B06-20230925-28-vkia-planmer-res-oplegnotitie-bijlage-3-hoofdrapport
Tekst van het document
4.1
Plan- en studiegebied
Plangebied Het plangebied is het gebied waarbinnen wordt gezocht naar de mogelijkheden voor de ontwikkeling van grootschalige opwek van duurzame elektriciteit en warmtetechnieken. Afbeelding 4.1 laat het plangebied zien. De begrenzing van het plangebied is gelijk aan de grenzen van de zestien deelnemende gemeenten in de RES Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen.
Afbeelding 4.1 Het plangebied
27 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Studiegebied Milieueffecten reiken in een aantal gevallen verder dan het zoekgebied. Het studiegebied is het gebied waarbinnen de milieueffecten worden onderzocht. De omvang van het studiegebied verschilt per milieuaspect en is afhankelijk van de verwachte omvang en reikwijdte van de effecten. In sommige gevallen is het studiegebied daarmee van een andere omvang dan het plangebied, waarbij de regionale, maar ook de landsgrenzen kunnen worden overschreden. Het uitgangspunt in de beoordeling van effecten die de landsgrenzen overschrijden zijn de Nederlandse wetgeving, beleid en richtlijnen.
4.2
Huidige situatie
4.2.1
Natuur
In deze paragraaf zijn de verschillende relevante natuurgebieden in en rond het plangebied kort gepresenteerd. Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar bijlage V. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een door de Europese Commissie ingesteld netwerk van natuurgebieden, waarin flora en fauna voorkomen die belangrijk zijn vanwege hun internationale betekenis voor natuur en biodiversiteit. Met de Natura 2000 worden deze natuurwaarden beschermd aan de hand van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Deze richtlijnen bepalen welke natuurwaarden beschermd moeten worden. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. In en rond het plangebied liggen Natura 2000-gebieden (zie afbeelding 4.2). De relevante Natura 2000-gebieden op Nederlands grondgebied zijn in ieder geval (zie afbeelding 4.2): - De Bruuk (Habitatrichtlijngebied); - Rijntakken (Habitat- en Vogelrichtlijngebied); - Sint Jansberg (Habitatrichtlijngebied); - Veluwe (Habitat- en Vogelrichtlijngebied). Daarnaast bevinden zich binnen het maximale verstoringsbereik van het voornemen (1,5 km contour) ook een aantal Natura 2000-gebieden op Duits grondgebied. Ook deze zijn relevant voor de toetsing (zie onderstaand kader).
Het gaat in ieder geval om de volgende gebieden (zie afbeelding 4.2): - NSG Emmericher Ward (Habitatrichtlijngebied); - NSG Salmorth, nur Teilfläche (Habitatrichtlijngebied); - Rhein-Fischschutzzonen zwischen Emmerich und Bad Honnef (Habitatrichtlijngebied); - Vogelschutsgebiet Unterer Niederrhein (Vogel- en habitatrichtlijngebied); - Wyler Meer (Habitatrichtlijngebied).
28 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 4.2 Natura 2000-gebieden in en nabij het plangebied
Wespendief De Wespendief is een aandachtspunt voor de ontwikkeling van windturbines. Uit eerdere effectenonderzoeken voor windparken nabij Natura 2000-gebied de Veluwe, bleek de Wespendief de meest beperkende soort (belangrijkste aandachtsoort) voor het plaatsen van windturbines nabij dit natuurgebied. De Veluwe vormt binnen Nederland het kerngebied van de Wespendief en de kwaliteit van het gebied is bepalend voor de dichtheden van deze soort. Het uitgangspunt bij het plaatsen van windturbines is dat de populatie Wespendieven op de Veluwe (specifiek gezegd: het instandhoudingsdoel voor het Natura 2000gebied) niet achteruit mag gaan als gevolg van aanvaringen met windturbines. Volgens de Natura 2000doelstellingen zouden er minimaal 100 broedparen aanwezig moeten zijn. Dat zijn er nu naar schatting 94. Het ecologisch onderzoeksbureau Altenburg & Wymenga heeft in 2020 een onderzoek uitgevoerd naar de effecten van windturbines op en rondom de Veluwe op de instandhoudingsdoelstelling van de Wespendief. Als wordt uitgegaan van een 1 %-mortaliteitsnorm van 0,36 Wespendiefslachtoffers per jaar, leiden windturbines op de Veluwe in alle scenario’s tot een overschrijding van de 1 %-norm. Hieruit blijkt dat op de Veluwe en binnen een zone van 1 km rond de Veluwe, geen windturbines ontwikkeld kunnen worden (in ieder geval in de periode tot 2030).
Gedeputeerde Staten Gelderland hebben in december 2022 een besluit genomen hoe om te gaan met windparken op en rondom de Veluwe. Windparken op de Veluwe en één kilometer daaromheen worden uitgesloten. In de zone van 1-8 kilometer rondom de Veluwe is er op korte termijn nog ruimte voor 1-2 windparken. De provincie is in overleg met initiatiefnemers, gemeenten en provincies Flevoland, Overijssel en Utrecht hoe de beperkte ruimte het beste kan worden verdeeld. Voor de langere termijn wordt er gekeken naar innovatieve maatregelen (zoals zwarte wiek, cameradetectie) om meer ruimte te creëren.
29 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Gelders Natuurnetwerk (GNN) Binnen het plangebied bevinden zich verschillende gebieden behorend tot het natuurnetwerk van de provincie Gelderland. Dit zijn de GNN. De GNN bestaan uit gebieden met een samenhangend netwerk van binnen de provincie Gelderland bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten. De ligging van deze gebieden is weergegeven op afbeelding 4.3. Binnen GNN zijn gebieden aangewezen waar windenergie onder voorwaarden mogelijk is. Hierbij gelden compensatie voorwaarden om nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het GNN zoveel mogelijk te beperken. De overblijvende effecten na realisatie van windturbines dient vervolgens gelijkwaardig gecompenseerd te worden. In de Omgevingsverordening Gelderland zijn de voorwaarden opgenomen.
Afbeelding 4.3 GNN in het plangebied
Overige natuurgebieden Nederland heeft een internationale verplichting tot het beschermen van weidevogels. Weidevogels gedijen goed in het open weidelandschap. Het gaat slecht met de weidevogels. Door verstedelijking en intensieve landbouw is er verlies van geschikt leefgebied. De provincie vindt zowel de weidevogels als het karakteristieke cultuurlandschap waarin zij verblijven belangrijk. Daarom beschermt zij deze landschappen tegen inbreuken op de openheid en verstoring van de rust met als doel de leefgebieden van weidevogels te beschermen. Op afbeelding 4.4 zijn de aanwezige weidevogelgebieden weergegeven.
30 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 4.4 Weidevogelgebieden, in het plangebied
De provincie Gelderland heeft ook diverse ganzenrustgebieden aangewezen. De provincie en haar partners (zoals gemeenten, belangenorganisaties en samenwerkingsverbanden) geven door het vaststellen van rustgebieden invulling aan de internationale verplichting tot duurzame instandhouding van de ganzenpopulatie. In de rustgebieden voor winterganzen waarborgt de provincie de noodzakelijke rust voor ganzen en is er een schadevergoedingsregeling voor eventueel optredend landbouwschade. Ook het behoud van de openheid is voor de rustgebieden essentieel. Daarnaast heeft de provincie Groene Ontwikkelingszones (GO) aangewezen. De GO kent een dubbele doelstelling. Er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De GO bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan bos of natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het GNN. Het gaat vooral om landbouwgrond. De ecologische verbindingszones (EVZ) maken onderdeel uit van de GO. Een EVZ is een verbinding tussen natuurgebieden die deel uitmaken van de GNN. Ecologische verbindingszones worden aangelegd om het migreren van dieren en planten tussen natuurgebieden mogelijk te maken. Deze ganzenrustgebieden, Groen Ontwikkelingszones en Ecologische Verbindingszones zijn weergegeven op afbeelding 4.5.
31 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 4.5 Ganzenrustgebieden, Groene Ontwikkelingszones en Ecologische Verbindingszones in het plangebied
Beschermde soorten Soortbescherming in Nederland is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten. In de Wet natuurbescherming (Wnb) is een onderscheid gemaakt tussen Vogelrichtlijnsoorten (bescherming inheemse vogelsoorten), Habitatrichtlijn-soorten (Europees beschermde soorten - exclusief vogelsoorten) en andere beschermde soorten (overige, nationaal beschermde soorten). Ook binnen het plangebied komen soorten voor die mogelijk relevant zijn bij de realisatie van windturbines en zonnevelden. Gezien de grootte van het plangebied, is het niet mogelijk om op niveau van alle individuele beschermde soorten in beeld te brengen. Daarom zijn de concentratiegebieden voor beschermde soorten in beeld gebracht met behulp van data van Sovon. Sovon heeft in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit onderzocht waar veel vogelsoorten voorkomen die kwetsbaar zijn voor windturbines. Met gegevens over de verspreiding, aantallen en vliegbewegingen van deze vogelsoorten zijn kaarten (zie afbeelding 4.6) gemaakt met gebieden waar naar verwachting de risico’s van windturbines op kwetsbare soorten het grootst zijn. Voor heel Nederland is zo een kaart gemaakt waarbij locaties met minimaal risico op landelijke schaal het cijfer 0 krijgen, locaties met maximaal risico voor vogels op landelijke schaal krijgen het cijfer 100.
Voor elke regio is vervolgens een kaart gemaakt waarbij het relatief risico ten aanzien van vogels is becijferd, gewogen ten opzichte van dit landelijk risico.
32 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 4.6 Kaartje concentratiegebieden beschermde soorten
4.2.2
Landschap, cultuurhistorie en archeologie
Landschap In het plangebied zijn diverse landschapstypen en -structuren te onderscheiden. In de bijlage VI is een uitgebreide analyse en achtergrondinformatie ten aanzien van de landschapstypen en regio-omvattende structuren opgenomen. Hieronder worden kort de vier hoofdlandschapstypen en -structuren uiteengezet. Stuwwallenlandschap Het stuwwallenlandschap beslaat de uitzonderlijke gelaagde Veluwezoom en het weidse en glooiend stuwwallandschap in het rijk van Nijmegen (afbeelding 4.7). De stuwwallen zijn erg reliëfrijk en bestaan uit drie sub-landschapstypen: - het hooggelegen boslandschap; - heidevelden en zandverstuivingen; - de besloten agrarische enclaves; - de lager gelegen stuwwalflanken. Voor het gehele stuwwallandschap gelden het sterke contrast tussen open essen in de enclaves en de besloten bosgebieden, en de vrije zichten over het rivierenlandschap vanaf stuwwal als kernkwaliteiten. Voor de zuidelijke stuwwallen zijn daarnaast de doorkijkjes naar bakens in de omgeving karakteristiek.
33 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 4.7 Stuwwallenlandschap in het plangebied
Rivierenlandschap Het rivierenlandschap wordt gevormd door het pittoreske gebied van de IJssel en de Oude IJssel, het robuuste gebied van de Rijn, Waal en Maas en het langgerekte smalle rivierlandschap rond de Linge (afbeelding 4.8). Het rivierenlandschapstype wordt gekenmerkt door de dynamiek van de rivieren. De stromingen en peilverschillen veroorzaken sedimentatie en erosie, welke het landschap veranderen. De Waal wordt gekarakteriseerd als werkrivier, en heeft, als grootste rivier van Nederland, een ordenende en maatgevende rol in het landschap. Een ander kenmerkend element in het rivierenlandschap is de dijk. De dijken verheffen bezoekers boven het landschap en faciliteren waardevolle panorama’s en zichten op de stuwwallen en bakens in de omgeving, zoals kerken, landgoederen en forten. De afzet van sediment door de rivier en het opwerpen van dijken door de mens heeft geresulteerd in een aantal sub-landschapstypen, namelijk: - kommen; - stroomruggen; - uiterwaarden en rivierterrasontginningen. Voor het gehele rivierenlandschap gelden het vrije zicht en de panorama’s vanaf de dijken als algemene kernkwaliteiten. Daarnaast is de historische gelaagdheid in combinatie met het dynamische landschapspatroon één van de andere kernkwaliteiten.
34 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 4.8 Rivierenlandschap in het plangebied
Infrastructurele lijnen Naast de hoofdlandschapstypen bestaan er regio-omvattende structuren en patronen, waaronder de infrastructurele lijnen, die het stuwwallen landschap en het rivierlandschap doorkruizen (afbeelding 4.9). Vanwege het harde, technische en landschaps-onderbrekende karakter van de infrastructurele lijnen, en vanwege de relatief lage bevolkingsdichtheid rond de infrastructuur, is er op meerdere plekken energie infrastructuur aanwezig op de veelal langgerekte locaties in dit type. De lijnen liggen vaak zorgvuldig ingepast in het landschap en de beleving van het landschap door weggebruikers en treinreizigers wordt positief beïnvloed bij absentie van geleiderails, lichtmasten, portalen en kunstwerken. Er zijn drie subtypen te onderscheiden, namelijk: - spoorwegen; - snelwegen; - een bundeling van de voorgaande spoorwegen en snelwegen, zoals de Betuweroute en de A15.
35 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 4.9 Infrastructurele lijnen in het plangebied
Stedelijk gebied Het regio-omvattende stedelijk gebied ligt verspreid over het stuwwallenlandschap en het rivierlandschap. Het stedelijk gebied is apart uitgelicht vanwege de bebouwingsconcentraties met verschillende dichtheden die dit type landschap karakteriseren. Het grootste beschikbare oppervlak voor energie infrastructuur (zon) ligt op de daken van de gebouwen, die, gezien vanuit de openbare ruimte, vaak onttrokken zijn aan het zicht. Er is onderscheid te maken tussen woongebieden en bedrijventerreinen. Afbeelding 4.25 toont het stedelijk gebied in de regio. Cultuurhistorie In de provinciale Omgevingsverordening is benoemd dat bij de oprichting van een windturbine(park) aandacht wordt besteed aan de cultuurhistorische achtergrond en waarden van het landschap. De RES gemeenten binnen de GMR Arnhem-Nijmegen zijn rijk aan cultuurhistorie. In de RES 1.0 zijn de verschillende cultuurhistorische identiteiten in beeld gebracht. Deze paragraaf richt zich -vanwege het schaalniveau van dit planMER- op het belangrijkste cultuurhistorische erfgoed op regionaal niveau. De cultuurhistorische eenheden zijn onderverdeeld in beschermde stads- en dorpsgezichten, rijksmonumenten en overige beschermde gebieden. Beschermde stads- en dorpsgezichten Een beschermd stads- of dorpsgezicht is een gebied in een stad of dorp met een bijzonder cultuurhistorisch karakter1.
Ze zijn opgenomen in de Erfgoedwet. Het doel van de status ‘beschermd stads- of dorpsgezicht’ is om de karakteristieke ruimtelijke kwaliteit van een plaats te behouden. Ruimtelijke ontwikkeling dient plaats te vinden op basis van de historische kenmerken, historische structuur en samenhang tussen bebouwing en openbare ruimtes. Binnen het plangebied bevinden zich de volgende beschermde stads- en dorpsgezichten (zie ook afbeelding 4.10):
1
Zoals gedefinieerd door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.
36 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
-
Arnhem - Geitenkamp; Arnhem - Mussenberg; Arnhem - Patrimoniumbuurt-Vogelwijk; Arnhem - Sonsbeekkwartier-Noord; Arnhem - Sonsbeekpark e.o.; Arnhem - Spijkerkwartier-Boulevardkwartier; Arnhem - Van Verschuerwijk; Wijchen - Batenburg;
-
Rheden - Dieren-Zuid; Doesburg; Rheden - Laag-Soeren; Nijmegen; Nijmegen - De 19de-eeuwse Stadsuitleg; Berg en Dal - Ubbergen; Rheden - Villapark Overbeek.
Direct aangrenzend aan het plangebied liggen langs de Maas de beschermde stads- en dorpsgezichten Ravenstein en Grave.
Afbeelding 4.10 Beschermde stads- en dorpsgezichten in en rondom het plangebied
Rijksmonumenten In de regio zijn veel rijksmonumenten aanwezig. Een rijksmonument is een monument of archeologisch monument dat van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als rijksmonument1. Het Rijk beschermt rijksmonumenten met algemene regels die het beschadigen, vernielen en verwaarlozen van rijksmonumenten verbieden. Verder zijn activiteiten met betrekking tot een rijksmonument alleen mogelijk met een omgevingsvergunning. Er is in de referentiesituatie geen rekening gehouden met provinciale of gemeentelijke monumenten. Hier is de landelijke Erfgoedwet namelijk niet voor van toepassing. Afbeelding 4.11 toont de rijksmonumenten, met onder meer steenfabrieken, watermolens, forten en kastelen. Voor archeologische monumenten wordt verwezen naar de toelichting van de referentiesituatie voor archeologie.
1
Zoals gedefinieerd in de Erfgoedwet.
37 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 4.11 Rijksmonumenten in het plangebied
Overige beschermde gebieden In de regio liggen diverse cultuurhistorisch belangrijke gebieden die beschermd zijn op landelijk en provinciaal niveau. Omdat dit planMER betrekking heeft op de regionale opgave, is geen rekening gehouden met gemeentelijk beschermde gebieden. Met de volgende beschermde gebieden is in dit planMER rekening gehouden: - de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW) is een belangrijke verdedigingslinie uit de Nederlandse geschiedenis. Op 26 juli 2021 is de NHW toegevoegd aan het bestaande UNESCO werelderfgoed De Stelling van Amsterdam. Samen vormen beide historische waterlinies nu het UNESCO Werelderfgoed ‘Hollandse Waterlinies’. Fort Pannerden (Lingewaard) is onderdeel van de NHW; - waardevol open gebied is een gebied waar grootschalige openheid als kernkwaliteit geldt. Ruimtelijke ingrepen mogen in deze gebieden de openheid volgens de Omgevingsverordening niet aantasten, maar de gebieden worden ook gezien als kansrijke plek voor het opwekken van windenergie. In de regio liggen zes waardevolle open gebieden; - molenbiotopen betreffen de zones van 400 m rond historische molens. Binnen een straal van 100 m vanaf het middelpunt van de molen, mag geen nieuwe bebouwing opgericht of beplanting aangebracht, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek.
Binnen een straal van 100 tot 400 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden hoogtebepalingen voor bebouwing en beplanting. In het plangebied liggen 26 molenbiotopen; - historische buitenplaatsen1 bestaan uit een huis met bijgebouwen en een daaromheen aangelegde tuinof park die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en beschermd worden onder de Erfgoedwet. In het plangebied bevinden zich op diverse locaties historische buitenplaatsen. Het grootste gedeelte hiervan ligt rond de Veluwezoom. De overige beschermde gebieden zijn weergegeven op afbeelding 4.12.
1
Data vanuit de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), onderwerp historische buitenplaatsen.
38 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 4.12 Overige beschermde gebieden in plangebied
Archeologie Deze paragraaf behandelt de archeologie in het plangebied. Voor archeologie zijn bekende en verwachte archeologische waarden relevant. Voor de archeologie in Nederland gelden de Archeologische monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). De AMK karteert per provincie alle bekende aanwezige archeologische terreinen (monumenten), waaronder wettelijk beschermde monumenten. De IKAW geeft een globaal beeld van de trefkans op archeologische resten op land en onder water (verwachte waarden). Dit heeft te maken met reeds bekende vondsten, de conserveerbaarheid van de bodem en de diepte van verschillende bodemlagen. Hoewel voor vrijwel ieder perceel in het plangebied middels een bestemmingsplan een archeologische waarde bekend is, is het voor het regionale en strategische niveau van dit planMER voldoende om de AMK en IKAW te beschouwen om een beeld te krijgen van de referentiesituatie ten aanzien van archeologie. Bekende archeologische waarden De bekende archeologische waarden zijn aangeduid in de Archeologische monumentenkaart (AMK). De AMK karteert per provincie alle aanwezige archeologische terreinen (monumenten), waaronder wettelijk beschermde monumenten. De provincie Gelderland heeft de AMK met de bekende archeologische waarden opgenomen op de kaart ‘Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie’.
In deze kaart is de volgende categorisering gemaakt: - terrein van zeer hoge archeologische waarde; - terrein van hoge archeologische waarde; - terrein van archeologische waarde. Deze waarden zijn beschermd. Afbeelding 4.13 toont de bekende archeologische waarden in het plangebied.
39 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 4.13 Archeologische monumentenkaart met bekende archeologische waarden in het plangebied
Aanvullend op de bekende archeologische waarden uit de AMK verdient de Romeinse Limes aandacht. De Romeinse Limes vormden de noordelijke grens van het Romeinse Rijk. Om deze grens te bewaken bouwden de Romeinen langs de rivier de Rijn wachttorens, wegen, waterwerken en legerkampen. De resten van die bouwwerken zijn in de grond bewaard gebleven. De Romeinse Limes staan sinds 2021 op de Unesco Werelderfgoedlijst. De volgende onderdelen liggen in het plangebied: - grootste stad van Nederland Ulpia Noviomagus ter plaatse van het huidige Nijmegen; - vermoedelijk Castellum Herwen - De Bijland ter plaatse van huidige recreatieplas, gemeente Zevenaar; - limesfort in de huidige Meinerswijk, gemeente Arnhem; - Romeins aquaduct en pannenbakkerij De Holdeurn in de gemeente Berg en Dal; - Gallo-Romeinse tempel ter plekke van huidige Grote Kerk in Elst, gemeente Overbetuwe. Afbeelding 4.14 toont bovengenoemde onderdelen, afkomstig uit data van de provincie Gelderland.
40 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 4.14 Romeinse Limes in het plangebied (inclusief bufferzone)
Verwachte archeologische waarden De IKAW bevat een vlakdekkende en landsdekkende classificatie van de trefkans op archeologische resten. De kaart geeft een globaal beeld van de trefkans op archeologische resten in de bodem en onder water. Deze trefkans wordt per gebied van 50 bij 50 m aangegeven met een van de categorieën: ‘hoge', ‘middelhoge', ‘lage' of ‘zeer lage' trefkans, dan wel: ‘niet gekarteerd'. De kaart toont de situatie uit 2008. Op afbeelding 4.15 is de IKAW (2008) weergeven. Op basis van deze kaart kan worden geconcludeerd dat de archeologische trefkans erg verschilt per locatie.
41 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 4.15 Verwachte archeologische waarden (IKAW, 2008) in het plangebied
4.2.3
Leefbaarheid
Geluid In het plangebied zijn verschillende typen geluidsbronnen te identificeren die in de huidige situatie zorgen voor geluidbelasting. Rondom (spoor-)wegen is een hogere geluidbelasting aanwezig vanuit verkeer. Rondom de diverse bedrijven- en industrieterreinen is hoge geluidbelasting aanwezig vanwege het aanwezige verkeer en industrielawaai. Daarnaast zorgen de huidige windturbines voor geluidproductie. Ten slotte kan geluid waargenomen worden rondom de verschillende laagvliegroutes en in de buurt van de (militaire) luchthavens in en rond het plangebied. De provincie Gelderland werkt in aan het verminderen van overlast door geluid. Hiervoor heeft de provincie het Actieplan Geluid 2018 - 2022 opgesteld1. Als het geluidsniveau op een gevoelige locatie gemiddeld voor de dag en de nacht 63 dB of hoger is, krijgt de geluidbelasting uit gezondheidskundig oogpunt een ‘onvoldoende’. De provincie heeft dit geluidsniveau als plandrempel gesteld. Dit betekent dat het geluidsniveau op deze locaties niet nóg verder verhoogd mag worden ten gevolge van nieuwe ontwikkelingen. Op afbeelding 4.16 is zichtbaar op welke locaties in het plangebied de geluidbelasting hoger dan 63 dB is.
1
Actieplan Geluid 2018-2022. Onze wegen worden stiller, provincie Gelderland. Te raadplegen via: https://gelderland.notubiz.nl/.
42 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 4.16 Locaties met een geluidbelasting hoger dan 63 dB in het plangebied (bron: Geluid in Nederland, Atlas Leefomgeving, RIVM 2020)
Slagschaduw Slagschaduw is de schaduw die windturbinebladen werpen op de grond of op een object. In de referentiesituatie kan er slagschaduw optreden rondom de bestaande windturbines in het plangebied. Op dit moment zijn er achttien windturbines gerealiseerd. Windturbines met een ashoogte tot en met 26 m zijn hierin niet beschouwd. De bestaande windturbines dienen aan de geldende voorwaarden ten aanzien van slagschaduw te voldoen, zoals deze zijn vastgelegd in de omgevingsvergunning. Hierdoor is de mate van slagschaduwhinder in de referentiesituatie beperkt1. In afbeelding 4.17 zijn volledigheidshalve de huidige windturbines die in en rond het plangebied staan opgenomen.
1
Ten aanzien van de normen geldt dat deze op dit moment niet van toepassing zijn. In hoofdstuk 6 wordt dit nader toegelicht.
43 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 4.17 Huidige windturbines in het plangebied
4.2.4
Veiligheid
Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over de risico’s voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. De locaties waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn kunnen beperkingen opleveren vanuit het plaatsgebonden risico en het groepsrisico voor kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten, zoals woningen, mogen zich niet binnen de PR 10-6 contour van een risicobron bevinden. Beperkt kwetsbare objecten, zoals kantoren, mogen niet binnen de PR 10-5 contour van een risicobron liggen. Nieuwe ontwikkelingen kunnen er namelijk voor zorgen dat het risico op overlijden binnen een veiligheidscontour van een risicobron groter wordt, daarom is het relevant om de aanwezige risicobronnen in kaart te brengen. De informatie over onderstaande risicobronnen is afkomstig van de Risicokaart. Dit is een samenwerking van provincies en ministeries om inzicht te geven in risicosituaties in de leefomgeving 1. Gebruik en opslag In het plangebied zijn tien bedrijven aanwezig waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen opgeslagen liggen. Dit zijn BRZO-bedrijven.
Het gaat om de volgende vier gebieden en/of locaties: - gemeente Arnhem; 4 locaties op industrieterrein Kleefse Waard in Arnhem: - gemeente Rheden: één locatie op het bedrijventerrein in Dieren; - gemeente Duiven: één locatie op het industrieterrein in Duiven; - gemeente Zevenaar: één locatie in het buitengebied van Zevenaar; - gemeente Overbetuwe: twee locaties op het industrieterrein in Heteren; - gemeente Beuningen: één locatie op het bedrijventerrein in Beuningen; - gemeente Nijmegen: één locatie op het haven en industrieterrein en één op industriegebied Winkelsteeg in Nijmegen.
1
Zie www.risicokaart.nl.
44 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Daarnaast zijn er op basis van de Risicokaart 280 inrichtingen aanwezig waar gevaarlijke stoffen opgeslagen worden. Dit betreft lagere hoeveelheden, waardoor een BRZO-vergunning niet noodzakelijk is. Het gaat bijvoorbeeld over opslag van LPG bij tankstations, opslag van meststoffen rondom agrarische bedrijven, of opslag van vuurwerk. Afbeelding 4.18 toont de BRZO-bedrijven en inrichtingen. Vervoer In het plangebied liggen ook verschillende transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Naast het basisnet zijn dit ondergrondse buisleidingen en transport via de weg. Transportroutes via het basisnet in de RES-regio zijn: snelwegen in beheer van Rijkswaterstaat, de spoorwegen en de hoofdvaarwegen. Daarnaast zijn er zijn drie overige transportroutes via wegen aanwezig: - de A325 tussen Nijmegen en Arnhem; - vanaf industrieterrein Kleefse Waard via de Westervoortsedijk; - N325 tot knooppunt Velperbroek; - de Kanaalweg vanaf Dieren richting Laag-Soeren. Transportroutes ondergronds via buisleidingen, zijn ook aanwezig in het plangebied. Dit betreft voornamelijk transport van aardgas en stoffen van Defensie. Alle genoemde locaties zijn zichtbaar in afbeelding 4.18.
Afbeelding 4.18 Transportroutes gevaarlijke stoffen, BRZO’s en inrichtingen in het plangebied
Luchtvaartveiligheid en defensie In Nederland gelden op verschillende plaatsen beperkingen ten aanzien van de bouwhoogte omwille van luchtvaartveiligheid. Dit geldt ook voor het plangebied. Binnen het plangebied bevinden zich militaire terreinen, militaire luchtvaartterreinen en militaire laagvliegroutes. Vliegbasis Deelen ligt gedeeltelijk in de gemeente Arnhem. Dit is weergegeven op afbeelding 4.19. Een gebied rond de vliegbasis is aangewezen voor de bereikbaarheid van de luchthaven en voor CNS (Communication, Navigation, and Surveillance). Voor
45 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
een gedeelte rondom deze vliegbasis is daarom een hoogtebeperking van toepassing. Dit is vastgelegd in het Luchthavenbesluit Deelen. Het is echter niet eenduidig gedefinieerd wat de bouwhoogtebeperkingen zijn rond de vliegbasis. Dit komt onder andere omdat sprake is van hoogteverschillen in het aangewezen gebied rond de vliegbasis. In het zuidwesten van het plangebied heeft Defensie een laagvlieggebied (IX - Maas en Waal) en een laagvliegroute voor jacht- en transportvliegtuigen (route VO). In het laagvlieggebied Maas en Waal geldt een minimum vlieghoogte van 30 m boven hindernissen, of zoveel lager als voor het doel van de vlucht noodzakelijk is. Voor de route VO geldt een minimum vlieghoogte van 75 m boven hindernissen. Dit is opgenomen in de Regeling minimum VFR-vlieghoogten en VFR-vluchten buiten de daglichtperiode voor militaire vliegtuigen en helikopters. Daarnaast zijn er verschillende gebieden in gebruik door Defensie. Deze zijn vastgelegd in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Het gaat om twee militaire oefenterreinen (Arnhemse Heide en Oranjekazerne Schaarsbergen) en een munitieopslagplaats in het noorden van de gemeente Arnhem. De militaire (luchtvaart-)terreinen en laagvliegroutes zijn aandachtspunten. Verspreid over het plangebied bevinden zich nog diverse zweefvliegterreinen en helikopterplatforms.
Afbeelding 4.19 Laagvliegroutes en obstakels Defensie
Defensieradar Het plangebied overlapt met meerdere radarverstoringsgebieden. Dit is te zien op afbeelding 4.20. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro), zijn de bouwbeperkingen voor radarverstoringsgebieden geregeld. Beperkingen voor de bouwhoogte van bouwwerken (zoals windturbines) zijn opgenomen in de Rarro. De kwaliteit van radarbeelden van Defensie kan namelijk negatief worden beïnvloed door hoge objecten, zoals windturbines.
46 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 4.20 Radarverstoringgebieden (bron: Rarro)
Zoals te zien in afbeelding 4.20, bevindt het plangebied zich gedeeltelijk in het radarverstoringsgebied behorende bij radarstation Volkel. Binnen een gebied van 75 km rondom een radarpost die in de Rarro is aangewezen, radarstation Volkel in dit geval, gelden de bouwhoogtebeperkingen voor nieuwe objecten. De berekening voor de bouwhoogtebeperking is geïllustreerd in afbeelding 4.21.
47 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 4.21 Bouwhoogtebeperking berekening (Rarro)
De maximale hoogte van bouwwerken in een radarverstoringsgebied wordt bepaald door vanaf een punt op de top van de radarantenne, waarvan de hoogteligging ten opzichte van NAP is opgenomen in Bijlage 8 ‘Radarstations’ van het Rarro, een denkbeeldige, rechte lijn te trekken, oplopend met 0,25 graden, tot een punt gelegen 15 km vanaf de voorgenoemde radarantenne. Tot 60 km verder (een totale afstand van 75 km ten opzichte van het radarstation), wordt een horizontale rechte lijn ten opzichte van NAP getrokken. In het zuidwesten van het plangebied geldt volgens deze regeling een oplopende bouwhoogtebeperking (die van toepassing is binnen 15 km) ten opzichte van de 39 m hoge antenne van radarstation Volkel. De maximale bouwhoogte bedraagt vanuit het radarstation Volkel circa 104 m (zie contouren op afbeelding 4.20). Echter, op afbeelding 4.20 is te zien dat er voor het plangebied, inclusief de zone rond radarstation Volkel, een bouwhoogtebeperking voor windturbines van 90 m geldt. Dit volgt uit Bijlage 8.4. bij de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening. Voor objecten hoger dan 90 m dient daarom een radartoets te worden uitgevoerd. Bij de radartoets wordt getoetst of objecten zorgen voor verstoring van de radarbeelden. De bouwhoogtebeperking zorgt dus niet op voorhand dat windturbines niet mogelijk zijn.
Zo zijn er binnen het plangebied al meerdere windturbines ontwikkeld met een hoogte van meer dan 90 m (zie afbeelding 4.17).
4.2.5
Bodem en water
Waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden In het plangebied bevinden zich verschillende drinkwaterwingebieden. Ter bescherming van deze gebieden zijn hieromheen grondwaterbeschermingsgebieden en/of boringsvrije zones vastgelegd in de provinciale Omgevingsverordening. In deze zones gelden beperkingen voor bodemroerende activiteiten waardoor de kwaliteit van het drinkwater gewaarborgd wordt. In aanvulling op de huidige drinkwaterwingebieden reserveert provincie Gelderland gebieden om aan de toekomstige vraag naar drinkwater te kunnen voldoen, de kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden. In afbeelding 4.22 zijn deze gebieden aangeduid.
48 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 4.22 Waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, boringsvrije zones en kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden in het plangebied
Bodemtypen Het plangebied wordt op hoofdlijnen gekenmerkt door de aanwezigheid van rivieren en de hoger gelegen stuwwallen. Dit is ook terug te zien in de overheersende bodemtypen in de regio zoals getoond in afbeelding 4.231. Rond de rivieren bestaat de ondergrond voornamelijk uit kleigronden (aangegeven met de groene tinten) en rond de hoger gelegen stuwwallen bestaat de ondergrond overwegend uit zand (aangegeven met de oranje tinten). Veen is in zeer beperkte mate aanwezigheid. De rode tinten in het zuiden van het plangebied en rond de Veluwezoom representeren leem. De kleur grijs geeft bestaande bebouwing weer.
1
Gebruikte data afkomstig van https://www.wur.nl/nl/show/grondsoortenkaart.htm.
49 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 4.23 Kaartje met bodemtypen in het plangebied
4.2.6
Gebruiksfuncties
Het plangebied kent een grote diversiteit aan gebruiksfuncties. Dit varieert van de Veluwe en de grote rivieren, tot de verschillende steden en kleinere kernen. Hierbij kent het plangebied een historische ontwikkeling die tot op de dag van vandaag doorgaat. Land- en tuinbouw Het landelijk gebied van de regio kenmerkt zich door de agrarische land- en tuinbouw, zie afbeelding 4.24. Tussen en rond de grote rivieren (van Nederrijn tot Maas) vindt veel tuinbouw plaats. In het gebied ten zuiden van Arnhem en Huissen ligt een concentratiegebied voor grootschalige glastuinbouw. Daarnaast is een groot gedeelte van het plangebied tussen de verschillende kernen in gebruik ten behoeve van landbouw, met name voor (melk)veehouderijen. Grootschalige akkerbouw en bostuinbouw vindt in beperkte mate plaats.
50 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 4.24 Huidige gebruiksfuncties in het plangebied (Bron: Bestand Bodemgebruik 2017)
Bebouwd gebied Binnen het spectrum van functies zijn er verschillende kernen in de regio die afbeelding 4.25 toont. Het dorpse woonmilieu domineert de regio. Uitzonderingen hierop zijn de grote steden, zoals Arnhem en Nijmegen, maar ook Wijchen en Zevenaar.
51 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 4.25 Kernen in het plangebied
Natuur en recreatie Het plangebied heeft een grote recreatieve aantrekkingskracht door de attractieve landschappen, met haar rivieren en bossen, rijk cultuurhistorisch erfgoed en een uitgebreid voorzieningenniveau. Zoals te zien is in afbeelding 4.24 zijn er verschillende recreatiegebieden aanwezig in het plangebied, waaronder: - de Veluwe: bestaande uit Nationaal Park Veluwezoom en Nationaal Park De Hoge Veluwe; - Rhederlaag: een recreatiegebied met ruim 300 hectare aan wateroppervlakte dat in verbinding staat met de IJssel op de grens van de gemeenten Rheden en Zevenaar; - de Bijland (Lobith): een recreatiegebied gelegen middenin het natuurgebied de Gelderse Poort in het zuidoosten van de gemeente Zevenaar; - en overige, kleinschaligere recreatiegebieden, zoals de Rijkerswoerdse Plassen, park Lingezegen, Heumensoord, de Lentse Plas, de Bemmelse Waard, Hatertse en Overasseltse Vennen, recreatiegebied Berendonck, landgoed Warnsborn, landgoed Duno en diverse golfbanen.
4.3
Autonome ontwikkelingen
Autonome ontwikkelingen zijn die plannen in het plangebied die met grote zekerheid plaatsvinden tot het referentiejaar 2030. Het gaat daarbij om ontwikkelingen waarover reeds besluitvorming heeft plaatsgevonden of waarover besluitvorming in voorbereiding is, die zonder de voorgenomen activiteit ook zou plaatsvinden. Autonome ontwikkelingen vormen samen met de huidige situatie, de referentiesituatie. In bijlage I is een overzicht opgenomen van de relevante autonome ontwikkelingen in en direct rondom het plangebied. Het betreft hierbij ontwikkelingen die zorgen voor een ruimtebeslag in aanvulling op het bestaande bebouwde gebied. Deze ontwikkelingen kunnen mogelijk een beperking opleggen ten aanzien van de ontwikkeling van grootschalige opwek middels wind- en zonne-energie. Ontwikkelingen binnen de bestaande stedelijke contouren zijn niet opgenomen in bijlage I, omdat deze een beperkt ruimtebeslag opleggen voor de mogelijkheden voor de ontwikkeling van grootschalige wind- en zonne-energie. De lijst met autonome ontwikkelingen is niet verwerkt op een kaart. In de afweging voor locaties voor winden zonne-energie vormt de lijst input en kan de invloed op het ruimtebeslag bepaald worden.
52 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
DEEL B - EFFECTONDERZOEKEN WIND- EN ZONNE-ENERGIE
53 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
5 ALTERNATIEVEN Voor het in beeld brengen van de milieueffecten van de opwek van wind- en zonne-energie in het plangebied zijn voor het planMER, naast het basisalternatief RES 1.0, drie thematische alternatieven ontwikkeld en onderzocht. De alternatieven hebben tot doel om gezamenlijk de bandbreedte aan mogelijke ontwikkelrichtingen in beeld te brengen. Daarmee bieden de alternatieven een locatieonderbouwing vanuit milieuperspectief. Geen alternatief Energiesysteem In de NRD is een vierde thematisch alternatief gepresenteerd: het alternatief Energiesysteem. Dit alternatief had als doel zoekgebieden voor wind en zon te definiëren die rekening houden met de beschikbare en toekomstige netcapaciteit en de samenhangende maatschappelijke kosten. Hierbij werd gedacht aan de huidige en toekomstige netcongestie, uitgaande van de bestaande en voorziene netinfrastructuur en onderstations. Een eerste versie van het alternatief is in de NRD op kaart weergegeven. Tijdens de terinzagelegging is een zienswijze ingediend door de netbeheerder, Liander. Hieruit blijkt dat de netbeheerder niet achter de toegepaste data en uitgangspunten staat, die de basis vormen van het alternatief. Het is niet mogelijk gebleken gezamenlijk de benodigde data en uitgangspunten tijdig te definiëren, om het alternatief Energiesysteem toch te kunnen onderzoeken.
Dit planMER bevat daarom geen alternatief Energiesysteem. Wel is een analyse van het energiesysteem opgenomen als bijlage XIII. Hiermee is in beeld gebracht waar windturbines en zonnevelden gerealiseerd kunnen worden, gelet op de netcapaciteit. Het stappenplan om te komen tot alternatieven bestaat op hoofdlijnen uit drie stappen. Dit stappenplan is weergegeven op afbeelding 5.1. In bijlage III is een uitgebreide toelichting te vinden van het proces om te komen tot de alternatieven. In de volgende paragrafen worden de belangrijkste uitgangspunten en de verschillende alternatieven kort toegelicht en gepresenteerd.
Afbeelding 5.1 Stappenplan alternatievenontwikkeling
Stap 1 Uitgangspunten bepalen
5.1
Stap 2
Stap 3
Ontwerpprincipes per thema bepalen
Plaatsingszones alternatieven op kaart
Uitgangspunten
De energietechnieken die de regio in de RES 1.0 heeft vastgesteld zijn leidend in het ontwikkelen van de alternatieven. De volgende technieken voor de opwek van duurzame elektriciteit vallen binnen de scope van het planMER: - wind op land; - zon op land.
54 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Zon op dak buiten scope van het planMER De effecten van zon op dak zijn in het planMER niet nader onderzocht. Voor deze ontwikkelingen worden bestaande daken gebruikt, waardoor de milieueffecten en ruimtelijk gebruik beperkt zijn. Milieueffecten zijn daarom naar verwachting niet doorslaggevend voor de haalbaarheid van zon op dak. De mate waarin zon op dak wordt toegepast, is wel van invloed op het benodigde oppervlak wind en zon op land. In het planMER is daarom uitgegaan van een opwek van 0,49 TWh door zon op dak, zoals benoemd in de RES 1.0. Criteria windturbines en zonnevelden Voor de ontwikkeling van alternatieven is een aantal ruimtelijke randvoorwaarden bepaald in de RES 1.0. Deze randvoorwaarden bepalen de technische ruimte van het speelveld in dit planMER. De toegepaste criteria borgen een goede ruimtelijke ordening en voorkomen dat windturbines en zonnevelden als confetti over de regio worden verspreid. Dit planMER houdt in de alternatievenontwikkeling zoveel als redelijkerwijs mogelijk rekening met deze ruimtelijke randvoorwaarden. Desondanks vormt het in beeld brengen van milieueffecten vanuit de harde en zachte belemmeringen de voornaamste basis in de ontwikkeling van de alternatieven. De ruimtelijke en landschappelijke ontwerpopgave is een meer locatie-specifiek vraagstuk, dat bij de ontwikkeling van projecten aan de orde dient te komen.
Referentieturbines Voor windenergie worden twee windturbinetypen onderzocht (zie afbeelding 5.2): 1 windturbines (circa 3,6 MW) met een ashoogte van 120 m, een rotordiameter van 117 m en een tiphoogte van 178,5 m; 2 windturbines (circa 7,0 MW) met een ashoogte van 166 m, een rotordiameter van 160 m en een tiphoogte van 246 m.
Afbeelding 5.2 Referentieturbines
3,6 MW windturbine
7,0 MW windturbine
De referentieturbines geven samen een realistische bandbreedte aan mogelijke windturbines weer. Anno 2023 is een windturbine op land vorm een windturbinetype met een ashoogte van 120 m en een vermogen van circa 3,6 MW een gangbare ondergrens. Dit komt onder andere door de rendabiliteit en de uitfasering van de productie van ‘kleinere’ windturbines. Een windturbine op land met een ashoogte hoger dan 166 m en een tiphoogte van meer dan 246 m is richting 2030 naar verwachting een realistische bovengrens, gelet op de beschikbare ruimte op land en bijkomende belemmeringen. Het doel van dit planMER is om de bandbreedte te onderzoeken. Bij concrete projecten kunnen windturbines met andere as- en tiphoogtes worden toegepast, ook als deze groter of juist kleiner zijn. Op projectniveau dienen de effecten onderzocht te worden. De effecten mogen daarbij niet groter zijn dan beschreven in dit planMER, tenzij de initiatiefnemer kan aantonen dat deze (grotere) effecten acceptabel zijn.
55 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Definitie windpark In de verdere uitwerking van de zoekgebieden die volgen uit dit planMER past de regio de volgende criteria toe voor windparken, welke afkomstig zijn uit eerdere processen en de RES 1.0: - een nieuw windpark bestaat uit minstens: ꞏ twee windturbines bij een lijnopstelling; ꞏ drie windturbines voor een geclusterde opstelling; - nieuwe losstaande (solitaire) windturbines worden alleen onderzocht als deze aansluiten bij een bestaand windpark; - uitbreiding van bestaande windparken gebeurt alleen met windturbines met dezelfde hoogte om een rommelig beeld (beeldinterferentie) te voorkomen. Definitie zonnevelden In dit planMER zijn de volgende criteria toegepast voor het ontwikkelen van alternatieven voor zonnevelden: - een zonneveld heeft een vermogen van meer dan 2 MW. Dit ligt in lijn met de afspraken in de RES 1.0; - er wordt uitgegaan van zonnevelden met een zuidoriëntatie, vanwege een groter ruimtebeslag voor dezelfde hoeveelheid energie-opwek in vergelijking met een oost-west oriëntatie.
Op die manier wordt de benodigde ruimte op een ‘veilige’ manier berekend, op projectniveau kan het ruimtebeslag minder zijn en dient de invulling nader bepaald te worden; - voor de hoogte van het zonneveld wordt in dit planMER uitgegaan van 2 m; - er is uitgegaan van multifunctionele zonnevelden (zonneveld gecombineerd met andere functies) vanwege het uitgangspunt van koppelkansen en dubbel ruimtegebruik in de RES 1.0, en de zonnebrief van minister Jetten1; - voor ieder een opgesteld vermogen van 1 MW is uitgegaan van 1,5 hectare benodigd oppervlakte Door uit te gaan van 1,5 hectare per 1 MW, wordt ruimte geboden voor combinaties van functies. Dit betreft een overschatting van de daadwerkelijk benodigde ruimte. Een zonneveld met een opgesteld vermogen van minimaal 2 MW heeft dus een oppervlakte van minimaal 3 hectare.
5.2
Belemmeringenkaarten
De ontwikkeling van windturbines is niet overal mogelijk. Om gebieden binnen de regio uit te sluiten waar de opwek van wind- en/of zonne-energie vanuit (milieu-)wetgeving niet is toegestaan, zijn als eerste stap kansen- en belemmeringenkaarten opgesteld. De referentiesituatie, de wettelijke en regelgevende kaders en beleidskaders zijn in beeld gebracht om de milieueffecten van windturbines en zonnevelden te kunnen onderzoeken en beoordelen. Deze wettelijke- en regelgevende kaders en beleidskaders geven een beeld van de (on)mogelijkheden voor de ontwikkeling van wind- en zonne-energie in de regio en zijn vertaald in belemmeringenkaarten. In bijlage III is een uitgebreide toelichting opgenomen van de harde en zachte belemmeringen. Het vertrekpunt van de alternatievenontwikkeling zijn de harde belemmeringen. Het planMER maakt onderscheid tussen twee typen harde belemmeringen: 1 fysieke objecten: dit zijn bijvoorbeeld gebouwen en infrastructuur (wegen, spoorwegen, buisleidingen, bestaande windturbines). Het is hier fysiek niet mogelijk om een windturbines en zonnevelden te realiseren; 2 beperkingen vanuit wet- en regelgeving: dit legt beperkingen op vanuit onder andere geluid, veiligheid, waterkwaliteit en waterveiligheid. Deze beperkingen zijn hieronder nader toegelicht.
In tabel 5.1 en 5.2 staan de gehanteerde afstanden voor de verschillende aspecten van harde belemmeringen met de bijbehorende status.
1
Kamerbrief over rol zonne-energie in energietransitie, d.d. 20 mei 2022.
56 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Tabel 5.1 Harde belemmeringen windturbine (nee) Nr.
Aspect
Afstand
Status
120 m ashoogte
166 m ashoogte
1
kwetsbare objecten
178,5 m PR10-6, tiphoogte
246 m PR10-6, tiphoogte
artikel 3.15a, lid 1, van het Activiteitenbesluit
2
beperkt kwetsbare objecten (PR10-5)
58,5 m ½ rotordiameter
80 m ½ rotordiameter
artikel 3.15a, lid 2, van het Activiteitenbesluit
3
rijkswegen en provinciale wegen
4
hoofdwaterwegen
5
spoorwegen
6
bovengrondse hoogspanningslijn
7
ondergrondse hoogspanningslijn
object + 15 m
fysieke belemmering voor fundering
8
buisleidingen
object + 15 m
fysieke belemmering voor fundering
9
rijksmonumenten
begrenzing object op kaart
Erfgoedwet
10
geluidsgevoelige objecten
210 m
geluidscontour op basis van 47 dB met mitigerende maatregelen wet geluidhinder1
11
weidevogelgebieden
12
Wespendief
object + 15 m 58,5 m ½ rotordiameter
fysieke belemmering voor fundering
80 m ½ rotordiameter
object + 15 m 58,5 m ½ rotordiameter
Waterwet fysieke belemmering voor fundering
80 m ½ rotordiameter
385 m
begrenzing op kaart + ½ rotordiameter Veluwe + 1 km
fysieke belemmering voor windturbinebladen
Omgevingsverordening Gelderland, Artikel 2.51a, en artikel 1a.2 zorgplicht vanuit Wro
Tabel 5.2 Harde belemmeringen zonnevelden (nee) Nr.
Aspect
Afstand
Status
1
bebouwing
begrenzing op kaart
fysieke belemmering
2
hoogspanning
begrenzing op kaart
fysieke belemmering
3
rijkswegen
13 m
fysieke belemmering
4
provinciale wegen
begrenzing op kaart
fysieke belemmering
5
rijksmonumenten
begrenzing op kaart
Erfgoedwet
6
spoorlijn
5m
fysieke belemmering
7
woningen
40 m
kwetsbaar object
8
buisleidingen
5m
fysieke belemmering
9
hoofdvaarwegen
begrenzing op kaart
fysieke belemmering
10
weidevogelgebied
begrenzing op kaart
Omgevingsverordening Gelderland, Artikel 2.51a, en artikel 1a.2
Afbeelding 5.3 en 5.4 tonen de harde belemmeringen voor respectievelijk 120 m en 166 m windturbines. De toegepaste harde belemmeringen zijn toegelicht in tabel 5.1. Afbeelding 5.5 toont de harde belemmeringen voor zonnevelden, zoals toegelicht in tabel 5.2.
1
Een nadere toelichting op de toegepaste afstanden is opgenomen in paragraaf 6.3.5
57 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 5.3 Kaart met harde belemmeringen 120 m windturbines
Afbeelding 5.4 Kaart met harde belemmeringen 166 m windturbines
58 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 5.5 Kaart met harde belemmeringen zonnevelden
Energieopbrengsten beschikbare ruimte Uit de bovenstaande kaarten met harde belemmeringen blijft de algemene zoekruimte over, waarbinnen de alternatieven zijn ontwikkeld. Om te bepalen of de energiedoelstelling van 1,13 TWh binnen de beschikbare zoekruimte ook daadwerkelijk gehaald kan worden is een notitie Energieopbrengsten opgesteld (bijlage XI). Hierin staan de uitgangspunten die zijn gehanteerd in het bepalen van de opwekpotentie van de beschikbare zoekruimte. Het betreft hier een generieke aannames, waarbij met name de beschikbare opwekpotentie in relatie tot de beschikbare ruimte voor windturbines conservatief is ingeschat. Bij de volledige benutting van de beschikbare ruimte na toepassing van de harde belemmeringen blijkt het volgende: - de opwekpotentie van 120 m windturbines bedraagt 6,22 TWh; - de opwekpotentie van 166 m windturbines bedraagt 2,47 TWh; - de opwekpotentie van zonnevelden bedraagt 73,98 TWh. Hieruit blijkt dat binnen de beschikbare zoekruimte de doelstelling uit de RES 1.0 gehaald kan worden. Wel geldt dat hierbij de verschillende milieueffecten nog niet zijn meegewogen. Ook is het belangrijk te benoemen dat windenergie en zonne-energie complementair zijn, en het dus een combinatie is van beide energietechnieken (inclusief verschillende windturbinetypen) die moet zorgen voor een realistische en uitvoerbare RES 2.0.
Molenaarswoningen Bij windparkontwikkelingen zijn veelal omwonenden ook initiatiefnemer en mede-eigenaar van het windpark. Windturbines komen in sommige gevallen dichter bij de woningen te staan, waardoor de geluidnormen worden overschreden. Om dit op te lossen wordt onderscheidt gemaakt naar de status van deze specifieke woningen als een zogenaamde ‘molenaarswoning’ of een ‘woning in de sfeer van de inrichting’. Daarmee gelden de wettelijke normen niet meer en mag de geluidbelasting hoger zijn dan de wettelijke normen. Hiervoor moet er in juridisch opzicht wel sprake zijn van een binding met het windpark, bijvoorbeeld organisatorisch, functioneel of technisch.
59 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Door de zogenaamde molenaarswoningen worden de beschikbare gebieden in met name het buitengebied groter. Voor het planMER is onderzocht wat de mogelijkheden in de regio zijn. Hiervoor is in bijlage XII een analyse molenaarswoningen opgenomen. Hierbij dient vermeld te worden dat de in beeld gebrachte ruimte niet is onderzocht op milieueffecten. Daarnaast geldt dat eigenaren en bewoners van de ‘molenaarswoningen’ medewerking dienen te verlenen alvorens een woning kan worden aangewezen als molenaarswoning.
5.3
De alternatieven
Vanuit de kaarten met harde belemmeringen zijn vervolgens ontwerpprincipes bepaald en gekoppeld aan thematische alternatieven. Dit is onder meer het resultaat van het omgevingsproces (zowel maatschappelijk en ambtelijk als politiek-bestuurlijk) tijdens de NRD-fase. De ontwerpprincipes resulteren in zoekruimte voor windturbines en zonnevelden. In onderstaande paragrafen zijn de verschillende alternatieven weergegeven. In bijlage III is de opbouw van de alternatieven nader toegelicht.
5.3.1
Basisalternatief RES 1.0
Het alternatief RES 1.0 onderzoekt de milieueffecten van de zoekgebieden voor wind en/of zon die in de RES 1.0 zijn aangewezen. De in de RES 1.0 benoemde uitgangspunten gelden als de uitgangspunten voor het alternatief. In de RES 1.0 zijn globale gebieden aangewezen en zijn geen harde belemmeringen toegepast. Voor het alternatief RES 1.0 zijn daarom de harde belemmeringen over de zoekgebieden geplaatst, waarmee de zoekruimte is bepaald zoals op kaart weergegeven (afbeeldingen 5.6, 5.7 en 5.8). Door de RES 1.0 als basisalternatief op te nemen wordt inzicht gegeven in de milieueffecten van de plannen uit de RES 1.0 en kunnen de milieueffecten van de andere drie alternatieven goed worden vergeleken met de zoekgebieden uit de RES 1.0. De theoretische opwekpotentie van dit alternatief is als volgt: - de opwekpotentie van 120 m windturbines bedraagt 0,11 TWh; - de opwekpotentie van 166 m windturbines bedraagt 0,06 TWh; - de opwekpotentie van zonnevelden bedraagt 4,05 TWh. Uit bovenstaande blijkt dat met name voor windturbines de energieopbrengst min of meer gelijk staat aan de verhouding zoals opgenomen in de RES 1.0 (11 % windenergie, 89 % zonne-energie). Voor de verschillende zonnevelden zijn in de RES 1.0 afspraken gemaakt over de percentuele benuttig van de aangewezen zoekgebieden.
Hiermee is de berekende opwekpotentie een overschatting ten opzichte van de eerder vastgelegde afspraken.
60 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 5.6 Alternatief RES 1.0 120 m windturbines
Afbeelding 5.7 Alternatief RES 1.0 166 m windturbines
61 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 5.8 Alternatief RES 1.0 zonnevelden
5.3.2
Alternatief Landschap
Het alternatief Landschap heeft als doel zoekgebieden voor wind en zon te definiëren die zoveel mogelijk rekening houden met landschappelijke waarden. Hiervoor is geen landschapsanalyse uitgevoerd, maar zijn de bekende landschappelijke waarden uitgesloten. Om kansrijke gebieden voor wind en zon te definiëren die aansluiten bij het doel van dit alternatief, zijn in het alternatief, naast de harde belemmeringen voor wind en zon, de volgende gebieden vermeden: - molenbiotopen; - waardevol open gebied; - Nationaal Landschap; - Nieuwe Hollandse Waterlinie; - Romeinse Limes; - historische buitenplaatsen. Afbeeldingen 5.9, 5.10 en 5.11 tonen de gebieden die overblijven als bovengenoemde gebieden vermeden worden. De overgebleven gebieden vormen samen het alternatief Landschap. De theoretische opwekpotentie van dit alternatief is als volgt: - de opwekpotentie van 120 m windturbines bedraagt 2,97 TWh; - de opwekpotentie van 166 m windturbines bedraagt 0,96 TWh; - de opwekpotentie van zonnevelden bedraagt 34,55 TWh. Hiermee is aangetoond dat het alternatief voldoende ruimte biedt om de regionale opwekdoelstellingen te halen.
62 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 5.9 Alternatief Landschap 120 m windturbines
Afbeelding 5.10 Alternatief Landschap 166 m windturbines
63 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 5.11 Alternatief Landschap zonnevelden
5.3.3
Alternatief Natuur
Het alternatief Natuur heeft als doel zoekgebieden voor wind en zon te definiëren die rekening houden met de meest waardevolle gebieden vanuit het thema natuur. Om kansrijke gebieden voor wind en zon te definiëren die aansluiten bij het doel van dit alternatief, zijn in het alternatief de volgende gebieden vermeden: - alle Natura 2000-gebieden; - alle GNN; - een zone van 8 km rondom Natura 2000-gebied de Veluwe om verstoring van het leefgebied van de Wespendief tegen te gaan (alleen wind); - weidevogelgebieden; - groene ontwikkelingszones; - verstoringszones (½ rotordiameter) rondom Natura 2000-gebieden en GNN (alleen voor wind); - ganzenrustgebieden; - bosgebieden. Afbeeldingen 5.12, 5.13 en 5.14 tonen de gebieden die overblijven als bovengenoemde gebieden vermeden worden. De overgebleven gebieden vormen samen het alternatief Natuur. De theoretische opwekpotentie van dit alternatief is als volgt: - de opwekpotentie van 120 m windturbines bedraagt 1,25 TWh; - de opwekpotentie van 166 m windturbines bedraagt 0,35 TWh; - de opwekpotentie van zonnevelden bedraagt 30,42 TWh. Hiermee is aangetoond dat het alternatief voldoende ruimte biedt om de regionale opwekdoelstellingen te halen.
64 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 5.12 Alternatief Natuur 120 m windturbines
Afbeelding 5.13 Alternatief Natuur 166 m windturbines
65 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 5.14 Alternatief Natuur zonnevelden
5.3.4
Alternatief Leefomgeving
Het alternatief Leefomgeving heeft als doel zoekgebieden voor wind en zon te definiëren die zoveel mogelijk rekening houden met de leefomgeving. In dit planMER wordt bij het begrip leefomgeving uitgegaan van de omgeving waarin mensen wonen, werken en leven met daarbij een focus op geluidbelasting en veiligheid. Aspecten die van invloed zijn op een prettige leefomgeving, zoals groen, geurhinder en luchtkwaliteit zijn niet beschouwd. Om kansrijke gebieden voor wind en zon te definiëren die aansluiten bij het doel van dit alternatief, zijn in het alternatief, naast de harde belemmeringen voor wind en zon, de volgende gebieden vermeden: - externe veiligheid: rijkswegen, spoorwegen hoofdwaterwegen, waterkeringen, buisleidingen, BRZObedrijven en inrichtingen: · de gebruikers van de infrastructuur en bedrijven worden hiermee extra beschermd; - geluidhinder: · 700 m rond alle woningen (alleen voor wind, op basis advies Commissie m.e.r.1); · contouren van de bestaande geluidbelasting boven de 63 dB Lden2 vanuit het cumulatieve geluidniveau (data toegepast van Atlas voor Leefomgeving); - stiltegebieden. Afbeeldingen 5.15, 5.16 en 5.17 tonen de gebieden die overblijven als bovengenoemde gebieden vermeden worden. De overgebleven gebieden vormen samen het alternatief Leefomgeving.
1
De Commissie acht de in de NRD voorgestelde afstanden (45 en 47 dB Lden) aan de krappe kant voor het alternatief Leefomgeving. De Commissie acht de minimaal benodigde afstand om aan geluidseisen bij een gemiddelde windturbine te voldoen groter, met name bij 45 dB Lden. Met de 700 m wordt aangesloten bij een akoestisch ‘gemiddelde’ windturbine in de vermogensklasse van 4-7 MW.
2
De 63 dB Lden volgt uit het Actieplan Geluid 2018-2022 van de provincie Gelderland en wordt gezien als plandrempel. Bij deze waarde is vanuit gezondheidskundig oogpunt de kwalificatie ’onvoldoende‘ van toepassing volgens de methodiek ’Gezondheidseffectscreening’.
66 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
De theoretische opwekpotentie van dit alternatief is als volgt: - de opwekpotentie van 120 m windturbines bedraagt 0,15 TWh; - de opwekpotentie van 166 m windturbines bedraagt 0,13 TWh; - de opwekpotentie van zonnevelden bedraagt 60,02 TWh. Hiermee is aangetoond dat het alternatief voldoende ruimte biedt om de regionale opwekdoelstellingen te halen met een combinatie tussen zonnevelden en windturbines. Voor windturbines is de opwekpotentie lager dan de andere alternatieven (met uitzondering van het alternatief RES 1.0). Dit komt met name door de grotere afstand tot woningen Desondanks is het relevant dit alternatief te onderzoeken, omdat het inzicht geeft in de effecten van het aanhouden van een grotere afstand tot woningen, zowel op het milieu als de energieopbrengsten.
Afbeelding 5.15 Alternatief Leefomgeving 120 m windturbines
67 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
Afbeelding 5.16 Alternatief Leefomgeving 166 m windturbines
Afbeelding 5.17 Alternatief Leefomgeving zonnevelden
68 | 208 Witteveen+Bos | 134281/23-009.839 | Definitief 02
6 ONDERZOEKSAANPAK WIND- EN ZONNE-ENERGIE Dit hoofdstuk beschrijft de onderzoeksaanpak voor de effectanalyses voor wind- en zonne-energie. Paragraaf 6.1 laat de algemene ingreep-effectrelaties zien die de basis vormen voor de effectanalyses. Hieruit volgen criteria, die tezamen het beoordelingskader (6.2) vormen. Paragraaf 6.3 beschrijft de beoordelingsmethodiek voor de maatgevende en niet-maatgevende effecten voor wind- en zonne-energie. De methodiek is hierbij per thema kort uiteengezet. Ten slotte geeft paragraaf 6.4 een toelichting op de nietmaatgevende effecten.