20260622-rv-wijz-opw-wtv-nrd-oost-bijlage-3
Tekst van het document
Westervoort Noord, oostelijk deel Wijziging omgevingsplan - gemeente Westervoort
COLOFON Gegevens over het plan: Plannaam: Identificatienummer: Status: Datum: Projectnummer Buro SRO:
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Westervoort-Noord, oostelijk deel NL.IMRO.0293.OPWTVNRD01-VS01 Vastgesteld 22 juni 2026 44.10.32
Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:
BPD en Nikkels
Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO: Bezoekadres vestiging Arnhem: Telefoon: E-mail: Internet:
Dhr. L. Arends Sweerts de Landasstraat 50, 6814 DG te Arnhem 026 – 35 23 125 arnhem@buro-sro.nl www.buro-sro.nl
2
Westervoort-Noord, oostelijk deel
Inhoudsopgave Motivering Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 Hoofdstuk 6 Hoofdstuk 7 7.1 7.2 7.3 7.4 Hoofdstuk 8 8.1 8.2 8.3
5 Inleiding Aanleiding voor het initiatief Ligging plangebied Leeswijzer Voorgenomen ontwikkeling Huidige situatie Toekomstige situatie Beleid en regelgeving Rijksbeleid en rijksregels Provinciaal beleid en provinciale regels Regionaal beleid Gemeentelijk beleid Veilige en gezonde fysieke leefomgeving Weging van het waterbelang Activiteiten en milieuzonering Bodem Luchtkwaliteit Geur Geluid Omgevingsveiligheid Trilling M.e.r.-beoordeling Goede omgevingskwaliteit Zorgvuldig ruimtegebruik Archeologie, cultuurhistorie en landschap Ecologie Verkeer en parkeren Duurzaamheid en klimaatadaptatie Conclusie Juridische planbeschrijving Inleiding Juridische systematiek Toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan Beschrijving per functie Overige aspecten Participatie Kostenverhaal Vooroverleg
Westervoort-Noord, oostelijk deel
7 7 7 7 9 9 10 15 15 16 18 19 22 22 23 24 25 26 28 30 30 31 33 33 33 35 37 38 39 41 41 41 41 41 43 43 43 43
3
Bijlagen bij de motivering
45
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 12 Bijlage 13 Bijlage 14 Bijlage 15 Bijlage 16 Bijlage 17 Bijlage 18 Bijlage 19 Bijlage 20 Bijlage 21
46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66
Stedenbouwkundig ontwerp Quickscan waterhuishouding Grondwatermodellering Toelichting waterberging Bodemonderzoek oostelijk deel Nader en aanvullend bodemonderzoek Hamersestraat Notitie saneringsaanpak Bodemonderzoek 2006 Vooronderzoek bodem Bodemonderzoek Hamersestraat Akoestisch onderzoek Advies omgevingsveiligheid Advies Veiligheidsregio M.e.r.-beoordelingsnotitie Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek Notitie archeologieduurzaam bouwen Quickscan Flora en Fauna Voortoets Natura 2000 Stikstofonderzoek Verkeeronderzoek Participatieverslag
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3 Hoofdstuk 2 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Hoofdstuk 3 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Hoofdstuk 4 Artikel 15
67 Inleidende regels Toepassingsbereik Begripsbepalingen Meet- en rekenbepalingen Functieregels Groen Natuur Verkeer Water Woongebied Algemene regels Anti-dubbeltelregel Aanvraagvereisten Algemene bouwregels Algemeen gebruiksverbod Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken grenzen Overige regels Overgangsregels Overgangsrecht
69 69 69 71 73 73 73 74 75 75 80 80 80 80 80 80 80 81 81
Bijlagen bij de regels
83
Bijlage 1 Bijlage 2
84 85
4
Beeldkwaliteitsplan Parkeeronderzoek
Westervoort-Noord, oostelijk deel
Motivering
Westervoort-Noord, oostelijk deel
5
6
Westervoort-Noord, oostelijk deel
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het initiatief
De gemeente is voornemens om ter plekke van de agrarische gronden aan de noordzijde van Westervoort een woonwijk te realiseren. Dit plan maakt deel uit van een grotere gebiedsontwikkeling, waarbij een woonwijk wordt gerealiseerd ter plaatse van de sportvelden en de gronden in het plangebied. Omdat deze ontwikkeling niet past in het omgevingsplan van de gemeente Westervoort, maar dit initiatief wel wenselijk is, wordt middels voorliggende wijziging van het omgevingsplan medewerking verleend aan de voorgenomen activiteit. In dit document wordt toegelicht waarom er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) conform de Omgevingswet.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de noordzijde van Westervoort en betreft de agrarische grond ten oosten van de sportvelden en twee agrarische percelen aan de Rivierweg. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Globale ligging plangebied in omgeving (bron: OpenStreetMap)
1.3
Leeswijzer
Deze motivering gaat in op dat deel van het besluit waar het gaat over een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hoofdstuk 2 geeft de beschrijving van de huidige situatie, gevolgd door een beschrijving van de voorgenomen ontwikkeling. In hoofdstuk 3 gaat in het relevante beleid van Rijk, provincie, regio en gemeente. In hoofdstuk 4 en 5 wordt getoetst aan aspecten m.b.t. de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 6 volgt de integrale weging van alle aspecten. Daarna wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de juridische planbeschrijving.
Westervoort-Noord, oostelijk deel
7
Alléén relevante onderwerpen Deze motivering gaat in lijn met de Memorie van Toelichting van de Omgevingswet, paragraaf 2.2 en 4.16.4, in op de regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor het project, het effect van het project op de omgeving. Onderwerpen die niet relevant zijn worden dientengevolge niet behandeld. Deze zijn daarmee niet vergeten noch onbelangrijk, maar slechts niet relevant voor het besluit. Besluit breder dan alleen voorliggende motivering Elk besluit dat op basis van de Omgevingswet genomen wordt is breder dan alleen de motivering dat voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). Enkele aspecten komen altijd voor en daar wordt in hoofdstuk 8 'Overige aspecten' op in gegaan.
8
Westervoort-Noord, oostelijk deel
Hoofdstuk 2
Voorgenomen ontwikkeling
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
2.1
Huidige situatie
Het plangebied is gelegen direct ten noorden van de Westervoort. Het grenst aan natuurgebied Driegaarden. Het gebied sluit aan op de bestaande kleiputten in dit natuurgebied. Op ongeveer 800 meter afstand richting het westen stroomt de IJssel en iets oostelijker ligt de eerste bebouwing, een bedrijventerrein, van Duiven. Het plangebied bestaat uit agrarische gronden (in gebruik als akkerland). Dit gebied heeft een andere structuur dan de naastgelegen gebieden. De oude kavelstructuren zijn rechthoekig en nemen willekeurigere (veelal driehoekige) vormen aan. Het plangebied ligt aan de Hamersestraat. Deze weg verbindt Westervoort met de plaatsen Duiven en Arnhem. Op de navolgende luchtfoto is de huidige situatie weergegeven en daarna een foto vanaf de Keulsebaan over het akkerland richting Driegaarden.
Luchtfoto van het plangebied waarbij het plangebied rood is omlijnd (bron: Pdok)
Westervoort-Noord, oostelijk deel
9
Streetview van het plangebied (bron: Google Maps)
2.2
Toekomstige situatie
2.2 Toekomstige situatie Het stedenbouwkundig plan voor de woningbouwontwikkeling Westervoort Noord bestaat uit twee delen: Oost en West. Dit plan heeft betrekking op het oostelijke deel. Hieronder wordt dit deel kort beschreven. In bijlage 1 is het volledige stedenbouwkundig ontwerp opgenomen, waarin de toekomstige situatie van het totale plangebied is verbeeld en toegelicht. Voor meer informatie over het westelijk plandeel als ook voor meer gedetailleerde informatie over het totale plangebied wordt verwezen naar de bijlage.
Concept stedenbouwkundig plan, deelgebieden West en Oost (bron: Buro SRO)
10
Westervoort-Noord, oostelijk deel
Verkeersroutes Binnen Westervoort Noord zijn 2 grote lanen gelegen welke hoofdzakelijk als fiets-/wandelpad in gebruik zullen zijn. De oostelijke laan gaat in de richting van de bult van Driegaarden en vormt de scheiding tussen het oostelijk en westelijk plandeel.
Uitsnede deelgebied Oost (bron: Buro SRO)
De belangrijkste ontsluitingsroute voor autoverkeer ligt aan de rotonde op de Hamersestraat. Vanaf hier loopt een brede hoofdstraat door het gehele plangebied. De hoofdstraat heeft een breedteprofiel van 15m en bestaat uit een straat met fietsstroken aan beide kanten, een brede groenstrook met grote bomen langs de gehele route en voetpaden aan beide buitenzijden van het profiel. Het gehele oostelijk deel van het plangebied, als ook een deel van het westelijk plandeel kan via deze rotonde bereikt worden.
Westervoort-Noord, oostelijk deel
11
Doorsnede / profiel van de hoofdverkeersontsluiting
Groenzones De buitenranden van het plangebied, worden conform de ideeën uit de gebiedsvisie, zo veel mogelijk als groene randen uitgevoerd. Hierbij ontstaat altijd een spanningsveld tussen de hoeveelheid groen, de grote vraag naar woningen en de financiële haalbaarheid van het plan. De groene rand varieert in breedte van enkele meters tot enkele tientallen meters breed. Op de plekken waar deze rand smaller is, is vaak al sprake van een groene wand door de ligging tegen de kleiputplassen aan. Vanuit deze groene randen zijn op diverse plekken groene inprikkers voorzien die een verbinding vormen tussen het buitengebied van Westervoort (IJsseldijk, Bult van Driegaarden) en de bestaande kern van Westervoort. Zowel in de groene randen als bij de inprikkers zijn laagtes en wandelpaden voorzien. De laagtes (wadi's) zorgen ervoor dat in het geval van flinke hoosbuien hier het water tijdelijk geborgen kan worden. De wandelpaden zorgen ervoor dat bestaande maar ook de toekomstige inwoners van Westervoort een ommetje kunnen lopen langs de groene randen van Westervoort-Noord. Woonvelden Tussen de groene inprikkers en de hoofdinfrastructuur liggen de woonvelden. De woonvelden die direct aan de bestaande kern van Westervoort grenzen bestaan over het algemeen uit langere en grotere woonblokken dan de woonvelden die dichter aan de groene rand gelegen zijn.
Dit principe met grotere bouwblokken en meer woningen aan de zijde van de kern Westervoort en minder intensief (kleinere bouwvolumes) aan de zijde van de groene rand komt voort uit de gebiedsvisie. Daarmee vormen de woonvelden in dichtheid een geleidelijke overgang van de kern Westervoort naar het buitengebied. De woonvelden van Westervoort-Noord bieden plaats aan diverse woningtypes. Een groot deel van de woningen (appartementen meegerekend) is geschikt als levensloopbestendige woning. Daardoor kan Westervoort-Noord een significante bijdrage leveren aan de gewenste doorstroming op de Westervoortse woningmarkt. In de vormgeving van de woonvelden en de straten is er een onderscheid tussen het westelijke deel en het oostelijk deel. Het westelijke deel krijgt een rechtlijnig patroon dat is gebaseerd op de verkavelingsstructuur (strokenverkaveling). Het oostelijk deel is minder rechtlijnig en hier is meer ruimte voor afwijkende patronen wat beter past bij de structuren van de kleiputplassen. Stedenbouwkundige accenten Op enkele plekken in Westervoort-Noord, bij belangrijke entrees van de wijk zijn beeldbepalende bebouwingsaccenten voorzien. Deze plekken vragen extra aandacht in beeldkwaliteit om deze entrees aan te duiden. Een voorbeeld hiervan is het appartementengebouw nabij de rotonde aan de Hamersestraat.
12
Westervoort-Noord, oostelijk deel
Op belangrijke overgangen naar het landschap zijn in plaats van bebouwingsaccenten, accenten in of aan het groen voorzien. Dit zijn woonvolumes die aansluiten op het groen van de groene rand. Bijvoorbeeld in de driehoekige punt tussen beide kleipuntplassen. Hier wordt voorzien in een landelijk opgezet erf met groene buitenruimte en waterbergingsmogelijkheden.
Erfbebouwing met groene buitenruimte
Onderdeel van het plangebied zijn ook de gronden tussen Hamersestraat 33 en 35 (locatie 'Vleeming') . Op dit perceel wordt de agrarische bestemming omgezet in een woonfunctie. Vooralsnog is dat zonder bouwmogelijkheden maar ook hier zullen t.z.t. woningen komen. Beeldkwaliteitsplan Voor het plan is tevens een beeldkwaliteitsplan opgesteld, welke is opgenomen in bijlage 1 bij de regels. In de regels is geborgd dat aan dit beeldkwaliteitsplan wordt getoetst. Woonprogramma voorliggende wijziging van het omgevingsplan Het programma voor voorliggende woningbouwopgave is afgestemd op de woningbehoefte: een mix van zowel vrijstaande, tweekappers woningen, rijwoningen en gestapelde woningen met een variatie in zowel huur als koop en daarbij ook een verschil in de prijzen. Om in te spelen op de marktbehoefte is er enige vrijheid opgenomen in dit plan. De bandbreedte in de verschijningsvorm is als volgt: Oostelijke plandeel, maximaal 220 woningen • minstens 15% en maximaal 30% van de woningen betreft gestapelde woningen; • minstens 50% en maximaal 65% van de woningen betreft rijwoningen (minimaal 3 aaneengebouwd); • minstens 15% en maximaal 30% van de woningen betreft twee-onder-een-kap woningen, geschakelde woningen en/of vrijstaande woningen.
Waarbij de prijsverdeling de volgende is: • Minimaal 25% sociale huurwoningen • Minimaal 35% betaalbare koopwoningen • Maximaal 40% vrije sectorwoningen Dit leidt tot 60% betaalbare woningen en 40% vrije sectorwoningen. In de regels zijn de bandbreedtes voor verschillende woningtypen en prijsklassen bepaald. Er is geen andere
Westervoort-Noord, oostelijk deel
13
bebouwing dan woonbebouwing voorzien.
14
Westervoort-Noord, oostelijk deel
Hoofdstuk 3
Beleid en regelgeving
In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst.
3.1
Rijksbeleid en rijksregels
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Per februari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. Gebiedsgericht De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang.
Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. 3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden. Het gaat hierbij over de instructieregels met het oog op: 1. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; 2. Het behoud van werelderfgoed en cultureel erfgoed; 3. Natuurbescherming. Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden 4. Veiligheid primaire waterkeringen; 5. Veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk; 6. Kwaliteit van de buitenlucht; 7. Waterkwaliteit; 8. Kwaliteit van de zwemlocatie.
Artikel 5.129g van het Bkl bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is.
Westervoort-Noord, oostelijk deel
15
Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. 3.1.3 Nationale woon- en bouwagenda De Nationale woon- en bouwagenda schetst de opgave met betrekking tot volkshuisvesting en noemt daarbij verschillende doelstellingen: • Beschikbaarheid: 900.000 woningen tot en met 2030, waarvan twee derde betaalbaar • Betaalbaarheid: betere aansluiting van woonlasten bij het inkomen • Kwaliteit: voldoende woningen voor aandachtsgroepen en ouderen, perspectief voor kwetsbare gebieden en duurzame huisvesting voor iedereen bereikbaar Vanuit de Nationale woon- en bouwagenda komen zes programma's voort, die elk een eigen doel nastreven. Dit zijn de volgende programma's: • Programma Woningbouw • Programma Betaalbaar wonen • Programma Een thuis voor iedereen • Programma Wonen en zorg voor ouderen • Programma Versnelling verduurzaming gebouwde omgeving • Nationaal programma Leefbaarheid en veiligheid 3.1.4 Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit de NOVI of het Bkl.
Woningbouw op deze locatie sluit aan bij de doelstellingen van het Rijksbeleid. Voor de Laddertoets wordt verwezen naar paragraaf 5.1 waar onderbouwd wordt of er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. De toetsing aan de eventueel van toepassing zijnde omgevingswaarden vindt plaats in hoofdstuk 4.
3.2
Provinciaal beleid en provinciale regels
3.2.1 Provinciale omgevingsvisie Omgevingsvisie Gaaf Gelderland In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld welke de afgelopen jaren op onderdelen is geactualiseerd. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen. De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving.
Deze ambities worden hieronder kort samengevat: • Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten; • Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid; • Een voortvarend en innovatief circulair beleid;
16
Westervoort-Noord, oostelijk deel
• • •
Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit; Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag; Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat; • Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Naast deze zeven ambities blijft het beleid uit de Omgevingsvisie uit 2014 gelden. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden. 3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van instructieregels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen uit het Bkl. Klimaatadaptatie De provinciale omgevingsverordening die op 1 februari 2022 van kracht is geworden bevat de instructieregel klimaatadaptie (2.65b).
Voor zover een plan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de onderbouwing een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. In paragraaf 5.5 is invulling gegeven aan de wijze waarop in dit plan is omgegaan met het voorkomen en/of beperken van de risico's van klimaatverandering. 3.2.3 Toetsing van het initiatief aan het provinciale beleid Het plangebied ligt in een intrekgebied. In de omgevingsverordening zijn regels opgenomen die de kwaliteit van het drinkwater beschermen. Nieuwe ontwikkelingen binnen 'intrekgebieden' mogen geen functies bevatten die de winning van fossiele energie mogelijk maken. Voorliggend initiatief maakt de winning van fossiele energie niet mogelijk. Daarnaast ligt het plangebied in de Gelderse streek Liemers. Hier dient rekening gehouden te worden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. Een van de kernkwaliteiten is een reeks van sterk uitgegroeide kernen Westervoort-Duiven-Zevenaar-Didam.
Het ontwikkeldoel hiervoor is: landschapsversterking doorvoeren in de ontwikkelings-as Westervoort-DuivenZevenaar-Didam, vanwege de stedelijke druk. De doortrekking van de A15 zal invloed hebben op de dynamiek in dit gebied door de betere bereikbaarheid. Dit vraagt zorgvuldige ruimtelijke ordening, gekoppeld aan landschappelijke investeringen. In de huidige situatie is er sprake van agrarische percelen die ingeklemd liggen tussen stedelijke functies en een klein natuurgebied. De nieuwe woonwijk krijgt groene randen, waarmee voor een geleidelijke overgang naar het natuurgebied wordt gezorgd. Daarmee wordt aan de het ontwikkeldoel voldaan. Overige kernkwaliteiten zijn in het plangebied niet aanwezig. In de omgevingsverordening is ook een regel opgenomen waarin staat dat nieuwe woningen alleen toegestaan zijn als de ontwikkeling past binnen de regionale woonafspraken. In paragraaf 3.3.1 wordt het plan getoetst aan de regionale woonafspraken. Hieruit blijkt dat het plan hierbinnen past. Verder worden er in de provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening geen specifieke eisen aan voorliggende locatie gesteld.
Westervoort-Noord, oostelijk deel
17
De activiteit past binnen het beleid en regels van de provincie Gelderland.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1 Woondeal 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen Het beleid van de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen is gericht op het fysieke domein. De organisatie onderscheidt vijf verschillende opgaven, waaronder ook de opgave 'Groene groeiregio'. De regio kent een grote (verstedelijkings-)opgave en een tekort aan woningen. Het doel van deze opgave is het terugbrengen van dit woningentekort. Ook staat het bieden van voldoende (betaalbare) woningen op de agenda. Balans tussen stedelijke ontwikkeling en leefbaarheid dient behouden te blijven. De GMR hanteert twee speerpunten voor deze opgave: 1. Wonen in balans: versnellen van de woningbouw; 2. Leefomgeving: verbinden van de ruimtelijke opgaven. Op 8 maart 2023 is de Woondeal regio Arnhem-Nijmegen geactualiseerd. Met de geactualiseerde Woondeal onderkennen partijen de grote woonopgave in de regio. De woondeal is een pakket met afspraken tussen gemeenten, provincie, rijk, corporaties en marktpartijen, waarmee samengewerkt wordt aan meer woningen en meer betaalbare woningen. Doel van deze woondeal is om tot een gezamenlijke inzet van instrumentarium en middelen te komen om opgaven op de woningmarkt op te pakken. De woondeal bevat een zestal kernafspraken, waar onder woningbouwopgave en versnelling en betaalbaarheid. De Woondeal 2.0 borduurt daarmee voort op de eerste Woondeal uit 2020.
In de woondeal wordt conform de provinciaal bestuurlijke afspraken ingezet op de bouw van minimaal 33.000 woningen tot en met 2030. En richting 2040 zo'n 55.000 woningen. Dit betekent een ophoging van de woningproductie van 3.300 naar zo'n 3.700 woningen per jaar; onder andere door inzet op flexwoningen en ruimte voor alternatieve woonvormen. Daarnaast wordt ingezet op het beter benutten van de bestaande voorraad als (onderbelichte) kans voor het verminderen van de woningnood en het optimaal benutten van de gebouwde omgeving bij de groei van het aantal kleinere huishoudens, als kans voor het vergroten van leefkwaliteit in bestaande wijken, én voor het realiseren van de ambities van de verstedelijkingsstrategie 'meer landschap meer stad'. Op regionaal niveau wordt toegewerkt naar twee derde deel betaalbare huur- en koopwoningen. Om dit te bewerkstelligen werkt elke gemeente toe naar een nieuwbouwprogramma met minimaal 67% betaalbare woningen en minimaal 30% in de sociale huur. Met het addendum Woondeal 2.1 worden afspraken geactualiseerd voor de periode 2031-2034, waarin de bouw van 17.800 woningen wordt nagestreefd, waarvan minstens 67% betaalbaar en 30% sociale huur 3.3.2 Toetsing van het initiatief aan het regionale beleid In de twee wijzigingen van het omgevingsplan voor heel de woonwijk Westervoort Noord gezamenlijk zijn 610 woningen opgenomen.
Het woningbouwprogramma bestaat voor 25% uit sociale huurwoningen, 33% betaalbare huur- en koopwoningen een 42% vrije sector koopwoningen. Het programma voor Westervoort Noord bestaat derhalve voor 58% uit betaalbare woningen. In de Woondeal 2.1 is vastgelegd dat Westervoort vanwege de grote hoeveelheid betaalbare woningen in de bestaande voorraad mag afwijken van de afgesproken 30% sociaal. Het totale woningbouwprogramma van de gemeente Westervoort bestaat uit 25% sociale huur en 2/3 betaalbaar, conform de afspraken in de Woondeal 2.1. Het plan past hiermee binnen de regionale woondeal en is dan ook passend binnen het regionale beleid.
18
Westervoort-Noord, oostelijk deel
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Omgevingsvisie Westervoort Op 27 september 2021 heeft de gemeenteraad van Westervoort de Omgevingsvisie Westervoort vastgesteld. Hierin streeft de gemeente Westervoort naar het behouden en versterken van een gezonde, veilige, vitale, duurzame, leefbare en aantrekkelijke leefomgeving. Voor nu en voor de toekomst. Om dit te bereiken heeft de gemeente de Omgevingsvisie Westervoort opgesteld als stip op de horizon voor de fysieke leefomgeving van Westervoort in 2040. De visie is opgesteld in samenspraak met meerdere partijen waaronder gebruikers van de leefomgeving zoals inwoners, maatschappelijke instellingen, bedrijven en verenigingen. De omgevingsvisie sluit aan bij nationaal, regionaal en lokaal beleid. De inhoudelijke basis voor deze omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1. Historie: De gemeente Westervoort heeft een rijke geschiedenis waar we op voortbouwen. 2. Richtinggevende waarden: belangrijk zijn onder andere vitale, sterk onderling verbonden sociale gemeenschap, de aantrekkelijke leefomgeving en de uitstekende voorzieningen van de gemeente Westervoort. 3. Ruimtelijke kwaliteiten: de kenmerken van het landschap, het erfgoed en de manier van wonen in de gemeente Westervoort dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente. 4.
Ontwikkelingen & toekomstperspectief: Leidraad voor de toekomst is dat we ruimte willen bieden aan de ontwikkelingen, recht doen aan ruimtelijke kwaliteiten, maatwerk leveren op basis van de leefomgevingskwaliteiten en zorg dragen voor natuur en milieu. Dit doen we samen met alle gebruikers van de leefomgeving. Planspecifiek In de Omgevingsvisie is de ambitie om het gebied Westervoort Noord tot woningbouw te ontwikkelen beschreven. In de visiekaart (zie navolgende uitsnede) is het plangebied ook aangewezen als Uitbreidingslocatie wonen.
Uitsnede Omgevingsvisie Westervoort
Westervoort-Noord, oostelijk deel
19
Het plan draagt daarnaast bij aan de ambitie om een meer evenwichtige opbouw van de woningvoorraad te bereiken door het realiseren van meer middeldure en dure woningen. Ook worden er woningen die aansluiten bij de woonvraag van de groeiende groep één- en tweepersoonshuishoudens gebouwd, waaronder appartementen in verschillende prijsklassen. Ook zal er sprake zijn van duurzame nieuwbouw en een groene aankleding van de wijk, wat de gemeente in haar omgevingsvisie ook ambieert. Voorliggend plan past binnen de ambities van de Omgevingsvisie Westervoort. 3.4.2 Woonvisie Westervoort 2021-2030 De kracht van Westervoort: betaalbaar wonen in een echte woongemeente. Westervoort wil haar kwaliteiten als woongemeente koesteren en versterken. Met als resultaat: goed wonen in een aangename woongemeente voor jong en oud, nu en in de toekomst. Om dit te bereiken wil de gemeente samen met haar woonpartners aan de volgende thema's werken: • Beschikbaarheid & betaalbaarheid van het wonen; • Duurzame kwaliteit van de bestaande woningvoorraad: aantrekkelijke, geschikte en energetisch; • Kwaliteit van woningen in wijken; • Nieuwe woningen; • Wonen voor aandachtsgroepen. De gemeente streeft ernaar dat er in 2030 voldoende geschikte woningen voor jongeren zijn die in hun eigen dorp willen blijven wonen en een aantrekkelijk aanbod voor doorstromers die een stap willen maken in hun wooncarrière.
De vergrijzing is op een goede manier gefaciliteerd, waardoor mensen die te maken krijgen met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen in eigen woning en woonomgeving. Planspecifiek De ontwikkeling van de woonwijk in voorliggend plan draagt bij aan een versterking van en het koesteren van de kwaliteit van Westervoort als woongemeente. Er wordt een mix aan woningtypen gerealiseerd waarmee er voor veel verschillende doelgroepen extra aanbod wordt gecreëerd: voor zowel jongeren, doorstromers en ouderen worden geschikte woningen mogelijk gemaakt. Het plan sluit daarmee aan bij de ambities van de Woonvisie Westervoort 2021 - 2030. 3.4.3 Omgevingsplan Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan (archeologieverordening (artikel 38, Monumentenwet 1988), geurverordening (artikel 6, Wet geurhinder en veehouderij), verordening afvoer regen- en grondwater (artikel 10.32a, Wet milieubeheer), hogere waarde besluiten (artikel 110a, Wet geluidhinder), vastgestelde veiligheidscontouren (artikel 14, Besluit externe veiligheid inrichtingen) en de bruidsschat. Hierna wordt per aspect de ontwikkeling getoetst op strijdigheden.
Om te bepalen of het initiatief past binnen het omgevingsplan, wordt getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan dat één op één is overgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden Om te bepalen of het initiatief past binnen het omgevingsplan, wordt getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan dat één op één is overgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan is het geldende bestemmingsplan: 'Correctieve herziening, Westervoort Noord 2015' Op grond van dit tijdelijk deel van het omgevingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch'. Daarnaast geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding opgenomen.
20
Westervoort-Noord, oostelijk deel
Uitsnede tijdelijk deel omgevingsplan (bron: omgevingsloket)
Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan Het initiatief is in strijd met regels voor gebruik en bouwen (activiteit gebruik en bouwen). 3.4.4 Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk beleid De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente. De ontwikkeling is echter in strijd met de regels van het omgevingsplan. Daarom wordt het omgevingsplan gewijzigd waarvoor onderhavige onderbouwing is opgesteld.
Westervoort-Noord, oostelijk deel
21
Hoofdstuk 4
Veilige en gezonde fysieke leefomgeving
In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de aspecten die samen bepalend zijn voor de vraag of met de voorgenomen ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving ontstaat en behouden blijft voor nu en in de toekomst.
4.1
Weging van het waterbelang
Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem.
De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld: • Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en (4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow); • Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow); • Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor de ontwikkeling moeten worden getroffen.
Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder. Planspecifiek Binnen het plangebied zijn geen (beschermingszones van) beschermde waterkeringen/watergangen aanwezig. Ten behoeve van voorliggend initiatief is een verkennend onderzoek (quickscan) naar de waterhuishouding uitgevoerd als ook een grondwatermodellering, zie bijlage 2 en 3. In het verkennende onderzoek wordt ingegaan op de waterhuishoudkundige aspecten in en om het plangebied en wordt het planvoornemen getoetst. Naar aanleiding daarvan is in de grondwatermodellering geadviseerd om een planhoogte (de hoogte van de bovenkant van de weg) van +10,4 meter NAP aan te houden. Dit betekent een ophoging van, afhankelijk van de precieze plek, 1 tot 7 decimeter waardoor wateroverlast in het plangebied voorkomen wordt. In bijlage 4 is een de waterbergingsbehoefte berekend en aangegeven hoe hieraan kan worden voldaan. Hieruit volgt dat er voldoende ruimte in het plan is voor de benodigde waterberging. Bij feitelijke realisatie, de bouw- en civiele werkzaamheden in het veld, is pas bekend hoeveel verhard oppervlakte er exact gerealiseerd
22
Westervoort-Noord, oostelijk deel
wordt als ook hoe e.e.a. civiel uitgevoerd wordt. In het nog op te stellen waterhuishoudkundig plan wordt dat, mede in overleg met het Waterschap, opgepakt. Het waterschap is hiervan op de hoogte en kan zich in deze aanpak vinden. Het nog op te stellen waterhuishoudkundig plan zal voldoen aan de regels en randvoorwaarden zoals vastgelegd in de Waterschapsverordening van het Waterschap Rijn en IJssel en de meest actuele versie van de uitgangspuntennotitie 'water in ruimtelijke plannen', het watertakenplan de Liemers 2022 – 2026 en de leggergegevens watersysteem en waterkring van het waterschap Rijn en IJssel. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.2
Activiteiten en milieuzonering
Bedrijven (die milieubelastende activiteiten uitvoeren/ ondernemen) kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe gevoelige functie nabij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden. Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven Milieuzonering” van de VNG uit 2009 is een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden tussen gevoelige functies en milieubelastende activiteiten gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden. Planspecifiek Het bedrijventerrein Het Ambacht ligt nabij het plangebied. Binnen dit bedrijventerrein zijn aan bedrijven milieucategorieën toegekend aan de hand van de VNG-richtlijn 2009. Er is een afstand van ca. 50 meter tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde bedrijf met milieucategorie 2 en een afstand van ca. 75 meter tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde bedrijf met milieucategorie 3.1.
Het plan voldoet hiermee aan de richtafstanden voor deze milieucategorieën zoals voorgeschreven in de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering, VNG 2009'. Er is dus geen sprake van milieubelastende activiteiten die effect hebben op het plangebied. School In de noordwestelijke, aangrenzende, planontwikkeling is een school met BSO voorzien. In de bijhorende buitenruimte zal ook een speelplaats komen waar kinderen zullen spelen en dientengevolge ook geluid zullen produceren. Een dergelijke functie trekt ook verkeer en ook dat maakt geluid. Bewoners van woningen in de omgeving als ook de woningen boven de school zullen dit geluid horen. Dat maakt dat dit deel van het plan ook geen rustig woongebied is maar een gemengd gebied. Bewoners boven de school als ook in de omgeving zullen dit ervaren. In het akoestisch onderzoek dat als Bijlage 11 is opgenomen is de geluidbelasting van de school op omliggende woningen berekend.
Westervoort-Noord, oostelijk deel
23
Hieruit volgt dat de geluidbelasting in de dagperiode niet voldoet aan de standaardwaarde. Het hoogst berekende geluid is 53 dB(A), waarbij stemgeluid de maatgevende bron is. In de avond- en nachtperiode voldoet het geluid wel aan de standaardwaarde. Voor het maximale geluidniveau zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving geen standaardwaarden opgenomen. Het hoogste berekende niveau van het geluid is 66 dB(A) in de dagperiode. Dit geluidniveau zit onder de toetswaarden van 70 dB(A) uit het omgevingsplan waarin stemgeluid is uitgezonderd. Aan de geluidwaarden uit het omgevingsplan wordt in alle perioden voldaan voor het LAr,LT en LAmax. Dit betekent dat de school niet belemmerd wordt in haar bedrijfsvoering door de woningen in de omgeving. Bij beoordeling met stemgeluid voldoen de waarden niet aan het Besluit kwaliteit leefomgeving. Maatregelen aan de bron of in de overdracht zijn in deze situatie niet haalbaar. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen, moet worden voldaan aan de grenswaarde van het binnenniveau. Voor de omliggende woningen volstaat een standaard geluidwering van de gevel uit Besluit bouwwerken leefomgeving van tenminste 20 dB. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.3
Bodem
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen; • te zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • de resterende historische verontreinigingen en aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Planspecifiek Wonen is een bodemgevoelige functie. Daarom is bodemonderzoek uitgevoerd. Voor het oostelijk deel van het plangebied is een verkennend en aanvullend onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als bijlage 5.
De belangrijkste conclusie van dit onderzoek is dat er geen sprake is van onaanvaardbare bodemverontreiniging behoudens op perceel 5711 (inmiddels vernummert naar A 8126). Daar is sprake van bodemverontreiniging met OCB's. Die afkorting staat voor organochloorbestrijdingsmiddelen en zijn de restproducten die vaak gevonden worden in (voormalige) landbouwgronden. Bij het bouwrijp maken van de locatie dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van circa 6.500 m³ niet toepasbare grond. Dit zal gebeuren via het aanbrengen van een leeflaag waarmee deze verontreiniging verticaal afgeperkt wordt. Zie hiertoe ook een onderzoek uit 2024 dat als bijlage 6 is te vinden bij dit plan en bijlage 7 met daarin een notitie over de saneringsaanpak. Binnen de exploitatie van deze wijk wordt hier rekening mee gehouden. Borging dát dit ook zo geschiedt verloopt via bodemonderzoeken bij de aanvragen omgevingsvergunning voor het bouwen en bodemregels. Voor het westelijk deel van het plangebied is in 2006 een verkennend onderzoek uitgevoerd (8). Hierin is geconcludeerd dat er een aantal streefwaarden overschreden worden maar de tussenwaarden vanuit optiek
24
Westervoort-Noord, oostelijk deel
van de Wet Bodembescherming werden niet overschreden. Gezien het gebruik van deze gronden sindsdien is voor grote delen van dit onderzochte gebied te verwachten dat de bevindingen gelijkluidend zullen zijn. Uit een vooronderzoek, uitgevoerd voor het hele plangebied in het najaar '23 (bijlage 9), valt ook op te maken dat voor het westelijke deel van het plangebied nog steeds aangenomen kan worden dat de bodem geschikt is voor woningbouw. Binnen de exploitatie van het gehele plan is er ruimte om met eventuele strengere normen dan welke er in 2006 golden om te gaan gelijk zoals dat hiervoor voor het oostelijke deel is geconcludeerd. Nieuw bodemonderzoek wijst uit dat er geen noemenswaardige verontreiniging gevonden zijn. Voor de locatie aan de Hamersestraat is ook een bodemonderzoek verricht, dat is te vinden in bijlage 10. Gelet op de bevindingen uit dit onderzoek is er niets op tegen te komen tot de beoogde herontwikkeling tot woningbouw op enkele kleine aandachtspunten (asbestvezels in de grond ter hoogte van de afwateringszone van de schuur met een maximale omvang van 3 m3). Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.4
Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de 'omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit' opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een resultaatverplichting; • het initiatief leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het initiatief draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. Niet in betekenende mate (NIBM) Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig.
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een initiatief binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een initiatief de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een initiatief in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De
Westervoort-Noord, oostelijk deel
25
aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 (aanwijzing agglomeraties richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: • bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit • bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; • bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Op plekken waar mensen relatief kort verblijven, als het gaat om arbeidsplaatsen (bedrijventerreinen en bedrijfswoningen) en op locaties waar mensen niet kunnen komen is toetsing aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit niet nodig. Planspecifiek Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief Het dichtstbijzijnde toetspunt voor luchtkwaliteit bij het plangebied is de CIMLK-receptor wegverkeer 09212509_15467994. Deze ligt op de kruising van de Brugweg/Dorpsstraat/Zuidelijke parallelweg, op ongeveer 480 meter afstand. In de tabel hieronder zijn de totale concentraties van stikstofdioxide, fijnstof en de fijnere fractie van fijnstof weergeven. Hieruit blijkt dat de totale concentraties ruim onder de gestelde grenswaarden liggen.
Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. NO2 PM10 PM2,5 (fijnere fractie (stikstofdioxide) (fijnstof) van fijnstof) 3 3 Gemeten totale concentratie 10,88 µg/m 15,27 µg/m 8,68 µg/m3 3 jaargemiddelde 2020 (µg/m ) Grenswaarde concentratie 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3 (µg/m3) De concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Bijdrage van het initiatief Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde van 3% (artikel 5.54 Bkl). Standaardgevallen NIMB zijn bijvoorbeeld woonwijken (met of zonder nevengebruikfuncties zoals scholen) van maximaal 3.000 woningen met twee ontsluitingswegen. Voorliggend initiatief blijft ver onder de 3.000 woningen. Daarmee, en op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het initiatief, is te concluderen dat dit initiatief 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof kan daarom achterwege blijven. Tevens ligt het plangebied niet binnen de genoemde aandachtsgebieden (artikel 5.51 luchtkwaliteit in aandachtsgebieden) voor stikstofdioxide en/of fijnstof.
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.5
26
Geur
Westervoort-Noord, oostelijk deel
In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten. De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden.
In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft. Geurgevoelig gebouw Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied
Standaardwaarde 2,0 ouE/m3
Grenswaarde 8,0 ouE/m3
3,0 ouE/m3
14,0 ouE/m3
8,0 ouE/m3
20,0 ouE/m3
14,0 ouE/m
35,0 ouE/m3
Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw
In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze. Voor dieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden gelden afstandseisen. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden. Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (gevel-gevel afstand).
Westervoort-Noord, oostelijk deel
27
Planspecifiek Voorliggend initiatief voorziet in het realiseren van woningen, welke aangemerkt worden als geurgevoelige gebouwen. In de omgeving van het plangebied zijn geen intensieve veehouderijen aanwezig. Daarom kan op voorhand worden gesteld dat er geen veehouderijen worden belemmerd in hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden door voorliggend initiatief en dat er in de nieuwe woningen op het gebied van geur sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.6
Geluid
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels van het Bkl over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel. Geluidbronsoort Standaardwaarde, in dB. Grenswaarde, in dB. Rijks- en provinciale wegen. In Lden 50 60 Gemeente- en waterschapswegen. In Lden 53 70 Hoofd- en lokale spoorwegen. In Lden 55 65 Industrieterrein Lden 50 55 Lnight 40 45 Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en.3.35 Bkl
Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluidsniveau door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Minder geluid dan de standaardwaarde of het geluid op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan, is aanvaardbaar (artikel 5.78m, lid 1 en lid 2 Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van artikel 5.78, lid 3 Bkl bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden: • op een aangewezen geluidgevoelig gebouw: 1. op de gevel, als het gaat om een aanwezig geluidgevoelig gebouw 2. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw • op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen • in geval van een binnenwaarde, in een geluidgevoelige ruimte. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze: 1. geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78n, lid 1, onder a Bkl); 2.
de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78n, lid 1b Bkl); 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige,
28
Westervoort-Noord, oostelijk deel
4.
5. 6.
landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78n, lid 2 Bkl); besluit tot geluidwerende maatregelen als het geluid in een geluidgevoelige ruimte hoger is dan de grenswaarde in geluidgevoelig ruimte (binnenwaarde) (artikel 3.52 Bkl). De karakteristieke geluidwering van deze ruimte is minstens 3 dB groter dan het verschil tussen het gezamenlijk geluid en de grenswaarde. Deze grenswaarde in geluidgevoelig ruimte is meestal 36 dB. In een beperkt aantal bestaande situaties is de grenswaarde 41 dB (artikel 3.52, lid 1, onder a sub 1 Bkl); het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78p Bkl); het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78q Bkl).
De geluidsregels van het Bkl zijn alleen van toepassing bij het realiseren van geluidgevoelige functies binnen een geluidsaandachtsgebied. Dit omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeerdrukte, rijsnelheid, afstand van de locatie tot de weg en eventuele afschermende bebouwing. Geluidsaandachtsgebied Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid 30 km/u of minder Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid meer dan 30 km/u Weg bestaande uit 3 of meer rijstroken Lokale spoorweg bestaande uit 1 of 2 sporen Lokale spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen
Breedte (m) 100 200 350 200 350
Tabel: Breedte van het geluidaandachtsgebied vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf, artikel 17.5 omgevingsregeling
Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied. Planspecifiek De nieuwe woningen zijn geluidsgevoelige objecten. Daarom is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, dat is opgenomen in bijlage 11. Hierin zijn de effecten van geluid door wegverkeer, railverkeer en het gezoneerde industrieterrein IJsseldijk evenals de nieuwe basisschool met kinderopvang van het naastgelegen plan meegenomen. Op de geluidseffecten van de nieuwe school is ingegaan in paragraaf 4.2. Wegverkeerslawaai Uit het rapport blijkt op de woningen die grenzen aan de Hamersestraat de gevelbelasting van 61 dB bedraagt. Hiermee is sprake van een overschrijding van de standaardwaarde. Het akoestisch rapport bevat een afweging van maatregelen waaruit blijkt dat schermen op deze locatie leiden tot bezwaren van verkeerskundige en stedenbouwkundige aard. Voor de gebouwen die in het onderzoek zijn genummerd als 118, 119 147 en 149 is het nodig ervoor te zorgen dat er sprake zal zijn van een geluidluwe gevel conform het gemeentelijk beleid. De gemeente heeft inmiddels besloten om de maximale snelheid te verlagen naar 30 km/u. Op de woningen langs de Hamersestraat bedraagt de geluidsbelasting dan 55 dB. Daarmee wordt voor deze woningen voldaan aan het gemeentelijk beleid.
Daarnaast zijn er in het overige gebied verschillende woningen met een geluidsbelasting boven de standaardwaarde. In de meeste gevallen is sprake van een gevelbelasting van 55 dB, op enkele woningen van 56 dB. Deze woningen liggen langs een nieuwe weg die wordt uitgevoerd in klinkers. Het is gebruikelijk om hier klinkers te gebruiken omdat asfalt in de regel leidt tot hogere snelheden en daarmee tot een onveiligere situatie. Klinkers passen beter in het straatbeeld van een woonwijk. Andere maatregelen leiden tot bezwaren van stedenbouwkundige of verkeerskundige bezwaren. Aangezien ook bij die woningen aan de grenswaarde uit het gemeentelijk beleid wordt voldaan, is sprake van een aanvaardbare situatie. Het appartementencomplex (in het akoestisch onderzoek aangeduid met nummer 150) heeft een