20260622-rv-wijz-opw-wtv-nrd-west-bijlage-3
Tekst van het document
In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft. Geurgevoelig gebouw Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied
Standaardwaarde 2,0 ouE/m3
Grenswaarde 8,0 ouE/m3
3,0 ouE/m3
14,0 ouE/m3
8,0 ouE/m3
20,0 ouE/m3
14,0 ouE/m
35,0 ouE/m3
Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw
In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze. Voor dieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden gelden afstandseisen. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden.
30
Westervoort Noord, westelijk deel
Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (gevel-gevel afstand). Planspecifiek Voorliggend initiatief voorziet in het realiseren van woningen die aangemerkt kunnen worden als geurgevoelige gebouwen. In de omgeving van het plangebied zijn geen intensieve veehouderijen aanwezig. Wel is een manege aanwezig, waar ook schapen gehouden worden, aan de IJsseldijk 92a. Om de geurbelasting vanwege de manege te beoordelen is een geuronderzoek uitgevoerd, welke is opgenomen in bijlage 6. In het geuronderzoek is ook het effect van het bedrijf aan IJsseldijk 90 onderzocht, echter in de nieuwe situatie is op deze locatie geen sprake meer van een bedrijf. Voor IJsseldijk 92a wordt geconcludeerd dat wanneer geurgevoelige objecten buiten de afstandscontour van 100 meter vanaf de stal worden gerealiseerd, er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de manege niet in de bedrijfsvoering wordt belemmerd. De nieuwe geurgevoelige objecten worden op een afstand van circa 110 meter, buiten de genoemde afstandscontour gerealiseerd. Op basis hiervan zal in de nieuwe woningen sprake zijn van een aanvaardbaar geurniveau.
Daarnaast kan op voorhand worden gesteld dat er geen veehouderijen worden belemmerd in hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden door voorliggend initiatief. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.7
Geluid
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels van het Bkl over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel. Geluidbronsoort Standaardwaarde, in dB. Grenswaarde, in dB. Rijks- en provinciale wegen. In Lden 50 60 Gemeente- en waterschapswegen. In Lden 53 70 Hoofd- en lokale spoorwegen. In Lden 55 65 Industrieterrein Lden 50 55 Lnight 40 45 Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en.3.35 Bkl
Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluidsniveau door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Minder geluid dan de standaardwaarde of het geluid op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan, is aanvaardbaar (artikel 5.78m, lid 1 en lid 2 Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van artikel 5.78, lid 3 Bkl bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden: • op een aangewezen geluidgevoelig gebouw: 1. op de gevel, als het gaat om een aanwezig geluidgevoelig gebouw 2. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig
Westervoort Noord, westelijk deel
31
• •
gebouw op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen in geval van een binnenwaarde, in een geluidgevoelige ruimte.
Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze: 1. geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78n, lid 1, onder a Bkl); 2. de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78n, lid 1b Bkl); 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78n, lid 2 Bkl); 4. besluit tot geluidwerende maatregelen als het geluid in een geluidgevoelige ruimte hoger is dan de grenswaarde in geluidgevoelig ruimte (binnenwaarde) (artikel 3.52 Bkl). De karakteristieke geluidwering van deze ruimte is minstens 3 dB groter dan het verschil tussen het gezamenlijk geluid en de grenswaarde. Deze grenswaarde in geluidgevoelig ruimte is meestal 36 dB. In een beperkt aantal bestaande situaties is de grenswaarde 41 dB (artikel 3.52, lid 1, onder a sub 1 Bkl); 5. het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78p Bkl); 6. het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78q Bkl). De geluidsregels van het Bkl zijn alleen van toepassing bij het realiseren van geluidgevoelige functies binnen een geluidsaandachtsgebied.
Dit omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeerdrukte, rijsnelheid, afstand van de locatie tot de weg en eventuele afschermende bebouwing. Geluidsaandachtsgebied Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid 30 km/u of minder Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid meer dan 30 km/u Weg bestaande uit 3 of meer rijstroken Lokale spoorweg bestaande uit 1 of 2 sporen Lokale spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen
Breedte (m) 100 200 350 200 350
Tabel: Breedte van het geluidaandachtsgebied vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf, artikel 17.5 omgevingsregeling
Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied. Industrielawaai De beoordelingssystematiek voor gezoneerde industrieterreinen is gewijzigd onder de Omgevingswet. Voor industrieterreinen gaat gewerkt worden met geluidproductieplafonds. Om tot deze nieuwe beoordelingssystematiek te komen, dient een omzetting plaats te vinden. Totdat deze omzetting heeft plaatsgevonden, blijft het eerdere beoordelingskader volgens de Wet geluidhinder van kracht. Voor bedrijven op een gezoneerd industrieterrein geldt volgens artikel 53 Wgh dat de geluidbelasting van alle bedrijven tezamen op de buitenste zonegrens niet meer mag bedragen dan 50 dB(A). Daarnaast is het noodzakelijk dat alle bedrijven tezamen voldoen aan de vastgestelde MTG en hogere waarden bij woningen in de zone rond het industrieterrein.
32
Westervoort Noord, westelijk deel
Voor nieuwbouw binnen de zone van een industrieterrein geldt op grond van artikel 48 van de Wgh een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) en een ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 55 dB(A). Planspecifiek Voorliggend initiatief maakt nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk. Om deze reden is akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 7. Hierin zijn de effecten van geluid door wegverkeer, railverkeer en het gezoneerde industrieterrein IJsseldijk evenals de nieuwe basisschool met kinderopvang in het plangebied meegenomen. Op de geluidseffecten van de nieuwe school is ingegaan in paragraaf 4.2. Wegverkeerlawaai Uit het onderzoek blijkt dat voor een aantal woningen sprake is van een geluidsbelasting boven de standaardwaarde, maar onder de grenswaarde. Er is sprake van een gevelbelasting van 55 dB tot 61 dB. Deze woningen liggen langs een nieuwe weg die wordt uitgevoerd in klinkers. Het is gebruikelijk om hier klinkers te gebruiken omdat asfalt in de regel leidt tot hogere snelheden en daarmee tot een onveiligere situatie. Klinkers passen beter in het straatbeeld van een woonwijk. Andere maatregelen leiden tot bezwaren van stedenbouwkundige of verkeerskundige bezwaren. Aangezien aan de grenswaarde uit het gemeentelijk beleid wordt voldaan, is sprake van een aanvaardbare situatie.
Spoorweglawaai Spoorwegverkeer zorgt voor een aantal gevels voor een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde, maar lager dan de grenswaarde. De belasting is maximaal 63 dB. Een geluidscherm langs het plangebied is niet effectief gezien de hoge ligging van het spoor. Een geluidscherm langs het spoor kan de gevelbelasting op een aantal lagere bouwlagen verminderen tot onder de standaardwaarde, maar dit geldt niet voor de hogere verdiepingen. De overwogen maatregelen stuiten daarmee op bezwaren. Aangezien aan de grenswaarde uit het gemeentelijk beleid wordt voldaan, is sprake van een aanvaardbare situatie. Industrielawaai Aan de IJsseldijk 1 te Westervoort is het bedrijf Struyk Verwo Infra Westervoort gelegen. Het idee is dat dit bedrijf de activiteiten alhier staakt en elders voort zet. Echter, die verplaatsing is nog niet afgehecht en daarom wordt bij vaststelling van dit wijziging omgevingsplan wel rekening gehouden met het milieueffect. Het effect dat ervaren wordt is dat van het geluid. Dit bedrijf is gelegen op een gezoneerd industrieterrein waarbij de geluidzone mede tot stand is gekomen met het geluid van twee naastgelegen bedrijven: V.O.F. Handelsonderneming Reijmer (IJsseldijk 26, Westervoort) en Putman Groep B.V. (IJsseldijk 3, Westervoort).
De zonegrens waaraan getoetst moet worden is opgenomen in het bestemmingsplan Westervoort Noord 2015, vastgesteld op 1 februari 2016. Op onderstaande afbeelding zijn de geluidcontouren te zien van de drie bedrijven als ook de vastgestelde zonegrens.
Westervoort Noord, westelijk deel
33
Afbeelding geluidcontouren en zonegrens. Bron: DGMR. Groene dikke stippenlijn, dunne zwarte stippenlijn en 'naambordjes': Buro SRO
In het akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat voor acht gebouwen de geluidbelasting vanwege het industrieterrein hoger is dan 50 dB(A), namelijk ten hoogste 55 dB(A). Voor de betreffende woningen zijn de hogere waarden voor het geluid van dit industrieterrein voorafgaand aan de vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan verleend. De maximale geluidsniveaus op de nieuwe woningen voldoen aan de standaardwaarden en aan de grenswaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. Gezamenlijk en gecumuleerd geluid Het gecumuleerde geluid wordt op basis van de methode Miedema afgewogen. Voor nagenoeg alle woningen wordt de akoestische kwaliteit als matig tot goed beoordeeld. Enkel voor de woningen op de school wordt de akoestische kwaliteit als slecht beoordeeld. Het gezamenlijk geluid wordt in de planregels vastgelegd. Dat in elk geval de binnenwaarde gehaald wordt is geborgd via het Bbl. Daarnaast is voor een aantal gebouwen aandacht nodig om ervoor te zorgen dat er sprake zal zijn van een geluidluwe gevel conform het gemeentelijk beleid. Het gaat om de gebouwen die in het akoestisch onderzoek zijn genummerd als 17, 18, 91 en 92. Dat dit wordt getoetst bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen is in de regels geborgd.
Indirecte akoestische effecten In het onderzoek zijn ook de effecten van het plan op de gevelbelasting op bestaande omliggende woningen onderzocht. Uitgangspunt van dit onderzoek is de gehele woonwijk Westervoort Noord. Op basis hiervan is geconcludeerd dat het plan niet leidt tot een wezenlijk ander geluid bij de bestaande woningen. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
34
Westervoort Noord, westelijk deel
4.8
Omgevingsveiligheid
Planspecifiek Met dit plan worden nieuwe kwetsbare gebouwen toegevoegd en dient gekeken te worden of dit past in het kader van evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de omgeving van het plangebied zijn risicobronnen gelegen. Ten behoeve van het plan is een advies opgesteld door de Omgevingsdienst voor het hele woningbouwplan Westervoort Noord, welke in bijlage 8 is opgenomen. Deze adviezen worden opgevolgd. Geconcludeerd wordt dat het plaatsgebonden risico van de relevante risicobronnen geen belemmering vormt voor het voorgenomen initiatief. Bepaalde deelgebieden van het plan liggen binnen een brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied . In dit kader is het groepsrisico verantwoord. Daarnaast zijn de mogelijkheden voor bestrijdbaarheid, zelfredzaamheid en geneeskundige hulpverlening voldoende onderzocht. De veiligheidsregio heeft hierover geadviseerd, zie bijlage 9. De gemeente Westervoort acht de externe veiligheidsrisico’s verbonden aan het initiatief voldoende laag en aanvaardbaar. Het restrisico wordt geaccepteerd. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.9
Trilling
Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Trilling wordt gezien als een milieubelastende activiteit. In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Vastgelegd wordt welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Bkl. Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen trillingen. Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat.
Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 22.87a van de Bruidsschat. Planspecifiek Nabij het plangebied is een spoorlijn aanwezig die trillingen kan veroorzaken. Om die reden is een trillingsonderzoek uitgevoerd, welke is opgenomen in bijlage 10. Hierin wordt geadviseerd binnen 40 meter (zone 0) van het spoor geen woningen te bouwen. Voorliggend plan voorziet daar ook niet in. Voor woningen in zone 1 en 2 (40-65 resp. 65-105 meter afstand) wordt geconcludeerd dat woningbouw mogelijk is, maar dat er mogelijk trillingen ervaren kunnen worden. De ervaren trillingen kunnen worden verminderd door maatregelen aan de bouwwijze en wijze van funderen te treffen. Ook de oriëntatie van de gebouwen heeft invloed op de ervaren trillingen. Binnen deze zones worden woningen mogelijk gemaakt. De exacte oriëntatie, bouwwijze en wijze van funderen van deze woningen ligt nog niet vast. Bij de verdere uitwerking wordt waar mogelijk trilling zoveel mogelijk beperkt.
In zone 3 (vanaf 105 meter) vormt trilling geen aspect meer. In de regels is geborgd dat aan de standaardwaarden van het Bkl zal worden voldaan, of dat een hogere waarde
Westervoort Noord, westelijk deel
35
wordt toegestaan met een omgevingsvergunning op basis van een onderbouwing waaruit blijkt dat redelijkerwijs niet aan de standaardwaarden voldaan kan worden. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.10
M.e.r.-beoordeling
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.rbeoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.beoordelingsprocedure. Beoordeling of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit. 1. De eerste stap is te kijken of het project past binnen de omschrijving van een project in kolom 1. 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen. 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt.
Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3. a. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 2? Dan geldt voor het project een 'project-merplicht'. b. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-merbeoordelingsplicht'. Als er voor het project een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit, dan wordt die omgevingsvergunning aangemerkt als het besluit in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 11.8 onder 3 van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er dus ook voor omgevingsvergunningaanvragen die niet in kolom 4 staan wel de mer-(beoordelings)plicht. Planspecifiek Het onderhavige initiatief behelst de ontwikkeling van een woonwijk en school. Dit valt onder een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie J11 Bijlage V Omgevingsbesluit). Het opstellen van een merbeoordelingsnotitie is daarom nodig. Deze is opgenomen in bijlage 11. Hierin is geconcludeerd dat er geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Het plan is niet mer-plichtig.
36
Westervoort Noord, westelijk deel
Hoofdstuk 5
Goede omgevingskwaliteit
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.
5.1
Zorgvuldig ruimtegebruik
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Raad van State heeft ook aangegeven dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m² of een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m². De Ladderonderbouwing beschrijft de behoefte aan de ontwikkeling. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen. Planspecifiek Voorliggend initiatief betreft het realiseren van een woonwijk met 390 woningen en een basisschool.
Hoofdstuk 3 is ingegaan op verschillende beleidsdocumenten. Uit deze documenten blijkt dat voorliggend initiatief zowel kwalitatief als kwantitatief voorziet in de woningbehoefte zoals gesteld in de Woondeal regio Arnhem-Nijmegen. De behoefte aan een basisschool volgt deels uit de toename van het aantal bewoners van Westervoort als gevolg van de woningbouwontwikkeling. De planlocatie is binnenstedelijk. Dat betekent dat er sprake is van inbreiding. Er wordt geen niet-stedelijke grond ontwikkeld. In de Omgevingsvisie Westervoort is het plangebied ook al aangewezen voor wonen & natuurontwikkeling. Daarmee is de locatie passend voor de ontwikkeling. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
5.2
Archeologie, cultuurhistorie en landschap
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming).
Westervoort Noord, westelijk deel
37
Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Planspecifiek Cultuurhistorie en landschap Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zoals (rijks)monumenten of andere waardevolle objecten zoals landschapselementen die behoudenswaardig zijn aanwezig.
Archeologie Er is onderzoek gedaan naar de verwachte archeologische waarde in het plangebied. Uit een inventariserend veldonderzoek, zie bijlage 12, is gebleken dat er binnen het plangebied drie archeologisch relevante niveaus aanwezig zijn. Bij voorkeur worden archeologische vindplaatsen beschermd in plaats van opgegraven. Hierdoor wordt schade aan het bodemarchief beperkt of voorkomen en wordt het toegankelijk gehouden voor toekomstig archeologisch onderzoek. In voorliggend plan zal, door middel van het ophogen van het maaiveld, archeologisch vriendelijk gebouwd worden. Dit betekent dat de gebieden met een hoge archeologische waarde feitelijk onaangetast blijven. Hoe dit aangepakt wordt is te lezen in een notitie Archeologieduurzaam bouwen (bijlage 13). Deze werkwijze is, mede na overleg met de regioarcheoloog, akkoord bevonden. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan is een beschermingsregeling opgenomen, deze blijft van toepassing. Op het moment dat de omgevingsvergunning aangevraagd wordt zal daaraan getoetst worden. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
5.3
Ecologie
De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijven ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Het beoordelen van de effecten van een planontwikkeling op beschermde gebieden is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de nog te bepalen datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.
38
Westervoort Noord, westelijk deel
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren.
Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en faunaactiviteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Planspecifiek Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een onderzoek gedaan naar deze aspecten, waarvan het rapport is opgenomen in bijlage 14 . De belangrijkste conclusies zijn in het vervolg van voorliggende paragraaf opgenomen. Soortenbescherming Uit het onderzoek blijkt dat aanvullend onderzoek nodig is voor enkele soorten die in het gebied leven. Voor deze soorten is mitigatie en compensatie haalbaar, waarmee er geen reden is aan te nemen dat een eventueel benodigde omgevingsvergunning flora en fauna niet verkregen zou worden. Daarnaast wordt er een ecologisch werkprotocol opgesteld en wordt rekening gehouden met de zorgplicht aangaande algemene zoogdieren, amfibieën en vissen.
Westervoort Noord, westelijk deel
39
Gebiedsbescherming Zogenoemde Natura 2000-gebieden zijn wettelijk beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken (minder stikstofgevoelig) ligt in dit geval op minder dan 1 kilometer en het Natura 2000-gebied De Veluwe (stikstofgevoelig) op circa 3 kilometer. In het kader van een goede ruimtelijke ordening / ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locaties) wordt bij een wijziging van het omgevingsplan nagegaan of voldoende aannemelijk is dat geen sprake is van significante effecten op Natura 2000-gebieden. Voor andere aspecten dan stikstof (zoals ruimtebeslag, verstoring door geluid, verdroging of andere effecten) geldt dat op basis van de voortoets in bijlage 15 negatieve effecten in ieder geval op voorhand zijn uit te sluiten. Voor het aspect stikstof geldt het volgende. Omdat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling sprake is van een tijdelijke stikstofemissies (vanwege bouwwerkzaamheden) en permanente stikstofemissies vanwege het verkeer, kan de beoogde ontwikkeling mogelijk extra stikstofdepositie veroorzaken op voor stikstofgevoelige natuur in beschermde gebieden. Daarom is een stikstofonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 16) voor de totale woningbouwontwikkeling van Westervoort Noord en de nieuwe locatie van de sportvelden.
Daaruit blijkt het volgende. In de bestaande situatie is ook sprake van stikstofemissies, met name vanwege de aanwending van mest (dierlijke mest en kunstmest) op agrarische gronden. Deze emissies vervallen met de beoogde ontwikkeling. De stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden (de Rijntakken, de Veluwe en de verder weg gelegen gebieden) is in de bestaande situatie groter dan in de nieuwe situatie. De beoogde ontwikkeling leidt per saldo (met interne saldering) tot een afname van de stikstofdepositie. Dit geldt zowel voor het totaal van de ontwikkeling Westervoort Noord (deelgebieden A, B, C, D en E), als voor de deelgebieden ABCE en voor het deelgebied D afzonderlijk. Zie de tabel hierna.
Voor het voorliggend plan zijn er dus geen belemmeringen vanuit stikstof. Daarmee is er geen sprake van negatieve effecten op Natura 2000-gebied. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
40
Westervoort Noord, westelijk deel
5.4
Verkeer en parkeren
De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan. Een ruimtelijke ontwikkeling zorgt vaak voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. Planspecifiek De verkeersaantrekkende werking neemt door voorliggend plan toe. Daarom is een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd: zie bijlage 17. Onderzocht is wat die verkeersaantrekkende werking is en hoe die zich verdeelt over het omliggende wegennet. Een andere vraag is of dit wegennet dit aankan en tot slot is er gekeken welke maatregelen dan nodig zijn om het verkeer straks voldoende af te kunnen wikkelen. Het plangebied wordt ontsloten via de rotonde Hamersestraat - Liemersallee.
De rotonde en straat hebben, zo nodig na enkele verkeerskundige maatregelen, voldoende capaciteit voor deze extra verkeersbewegingen. Om de parkeerbehoefte te bepalen is een onderzoek uitgevoerd, dat is opgenomen in bijlage 2 (een bijlage bij de regels. Dit omdat in dit onderzoek ook een norm is opgenomen welke voor dit plan geldt). In dit onderzoek is geconcludeerd dat er rekening houdend met dubbelgebruik voor de functies in het plangebied sprake is van een parkeerbehoefte in de openbare ruimte van 248 parkeerplaatsen. In het plangebied is voldoende ruimte om dit aantal parkeerplaatsen te realiseren, in het stedenbouwkundig plan is dit aantal ruimschoots gehaald. Hiermee wordt voorzien in de parkeerbehoefte binnen het plangebied. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
5.5
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten. De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Planspecifiek Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering.
Westervoort Noord, westelijk deel
41
Wateroverlast Uit de klimaateffectatlas blijkt bij het onderdeel wateroverlast dat er momenteel ter plaatse van het plangebied op enkele locaties wateroverlast verwacht wordt bij een hevige bui. Het plangebied wordt ten behoeve van de ontwikkeling opgehoogd, juist om zaken als wateroverlast te verminderen. Daarnaast worden er wadi's aangelegd waar overtollig water naartoe kan stromen. Hittestress Hittestress kan ontstaan doordat gebouwen, huizen, wegen, en stenen veel warmte vasthouden en deze weerkaatsen. De nabijheid van water en groen vermindert dit effect. De klimaateffectatlas laat zien dat de bebouwde delen van Westervoort die dichter bij de IJssel liggen minder last hebben van hittestress dan de gebieden verder daarvan af. Het plangebied ligt nabij de IJssel. Dit, samen met hoeveelheid groen die voorzien is, maakt dat in het plangebied waarschijnlijk niet veel sprake zal zijn van extreme hittestress. Droogte De klimaateffectatlas laat wat betreft droogte zien dat in het plangebied geen tekorten van grondwater verwacht worden in het geval van een extreem droog jaar. Door het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren, dit kan met behulp van de wadi's, blijft het hemelwater ook in het gebied zelf. Overstroming De klimaateffectatlas laat zien dat het plangebied op relatief korte afstand van de IJssel ligt.
Mochten de dijken bezwijken bestaat er een middelgrote kans (1/30 tot 1/300 per jaar) dat het plangebied overstroomt. Dat is op basis van de huidige situatie. Het plangebied zal verhoogd worden met enkele decimeters, afhankelijk van de exacte locatie. Dit maakt dat de schade in het plangebied in het geval van een overstroming minder zal zijn dan zonder deze ophoging. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
42
Westervoort Noord, westelijk deel
Hoofdstuk 6
Conclusie
Artikel 1.3 van de Omgevingswet, “maatschappelijke doelen van de wet”, bepaalt het volgende: “Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: 1. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en 2. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.” De Memorie van toelichting licht dit verder toe: Met behulp van de wet moet de samenleving in staat zijn om de fysieke leefomgeving op de gewenste kwaliteit te brengen, te houden én tegelijkertijd voldoende ruimte te laten voor activiteiten van burgers en bedrijven. Centraal staat de samenhangende zorg voor de fysieke leefomgeving welke integrale oplossingen moet bevorderen. Integraal betekent niet dat er geen sectorale beleidsdoelen meer zullen zijn. Zo zullen er doelen en randvoorwaarden blijven op het gebied van veiligheid, gezondheid, kwaliteit van ecosystemen, beschikbaarheid van hulpbronnen en behoud van cultureel erfgoed. Het is voor een goede integratie van belang dat sectorale doelen en randvoorwaarden helder en eenduidig zijn, omdat deze het uitgangspunt vormen voor de integrale zorg voor de fysieke leefomgeving.
Mocht het zo zijn dat er in een bepaald geval een norm wordt overschreden dan is er de bestuurlijke afwegingsruimte. Die ruimte kan nodig zijn om (gemotiveerd) af te wijken van een norm in verband met bijvoorbeeld (bijzondere) lokale situaties, complexe gebieden of gebiedsoverstijgende belangen. Om een omgevingsplan te kunnen wijzigen dient het te voldoen aan de wettelijk eis dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om deze vraag te beantwoorden is een afweging nodig tussen alle aspecten met betrekking tot het plan. Van belang daarbij is dat voldaan wordt aan de eisen voor gezondheid en veiligheid. Dit is van belang omdat hiervoor niet één algemene norm is maar dit tot stand komt als optelsom – en – weging van het totaal. Het kan gewenst zijn af te wijken van een, of meerdere, sectorale aspecten om uitvoering van een maatschappelijk gewenste activiteit of maatwerk in het individuele geval mogelijk te maken. Op deze manier kan afgewogen worden waarom een ontwikkeling bijdraagt aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Aan de hand van een voorbeeld is dit makkelijk duidelijk te maken: dat een woning meer geluid ontvangt van wegverkeer dan gewenst maakt nog niet dat het onaanvaardbaar is. Dat geldt voor veel woningen waar mensen gezond en veilig wonen.
Dat geldt ook voor geur, omgevingsveiligheid, trilling, luchtkwaliteit of bodemkwaliteit. Maar als álle zes deze aspecten wat hoger zijn, of drie flink hoger of twee heel hoog – maar binnen de maximale norm – dan kan de conclusie anders zijn. In voorgaande hoofdstukken is ingegaan op die regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor de beoordeling of bij dit plan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Overige regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten zijn niet relevant voor de beoordeling van dit plan en daarom niet beschreven. Dit is in lijn met de Memorie van toelichting paragraaf 2.2 en 4.16.4. Planspecifiek Het woon- en leefklimaat in dit plan is in het algemeen goed te noemen. Er zijn twee milieuaspecten die benoemenswaardig zijn daar deze een hogere belasting kennen dan als basiswaarde gewenst is. Dat is geluid en trilling. Het geluid door wegverkeer, spoorwegverkeer, de school en industrie is voor een aantal woningen hoger dan de standaardwaarde, maar duidelijk onder de grenswaarde. Voor de woningen boven de school is de akoestische kwaliteit als slecht beoordeeld. Bij de overige woningen is de akoestische kwaliteit als matig tot goed beoordeeld. Zie hiertoe ook paragraaf 4.7. Met gevelmaatregelen wordt geborgd dat in alle woningen de binnenwaarde voldoende zal zijn.
Daarnaast wordt bij de woningen boven de school en bij enkele andere
Westervoort Noord, westelijk deel
43
woningen waar dit nodig is verplicht dat de woning een geluidluwe gevel heeft. Ook is in een aantal woningen nabij het spoor mogelijk trillingshinder te ervaren. Bij de uitwerking van de bouwplannen wordt waar mogelijk trilling zoveel mogelijk beperkt, aan de hand van de suggesties hiervoor in het onderzoeksrapport. Er wordt gestreefd naar een optimaal woon- en leefklimaat in iedere woning. Daarom zijn regels opgenomen waarmee het realiseren van voldoende gevelwering, geluidluwe gevels en bouwtechnische maatregelen om trillingen te beperken worden geborgd. Omdat er mogelijkheden zijn om met maatregelen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te behalen in iedere woning, is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er verder ook geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de eisen voor gezondheid en veiligheid: ook als optelsom -en de weging daarbij- geldt dat gezien hetgeen in hoofdstuk 4 en 5 is te lezen (“veilige en gezonde fysieke leefomgeving“ en “een goede omgevingskwaliteit”) dit plan voldoet aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
44
Westervoort Noord, westelijk deel
Hoofdstuk 7 7.1
Juridische planbeschrijving
Inleiding
Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. De TAM is primair bedoeld om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen blijven faciliteren. Kort gezegd houdt TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).
7.2
Juridische systematiek
Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, wordt juridisch wel voldaan aan de regels van de Omgevingswet. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding bij het plan. Dit plan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken: • Preambule; • Hoofdstuk 1: Inleidende regels; • Hoofdstuk 2: Functieregels; • Hoofdstuk 3: Algemene regels; • Hoofdstuk 3: Overgangsregels.
7.3
Toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan
Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een [hoofdstuk 22a] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van [hoofdstuk 22a] van het omgevingsplan Westervoort. Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Voorrangsregel (artikel 1a) In de regels staat ook de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan beschreven. Er is een voorrangsregel opgenomen waarin staat dat het bouw- en gebruiksrecht van dit plan op deze locatie voorgaat op het bouw- en gebruiksrecht zoals dat in de geldende bestemmingsplannen staat. In dit geval vervallen de bestemmingen Agrarisch, Sport, Water en Waterstaat - Waterkering en wordt deze vervangen door bestemmingen Dienstverlening, Gemengd, Groen, Verkeer, Water, Wonen, Woongebied en Waterstaat Waterstaatwerk met bijbehorende gebruik- en bouwregels. Overige regels en daarbij behorende aanduidingen en dubbelbestemmingen blijven gelden op basis van de geldende bestemmingsplannen. Zo blijven de regels over archeologie uit het Parapluplan archeologie en afwijkingsregels Westervoort gelden.
Hetzelfde geldt voor de regels uit het Parapluplan Parkeren Westervoort en de regels behorend bij de 'veiligheidszone – bedrijven' uit het bestemmingsplan Westervoort Noord 2015.
Westervoort Noord, westelijk deel
45
7.4
Beschrijving per functie
Onderhavig initiatief kent de volgende functies: • Dienstverlening, voor een kleine strook die behoort tot Hamersestraat 7. Hier gaat de bestemming Sport vanaf. • Gemengd, ten behoeve van de school en appartementen. • Groen, ten behoeve van de hoofdgroenstructuur • Verkeer, voor de hoofdontsluitingsweg. • Water, voor bestaande watergangen. • Wonen, voor twee agrarische percelen, die een woonfunctie krijgen, zonder bouwmogelijkheden. Ook krijgt een kleine strook die al behoort tot de woning Hamersestraat 1 deze functie. Hier gaat de bestemming Sport vanaf. • Woongebied. Hierbinnen zijn woningen, wegen, groen en bijbehorende voorzieningen toegestaan. Voor het aantal woningen is per functievlak een minimum en een maximum opgenomen. Het maximum aantal woningen voor het hele plan staat in de regels en is lager dan een optelsom van alle maxima per functievlak. Dit zorgt ervoor dat er enige uitvoeringsvrijheid is qua situering van woningaantallen, maar dat het maximum wel vast staat.
46
Westervoort Noord, westelijk deel
Hoofdstuk 8
Overige aspecten
Behalve de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient ook ingegaan te worden op de aspecten participatie, kostenverhaal en vooroverleg. In dit hoofdstuk worden deze aspecten behandeld om te kunnen beoordelen of het plan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.
8.1
Participatie
Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad kan aangeven in welke gevallen participatie verplicht is en hoe dat vorm gegeven kan worden Planspecifiek Voor dit plan heeft een uitgebreid participatietraject plaatsgevonden. In bijlage 18 is daarvan het verslag te vinden.
8.2
Kostenverhaal
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Voor het verlenen van de dienst om stukken te beoordelen en samen met de initiatiefnemer uit te werken worden op basis van de legesverordening leges geheven. Maar het verhaal van te maken overheidskosten heeft ook betrekking op werken, werkzaamheden en maatregelen zoals bijvoorbeeld kosten voor het aanleggen van openbare voorzieningen zoals wegen, parkeren, civiele voorzieningen etc. Dit kostenverhaal kan publiekrechtelijk vormgegeven worden via het Omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Overheid en initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: de 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie. Planspecifiek Voor dit plan en de verplaatsing van de sportvelden heeft de gemeenteraad een grondexploitatie vastgesteld waarbinnen de gehele ontwikkeling financieel mogelijk wordt gemaakt.
8.3
Vooroverleg
In het kader van bestuurlijk vooroverleg is overleg gevoerd met de relevante belanghebbende instanties. De provincie is bekend met het plan. Het waterschap heeft aangegeven graag een waterhuishoudkundig plan te zien en geen belemmeringen voor het plan te zien. Het waterhuishoudkundig plan wordt in een latere fase opgesteld.
Westervoort Noord, westelijk deel
47
48
Westervoort Noord, westelijk deel
Bijlagen bij de motivering
Westervoort Noord, westelijk deel
49
Bijlage 1
50
Stedenbouwkundig ontwerp
Westervoort Noord, westelijk deel
Bijlage 2
Quickscan waterhuishouding
Westervoort Noord, westelijk deel
51
Bijlage 3
52
Grondwatermodellering
Westervoort Noord, westelijk deel
Bijlage 4
Toelichting waterberging
Westervoort Noord, westelijk deel
53
Bijlage 5
54
Bodemonderzoek
Westervoort Noord, westelijk deel
Bijlage 6
Geuronderzoek
Westervoort Noord, westelijk deel
55
Bijlage 7
56
Akoestisch onderzoek
Westervoort Noord, westelijk deel
Bijlage 8
Advies Omgevingsveiligheid
Westervoort Noord, westelijk deel
57
Bijlage 9
58
Advies Veiligheids- en gezondheidsregio
Westervoort Noord, westelijk deel
Bijlage 10
Trillingsonderzoek
Westervoort Noord, westelijk deel
59
Bijlage 11
60
M.e.r.-beoordelingsnotitie
Westervoort Noord, westelijk deel
Bijlage 12
Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek
Westervoort Noord, westelijk deel
61
Bijlage 13
62
Notitie archeologisch vriendelijk bouwen
Westervoort Noord, westelijk deel
Bijlage 14
Quickscan Flora en Fauna
Westervoort Noord, westelijk deel
63
Bijlage 15
64
Voortoets Natura 2000
Westervoort Noord, westelijk deel
Bijlage 16
Stikstofonderzoek
Westervoort Noord, westelijk deel
65
Bijlage 17
66
Verkeeronderzoek
Westervoort Noord, westelijk deel
Bijlage 18
Participatieverslag
Westervoort Noord, westelijk deel
67
68
Westervoort Noord, westelijk deel
Regels Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Westervoort Noord, westelijk deel en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22a]) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Westervoort. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22a] van het omgevingsplan van de gemeente Westervoort. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22a]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22a]' gelezen worden.
Westervoort Noord, westelijk deel
69
70
Westervoort Noord, westelijk deel
Hoofdstuk 1 Artikel 1 a.
b. c.
Inleidende regels Toepassingsbereik
In afwijking van het bepaalde in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, te weten bestemmingsplan Westervoort Noord 2015, artikel 16 Verkeer, Correctieve herziening, Westervoort Noord 2015, artikel 3 Agrarisch, artikel 6 Sport, artikel 8 Water en artikel 12 Waterstaat -Waterkering met de daarbij horende begrippen, en wijze van meten, gelden voor de locatie als bedoeld in het derde lid de regels zoals opgenomen in dit hoofdstuk. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Westervoort Noord, westelijk deel waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0293.OPWTVNRD02-VS01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
Artikel 2
Begripsbepalingen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk. Aanvullend daarop gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk de volgende begripsbepalingen: aan huis verbonden bedrijf een bedrijf dat in een (gedeelte van) of bij een woning wordt uitgeoefend en dat is gericht op het vervaardigen van producten en/of het leveren van diensten, door de bewoner van de woning, voor zover geen sprake is van een milieubelastende activiteit waarvoor een vergunning- of meldingsplicht geldt. aan huis verbonden beroep een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend door de bewoner van de woning, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. aanduidingsvlak een op de plankaart aangegeven vlak met eenzelfde aanduiding, begrensd door een aanduidingsgrens. bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. bebouwingspercentage een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van (een deel van) het bouwvlak aangeeft, dat maximaal mag worden bebouwd, tenzij in de regels anders is bepaald.
Westervoort Noord, westelijk deel
71
bedrijf een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen. bestaand • bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van terinzagelegging is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald; • bij gebruik: het gebruik dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald. bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. bijgebouw een op zich zelfstaand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. bouwgrens de grens van een bouwvlak.
bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder. bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels van een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel. bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. erf al dan niet bebouwde perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw.
72
Westervoort Noord, westelijk deel
erker een uitbouw van het hoofdgebouw met de omvang en uitstraling van een uitgebouwd venster, veelal gelegen voor het verlengde van de voorgevel. extensieve dagrecreatie recreatief medegebruik van gronden zoals wandelen, paardrijden, fietsen, varen, zwemmen en vissen. functiegrens de grens van een functievlak. functievlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie. gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. hoofdgebouw gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die door het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is. kwadrantwoning woning waarbij zowel de achtergevel als een zijgevel van de ene woning direct grenst aan een achtergevel of zijgevel van een andere woning. maatschappelijke voorzieningen culturele, educatieve, medische, sociale en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening met uitzondering van een ziekenhuis, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen.
peil de hoogte van het aan de onderste woonlaag aansluitend afgewerkt maaiveld. rug-aan-rugwoning woning waarbij de achtergevel van de ene woning direct grenst aan de achtergevel van een andere woning. voorgevel de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt. woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
Westervoort Noord, westelijk deel
73
Artikel 3
Meet- en rekenbepalingen
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van dit hoofdstuk wordt als volgt gemeten: 3.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is. 3.2 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 3.3 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met dien verstande dat goten van ondergeschikte bouwdelen zoals dakkapellen niet worden meegerekend. 3.4 de horizontale diepte van een gebouw de diepte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de gevel waaraan wordt gebouwd. 3.5 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.