CConstaterende datWestervoort
Koppel je AI →
Document · PDF

20260622-rv-wijz-opw-wtv-nrd-oost-bijlage-20

Commissie Ruimte en Financien 9 juni 2026, gemeente WestervoortBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling omgevingsplanwijziging Westervoort-Noord, Oostelijk deel3.340 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gebiedsontwikkeling Westervoort Noord mer - beoordelingsnotitie - gemeente Westervoort

COLOFON Gegevens over het plan: Plannaam:

Gebiedsontwikkeling Westervoort Noord

Datum:

31 maart 2026

Projectnummer Buro SRO:

44.10.32

Opdrachtgever:

Gemeente Westervoort, BPD Ontwikkeling B.V., Nikkels Projecten B.V.

Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO:

Luuk Arends

Bezoekadres vestiging Arnhem:

Sweerts de Landasstraat 50, 6814 DG te Arnhem

Telefoon:

026 - 35 23 125

E-mail:

arnhem@buro-sro.nl

Internet:

www.buro-sro.nl

2

Gebiedsontwikkeling Westervoort Noord

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1

Inleiding

4

1.1

Aanleiding

4

1.2

Ligging ontwikkelingsgebied

5

1.3

Leeswijzer

5

Hoofdstuk 2

Wettelijk kader

6

2.1

Algemeen

6

2.2

Toetsing mer-beoordelingsplicht

7

2.3

Algemeen beoordelingskader

7

Hoofdstuk 3

Beschrijving potentiële effecten

9

3.1

Algemeen

9

3.2

Bodemkwaliteit

9

3.3

Luchtkwaliteit

9

3.4

Geluidhinder

9

3.5

Omgevingsveiligheid

9

3.6

Milieuzonering

10

3.7

Water

10

3.8

Ecologische waarden

10

3.9

Cultuurhistorische en archeologische waarden

12

Hoofdstuk 4

mer - beoordeling

13

4.1

Beoordeling

13

4.2

Conclusie

14

Gebiedsontwikkeling Westervoort Noord

3

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

De gemeente Westervoort is vanwege de grote vraag naar woningen voornemens om in Westervoort extra woningen te realiseren. De gemeente heeft daarvoor een ontwikkellocatie ten noorden van de huidige kern Westervoort op het oog. Het is de wens om hier maximaal 610 woningen en 1 basisschool te realiseren. Deze ontwikkeling is verdeeld in twee plannen, waarvan een bestaat uit 390 woningen en 1 basisschool en de ander uit 220 woningen. Omdat sprake is van cumulatieve effecten als gevolg van deze plannen, zijn voorliggende mer-beoordelingsnotitie en de daarvoor relevante onderzoeken uitgevoerd voor de gehele ontwikkeling van de twee plannen. Voor deze ontwikkeling worden twee wijzigingen omgevingsplan opgesteld. Het betreffen beiden nietkaderstellende plannen. De plannen betreffen de aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject en valt daarmee onder nummer J11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Voor een plan dat voorziet in aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject geldt een mer-beoordelingsplicht. In het kader van de Omgevingswet dient te worden beoordeeld of er aanzienlijke milieueffecten kunnen zijn. Voorliggende mer-beoordelingsnotitie beschrijft de effecten van de plannen op het milieu en geeft aan of er aanzienlijke milieueffecten op (kunnen) treden.

4

Gebiedsontwikkeling Westervoort Noord

1.2

Ligging ontwikkelingsgebied

Het ontwikkelingsgebied is gelegen aan de noordzijde van Westervoort, ter plaatse van de huidige sportvelden en akkerland. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van de plangebieden in de omgeving.

Globale ligging plangebieden (bron: openstreetmap.org)

1.3

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het wettelijk kader gegeven en wordt het plan getoetst aan het Omgevingsbesluit. Vervolgens worden in hoofdstuk 3 de mogelijke effecten van de ontwikkeling op het milieu beschreven. In hoofdstuk 4 is vervolgens de mer-beoordeling opgenomen.

Gebiedsontwikkeling Westervoort Noord

5

Hoofdstuk 2 2.1

Wettelijk kader

Algemeen

Voor activiteiten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (mer) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken op basis van de Omgevingswet. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De mer onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een project en (milieuvriendelijker) alternatieven. De mer is wettelijk verankerd in afdeling 16.4 van de Omgevingswet. Naast de Omgevingswet is het Omgevingsbesluit (hoofdstuk 11 en bijlage V) belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een project de mer-procedure moet worden doorlopen. Voor een plan of project kan een mer-plicht bestaan waardoor een MER opgesteld moet worden. In bepaalde gevallen kan een merbeoordeling worden uitgevoerd, waarmee wordt getoetst of er bij het plan of project aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Als hieruit blijkt dat aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten is er geen mer nodig en hoeft er geen MER te worden gemaakt. Zijn aanzienlijke milieueffecten niet uitgesloten, volgt een mer en moet een MER worden gemaakt. Directe merplicht In de volgende situaties is sprake van een directe mer-plicht: 1. Het besluit betreft een plan of programma dat kader vormt voor besluiten voor mer-(beoordelings)plichtige projecten.

In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal voor andere instrumenten per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Een 'kader' moet concreet genoeg zijn en is in zekere mate bindend voor een later besluit. Een plan of programma is kaderstellend als het criteria of modaliteiten bevat voor de goedkeuring of uitvoering van projecten door het bevoegd gezag, dat uiteindelijk toestemming moet geven voor een project. Bijvoorbeeld criteria voor de locatie, de omvang of de wijze van uitvoering. De inhoud van een plan of programma bepaalt dus deels of er een mer-plicht is. Een omgevingsplan is bijvoorbeeld kaderstellend als het omgevingsplan voor een bijlage V-project een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (opa) voorschrijft. 2. Voor het plan of programma is een passende beoordeling voor natuur nodig. Er zijn een aantal gevallen waarvoor de mer-plicht niet geldt en in plaats van een plan-mer een planmer-beoordeling mag worden opgesteld: 1.

Als het plan kaderstellend is voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar die projecten niet in kolom 1 van bijlage V Omgevingsbesluit staan.

6

Gebiedsontwikkeling Westervoort Noord

2. Als het plan kaderstellend is voor projecten die wel in bijlage V Omgevingsbesluit staan, maar niet uitkomen boven de drempel van kolom 2. Een plan-mer-beoordeling is dan mogelijk als: a) het plan een kleine wijziging van een plan of programma betreft of b) als het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau, waarbij een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. Een klein gebied op lokaal niveau is een gebied dat vergeleken met het grondgebied van de gemeente klein is. Een mer-plicht kan dus ontstaan alleen op grond van het feit dat er een passende beoordeling moet worden gemaakt, ongeacht de uitkomst daarvan. Dit kan ertoe leiden dat een milieueffectrapportage gemaakt moet worden voor een plan waarvan uit een voorafgaande passende beoordeling al is gebleken dat aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten. Artikel 3, lid 3 smb-richtlijn biedt de mogelijkheid van een mer-beoordeling, ook als een passende beoordeling nodig is. Het plan of programma moet dan wel aan de andere voorwaarden voldoen, namelijk kleine gebieden op lokaal niveau of kleine wijzigingen. Als uit de passende beoordeling blijkt dat er geen significant negatieve gevolgen zijn, en er ook anderszins geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn, is een MER niet verplicht.

2.2

Toetsing mer-beoordelingsplicht

Is geen sprake van een directe mer-plicht, dan dient gekeken te worden of conform Bijlage V van het Omgevingsbesluit sprake is van een mer-(beoordelings)plicht. 1. De eerste stap is te kijken of het project past binnen de omschrijving van een project in kolom 1. 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 het betreffende besluit staat dat wordt genomen. 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3. -

Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 2? Dan geldt voor het project een 'merplicht'.

-

Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'merbeoordelingsplicht'.

2.3

Algemeen beoordelingskader

In lijn met 'Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten' dient bij de beoordeling van de milieueffecten ingegaan te worden op: •

Kenmerken van het project. Bij een overweging van de kenmerken van het project zijn de volgende criteria van belang: de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder, het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering en risico's voor de menselijke gezondheid.

•

Plaats van het project. De mate van kwetsbaarheid van het milieu van gebieden waarop het project invloed heeft is afhankelijk van de volgende criteria: het bestaande grondgebruik, relatieve rijkdom aan de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het

Gebiedsontwikkeling Westervoort Noord

7

gebied en het opnamevermogen van het natuurlijke milieu met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden op basis van ecologie, landschappelijke, archeologische en cultuurhistorische waarden en wateraspecten. •

Kenmerken van de potentiële effecten. De potentiële effecten van het project worden bepaald door de kenmerken en plaats van het project, in samenhang met de volgende criteria: de orde van grootte, het ruimtelijk bereik, de aard, het grensoverschrijdend karakter, de intensiteit en complexiteit, de waarschijnlijkheid en de verwachte duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecten. Daarnaast kunnen ook de cumulatie van effecten met effecten van andere projecten en de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen in overweging worden genomen.

8

Gebiedsontwikkeling Westervoort Noord

Hoofdstuk 3 3.1

Beschrijving potentiële effecten

Algemeen

Om de ontwikkeling te beoordelen zoals de wijzigingen van het omgevingsplan deze mogelijk maken, wordt in lijn met het kader als beschreven in par. 2.3 in deze paragraaf ingegaan op de verschillende milieuaspecten die van belang zijn voor de mer-beoordeling.

3.2

Bodemkwaliteit

De plannen maken geen functies mogelijk die een potentieel risico voor de bodemkwaliteit ter plaatse en/of in de omgeving kan vormen. Ten behoeve van de bouwwerkzaamheden zal conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit gewerkt worden waarmee alleen grond met de juiste milieuhygiënische kwaliteit wordt gebruikt. Negatieve effecten op de bodemkwaliteit als gevolg van de plannen zijn dan ook uit te sluiten.

3.3

Luchtkwaliteit

Het belangrijkste mogelijk effect op de luchtkwaliteit is de toename van verkeersbewegingen en de daarbij behorende uitstoot. De cumulatieve woningbouw van beide plannen ten behoeve van de gebiedsontwikkeling van Westervoort Noord betreft 610 woningen en een school. De ontwikkeling heeft daarmee een dusdanige geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, toevoegen 1.500 woningen met of zonder nevengebruiksfuncties zoals scholen) uit het Bkl. Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen die de plannen mogelijk maken is te concluderen dat de plannen 'niet in betekende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Significante effecten op de luchtkwaliteit ter plaatse zijn dan ook uit te sluiten.

3.4

Geluidhinder

In het kader van de plannen is onderzocht of de toename van verkeersbewegingen vanwege de ontwikkeling leidt tot geluidhinder op bestaande omliggende woningen. In het onderzoek is geconcludeerd dat de toename van geluidhinder door wegverkeer op omliggende woningen weliswaar aanwezig is, maar dat deze toename als niet significant beoordeeld wordt. Zie voor het volledige onderzoek de rapportage Akoestisch onderzoek zoals bijgevoegd bij de beide wijzigingen van het omgevingsplan.

3.5

Omgevingsveiligheid

De plannen maken geen risicobronnen mogelijk die extra risico op rampen/ongevallen voor de omgeving met zich mee kunnen brengen.

Gebiedsontwikkeling Westervoort Noord

9

3.6

Milieuzonering

Met een van de plannen wordt het oprichten van een milieubelastende activiteit volgens het Bal mogelijk gemaakt (een basisschool). In de Staat van Bedrijfsactiviteiten opgesteld door de VNG geldt voor basisscholen een richtafstand van 30 meter tot bestaande woningen op basis van het aspect geluid. Binnen 30 meter van de basisschool in het plangebied zijn geen bestaande woningen aanwezig. Buiten de basisschool worden met de plannen geen nieuwe milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt.

3.7

Water

In de plangebieden bevinden zich een aantal greppels en duikers. Met voorliggende plannen wordt de greppel gelegen ten oosten van de huidige sportvelden verlegd naar de oostelijke rand van het plangebied, grenzend aan de kleiputplas, en gecombineerd met de bestaande greppel. Overige greppels blijven gehandhaafd. De helft van het hemelwater wordt door middel van wadi’s binnen de plangebieden geborgen en via het bestaande watersysteem vertraagd afgevoerd. De andere helft wordt buiten het plangebied geborgen. Daarover zijn afspraken gemaakt. Hiervoor bestaan de opties uit de kleiputplassen aangrenzend aan het plangebied en de percelen in het plangebied nabij de snelfietsroute. Het plangebied ligt deels tegen een dijklichaam, de IJsseldijk, aan. Deze dijk is van belang voor de waterveiligheid. Er wordt op een enkele locatie binnen de beschermingszone van deze dijk verharding aangelegd. Hiernaast maakt het plan geen nieuwe activiteiten binnen de beschermingszone van de IJsseldijk mogelijk. Op basis van voorstaande kan geconcludeerd worden dat het effect van het plan op de waterhuishouding en -veiligheid beperkt is.

3.8

Ecologische waarden

Gebiedsbescherming Zogenoemde Natura 2000-gebieden zijn wettelijk beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken (minder stikstofgevoelig) ligt in dit geval op minder dan 1 kilometer en het Natura 2000-gebied De Veluwe (stikstofgevoelig) op circa 3 kilometer. Voor andere aspecten dan stikstof (zoals ruimtebeslag, verstoring door geluid, verdroging of andere effecten) geldt dat op basis van de voortoets (bijlage bij de wijziging van het omgevingsplan) negatieve effecten in ieder geval op voorhand zijn uit te sluiten. Voor het aspect stikstof geldt het volgende. Omdat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling sprake is van een tijdelijke stikstofemissies (vanwege bouwwerkzaamheden) en permanente stikstofemissies

10

Gebiedsontwikkeling Westervoort Noord

vanwege het verkeer, kan de beoogde ontwikkeling mogelijk extra stikstofdepositie veroorzaken op voor stikstofgevoelige natuur in beschermde gebieden. Daarom is een stikstofonderzoek uitgevoerd (bijlage bij de wijzigingen van het omgevingsplan) voor de totale woningbouwontwikkeling van Westervoort Noord en de nieuwe locatie van de sportvelden. Daaruit blijkt het volgende. In de bestaande situatie is ook sprake van stikstofemissies, met name vanwege de aanwending van mest (dierlijke mest en kunstmest) op agrarische gronden. Deze emissies vervallen met de beoogde ontwikkeling. De stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden (de Rijntakken, de Veluwe en de verder weg gelegen gebieden) is in de bestaande situatie groter dan in de nieuwe situatie. De beoogde ontwikkeling leidt per saldo (met interne saldering) tot een afname van de stikstofdepositie. Dit geldt zowel voor het totaal van de ontwikkeling Westervoort Noord (deelgebieden A, B, C, D en E), als voor de deelgebieden ABCE en voor het deelgebied D afzonderlijk. Zie de tabel hierna.

Voor voorliggende plannen zijn er dus geen belemmeringen vanuit stikstof. Daarmee is er geen sprake van negatieve effecten op Natura 2000-gebied. Soortenbescherming Reeds uitgevoerde onderzoeken hebben voor een aantal beschermde soorten aangetoond dat hun aanwezigheid in het plangebied uitgesloten kan worden. Verder onderzoek is noodzakelijk om de aanwezigheid in het plangebied van verschillende soorten broedvogels, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen en libellen en vlinders te bepalen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de plangebieden, reeds vastgesteld in een nader ecologisch onderzoek, betekent dat een vergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk is. Uit verder onderzoek kan mogelijk blijken dat met betrekking tot andere beschermde soorten eveneens een vergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk is. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat een dergelijke vergunning, met de juiste maatregelen, te verkrijgen is. Negatieve effecten op beschermde soorten zijn dan ook uit te sluiten.

Gebiedsontwikkeling Westervoort Noord

11

3.9

Cultuurhistorische en archeologische waarden

Binnen de plangebieden zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zoals (rijks)monumenten of andere waardevolle objecten zoals landschapselementen die behoudenswaardig zijn aanwezig. In de directe omgeving ligt één rijksmonument, namelijk Huis Hamerden. Gezien de afstand tussen de plangebieden en het monument, en de voorziene bomenrij tussen de plangebieden en het monument, zal dit monument niet onevenredig worden aangetast. De plangebieden liggen niet in een archeologisch waardevol gebied zoals de Limes of een AMK-terrein.

12

Gebiedsontwikkeling Westervoort Noord

Hoofdstuk 4 4.1

mer - beoordeling

Beoordeling

Op basis van de beoordeling van de verschillende haalbaarheidsaspecten in relatie tot dit plan zoals opgenomen in de voorgaande paragraaf, kan een conclusie worden getrokken over de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten. Kenmerken van het project Het betreft plannen met een beperkte omvang. Dit gezien de schaal en oppervlakte van de plannen in relatie tot de omvang van de plaats en de gemeente Westervoort. Het gecumuleerde effect van de plannen is in acht genomen door de onderzoeken en voorliggende mer-beoordelingsnotitie gezamenlijk uit te voeren. Cumulatie met de verplaatsing van de sportvelden van Westervoort Noord naar een nieuwe locatie is in acht genomen bij de beoordeling van de effecten op ecologische waarden. Voor andere aspecten is geen sprake van cumulatieve negatieve effecten. In de plangebieden zijn geen natuurlijke hulpbronnen aanwezig die door het plan beperkt of aangetast worden De plannen leiden enkel tot huishoudelijk afval. Het produceren van bijzondere afvalstoffen die kunnen leiden tot een milieueffect is niet aan de orde, dit geldt ook voor verontreinigingen en hinder zoals deze in hoofdstuk 3 zijn behandeld. Ook is er gezien de aard van de plannen geen verhoogd risico voor de menselijke gezondheid omdat de plannen het gebruik van risicovolle stoffen en/of technologieën niet mogelijk maken.

Plaats van het project Op dit moment worden de plangebieden voornamelijk gebruikt als sportaccommodatie en landbouwgrond. De gehele plangebieden wordt intensief gebruikt en/of beheerd. Er is geen sprake van bestaande natuurlijke hulpbronnen in de plangebieden die worden aangetast. Zoals beschreven in hoofdstuk 3 liggen de plangebieden buiten gebieden met gevoelige ecologische, landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden. Kenmerken van de potentiële effecten Met de plannen worden woningen en een school mogelijk gemaakt. Deze worden voor permanent gebruik gerealiseerd en zijn niet van tijdelijke aard. Het betreffen hier functies met een zeer beperkte uitstraling naar de omgeving. Zoals uit hoofdstuk 3 blijkt hebben deze functies geen negatief effect op het milieu en de aanwezige waarden in het gebied en de omgeving. Uit het stikstofonderzoek blijkt dat significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofuitstoot uitgesloten kunnen worden. Gelet op voorstaande zijn aanzienlijke milieueffecten niet aan de orde.

Gebiedsontwikkeling Westervoort Noord

13

4.2

Conclusie

Uit voorgaande beoordeling blijkt dat de plannen een beperkte omvang hebben, niet in een kwetsbaar gebied liggen en geen ontwikkeling mogelijk maken waarbij aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Het opstellen van een passende beoordeling kan leiden tot een m.e.r.-plicht. In dit geval is een passende beoordeling opgesteld. Onder de voorwaarden van artikel 16.36 van de Omgevingswet kan echter worden afgezien van het opstellen van een MER en worden volstaan met een plan-mer-beoordeling. De voorwaarden zijn dat het moet gaan om een relatief klein gebied op lokaal niveau, waarbij een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is én dat zich geen aanzienlijke milieueffecten als gevolg van het plan mogen voordoen. Uit het voorgaande beoordeling blijkt dat het plan niet in een kwetsbaar gebied ligt en geen ontwikkeling mogelijk maakt waarbij aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. De gemeente is bevoegd gezag voor de vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan.

Over de vraag of sprake is van een klein gebied heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘Afdeling’) in twee uitspraken overwogen dat als een plangebied van een bestemmingsplan (nu wijziging omgevingsplan) niet meer dan 1% van het grondgebied van de gemeente omvat, dat dan sprake is van een klein gebied (zie ABRvS 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3910 (N65) en 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1183). In dit geval beslaat het plangebied meer dan 1% van het grondgebied van de gemeente Westervoort. Echter de rol van de Advocaat-Generaal van het Hof van Justitie EU speelt hierin ook een rol. Deze gaat bij de duiding van de kleine gebiedenregeling (die rechtstreeks is te herleiden tot de SMB-richtlijn) uit van een richtcijfer van 5% (ECLI:EU:C:2016:665, punt 68). De twee plangebieden van de gehele ontwikkeling Westervoort Noord gezamenlijk beslaan minder dan 5% van het grondgebied en blijven daarmee onder de grens die de Advocaat-Generaal van het Hof van Justitie EU stelt. Op basis hiervan wordt vastgesteld dat sprake is van een klein gebied. Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 16.36 van de Omgevingswet en wordt geconcludeerd dat verder onderzoek in het kader van hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit niet nodig is: het plan is niet m.e.r.plichtig.

14

Gebiedsontwikkeling Westervoort Noord

Gebiedsontwikkeling Westervoort Noord

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westervoort&id=279665bb-624f-4166-8a0a-82fb9d177437