zien is op navolgende zoneringskaart.

.

^

.

j

Ten zuidoosten van het plangebied is een gasdrukregel- en meetstation aanwezig. Hiervoor geldt milieucategorie 2, waarbij een zonering van 30 meter hoort. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 160 meter, waarmee voldaan wordt aan de richtafstand. Verder is er ten westen van Het Westerhonk een gaswininstallatie van de NAM aanwezig. Met de vergunning voor milieu neutrale verandering van 9 januari 2017 is een groot deel van de activiteiten (formeel) ten einde gekomen. Het gaat daarbij onder andere om het buiten gebruik stellen van een groot deel van de gasbehandelingsinstallatie, waarmee verschillende geluidsbronnen ten einde komen. Tevens worden enkele risicovolle activiteiten stopgezet, waarmee ook het gevaar afneemt. Met een afstand van circa 300 meter tot Het Westerhonk kan geconcludeerd worden dat de inrichting geen belemmeringen vormt voor het plan. Circa 100 meter ten westen van de gaswininstallatie bevindt zich het recent afgebrande zwembad De Boetzelaer. Deze wordt echter teruggebracht in herstelde staat, dus is een beschouwing van milieuzonering noodzakelijk. Een overdekt zwembad beschikt over milieucategorie 3.1, waarvoor een richtafstand van 50 meter geldt. Dit is ruim op voldoende afstand van Westerhonk. Conclusie Milieuzonering vormt geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

Daarnaast hindert het plan op zijn beurt omliggende bedrijven niet in de bedrijfsvoering.

10

4.2.

Geluid

Op 21 mei 2019 is door Van der Boom advies een onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai. De ontwikkeling ligt buiten de bebouwde kom van Monster binnen de geluidzone van de Haagweg en de Madeweg op ten minste 110 resp. 9 meter uit de as van de weg. Bij het berekenen van de geluidbelasting wordt uitgegaan van de verkeersintensiteit in de toekomstige situatie. De wegverkeersgegevens zijn weergegeven in de onderstaande tabel. Bij de berekeningen is uitgegaan van een prognose voor 2030 van de gemeente Westland.

TABEL ill.1: overzicht weg- en verkeersgegevens 2030 Omschrijving

Haagweg

Madeweg

- etmaalintensiteit 2030

9871

8741

- daguurintensìteit [DA]

6,58

6,59

- avonduurintensiteit [0A]

3,88

3,87

- nachtuurintensìteit [Vo]

0,68

0,68

95.81/98,06/95,97

95,65/98,26/96,02

- perc. middelzware mvt dag/avond/nacht [0A]

3,25/1,57/3,18

3,04/1,22/2,78

- perc. zware mvt dag/avond/nacht [0A]

0,94/0,37/0,86

1,30/0,53/1,19

60

60

- perc. lichte mvtdag/avond/nacht [“/o]

- rijsnelheid [km/uur] - type wegdek

referentie

referentie

- verkeerregelinstallatie binnen 150 m

nee

nee

- obstakei/rotonde binnen 100 meter

nee

nee

De op de geplande ontwikkeling invallende geluidbelasting is bepaald met een rekenmodel, volgens het Reken- en Meetvoorschrift Geluid 2012. In deze situatie is binnen de randvoorwaarden gebruik gemaakt van rekenmethode II. Bij de modellering is uitgegaan van de werkinstructie “"Akoestisch onderzoek weg- en railverkeer Omgevingsdienst Haaglanden - Handleiding voor de gemeenten in Haaglanden''. De onderstaande tabel geeft een overzicht van de berekende invallende geluidbelasting Lden voor de Madeweg in 2030, na 5 dB aftrek ex art 110g Wgh. De afstand tot de 48 dB en 53 dB contour is weergegeven in tabel III.2.

TABEL III.2 overzicht afstand tot 48 dB contour van de invallende geluidbelasting Lden (dB) in 2030 tgv de Madeweg na aftrek van 5 dB ex art 110g Wgh Contour

1,5 m

4,5 m

48 dB

116 m

125 m

53 dB

55 m

65 m

De onderstaande tabel geeft een overzicht van de berekende invallende geluidbelasting Lden voor de Haagweg in 2030, na 5 dB aftrek ex art 110g Wgh. De afstand tot de 48 dB en 53 dB contour is weergegeven in tabel III.3

TABEL Hl.3 overzicht afstand tot 48 dB contour van de invallende geluidbelasting Lden (dB) in 2030 tgv de Haagweg na aftrek van 5 dB ex art 110g Wgh Contour

1,5 m

4,5 m

48 dB

103 m (buiten plangebied)

110 m

53 dB contour

buiten plangebied

buiten plangebied

De onderstaande tabel geeft een overzicht van de berekende invallende geluidbelasting Lden voor alle wegen samen, zonder aftrek. De afstand tot de 53 dB contour voor de ontsluitingsweg is weergegeven in tabel III.4.

11

TABEL 111.4 overzicht afstand tot 53 dB contour van de invallende geluidbelasting Lden (dB) in 2030 tgv alle wegen samen zonder aftrek Contour

1,5 m

4,5 m

53 dB contour (noordzijde)

106 TT

120 m

53 dB contour (zuidzijde)

120 m

125 m

Conclusie Toetsing wegverkeer De 48 dB contour van de geluidbelasting door de Madeweg ligt ruim binnen de zuidgrens van het plangebied (zie tabel III.2). De 53 dB contour ligt eveneens ruim binnen het plangebied. De 48 dB contour van de geluidbelasting door de Haagweg ligt op 4,5 meter hoogte op de noordgrens van het plangebied (zie tabel III.3). De 53 dB contour ligt buiten het plangebied. De woningen aan de noordzijde kunnen eenvoudig buiten de 48 dB contour geprojecteerd worden. Indien de woningen aan de zuidzijde binnen de 48 dB contour geprojecteerd worden dient voor deze woningen een hogere waarde te worden aangevraagd. Woningen kunnen alleen binnen de 53 dB contour worden geprojecteerd indien gebruik wordt gemaakt van dove gevels en maatregelen aan de bron en in de overdracht niet mogelijk zijn. Indien de toekomstige ontwikkeling binnen de bebouwde kom valt dan bedraagt de maximale hogere waarde 63 dB. Daar is vooralsnog niet van uitgegaan. Een hogere waarde voor de geluidbelasting op de Madeweg kan slechts worden vastgesteld als maatregelen tot het terugbrengen van de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde onvoldoende doeltreffend zijn, of als er ernstige bezwaren zijn op het gebied van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

Maatregelen wegverkeer Hieronder zijn maatregelen beschreven om de geluidbelasting ten gevolge van de Madeweg zo mogelijk tot de voorkeursgrenswaarde te doen afnemen. Maatregelen aan de bron: stil asfalt De Madeweg is voorzien van een standaard asfalt. Overwogen kan worden de weg over een afstand van ca 400 meter te voorzien van een dunne geluidreducerende deklaag. Hierdoor daalt de geluidemissie van de weg met ca 4 dB. Daardoor wordt de afstand tot de 48 en 53 dB contour ongeveer gehalveerd. Deze optie kan in een later stadium nader worden uitgewerkt. Maatregelen aan de bron: verlagen van de maximumsnelheid De maximum snelheid op de Madeweg bedraagt 60 km/uur. Gezien de functie van de doorgaande weg kan de verkeerssnelheid op deze weg buiten de bebouwde kom niet verder worden teruggebracht. Afscherming van de woningen: geluidscherm De woningen kunnen in principe van de wegen worden afgeschermd door het aanbrengen van een verdiepinghoge afscherming (geluidscherm) op het eigen terrein aan de zuidzijde. De hoogte van het geluidscherm dient voor een effectieve afscherming van alle woonlagen ca. 4,5 meter te bedragen. Schermen met een dergelijke hoogte op deze locatie zijn echter stedenbouwkundig en landschappelijk ongewenst gezien de aantasting van de ruimtelijke kwaliteit.

Hogere waarden Overwogen kan worden de geluidbelasting door de Madeweg terug te brengen door het toepassen van een dunne geluidreducerende deklaag over een weglengte van ca 400 meter. Afscherming

12

van alle woonlagen met een geluidscherm op het eigen terrein is vermoedelijk landschappelijk/stedenbouwkundig ongewenst. Voor gevels van woningen die gebouwd worden binnen de 48 dB contour van de Madeweg is een hogere waarde nodig, mits de geluidbelasting de maximale hogere waarde van 53 dB niet overschrijdt. De woningen dienen te voldoen aan de criteria uit het hogere waarden beleid van de gemeente Westland. Toetsing RO Bij het toetsen of sprake is van een “goede ruimtelijke ordening” is aangesloten bij het toetsingskader van de Wgh en van het geluidbeleid van de gemeente. Indien woningen binnen deze toetsingskaders gebouwd kunnen worden zal sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Eis geluidwering Het Bouwbesluit stelt eisen aan de geluidwering van gebouwen. Volgens het Bouwbesluit moet de zgn. karakteristieke geluidwering GA;k van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied in een nieuwe woning ten minste gelijk zijn aan de invallende geluidbelasting verminderd met 33 dB; voor verblijfsruimten gelden 2 dB lagere waarden voor de geluidwering GA;k. De voorschriften hebben tot doel de geluidbelasting binnenshuis in de verblijfsgebieden van een woning te beperken tot 33 dB. Er worden vanuit het Bouwbesluit eisen gesteld aan de geluidwering van woningen met een geluidbelasting van meer dan 53 dB zonder aftrek.

Indien binnen deze contour wordt gebouwd zijn aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig, die de minimum geluidwering GA;k. van 20 dB te boven gaan. 4.3.

Luchtkwaliteit

Op 13 augustus 2020

is door Buro SRO een onderzoek uitgevoerd naar luchtkwaliteit.

In de eindsituatie neemt de huisvestingscapaciteit met circa 34 cliëntplaatsen toe. Voor de dagbesteding ontstaan circa 77 extra plekken. Er komen ten opzichte van de huidige situatie door het voorgenomen plan circa 87 extra verkeersstromen per etmaal op gang als gevolg van de extra huisvesting. Bijlage 3A van de Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuwe woningbouwlocatie in ieder geval NIBM is. Als een woningbouwlocatie met 1 ontsluitingsweg, waarvan bij Het Westerhonk sprake is, minder dan 1.500 woningen worden gerealiseerd, wordt het project per definitie aangemerkt als project NIBM. Doordat de huisvestingscapaciteit en de dagbesteding slechts beperkt toenemen voldoet het aan deze woninggrens. Het project wordt daarmee aangemerkt als project NIBM. Een beschouwing van het effect op de luchtkwaliteit kan achterwege blijven. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas Leefomgeving gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2017 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) zijn weergegeven in de navolgende tabel: Wettelijke normen

Advieswaarden GGD/ WHO

PM10

25 Mg/m3

20 ug /m3

Feítelijke waarden 17,5 - 17,9 ug /m3

PM2,5

25 ug/m^

10 ug /m3

10 - 10,2 ug /m3

NO2

40 ug /m3

-

17,5 - 20,8 ug /m3

Zoals blijkt uit de tabel worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. De advieswaarden van de GGD en WHO worden deels gehaald; op enkele plekken wordt immers de advieswaarde voor PM2,5 overschreden. Omdat het gaat om een lichte overschrijding is de verwachting dat door

13

verbetering van de autotechniek er in de toekomst voldaan wordt aan deze waarde. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Luchtkwaliteit vormt geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. 4.4.

Externe veiligheid

Op 18 november 2020 heeft Kragten een onderzoek uitgevoerd naar externe veiligheid in en rondom het plangebied. Inleiding Externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico's die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen, waardoor de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het ruimtelijk besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Met het oog op de Modernisering Omgevingsveiligheidsbeleid van het Rijk wordt het accent verlegd van de risicobenadering naar een effectbenadering.

Risicovolle inrichtingen Met behulp van de risicokaart is bepaald of het plangebied binnen de plaatsgebonden risicocontouren, dan wel invloedsgebieden van omliggende risicovolle inrichtingen is gelegen. In de onderstaande afbeelding is de ligging van de relevante inrichtingen in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Installatie contour 10-6 Inrichting contour 10-6 Veiliglieid^htand activileit«nbeduit

overig lerreĩngrens

HOfľiRMÑ ÿ.MNENHOF

MÄftEWEG Locatie NAM Locatie Gasunie

Monster 3 Ten westen van het plangebied en ten noorden van de Madeweg is een inrichting van de NAM gelegen, bedoeld voor de winning en bewerking van aardgas. De risicokaart geeft de PR 10-6contour (berekend met behulp van Safeti). Deze reikt niet tot aan het plangebied en vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

14

Gasontvangststation Gasunie W457 Aan de Madeweg 70a is een gasontvangststation van de Gasunie gelegen. Het betreft een gasstation met een ontwerp capaciteit van 40.1 00 Nir^/h. Voor dit gasontvangststation gelden vaste afstanden volgens het Activiteitenbesluit. Voor een type C inrichting (boven 40.000 NmS/h) dient tot de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten een afstand van respectievelijk 25 en 4 meter te worden aangehouden. Aan deze afstanden wordt ruimschoots voldaan. De risico's als gevolg van inrichtingen vormen geen belemmering voor de planontwikkeling. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. Vervoer gevaarlijke stoffen De hoofdroutes binnen de gemeente Westland bestaan voornamelijk uit provinciale wegen die door de provincie zijn aanwezen als route voor gevaarlijke stoffen. De gemeente Westland heeft verder geen routering vastgesteld. De dichtstbij gelegen weg die is opgenomen in Basisnet is de autosnelweg A4. Deze ligt op circa 7,5 km van het plangebied en is daarmee niet relevant voor de voorgenomen planontwikkeling. Van de provinciale wegen N211, N213 en N464 zijn geen recente gegevens bekend. Uit de jaarintensiteiten van vervoer gevaarlijke stoffen over de weg blijkt dat in 2018 op de N211 sprake was van LF1-, :LF2- en GF3- transporten. In het overzicht zijn geen gegevens over de N213 en de N464 opgenomen.

Echter, aangezien de N213 en de N464 aansluiten op de N211 zal ook op deze wegen geen sprake zijn van andere dan de genoemde transporten. Het invloedsgebied van deze wegen bedraagt daarmee 355 meter. Het plangebied is op grotere afstand gelegen, waarmee transport over de provinciale wegen geen belemmering voor de planontwikkeling vormt. Buisleidingen Eventuele risico's van buisleidingen zijn pas relevant indien de effecten van een ongeval het plangebied kan overschrijden. Om inzicht te krijgen van de bandbreedte van het invloedsgebied van buisleidingen is het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen-handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen (geactualiseerde versie 2016) geraadpleegd, waarin uit tabel 5.1 10Zo letaliteitsgrens bij hogedrukaardgastransportleidingen blijkt dat de grootst mogelijke 10Zoletaliteitsafstand van een buisleiding 580 meter bedraagt. Voor plannen op meer dan 580 meter afstand van en buisleiding kan dan ook wordne geconcludeerd dat geen beperkingen gelden voor het plan. De berekening van de ligging van de plaatsgebonden risicocontouren of de (toename van) de hoogte van het groepsrisico is dan ook niet aan de orde. Op basis van de risicokaart is geconstateerd dat in de omgeving van het plangebied enkele buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen zijn gelegen.

A-Ó17

ţļWjj'WMl, qfiW.-jŞĩ

«»Ĩ!İ*ÍCW-509-02

NM-412041

15

Op basis van de informatie van de risicokaart zijn

onderstaand de relevante gegevens van deze

buisleidingen samengevat. Druk

Buisleiding

[inch]

[bar]

Afstand tot

IX letaliteitsafstand [m]

100S letaliteitsafstand [m]

plangebied [m]

NM-412041

2,99

44

20

20

460

A617

12,76

80

200

90

130

W-50902

15,98

40

170

80

200

Op grond van de bovenstaande tabel blijkt dat het plangebied binnen de 10Zo letaliteitsafstand van de buisleiding A-617 is gelegen. De invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico moet kwantitatief inzichtelijk worden gemaakt en het groepsrisico verantwoord te worden.

/á \

ÜVfc

4\ \ ļĝ

*tw*ţL*

nhftsk. MlQlP:

grens plangebied

WJk

Invloedsgebied

El Letaliteit 100 % -

H

0 1 Vo ^ Letaliteit í 100 «ft H

0 100 «ft

B

en*

B

Het plangebied ligt binnen de 10Zo letaliteitsafstand van een hogedruk aardgasleiding (A-617). De beoogde verblijfslocaties liggen echter buiten het invloedsgebied van de buisleiding, waardoor de planontwikkeling geen invloed heeft op het groepsrisico van wege de buisleiding. Uit de berekeningen met behulp van het programma CAROLA blijkt dat voor genoemde buisleiding geen PR 10-6 risicocontour ter hoogte van het plangebied wordt berekend. Gezien het voorgaande is bepaling van de hoogte van de groepsrisico en verantwoording niet noodzakelijk. Explosieven Het plangebied is niet als verdacht aangewezen op de gemeentelijke explosievenkaart. Conclusie Het aspect externe veiligheid levert geen belemmering op voor het vaststellen van het bestemmingsplan. 4.5.

Water

Veiligheid en waterkeringen Binnen Westerhonk zijn verschillende waterstaatwerken met bijbehorende beschermingszones aanwezig. Er zijn enkele ontwikkelingen voorzien die plaatsvinden in beschermingszones van

16

waterstaatswerken. Hierbij gaat het om het graven van water en/of uitloopgebied. Voor het aan te leggen water in het zuidoosten van Westerhonk bij de Sportlaan, is reeds een vergunning verleend. De hiermee gepaard gaande verlegging van de waterkering heeft reeds plaatsgevonden. Verder wordt beoogd in het noordwesten van het gebied nabij de Hoevelaan, aan een bestaande waterpartij, een uitloopgebied te realiseren. Hiervoor wordt de bodem op 30 cm -Mv afgeplagd. Dit vindt mogelijk (deels) plaats in de beschermingszone van een regionale waterkering, waardoor voor de ontwikkeling vergunning van het hoogheemraadschap benodigd is. Het is ook mogelijk dat het uitloopgebied zich buiten de beschermingszone gaat bevinden; er is hier immers nog genoeg onbebouwde ruimte beschikbaar. In dat geval zal de afgeplagde bodem gebruikt worden om een glooiend landschap te creëren ten westen van het uitloopgebied. Deze ophogingen bevinden zich dan wel binnen de beschermingszone, waardoor ook hiervoor een vergunning van het hoogheemraadschap vereist zal zijn. Tevens wordt beoogd bij enkele waterpartijen in het oosten van het plangebied natuurvriendelijke oevers aan te leggen. Ook hiervoor is een vergunning vereist. Mogelijk wordt in de nadere uitwerking van de handelingen besloten de waterpartijen en oevers zo te graven dat ze zich buiten de beschermingszones bevinden.

Als er voorts handelingen aan de waterstaatwerken of bijbehorende beschermingszone worden verricht, als de waterstand op een ander peil wordt gebracht dan in het peilbesluit is vastgesteld of als er werken worden geplaatst in het profiel van vrije ruimte, is tevens een vergunning van het bestuur van het hoogheemraadschap benodigd. Waterkwantiteit Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur met voldoende mogelijkheden voor waterberging. Dit streven heeft uiteindelijk tot doel wateroverlast voor de nieuwe en de al aanwezige functies in het gebied te voorkomen. Bij het voorkomen van wateroverlast en het verwerken van hemelwater hebben perceeleigenaar, gemeente en Delfland elk een verantwoordelijkheid. De perceeleigenaar moet het hemelwater zoveel mogelijk zelf verwerken en vasthouden bij de plaats waar het valt, bijvoorbeeld een (slimme)regenton. De gemeente draagt zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Dit betekent dat de gemeente en initiatiefnemers/perceeleigenaren inspanning moeten doen om dit hemelwater vast te houden of terug te brengen in de bodem. Vervolgens kan het (al dan niet na zuivering) worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Delfland is vervolgens verantwoordelijk voor de ontvangst van hemelwater in het oppervlaktewater.

Om te kunnen bepalen wat de wateropgave is dient eerst in beeld te worden gebracht wat de huidige oppervlakteverdeling van verharding en water is. Doordat er beoogd wordt de wateropgave worstcase te benaderen worden de in de praktijk aanwezige oppervlaktes verharding en water als uitgangspunt aangehouden. Tevens wordt een onderscheid gemaakt tussen het boezemdeel, het bovenstroomse deel en het benedenstroomse gedeelte, omdat deze in verschillende peilgebieden liggen. Bij het boezemdeel wordt ook een deel van de huidige polder betrokken, omdat het water in dit gebied op het boezempeil komt te liggen en onderdeel uit gaat maken van dat systeem. Hiervoor wordt een deel van de regionale kering verlegd. De onderverdeling in deelgebieden staat weergegeven op navolgende afbeelding:

17

'tfu*

*lbvminOll|K

Onderverdeling deelgebieden De oppervlakteverdeling per deelgebied, inclusief de beoogde toekomstige situatie, staat in navolgende tabel weergegeven. Op navolgende afbeelding is te zien hoe de drie deelgebieden zich verhouden tot de bestemmingsvlakken van de toekomstige situatie.

In de bestaande en toekomstige situatie is er per deelgebied een bepaald oppervlak aan water en verharding aanwezig. De hierbij behorende oppervlaktes staan weergegeven in navolgende tabel. Netto huidig

Netto toekomstig

T otaal

52.434 m2

52.434 m2

Water

10.209 m2

12.390 m2

Verharding

16.044 m2

16.240 m2

Totaal

226.618 m2

226.618 m2

Water

11.154 m2

18.744 m2

Verharding

73.090 m2

93.012 m2

Boezemdeel (zuidwesten)

Bovenstrooms (westen)

Benedenstrooms

18

(oosten) T otaal

150.461 m2

150.461 m2

Water

7.955 m2

16.653 m2

Verharding

32.304 m2

65.431 m2

Met deze gegevens is de zogenaamde 'Watersleutel' van hoogheemraadschap van Delfland uitgevoerd. Deze rekentool kan op basis van gegevens over de oppervlakteverdeling aangeven hoeveel extra waterberging en oppervlaktewater er gerealiseerd moet worden. Uit de Watersleutel blijkt dat in het boezemdeel 421 m3 extra waterberging of 1.420 m2 extra wateroppervlak gemaakt dient te worden, in het bovenstroomse deel 3.631 m3 aan extra waterberging of 7.471 m2 en in het benedenstroomse deel 4.200 m3 aan extra waterberging of 8.642 m2 aan extra wateroppervlak. Het waterschap kent de eis dat er voldaan moet worden aan de hoeveelheid extra wateroppervlak of aan de extra waterberging. Voor het wateroppervlak geldt dat dit onderdeel moet zijn van het watersysteem van het waterschap om het als wateroppervlak mee te kunnen tellen. Omdat het uitloopgebied in wordt gericht als plasberm en meedoet in het watersysteem, mag dit bij het wateroppervlak gerekend worden. Het water wordt immers rondgepompt door het uitloopgebied, waardoor het permanent onder water staat. Ook het natte gedeelte van de natuurvriendelijke oevers wordt onderdeel van het watersysteem. Hiervoor is een gemiddelde strook van 1,5 m breed aangehouden. Per deelgebied komt de toename van het wateroppervlak uit op het volgende: Boezem

Bovenstrooms

Benedenstrooms

Water

1.992 m2

1 .684 m2

0 m2

Uitloopgebied

0 m2

4.635 m2

2.958 m2

Natuurvriendelijke

189 m2

1.381 m2

843 m2

2.181 m2

7.590 m2

3.801 m2

oevers T otaal

In het boezemdeel komt de totale toename van het wateroppervlak uit op 1.992 m2 + 189 m2 = 2.181 m2. Er wordt hiermee voldaan aan de uit de Watersleutel voortkomende opgave. In het bovenstroomse gedeelte komt de totale toename van het wateroppervlak uit op 1.684 m2 + 4.635 m2 + 1.271 m2 = 7.590 m2. Daarmee wordt voldaan aan het vereiste extra wateroppervlak uit de Watersleutel. In het benedenstroomse gedeelte komt de totale toename van het wateroppervlak uit op 2.958 m2 + 843 m2 = 3.801 m2. Daarnaast wordt er binnen enkele woonbestemmingsvlekken nog extra water aangelegd dat ook meegenomen mag worden in deze berekening. De hoeveelheid water staat als percentage van de woonbestemmingsvlek weergegeven in het kaartenboek. Een voorbeeld hiervan is te zien op navolgende afbeelding.

19

31 b

I

m 40*

g

to*

w

10*

Het gaat daarbij om 4.897 m2 wateroppervlak. In totaal komt het extra wateroppervlak in het benedenstroomse gedeelte daarmee uit op 8.698 m2. Daarmee wordt ook voor het benedenstroomse gedeelte voldaan aan de uit de Watersleutel voortkomende vereiste compensatie. Ook van invloed op de waterkwantiteit en het peilbeheer is de situering van aflaat gemalen. Hoogheemraadschap van Delfland heeft de voorkeur uitgesproken een gemaal aan de noordzijde van het Westerhonk te realiseren. Vanwege de huidige ambities met betrekking tot de interne watercirculatie past deze aflaat niet binnen het watersysteem. De huidige plannen maken de eventuele verplaatsing van de aflaat echter niet onmogelijk, waardoor het gemaal mogelijk op een later moment in het systeem betrokken kan worden. Onderhoud en bagger Onderhoud en bagger Delfland baggert per schouwvak. Het schouwvakkensysteem heeft een doorlooptijd van 8 jaar. Dit houdt in dat elk schouwvak eens in de 8 jaar, indien nodig, gebaggerd wordt. Het watersysteem (conform de legger) wordt binnen het Westerhonk ook meegenomen in de gebruikelijke baggercyclus (zie navolgende doorsnede: zone B). Baggeren vindt vanuit de onderhoudsstrook plaats vanaf de kant d.m.v. een mobiele kraan (zie navolgende doorsnede: zone A). De schone bagger wordt niet conform Delflands Algemene Keur, artikel 85b landinwaarts, minimaal 0,5 m achter de insteek gedeponeerd.

Met het oog op behouden en bevorderen van de biodiversiteit wordt de bagger intern binnen een tijdelijk depot gerijpt en in eigenbeheer hergebruikt.

Doorsnede uitloopgebieden en piasbermen Naast het borgen van de bergingscapaciteit binnen de uitloopgebieden en plasbermen is ook voor natuurvriendelijk onderhoud baggeren noodzakelijk. Dit om de aquatische zone op het op het terras op de vastgestelde minimale diepte van 40 cm (en voedselarm) te houden. Uiteraard wordt er alleen gebaggerd als dat echt noodzakelijk is, eens per 3-8 jaar. Indien mogelijk zal er gefaseerd worden gewerkt, zodat er in de uitloopgebieden en plasbermen altijd ongestoorde delen aanwezig zijn. Baggeren van de uitloopgebieden en plasbermen vindt plaats vanaf de kant d.m.v. een mobiele kraan met graaf- en of knijpbak. De onderhoudsstrook langs de uitloopgebieden en plasbermen zal minimaal 4 meter breed zijn (zie doorsnede: zone A1). De vrijgekomen bagger wordt, inclusief de aanwezige vegetatie intern gecomposteerd en hergebruikt.

20

Bij de aanleg van de overloopgebieden en de plasberm worden deze afgeplagd op peil 0. Om de gebieden ook op maximum peil 0 te houden wordt onderhoud gepleegd. De biezen worden onderhouden door maximaal een keer per twee jaar te maaien. Vaker is niet nodig, want dan verdwijnen den biezen. Het beste tijdstip om te maaien/schonen is laat in het jaar. In september/november maaien leidt tot een soortenrijkere vegetatie (die nog wel erosiebestendig is). Het maaien kan gebeuren met een mobiele kraan met maaikorf (aangepast materiaal om oevers niet te beschadigen, de kraan heeft dubbele banden). Het uitkrabben van de rietoever (eens per 10 jaar) gebeurt met eenzelfde kraan. De kraan met dubbele banden of rupsbanden kan het overloopgebied in/oprijden. De banden zorgen ervoor dat de kraan niet te veel wegzakt. Riet is sterk en hersteld zich snel, dus het berijden Z inrijden van het overloopgebied met de kraan moet zeker kunnen. Als het risico op wegzakken toch te groot lijkt kunnen rijplaten in het gebied worden neergelegd. Het maaien gebeurt met een maaibalk op de kraan. Om te voorkomen dat het gebied dicht slipt en/of dicht groeit wordt ééns per 10 jaar het gehele gebied uitgekrabd. Dit houdt in dat met grote tanden (machinaal) de onderlaag uitgetrokken wordt. Ook weer gebruik maken van de kraan met dubbele banden of rupsbanden.

Dit wordt gefaseerd gedaan, elke 3 jaar een deel en over een periode van 10 jaar is heel gebied dus eenmaal uitgekrabd. Met dit plan van aanpak kan dus ook een breed overloopgebied worden onderhouden. Bodem en grondwater Bij de bouw van nieuwe gebouwen wordt rekening gehouden met het bouwpeil en het grondwaterpeil. Zo wordt er bij de nieuwbouw goed gekeken wat het peil ter plaatse is en wordt de grond eventueel opgehoogd. Omdat dit locatie specifiek beschouwd dient te worden kunnen de maatregelen in voorliggend bestemmingsplan nog niet geconcretiseerd worden. Hier zal in de uitvoering richting aan gegeven worden. Verder worden er geen ondergrondse werken die van invloed kunnen zijn op het grondwaterpeil gerealiseerd. Afvalwater en riolering De bestaande woningen zijn aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel ter plaatse en ook de nieuwbouw wordt aangesloten op het rioleringsstelsel. Afvalwater wordt afgevoerd naar de dichtstbijzijnde afvalwaterzuivering. Voor zover bekend zijn er geen problemen bekend omtrent de capaciteit van riolering of zuivering.

Voor de afvoer van het hemelwater zijn creatieve en efficiënte maatregelen mogelijk, zoals het ophogen van gronden, een hoger bouwpeil van woningen, open verharding ter plekke van parkeerplaatsen of water vasthouden op particulier terrein, bijvoorbeeld door middel van de aanleg van wadi's, (slimme)regenton, groene daken, het afkoppelen van hemelwaterafvoer, en dergelijke. Bij de uitvoer van de nieuwbouw worden voornoemde maatregelen in beschouwing genomen. Conclusie Het aspect water levert geen belemmering op voor het vaststellen van het bestemmingsplan. 4.6.

Bodem

Op 4 juni 2019 is door Grondslag bodemkwalitietsbureau een onderzoek uitgevoerd naar de bodemkwaliteit. Het onderzoek heeft tot doel na te gaan in hoeverre activiteiten in het verleden mogelijk ter plaatse verontreiniging van grond en/of grondwater kunnen hebben veroorzaakt. Hierbij is een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Daarnaast heeft het onderzoek als doel inzicht te verkrijgen in de te verwachtte algemene milieuhygiënische kwaliteit van de bodem.

21

Ter plaatse van de locatie zijn voor zover bekend zichtbaar aan het maaiveld geen (puin) verhardingslagen in het verleden aangebracht. Op basis van het historische en huidige gebruik van de locatie kunnen op het perceel geen voor bodemverontreiniging verdachte (deel)locaties worden aangewezen. Op de locatie hebben in het verleden enkele potentiële bodemverontreinigende activiteiten plaatsgevonden. Deze historische bedrijfsactiviteiten worden beschouwd als niet asbestverdacht. Op basis van voorgaande bodemonderzoeken kunnen op de locatie hooguit licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK, mineralen oliën en EOX (diverse vluchtige en niet vluchtige stoffen) in de bodem (grond en grondwater) worden verwacht. Aanbevelingen De algemene milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is afdoende bekend. Echter dient te worden opgemerkt dat de voorgaande bodemonderzoeken verouderd zijn en deze mogelijk geactualiseerd dienen te worden. Het is van belang dat op de locatie waar herontwikkeling (en met name bij nieuwbouwlocaties van woningen, scholen en andere verblijfsruimten) plaatsvindt de bestaande bodemonderzoeken dienen te worden geactualiseerd. Ter plaatse van voorziene ontgravingen (bijvoorbeeld waterpartijen) voldoen de bodemonderzoeken in het kader van hergebruik van de vrijkomende grond vermoedelijk niet meer.

Het is aan te bevelen om voorafgaand aan deze ontgravingswerkzaamheden de kwaliteit van de grond opnieuw te onderzoeken en te beoordelen conform Besluit Bodemkwaliteit. Aanbevolen wordt om grond die eventueel tijdens de bouw vrijkomt her te gebruiken binnen de perceelsgrenzen. Indien dit niet mogelijk is, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond naar verwachting licht verontreinigd is en conform de regels van het Besluit Bodemkwaliteit moet worden onderzocht ten behoeve van de afvoer. Bij een hergebruik binnen de regio kan eventueel onder voorwaarde grondverzet plaatsvinden op basis van de Bodemkwaliteitskaart. In dat geval geldt een vrijstellingsregeling voor een keuring van de grond. De kwaliteit van het asfalt is bekend en zal niet zijn gewijzigd ten opzichte van voorgaande bodemonderzoeken. Mogelijk zijn echter de acceptatienormen gewijzigd. Het is aan te bevelen om voorafgaand aan de verwijdering van het asfalt in overleg te treden met de acceptant van het vrijkomende asfalt. De puinverhardingslagen op de locatie zijn enkel visueel beoordeeld op het voorkomen van asbest. Het is derhalve aan te bevelen om de puinverharding ter plaatse van de herontwikkeling nader te onderzoeken conform NEN 5898, asbestonderzoek in puin. Conclusie Bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan. 4.7.

Ecologie

Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde vaatplanten: glad biggenkruid en kleine wolfsmelk. Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen. Mogelijke sloop van bebouwing of verwijderen van groenstructuren leidt aannemelijk niet tot de aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond, of stikstofarme blauwe graslanden. De beschermde glad biggenkruid groeit op zonnige, warme en open plaatsen. Het voorkomen van

22

de soort is bekend ten noordwesten van het plangebied, in het duingebied aan de kust. Binnen het plangebied is de soort aannemelijk niet aanwezig. Kleine wolfsmelk is ook bekend als pioniersvegetatie. Derhalve wordt het voorkomen in de huidige vorm op het plangebied ook niet verwacht. Indien gedurende de ontwikkelingen het plangebied voor langere tijd braak komt te liggen, wordt de kans groter dat beide soorten zich binnen het plangebied kunnen vestigen. Ter zijne tijd dienen er dan maatregelen getroffen te worden. Het risico dat beschermde flora mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn. In de omgeving is de aanwezigheid van beschermde soorten vastgesteld: bosmuis, bruine rat, eekhoorn, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, mol, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF, 2009-201 9). Voor de eekhoorn geldt dat deze beschermd is en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Eekhoorn Eekhoorns leven in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Er is 1 waarneming bekend in de omgeving, circa 1,2 km ten noordoosten van het plangebied aan de overzijde van de Monsterseweg.

Hier is ruim voldoende functioneel leefgebied aanwezig in de vorm van aaneengesloten gemengd bos. Gelet op de inrichting van de directe omgeving en de potentie voor eekhoorn is het aannemelijk dat onderdelen van de planlocatie een lage potentie heeft voor de soort gedurende het foerageren, migreren en sociale interactie. Binnen het plangebied zijn geschikte groenelementen aanwezig, maar er is ook sprake van een relatief hoge mate van verstoring en er zijn wegens het landgebruik in de omgeving weinig tot geen geschikte migratieroutes. Derhalve is de kans klein dat binnen het plangebied een duurzame populatie eekhoorns aanwezig is. Eventuele grootschalige kap leidt mogelijk tot afname van geschikt leefgebied of aantasting van nestlocaties van de eekhoorn. Om in te kunnen schatten wat de functie van het plangebied heeft voor eekhoorns kan een gerichte nestinventarisatie uitgevoerd worden. Een geschikt inventarisatiemoment voor nestbomen rode eekhoorn is midden in de winter, waarbij de kroon van de bomen goed valt te inventariseren. Bij het vinden van eventuele nestbomen van eekhoorn dient mogelijk ontheffing aangevraagd te worden indien er effecten op de eekhoorn te verwachten zijn. Het risico dat de eekhoorn mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is laag.

De planlocatie heeft naast de strikter beschermde soorten zeer waarschijnlijk een functie voor een breed scala aan algemene soorten. Dit betreft met name soorten als egel, gewone bosmuis, haas, konijn, veldmuis en vos. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat, bij beperkte ontwikkelingen, in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocumenten Gewone dwergvleermuis, Rosse vleermuis en Ruige dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1 997; Dietz et al., 2011). In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1 997; NDFF, 2009-2019). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als habitatrichtlijnsoorten beschermd. Van de vleermuizen die voorkomen in de omgeving van het plangebied komen zowel gebouw- als boombewonende soorten voor.

23

Gebouwbewonende vleermuizen In de bebouwing op de planlocatie is het mogelijk dat er eventuele openingen aanwezig zijn als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Bij het ontbreken van geïsoleerde muren met spouw of een afgesloten ruimte in het dak is het voor vleermuizen onmogelijk om in de bebouwing een geschikte rust- of verblijfplaats te vinden. Zo'n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Binnen het plangebied is in twee gebouwen al bekende verblijfplaatsen van vleermuizen bekend (figuur 3). In 2018 is een vleermuisonderzoek uitgevoerd door adviesbureau E.C.O. Logisch (Bouma, 2018). De aangetroffen verblijfplaatsen betreffen kraam- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen. Naast deze bekende gebouwen is het niet geheel duidelijk of álle bebouwing reeds geïnventariseerd is op de potentie en/of de aanwezigheid van gebouwbewonende vleermuizen. Door Blom Ecologie B.V. is in 2018 een oriënterende onderzoek flora en fauna uitgevoerd, waarbij voor verschillende gebouwen potentie voor gebouwbewonende vleermuizen is vastgesteld (Soethout, 2018; tabel 1).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=c2bdafbf-910b-4e9a-8a46-92a8f72a44e3