20260622-bopa-klapstraat-180-bijlage-9-scan-natuur
Tekst van het document
Westervoort Quick scan natuur Gemeente Westervoort
sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling
Ontvangstdatum : 08-06-2026 Documentnummer: D2026-00048518
23 juni 2025, projectnummer 240392
sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling info@sab.nl - www.sab.nl In opdracht van: Contactpersoon:
Jansen Bouwkundig adviseurs J. Jansen
Opsteller:
F. van Wegen
Collegiale toetser:
I.M. Baijens
Datum oplevering: Projectnummer:
23 juni 2025 240392
Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staan bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om aan onze standaard te voldoen, wordt ecologisch onderzoek enkel uitgevoerd door deskundigen zoals bedoeld door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en zoals is beschreven in artikel 7.197j, lid 2, onder a van de Omgevingsregeling. Ecologen in opleiding tot deskundige werken altijd onder begeleiding van een deskundige. Dat neemt niet weg dat ecologisch onderzoek altijd een momentopname is. De bescherming van Rode lijstsoorten en soorten van bijlage IX van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) onder de specifieke zorgplicht Omgevingswet (Ow) is nieuw. De concrete interpretatie van de beschreven onderzoekslast en invulling van te nemen maatregelen, is nu nog niet duidelijk. Dit zal door middel van jurisprudentie op termijn duidelijk(er) worden. Tot die tijd maken wij op basis van wat redelijkerwijs kan worden gevraagd een eigen inschatting van de onderzoekslast en te nemen maatregelen voor de betreffende soorten. Indien dit in de toekomst leidt tot onvolledigheden of onjuistheden in dit rapport, zijn wij hiervoor niet aansprakelijk te stellen.
SAB is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassing van de resultaten van de werkzaamheden, kaartmateriaal inclusief getoonde begrenzingen of andere gegevens verkregen van SAB. De opdrachtgever vrijwaart SAB voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Disclaimer tekst Bij het samenstellen is de grootst mogelijke zorgvuldigheid nagestreefd. Toch kan de informatie in deze uitgave niet juist of onvolledig zijn. SAB is hiervoor niet aansprakelijk. Als u van mening bent dat er beeldmateriaal is gebruikt waarover u het beeldrecht heeft, neem dan contact op via onze website of bovengenoemde adres. Copyright Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen, in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt worden in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
Inhoudsopgave 1
2
3
4
Inleiding
3
1.1
Aanleiding
3
1.2
Besluitgebied
3
1.3
Leeswijzer
5
Beschermde gebieden
6
2.1
Natura 2000-gebieden
6
2.2
Natuurnetwerk Nederland
9
Beschermde soorten
11
3.1
Wettelijk kader
11
3.2
Aanwezigheid biotopen en soorten
12
3.3
Vogels
13
3.4
Planten
17
3.5
Grondgebonden zoogdieren
18
3.6
Vleermuizen
20
3.7
Reptielen
22
3.8
Amfibieën
22
3.9
Vissen
23
3.10
Insecten en andere ongewervelden
23
3.11
Aanvullend onderzoek naar beschermde soorten
24
3.12
Specifieke zorgplicht
24
Conclusie
26
4.1
Beschermde gebieden
26
4.2
Beschermde soorten
26
4.3
Vervolgstappen
27
Geraadpleegde bronnen Bijlage: Tabel soorten NDFF
1 Inleiding 1.1
Aanleiding Op de Klapstraat 180 te Westervoort bevindt zich agrarisch perceel dat in gebruik is als een kippenren. De initiatiefnemer is voornemens om op deze locatie een vrijstaande woning te realiseren. Hiertoe wordt de kippenren verwijderd. Deze ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen het huidige omgevingsplan. Hiervoor dient derhalve een ruimtelijke procedure te worden doorlopen en moet de haalbaarheid van het nieuwe plan worden aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Voorliggende rapportage zet door middel van een bureaustudie/quick scan natuur uiteen of met de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk sprake kan zijn van het verstoren van beschermde natuurgebieden en beschermde soorten en of nader onderzoek hiernaar noodzakelijk is. Omdat geen bomen in het besluitgebied aanwezig zijn vindt geen toetsing plaats aan het aspect beschermde houtopstanden.
1.2
Besluitgebied
1.2.1
Huidige situatie Het besluitgebied bevindt zich aan de rand van de kern van Westervoort (gemeente Westervoort, provincie Gelderland). In de omgeving van Westervoort liggen agrarische gronden, de IJssel, Neder-Rijn en een industrieterrein. In de nabijheid liggen natuurgebieden als Rijnrakken, Unterer Niederrhein en de Veluwe. De directe omgeving van het besluitgebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van woonhuizen en agrarische gronden. Ten westen van het besluitgebied liggen agrarische gronden. Het besluitgebied grenst in het noorden en zuiden aan woningen en in het oosten aan de Klapstraat. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van het besluitgebied weer.
3
Topografische kaart met de ligging van het besluitgebied (rood omkaderd) ten opzichte van de omgeving. Bron: Esri
Luchtfoto met de ligging van het besluitgebied (rood omkaderd). Bron: Esri
Het besluitgebied bestaat uit een agrarisch perceel dat in gebruik is als een kippenren. De vegetatie bestaat uit kort gras. Daarnaast zijn er enkele bloemen aanwezig. Rond het perceel staat een hek met houten palen en gaas.
4
1.2.2
Toekomstige situatie De initiatiefnemer is voornemens om een vrijstaande woning te realiseren op het perceel. Hiervoor wordt de kippenren, bestaande uit kort gemaaid gras verwijderd. Navolgende afbeelding geeft de ontwikkelingen weer.
Stedenbouwkundige schets van de klapstraat 180. Het geruite blok is de beoogde locatie voor de woning (besluitgebied rood omkaderd) Bron: Jan Jansen bouwkundig adviseurs.
1.3
Leeswijzer Het doel van deze quick scan is het toetsen van de beoogde ontwikkeling aan de wet- en regelgeving die voor natuur en ecologie geldt. De bescherming van natuur en ecologische waarden valt net als andere thema’s in de fysieke leefomgeving per 1 januari 2024 onder de Omgevingswet. In het stelsel van de Omgevingswet worden verschillende ‘activiteiten natuur’ onderscheiden die voor het project “Westervoort, Klapstraat 180” van belang kunnen zijn: − Natura 2000-activiteit; − Flora- en fauna-activiteit; In hoeverre deze wet- en regelgeving voor het project gevolgen heeft wordt onderzocht in de hoofdstukken gebiedsbescherming (hoofdstuk 2) en soortenbescherming (hoofdstuk 3).
5
2 Beschermde gebieden Verschillende overheden kunnen beschermde gebieden aanwijzen ten behoeve van het behoud en bescherming van natuur. Dit heeft ook gevolgen voor het type bescherming die deze gebieden genieten. Ter uitvoering van de Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn zijn door de Minister Natura 2000-gebieden aangewezen, zie paragraaf 2.1. Verder kan de minister van LVVN bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet). Ieder provinciaal bestuur geeft invulling aan het natuurbeleid voor zijn provincie. Dat betreft regels voor gebieden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland en andere beschermde gebieden (artikel 2.44 Omgevingswet) maar ze zijn ook verantwoordelijk voor een belangrijk deel van de uitvoering van het rijksbeleid ten aanzien van Natura 2000gebieden binnen de grenzen van de betreffende provincie.
2.1
Natura 2000-gebieden
2.1.1
Wettelijk kader Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/of habitats vastgesteld. Het is verboden om zonder vergunning werkzaamheden of activiteiten uit te voeren die significant negatieve gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Voor Natura 2000-gebieden is dit uitgewerkt als een specifieke zorgplicht (artikel 11.6 Bal). Hiermee worden alle activiteiten verboden die iemand verricht waarvan die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de bescherming van natuur in het betreffende Natura 2000-gebied. Diegene is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, of om die activiteit niet uit te voeren als dit redelijkerwijs mogelijk is. Dit houdt in dat diegene kennis moet nemen van de aanwezige natuurwaarden in het gebied. Daarna moet diegene nagaan of verslechterende of significant verstorende gevolgen worden uitgesloten. Als deze gevolgen niet zijn uit te sluiten, moeten hiervoor passende preventieve maatregelen getroffen worden. Er moet nagegaan worden of deze maatregelen werken. Als blijkt dat deze niet werken moet de activiteit gestaakt worden en moet de schade hersteld worden.
De gevoeligheid van soorten en habitattypen waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden is voor elk Nederlands Natura 2000-gebied samengevat in de ´Effectenindicator´ (Broekmeyer, M. E. A. et al. 2005). In de Effectenindicator worden 19 mogelijke storingsfactoren op soorten en habitats onderscheiden (zie onderstaand overzicht).
6
Mogelijke storingsfactoren op soorten en habitats
Behalve voor activiteiten die effect hebben op het fysieke areaal van een Natura 2000-gebied gaat het ook over activiteiten die in de omgeving van een Natura 2000-gebied plaatsvinden en die elders een effect kunnen hebben, zoals geluid, licht en stikstof; de zogenaamde externe werking. Plannen zoals het in dit rapport genoemde project kunnen met name door stikstofuitstoot een negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Dit is omdat in de Nederlandse Natura 2000-gebieden veel natuurwaarden aanwezig zijn die gevoelig zijn voor en reeds overbelast zijn door uit de lucht neerdalend stikstof. Gegeven het feit dat stikstofemissie, in de vorm van stikstofoxiden (NOx) kan plaatsvinden bij gemotoriseerd verkeer, inzet van sloopwerktuigen, industrie en ook bij de verwarming van huizen, en/of ammoniak (NH3) bij met name veehouderij, is het wettelijk vereist deze emissies in beeld te brengen. In het geval mogelijk sprake is van een problematische stikstofdepositie in een Natura 2000-gebied ten gevolge van de geplande ruimtelijke ontwikkeling, moet een AERIUS-berekening uitgevoerd worden voor de werkzaamheden (aanlegfase) en toekomstig gebruik (gebruiksfase). Als daaruit volgt dat een plan of project mogelijk negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, vindt eerst een globale toetsing plaats: de voortoets.
Als uit de voortoets blijkt dat er zeker geen negatieve gevolgen zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld. Dit wordt door de Provincie beoordeeld of door een omgevingsdienst namens hen. Als de kans op significante gevolgen niet kan worden uitgesloten dan kan, conform artikel 16.53c van de Omgevingswet en artikel 8.74b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) een passende beoordeling worden gemaakt. Die beoordeling moet zekerheid geven dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. In dat geval kan vergunningverlening plaatsvinden (artikel 8.74b, Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)). Geeft die beoordeling deze zekerheid niet, dan kan vergunningverlening alleen plaatsvinden als aan alle volgende voorwaarden is voldaan: − er zijn geen reële alternatieven voor de activiteit; − er is sprake van een dwingende reden van groot openbaar belang; − er vindt natuurcompensatie plaats.
7
2.1.2
Ligging Het besluitgebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Wel liggen in de wijdere omgeving verschillende Natura 2000-gebieden, zie onderstaande kaart. De drie dichtstbijzijnde zijn: − Rijntakken: 0,5 km afstand; − Veluwe: 5,7 km afstand en − Unterer Niederrhein: 12,3 km afstand.
Veluwe
Rijntakken
Unterer Niederrhein
Globale ligging van het besluitgebied (rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebieden in de omgeving (groen). Bron: European Environment Agency
2.1.3
Effectbeoordeling en advies Het projectgebied ligt niet in een Natura 2000-gebied, dus oppervlakteverlies en versnippering van een Natura 2000-gebied zijn niet aan de orde. Het project heeft geen invloed op watersystemen. Daarmee zijn ook de storingsfactoren verzoeting, verzilting, verdroging, vernatting, verandering van stroomsnelheid of overstromingsfrequentie niet van toepassing. De ontwikkeling gaat niet gepaard met een dusdanige uitstoot van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen in de omgeving (stikstofverbindingen niet beschouwd) dat ze in het Natura 2000-gebied verontreinigingen veroorzaken omdat aangenomen wordt dat bij de realisatiefase aan alle daarvoor geldende milieunormen voldaan wordt. Omstandigheden die leiden tot een mogelijke verandering van dynamiek van substraat in een Natura 2000-gebied zijn niet aan de orde. Eventuele verandering in geluid, licht, verstoring door trillingen, optische verstoring en mechanische effecten ten gevolge van het voorliggende plan zullen uitdoven, geabsorbeerd worden en/of overstemd worden door het tussenliggend agrarisch gebied, dan wel ten gevolge van de afstand, voordat dit het Natura 2000-gebied kan bereiken.
Invloed op de populatiedynamiek en bewuste verandering van soortensamenstelling hoeft niet verder onderzocht te worden omdat ten gevolge van afstand en ongeschiktheid van het besluitgebied voor Natura 2000-soorten, er geen uitwisseling of beïnvloeding van individuen plaatsvindt tussen het besluitgebied en een Natura 2000-gebied ten gevolge van de ontwikkeling. 8
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht zijn echter op voorhand niet uit te sluiten aangezien door de realisatie van het project, in de aanlegfase, door de inzet van vrachtwagens en machines stikstofverbindingen uitgestoten worden. Ook in de gebruiksfase kan een stikstofbelasting op omringende Natura 2000-gebieden aan de orde zijn, door de te realiseren woning. In AERIUS-calculator wordt de stikstofneerslag berekend ten gevolge van de beoogde ontwikkeling, over een gebied met een straal van 25 km. Aangezien binnen 25 km van het besluitgebied een Natura 2000-gebied aanwezig is, is een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd (SAB 2025). Uit de AERIUS berekeningen van de aanleg- en gebruiksfase van dit project blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000gebieden. Een omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit in niet nodig.
2.2
Natuurnetwerk Nederland
2.2.1
Wettelijk kader Gedeputeerde Staten zijn verantwoordelijk voor het landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland (artikel 2.31a, lid 1d Ow) in hun provincie en ze kunnen bij omgevingsverordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen (artikel 2.44, lid 5 Ow). De provincie Gelderland spreekt niet van Natuurnetwerk Nederland maar van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Binnen het GNN en de GO staat de bescherming van de kernkwaliteiten centraal. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en omgevingscondities. Per saldo moet elke ontwikkeling in het GNN een verbetering van de betreffende kernkwaliteiten opleveren. De GO heeft een dubbeldoelstelling. Er is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met versterking van de ecologische samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden. Door de samenhang met de aangrenzende en inliggende natuur van het GNN herbergt de GO ook kenmerkende natuurwaarden. Bij ruimtelijke ingrepen in de GO wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwvestiging, uitbreiding van bestaande bestemmingen en de schaal/omvang van de ingreep. Deze provinciale regels met betrekking tot natuurgebieden hebben geen externe werking.
2.2.2
Ligging Het besluitgebied ligt op 140 meter van het Gelders Natuurnetwerk (zie navolgende afbeelding). De uiterwaarden langs de Rijn en de IJssel maken onderdeel uit van het GNN en de groene ontwikkelzone.
9
Globale ligging van het besluitgebied (rood kader) ten opzichte van het Gelders Natuurnetwerk (donkergroen) en de Groene Ontwikkelingszone (lichtgroen). Bron: provincie Gelderland
2.2.3
Effectbeoordeling en advies Aangezien het besluitgebied niet in het GNN ligt, leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. De voorgenomen ingrepen zullen geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN hebben. De bescherming van het GNN en GO staat de uitvoering van de plannen niet in de weg.
10
3 Beschermde soorten 3.1
Wettelijk kader
3.1.1
Beschermingsregimes Voor alle activiteiten in de leefomgeving is de specifieke zorgplicht aan de orde. In de context van deze quick scan betreft de specifieke zorgplicht alle van nature in Nederland levende wilde planten en dieren en gaat het over negatieve gevolgen voor de biodiversiteit. Ingevolge de specifieke zorgplicht is degene die een activiteit verricht verplicht om: − In de eerste plaats alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. − Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. − Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. De specifieke zorgplicht vraagt nadrukkelijk aandacht voor dieren en planten van bijlage II van de Habitatrichtlijn, van het beschermingsregime ‘andere soorten’ (Bijlage Bal) en soorten van rode lijsten1. Daarnaast is voor een aantal soorten door middel van verboden een beschermings-regime opgenomen. Er gelden aparte en strengere beschermingsregimes voor ‘vogelrichtlijnsoorten’ (artikel 11.37 t/m 11.40 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)), en voor ‘habitatrichtlijnsoorten’ (artikel 11.46 t/m 11.48 Bal), zie paragraaf 3.12.
Om na te gaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van beschermde soorten (11.27 sub 2a Bal) wordt in paragrafen 3.3 tot en met 3.10 beoordeeld welke van deze soorten mogelijk in het besluitgebied voor kunnen komen. Indien aanwezigheid van deze soorten niet op voorhand uitgesloten kan worden, eist de provincie meestal dat soortgericht nader onderzoek naar deze soorten moet plaatsvinden om aan te tonen dat de soort daadwerkelijk wel of niet aanwezig is. Deze onderzoekseisen zijn beschreven in paragraaf 3.11. Dit nader onderzoek valt buiten de scope van deze quick scan natuur. Voor soorten die niet onder de specifieke zorgplicht vallen, zoals uitheemse soorten, geldt wel nog de algemene zorgplicht (artikel 1.6 en 1.7 Omgevingswet). Daarnaast moet hoe dan ook voor ieder dier voorkomen worden dat het onnodig lijdt (artikel 11.28 Bal). Kortom ten allen tijden moet bij de uitvoering van werkzaamheden rekening worden gehouden met alle aanwezige dieren, ook als dat niet is voorzien.
1
Op de rode lijsten staan verdwenen, (ernstig) bedreigde, kwetsbare en gevoelige planten en dieren in Nederland. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) stelt de lijsten vast. Zie ook Besluit Rode lijsten flora en fauna: https://wetten.overheid.nl/BWBR0017434/2024-10-03
11
3.1.2
Omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit Schadelijke handelingen die bij ruimtelijke ontwikkelingen aan de orde kunnen zijn, zijn het doden of verwonden van dieren, het verstoren of vernielen van nest- en verblijfplaatsen, of het verdwijnen van essentieel leefgebied wat lijdt tot aantasting van de functionaliteit van nest- en verblijfplaatsen. Indien uit het nader onderzoek blijkt dat een beschermde soort aanwezig is en een schadelijke handeling niet te voorkomen is, kan de provincie onder voorwaarden een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verlenen. In dat geval kan de voorziene ruimtelijke ontwikkeling uitgevoerd worden indien aan de voorschriften van de vergunning wordt voldaan en voldoende mitigerende maatregelen getroffen worden (artikel 8.74j t/m l, Bkl). Indien uit de quick scan blijkt dat een schadelijke handeling uitgesloten kan worden dan is de ruimtelijke ontwikkeling geen flora- en fauna activiteit en is voor dit onderdeel geen omgevingsvergunning nodig.
3.1.3
Vrijstellingen van vergunningplicht Voor het verrichten van een mogelijk schadelijke handeling voor de categorie ‘andere soorten’ is voor een aantal soorten een vrijstelling verleend. Voor deze soorten hoeft geen vergunning aangevraagd te worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Onder ‘andere soorten’ vallen ook zeer algemene diersoorten als gewone pad, ree en veldmuis. De provincie heeft bepaald voor welke soorten dit geldt. Het gaat dan om de soorten: aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos en woelrat. Sommige provincies hebben niet alle schadelijke handelingen vrijgesteld of stellen aanvullende eisen. Zo geldt in de provincie Gelderland geen vrijstelling voor het doden van dieren (artikel 4.4, Regels Omgevingsverordening Gelderland). Daarnaast moet, indien sprake is van opzettelijk vangen, een gespecificeerd vangmiddel gebruikt worden (bijlage III bij Regels Omgevingsverordening Gelderland).
3.2
Aanwezigheid biotopen en soorten
3.2.1
Raadplegen verspreidingsgegevens Om een beeld te krijgen van de aanwezige soorten in het besluitgebied is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd op 19 mei 2025, waarbij waarnemingen van de afgelopen 10 jaar zijn opgevraagd. De volgende soorten zijn opgevraagd: − Vogelrichtlijnsoorten; − Habitatrichtlijnsoorten; − Soorten van het beschermingsregime ‘andere soorten’ (Bijlage IX Bal), zonder de provinciaal vrijgestelde soorten; − Rode lijstsoorten van de categorieën ernstig bedreigd, bedreigd, kwetsbaar en gevoelig. Hiervoor is een straal van 1 km om het besluitgebied aangehouden. De soortenlijst hiervan is te vinden in de bijlage. Daarnaast is aanvullend ook verspreidingsatlas.nl 12
geraadpleegd, waarbij wordt bepaald of het besluitgebied binnen het algehele verspreidingsgebied van de betreffende soort ligt. Verspreidingsgegevens van de bovengenoemde soorten zijn niet alomvattend. Derhalve wordt per soortgroep op basis van de aanwezige biotopen (zie ook paragraaf 3.2.2) nog bekeken of aanvullend soorten aanwezig kunnen zijn. 3.2.2
Aanwezige biotopen Aangezien het besluitgebied een relatief klein oppervlak betreft en ingericht is als weiland is er alleen een bureaustudie uitgevoerd. In het besluitgebied zijn de volgende biotopen aanwezig: − weiland
3.3
Vogels
3.3.1
Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1) Er zijn verschillende vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond worden beschermd. Deze jaarrond beschermde status is vanwege verschillende redenen. Hieronder wordt in meer detail beschreven of en in welke mate het gebied geschikt kan zijn voor de betreffende soorten.
3.3.1.1
Kerkuil De kerkuil komt voor in cultuurland met gras- en bouwlanden die begrensd worden door kruidenrijke akkerranden, houtwallen, heggen of bosjes. Kerkuilen broeden vooral in de hoge, donkere en tochtvrije delen van boerenschuren, kerken, kastelen en torens en bij hoge uitzondering in een holle boom. Tegenwoordig broedt 90 procent van de gevallen in een speciale nestkast. De kerkuil is zeer honkvast en blijft zijn hele leven in de buurt van zijn gekozen leefgebied. De broedlocatie is vaak een andere als de winterverblijfplek (SOVON, 2002). Aanwezigheid Binnen een straal van 1 kilometer is de kerkuil meerdere keren waargenomen volgens de NDFF. In het besluitgebied zijn geen gebouwen aanwezig, waardoor de aanwezigheid van nestlocaties van de kerkuil op voorhand kan worden uitgesloten. De gebouwen in de directe omgeving betreffen woonhuizen, welke naar verwachting niet geschikt zijn als nestlocaties voor de kerkuil. Het perceel van het besluitgebied valt onder halfopen cultuurlandschap. Dit soort landschap kan door de kerkuil gebruikt worden als foerageergebied, waardoor het deel uit kan maken het leefgebied van de kerkuil. Gezien de het gebruik van de landbouwgrond als kippenren zijn hier verscheidene voedselmogelijkheden voor de kerkuil aanwezig, met verschillende soorten muizen.
In de directe omgeving van het besluitgebied zijn grotere percelen van hetzelfde landschapstype aanwezig, waardoor het besluitgebied geen onderdeel uitmaakt van essentieel leefgebied van de kerkuil.
13
Effectbeoordeling en advies Het besluitgebied is mogelijk foerageergebied van de kerkuil. Dit betreft echter geen essentieel foerageergebied omdat er meer en geschiktere gebieden in de directe omgeving aanwezig zijn. Wanneer de werkzaamheden ‘s nachts uitgevoerd worden kan er verstoring plaatsvinden op steenuilen in het besluitgebied en in de directe omgeving. Met name wanneer er uitstralende verlichting in de noordwestelijke richting komt kan er verstoring plaatsvinden op foerageergebied van de kerkuil in de omgeving van het besluitgebied. De werkzaamheden worden bij voorkeur overdag uitgevoerd. Indien er toch in de nacht gewerkt wordt mag er in ieder geval geen licht uitstralen in noordwestelijke richting. 3.3.1.2
Steenuil De steenuil is een honkvaste soort die het gehele jaar in een klein territorium van enkele honderden meters verblijft. Het jachtgebied bestaat uit open terrein met lage vegetatie. Nesten worden het gehele jaar ook als verblijfplaats gebruikt. Nestplaatsen bevinden zich op erven van burgerwoningen, bij boerderijen in agrarisch cultuurlandschap en aan dorpsranden. Nesten worden hier in boomholten, nestkasten of nauwe ruimten in gebouwen gemaakt. De soort broedt vanaf maart tot mei. De jongen vestigen zich op korte afstand van het ouderlijk territorium (SOVON, 2002; BIJ12, 2017). Aanwezigheid Binnen een straal van 1 kilometer is de steenuil meerdere keren waargenomen volgens de NDFF. In het besluitgebied zijn geen gebouwen en opgaande groenstructuren aanwezig, waardoor de aanwezigheid van nestlocaties van de steenuil op voorhand kan worden uitgesloten. De gebouwen in de directe omgeving betreffen woonhuizen, welke naar verwachting niet geschikt zijn als nestlocaties voor de steenuil. Het perceel van het besluitgebied valt onder halfopen cultuurlandschap. Dit soort landschap kan door de steenuil gebruikt worden als foerageergebied, waardoor het deel uit kan maken het leefgebied van de steenuil. Gezien de het gebruik van de landbouwgrond als kippenren zijn hier verscheidene voedselmogelijkheden voor de steenuil aanwezig, met verschillende soorten muizen.
In de directe omgeving van het besluitgebied zijn grotere percelen van een geschikter landschapstype aanwezig met meer variatie. Het besluitgebied maakt mogelijk onderdeel uitmaakt van essentieel leefgebied van de steenuil. Effectbeoordeling en advies Wanneer de werkzaamheden ‘s nachts uitgevoerd worden kan er verstoring plaatsvinden op steenuilen in het besluitgebied en in de directe omgeving. Met name wanneer er uitstralende verlichting in de noordwestelijke richting komt kan er verstoring plaatsvinden op foerageergebied van de steenuil in de omgeving van het besluitgebied. De werkzaamheden worden bij voorkeur overdag uitgevoerd. Indien er toch in de nacht gewerkt wordt mag er in ieder geval geen licht uitstralen in noordwestelijke richting. Daarnaast kan er leefgebied verloren gaan door het plaatsen van het gebouw. Door in de tuin opgaande groenstructuren, zoals bomen en struiken te plaatsen biedt het besluitgebied meer diversiteit dan de kippenren in de huidige situatie en wordt het besluitgebied geschikter voor het leefgebied van de
14
steenuil. Wanneer er geen lichtuitstraling plaatsvindt en er in de tuin opgaande groenstructuren worden gerealiseerd vinden er geen negatieve effecten op deze soort plaats en is nader onderzoek niet noodzakelijk. 3.3.1.3
Overige vogelsoorten Andere vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd, nestelen in of soms bij gebouwen (huismus), in gebouwen (gierzwaluw), op hoge gebouwen (slechtvalk), op richels van bergen of steengroeven en soms op oude roofvogelnesten (oehoe), langs stromende beken (grote gele kwikstaart), in hoge bomen in bos of boomgroepen (buizerd, roek, havik, sperwer, wespendief, zwarte wouw), in oude nesten van kraaien en roofvogels in boomgroepen (boomvalk), in oude nesten van kraaien en roofvogels in vooral naaldbomen (ransuil) of op speciale nestpalen (ooievaar) (SOVON, 2002; vogelbescherming.nl; sovon.nl). Deze elementen zijn niet in het besluitgebied aanwezig. Nesten van deze vogelsoorten worden niet in het besluitgebied verwacht. Aanwezigheid Nesten van deze vogelsoorten zijn niet in het besluitgebied te verwachten, door het ontbreken van bomen, gebouwen en steengroeven in het besluitgebied. De bomen in de omgeving van het besluitgebied bevatten mogelijk potentieel jaarrond beschermde nesten voor roofvogels. De verstoringsvrije afstand tot een nest van roofvogels, in het broedseizoen is doorgaans 75 meter (BIJ12, 2017e). Effectbeoordeling en advies Effecten op overige vogels kunnen optreden door verstoring tijdens de aanlegfase in het broedseizoen.
Wanneer de werkzaamheden buiten het broedseizoen (15 maart – 15 augustus) worden uitgevoerd zijn er met de ruimtelijke ontwikkelingen geen negatieve effecten op de potentieel jaarrond beschermde nesten in de omgeving van het besluitgebied te verwachten. Nader onderzoek is dan niet noodzakelijk. Wanneer het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken is het aan te bevelen om een bomencheck uit te voeren. Indien er potentieel jaarrond beschermde nesten in de omgeving van het besluitgebied aanwezig zijn is onderzoek naar roofvogels noodzakelijk. Effecten tijdens de gebruiksfase worden niet verwacht. De woning wordt gebouwd binnen de bebouwde kom waar al sprake is van woningen en de daarbij horende (geluids)overlast. Indien de dieren hier hinder van ondervinden zouden ze niet in deze omgeving graan broeden.
3.3.2
Vogelsoorten met mogelijk jaarrond beschermd nest (categorie 2) Voor een aantal soorten geldt dat de nesten enkel jaarrond beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Er kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een situatie waar de huidige broedlocatie zal worden vernield en broedlocaties in de omgeving zeer schaars zijn. Een categorie 2-soort is dan niet flexibel genoeg om een andere broedlocatie te vinden. Aanwezigheid
15
Het besluitgebied bestaat uit een kippenren met laag gras. De aanwezigheid van nestlocaties van categorie 2- soorten zijn derhalve niet te verwachten. Effectbeoordeling en advies Door de afwezigheid van potentiële broedlocaties, zijn negatieve effecten met de ruimtelijke ontwikkelingen uit te sluiten. 3.3.3
Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Aanwezigheid In het besluitgebied komen naar verwachting soorten als merel, roodborst en winterkoning voor. Dergelijke soorten kunnen mogelijk in het besluitgebied tot broeden komen. Effectbeoordeling en advies Bij de toekomstige ontwikkeling zouden nesten van broedende vogels in de directe omgeving van het besluitgebied kunnen worden verstoord, wat verboden is onder de Omgevingswet. De periode waarin de meeste vogelsoorten broeden, loopt globaal van half maart tot half augustus, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn beschermd. Om overtreding van de wet te voorkomen adviseren wij om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Ook zullen vogels in en direct rond het besluitgebied geen nest bouwen, omdat te veel verstoring aanwezig is. Indien de werkzaamheden echt in de broedperiode gestart moeten worden, is nader onderzoek naar broedende vogels noodzakelijk. Kort voor de start van de werkzaamheden dient dan door een ecoloog met kennis van vogels door middel van één veldbezoek onderzocht te worden of broedende vogels in en direct rond het besluitgebied aanwezig zijn. Als deze niet aanwezig zijn, kunnen de werkzaamheden starten. Als wel een broedende vogel aanwezig is, mogen de werkzaamheden niet starten.
Er dient dan met een ecoloog met kennis van vogels naar een oplossing gezocht te worden.
16
3.4
Planten De vaatplanten die zijn beschermd middels de Omgevingswet betreffen veelal zeldzame soorten, waarvan de meeste Rode Lijst-soorten, met specifieke groeiplaatsen in met name stabiele en natuurlijke biotopen, zoals bossen, zeeduinen, kalkgraslanden, beekdalen, veengronden en moerassen. Ook is een aantal soorten beschermd die groeit op oude en verweerde muren en zijn enkele zeldzame akkerplanten beschermd. Een deel van de beschermde planten komt alleen voor in Zuid-Limburg. Veel soorten komen voornamelijk voor op kalkhoudende en voedselarme grond (Sparrius et al. 2012). Naast de beschermde vaatplanten zijn er twee mossoorten beschermd. Beide soorten zijn zeer zeldzaam. Tonghaarmuts is in Nederland gevonden in vochtige, jonge wilgenbossen en in jonge aanplant van zomereik. Geel schorpioenmos groeit op moskussens op venig substraat (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingsatlas.nl). Het besluitgebied bestaat uit agrarisch gebied zonder landschapselementen. Het agrarisch gebied wordt intensief gebruikt als kippenren. Beschermde plantsoorten komen hier niet voor. Ook komt het biotoop van de soorten die uit de analyse van verspreidingsgegevens in de omgeving voorkomen in zijn geheel niet overeen. Dit geldt voor de soorten: kartuizer anjer, knolspirea, muurbloem, ruw parelzaad, wilde ridderspoor en zandwolfsmelk.
Daarom kan de aanwezigheid van beschermde plantsoorten in het besluitgebied op voorhand uitgesloten worden.
17
3.5
Grondgebonden zoogdieren Beschermde grondgebonden zoogdieren waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, komen voornamelijk voor in natuurlijke- of half-natuurlijke habitats zoals bos, heide of kleinschalig agrarisch landschap. Een aantal soorten is zeer zeldzaam en komt alleen in Zuid-Limburg voor. Dit geldt voor hamster, hazelmuis, eikelmuis, molmuis, lynx en wilde kat. Ook de wolf is zeer zeldzaam. Andere soorten zoals bever, boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis en wild zwijn komen algemener voor. Met name eekhoorn en steenmarter worden ook regelmatig in meer stedelijk gebied aangetroffen (Lange et al. 2003, verspreidingsatlas.nl).
Volgens de verspreidingsatlas.nl komen de bever, boommarter, bunzing, das, eekhoorn, hermelijn, otter, steenmarter en de wezel in de omgeving van het besluitgebied voor. De aanwezigheid van de bever, boommarter, das eekhoorn en de otter in het besluitgebied kan direct op voorhand worden uitgesloten vanwege het volledig ontbreken van bomen en watergangen. 3.5.1
Kleine marters (bunzing, hermelijn, wezel) De bunzing komt vooral voor in halfopen bossen en uiterwaarden. Daarnaast komen ze ook voor in halfopen landschappen, zowel natuurlijke als door de mens gecreëerde gebieden. Dichte bebossing, naaldbossen en bossen in een laat stadium van successie worden in de regel vermeden. Ze komen voor op zowel droge als natte gronden, met een voorkeur voor oevers langs wateren wegens een voorkeur voor aquatische dieren zoals amfibieën. De bunzing is echter een generalistische predator. De bunzing kan ook in meer verstedelijk gebied voorkomen, met name in de winter. De bunzing maakt gebruik van bovengrondse rustplaatsen en ondergrondse verblijfplaatsen. Verblijfplaatsen kunnen zijn in oude holen van onder andere konijn, vos en das, maar ze wanneer nodig kan de bunzing ook eigen holen graven. Daarnaast kunnen nestplaatsen voorkomen onder steenhopen, boomholtes, holtes/kieren tussen wortels van bomen en takkenrillen (BIJ12, 2024). De hermelijn komt voor in een breed scala van gebieden, waaronder weilanden, klein cultureel landschap, duinen, langs beken en rivieren in beboste gebieden. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nat hooiland en droge gebieden worden vermeden. De omvang van het leefgebied kan afhankelijk van voedselaanbod erg variëren, namelijk tussen de enkele tot honderden hectares.
De prooidieren van de hermelijn zijn voornamelijk konijn, woelrat en aardmuis. Verblijfplaatsen van de hermelijn kunnen voorkomen in tunnels onder mossen, mosbollen, houtstapels, onder/tussen (boom)wortels, boomholtes en holen van ratten, konijnen en muizen (BIJ12, 2024). De wezel is niet gebonden aan een bepaald landschapstype maar heeft een voorkeur voor een kleinschalig (cultuur-) landschap. Daarnaast komen ze voor in bossen, duinen en natuurlijke graslanden als uiterwaarden, weide en akkerland. De aanwezigheid van voldoende dekking in de vorm van bosschages, houtstapels of heggen is
18
essentieel voor de wezel. Echter is dit minder van belang bij een lagere predatiedruk en/of verstoring. De verblijfplaats van de wezel komt met name voor in bedekte, geisoleerde en droge locaties en in mindere mate in open locaties. De verblijfplaats van de wezel is in allerlei soorten holen of openingen en heeft daarbij al genoeg aan een diameter van 2,5 cm. Echter kan een verblijfplaats ook voorkomen in holtes van bomen, tussen/onder boomwortels, holen van rat en mol (BIJ12, 2024). Aanwezigheid en effectbeoordeling Volgens verspreidingsgegevens van NDFF zijn er geen kleine marterachtigen waargenomen binnen 1 kilometer van het besluitgebied. In het besluitgebied zijn geen potentiële verblijfplaatsen zoals takkenhopen en zijn er geen opgaande groenstructuren aanwezig. Het is echter niet uit te sluiten dat kleine marterachtigen incidenteel gebruik maken van de kippenren als foerageergebied. In de omgeving zijn grotere en geschiktere foerageergebieden aanwezig, waardoor het besluitgebied geen essentieel foerageergebied betreft. Nader onderzoek naar kleine marterachtigen is derhalve niet noodzakelijk. 3.5.2
Steenmarter De steenmarter leeft bij voorkeur in een kleinschalig, parkachtig landschap. De soort is met name aanwezig in de nabijheid van dorpen, boerderijen en ook steden. Elementen als groenstroken, heggen, bosjes en greppels zijn belangrijk voor het vinden van voedsel en als dekking. Binnen zijn leefgebied heeft de steenmarter vele schuilplaatsen, zoals boomholtes, takkenhopen, dicht struweel en ruimtes in bebouwing. Hier bewoont de soort bijvoorbeeld zolders, kruipruimtes of ruimtes in de spouw (www.zoogdiervereniging.nl). Aanwezigheid Volgens verspreidingsgegevens van NDFF is op 100 meter van het besluitgebied de steenmarter waargenomen aan de Busserstraat. Voor de steenmarter zijn geen geschikte elementen voor leefgebied in het besluitgebied aanwezig. In het besluitgebied zijn geen schuren, takkenhopen of andere potentiële verblijfplaatsen aanwezig. Het is echter niet uit te sluiten dat de steenmarter incidenteel gebruik maakt van de kippenren als foerageergebied. In de omgeving zijn grotere en geschiktere foerageergebieden aanwezig, waardoor het besluitgebied geen essentieel foerageergebied betreft. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
19
3.6
Vleermuizen Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al. 2011). Volgens de verspreidingsatlas.nl komen bosvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis in de buurt van het besluitgebied voor. Alle vleermuissoorten, alsmede hun verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd volgens de Omgevingswet.
3.6.1
Verblijfplaatsen Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter bijvoorbeeld gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot, achter luiken en in schoorstenen (BIJ12, 2024; Dietz et al. 2011). Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors. Bomen dienen hiervoor een zekere diameter en leeftijd te hebben. Zo hebben vleermuizen genoeg ruimte in de boom. Grofweg zijn loofboomsoorten als eik en beuk jonger dan 60 jaar en naaldboomsoorten jonger dan ongeveer 30 jaar voor een spechtenhol (waar boombewonende vleermuizen vaak gebruik van maken) nog niet geschikt (Zoogdiervereniging & Probos, 2012). Aanwezigheid verblijfplaatsen vleermuizen In het besluitgebied zijn geen gebouwen aanwezig. Tevens zijn er geen bomen aanwezig in het besluitgebied. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Effectbeoordeling en advies Met de ruimtelijke ontwikkelingen zijn geen negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen te verwachten, omdat deze in het besluitgebied niet aanwezig zijn. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
3.6.2
Essentieel foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een 20
essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is beschermd. Aanwezigheid Het agrarische grasland in het besluitgebied vormt geschikt foerageergebied voor vleermuizen. In de omgeving van het besluitgebied zijn gelijkwaardige en geschiktere foerageergebieden in de vorm van bosschages en watergangen. In deze gebieden vindt tevens minder verstoring plaats. Het grasland in het besluitgebied maakt derhalve geen onderdeel uit van essentieel foerageergebied. Effectbeoordeling en advies Met de ruimtelijke ontwikkelingen zijn effecten op essentiële foerageergebieden van vleermuizen uit te sluiten. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. In de directe omgeving kan verstoring optreden door lichtuitstraling. Indien uitstraling van licht voorkomen wordt richting de bomen en graslanden in de omgeving van het besluitgebied is verstoring op foeragerende vleermuizen uitgesloten. 3.6.3
Essentiële vliegroutes Om zich van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben (Limpens et al. 2004). Daarom zijn dergelijke vliegroutes beschermd. Aanwezigheid In het besluitgebied zijn geen lijnvormige elementen aanwezig die potentiële verblijfplaatsen van binnen en buiten het besluitgebied verbindt met geschikte foerageergebieden voor vleermuizen. De aanwezigheid van essentiële vliegroutes kan op voorhand worden uitgesloten. Effectbeoordeling en advies Met de ruimtelijke ontwikkelingen zijn effecten op essentiële vliegroutes van vleermuizen uit te sluiten, omdat deze in het besluitgebied niet aanwezig zijn. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
21
3.7
Reptielen Reptielen komen in ons land voornamelijk voor op de hogere zandgronden, in duin-, bos- of heidegebieden. De ringslang komt daarnaast ook voor in veengebieden en laat zich ook in meer stedelijk gebied zien. Deze soort komt vooral voor ten noorden van de grote rivieren. De muurhagedis is gebonden aan warme, stenige plekken en leeft in Nederland vooral in Maastricht en is daarnaast op verschillende plaatsen uitgezet. (Creemers en van Delft 2009). Volgens de verspreidingsatlas.nl komt de ringslang in de omgeving van het besluitgebied voor. Het besluitgebied bestaat uit een droog agrarisch perceel, waardoor de aanwezigheid van de ringslang op voorhand kan worden uitgesloten.
3.8
Amfibieën Beschermde amfibieën waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, komen voornamelijk voor in en nabij vennen, poelen en slootjes, met helder en schoon water, in heide-, veen- en bosgebied en in de uiterwaarden. De rugstreeppad is ook in de duinen aanwezig. De geelbuikvuurpad, vuursalamander en vroedmeesterpad worden bijna uitsluitend in Zuid-Limburg aangetroffen (Creemers en van Delft 2009, verspreidingsatlas.nl). Volgens de verspreidingsatlas.nl komen de Alpenwatersalamander, kamsalamander, poelkikker en de rugstreeppad in de omgeving van het besluitgebied voor. In het besluitgebied is geen oppervlaktewater aanwezig, waardoor de aanwezigheid van voortplantingswater op voorhand kan worden uitgesloten. In het besluitgebied is is tevens geen oppervlakte water aanwezig, waardoor het landbiotoop van amfibieën tevens uitgesloten kan worden.
3.8.1
Rugstreeppad De rugstreeppad is een bewoner van zandige terreinen met een hoge dynamiek zoals duinen, uiterwaarden, opgespoten terreinen, heidevelden en akkers. Ook komt de soort op minder natuurlijke terreinen voor, zoals braakliggende terreinen of bouwlocaties. Deze soort is een echte pionier die zich ingraaft in kaal braakliggend terrein en haar eitjes legt in ondiepe kale poeltjes en plassen, maar ook slootjes en vennen kunnen geschikt leefgebied zijn. De dieren verlaten half maart de winterverblijfplaats. Voortplanting begint half april en kan doorgaan tot in augustus. Mannetjes verblijven de gehele voortplantingsperiode in het water. Vrouwtjes daarentegen verlaten na de eierafzet het water weer. De rugstreeppad overwintert op het land, de dieren hebben eind oktober allemaal het water weer verlaten (Creemers & van Delft, 2009). Aanwezigheid Op het moment is het uitgesloten dat de rugstreeppad in het besluitgebied voorkomt omdat zanderig terrein en ondiepe poelen ontbreken. Aanwezigheid kan in de
22
huidige situatie van het besluitgebied derhalve op voorhand worden uitgesloten. In de uiterwaarden op circa 500 meter ten westen van het besluitgebied zijn waarnemingen bekend volgens de NDFF. Effectbeoordeling en advies Als het besluitgebied in een later stadium uit braakliggend terrein zal bestaan, is het mogelijk dat de rugstreeppad zich in het besluitgebied zal vestigen. Aangeraden wordt om regenplassen en sporen van zware voertuigen waar regenwater in is blijven staan op zandig terrein, zo snel mogelijk te dempen en het terrein zo kort mogelijk braak te laten liggen. Hiermee kan vestiging van de rugstreeppad worden voorkomen.
3.9
Vissen De beschermde vissoorten zijn veelal zeldzaam voorkomende soorten gebonden aan helder, stromend water van beekjes of rivieren. Een uitzondering hierop is de grote modderkruiper die vooral leeft in langzaam stromend water van sloten, vennen of plassen. De soort komt daar voor op plekken met veel onderwatervegetatie en een goed ontwikkelde waterbodem (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingatlas.nl). Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn waarnemingen bekend van de grote modderkruiper en de kwabaal. Andere soorten komen volgens de verspreidingsgegevens in de omgeving niet voor. In het besluitgebied is geen oppervlaktewater aanwezig, waardoor het is uitgesloten dat vissen, waaronder de grote modderkruiper en de kwabaal in het besluitgebied voorkomen.
3.10
Insecten en andere ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden zijn veelal zeldzaam en eisen een specifiek habitat. Beschermde vlindersoorten komen vooral voor in kruidenrijke en soortenrijke graslanden, heiden, venen en (vochtig) bos (Bos et al. 2006, vlinderstichting.nl). Beschermde libellensoorten leven met name in veengebieden, nabij beekjes of rivieren en bij vennen op de hogere zandgronden (Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie 2002). Beschermde keversoorten zijn gebonden aan oude, rottende bomen in bosgebieden of komen zeldzaam voor in (groter) permanent, helder open water van goede kwaliteit op veengrond (eis-nederland.nl, Janssen en Schamineé, 2004). De Europese rivierkreeft is in ons land nog maar van één plek bekend, op landgoed Warnsborn bij Arnhem. De Bataafse stroommossel is uit ons land verdwenen en de platte schijfhoren komt lokaal voor in laagveengebieden en het rivierengebied, in helder, stilstaand of zeer zwak stromend water met rijke plantengroei, in zowel meren, sloten als plassen (anemoon.org, verspreidingsatlas.nl).
23
Volgens de verspreidingsatlas.nl komen de Bataafse stroommossel, bruin blauwtje, grote vos, grote weerschijnvlinder, kleine parelmoervlinder, platte zwanenmossel, sierlijke witsnuitlibel, sleedoornpage, teunisbloempijlstaart en vliegend hert in de omgeving van het besluitgebied voor. Wegens het ontbreken van bomen, moeras, ruigte en oppervlaktewater kan de aanwezigheid van beschermde ongewervelden op voorhand worden uitgesloten.
3.11
Aanvullend onderzoek naar beschermde soorten Aanvullend onderzoek naar beschermde soorten is in het besluitgebied niet nodig.
3.12
Specifieke zorgplicht Volgens de analyse van de verspreidingsgegevens van de NDFF (bijlage 2) komen ook soorten voor die enkel onder de specifieke zorgplicht vallen en niet onder een strenger beschermingsregime. Het betreft soorten die: − enkel onder bijlage II van de Habitatrichtlijn vallen (hierna: bijlage II-soorten), − op een rode lijst staan, maar enkel onder de specifieke zorgplicht zijn beschermd), − enkel onder het beschermingsregime ‘andere soorten’ vallen en niet vrijgesteld zijn van de schadelijke handelingen. Op basis van de uitgevoerde bureaustudie kan geconcludeerd worden dat de kwaliteit van de aanwezige biotopen voor rode lijstsoorten laag is. De kippenren wordt intensief beheerd en bevat daardoor bevat niet de kwaliteiten voor hoge en zeldzame natuurwaarden. Derhalve kan aangenomen worden dat de Rode lijstsoorten die aangemerkt zijn als ernstig bedreigd en bedreigd niet in het projectgebied voorkomen. Volgens de analyse uit paragraaf 3.2 komen soorten uit de volgende soortgroepen potentieel voor in het besluitgebied: amfibieën, broedvogels en zoogdieren. Om voldoende invulling te geven aan de specifieke zorgplicht adviseren wij de volgende maatregelen uit te voeren: − Voorafgaande aan de werkzaamheden hoog gras kort te maaien zodat het besluitgebied ongeschikt wordt gemaakt voor o.a. amfibieën en zoogdieren.
Hierbij wordt zorgvuldig en op een laag tempo gewerkt en het maaisel dient uit het besluitgebied afgevoerd te worden. Schakel hiervoor indien nodig een gecertificeerd (Kleurkeur) bermbeheerder in; − Het verwijderen van dieren van de bouwplaats als er gerede kans is dat ze beschadigd zullen raken. Als daarvoor dieren van de lijst vrijgestelde soorten opzettelijk gevangen moeten worden, zijn in de provincie Gelderland gespecificeerde vangmiddelen voorgeschreven (bijlage bij artikel 4.4 omgevingsverordening Gelderland);
24
− Werkzaamheden in één richting uit te voeren en van binnen naar buiten zodat eventueel en onbedoeld aanwezige dieren niet ingesloten worden en de mogelijkheid hebben om te vluchten; − De werkzaamheden worden buiten het broedseizoen van vogels (globaal van half maart tot en met half juli) uitgevoerd om verstoring op broedgevallen te voorkomen. Raadpleeg een ecologisch deskundige wanneer er toch in het broedseizoen gewerkt dient te worden; − De werkzaamheden worden, indien mogelijk, zo trillings- en geluidsarm mogelijk uitgevoerd om verstoring van dier- en vogelsoorten te voorkomen; − Vermijd onnodige verstoring van dieren door het gebruik van licht door bij het gebruik van verlichting te kiezen voor armaturen die weinig strooilicht veroorzaken en te voorkomen dat deze uitstralen en/of gericht worden op opgaand groen en/of bebouwing. Als bovengenoemde maatregelen niet genomen kunnen worden, dient een deskundig ecoloog geraadpleegd te worden hierover.
25
4 Conclusie Op de Klapstraat 180 te Westervoort bevindt zich agrarisch perceel dat in gebruik is als een kippenren. De initiatiefnemer is voornemens om op deze locatie een vrijstaande woning te realiseren. Hiertoe wordt de kippenren verwijderd. Voor het doorlopen van een ruimtelijke procedure is het noodzakelijk dat de haalbaarheid van het plan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. In deze quick scan is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het besluitgebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het besluitgebied.
4.1
Beschermde gebieden
4.1.1
Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebied Rijntakken en de Veluwe ligt in de omgeving van het besluitgebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Rijntakken en de Veluwe is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het besluitgebied niet uit te sluiten. Voor andere storingsfactoren is dat wel uit te sluiten. Nader onderzoek naar stikstofdepositie in de vorm van een AERIUS-berekening is daarom uitgevoerd (SAB 2025). Uit de uitgevoerde AERIUS berekeningen blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden ten gevolge van dit project. Er is daarom geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit benodigd.
4.1.2
Natuurnetwerk Nederland Verder blijkt uit de quick scan dat het besluitgebied geen onderdeel uitmaakt van het Gelders Natuurnetwerk of ander provinciaal beschermd natuurgebied aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk.
4.2
Beschermde soorten
4.2.1
Streng beschermingsregime Uit de quick scan blijkt dat de volgende vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd in of in de directe omgeving van het besluitgebied potentieel voor kunnen komen: − Kerkuil − Steenuil
26
In het besluitgebied zijn echter geen potentiële nestlocaties van de kerkuil en de steenuil aanwezig. Verder blijkt uit de quick scan dat de volgende streng beschermde soorten volgens de Habitatrichtlijn of niet vrijgestelde soorten van het beschermingsregime ‘andere soorten’ in of in de directe omgeving van het besluitgebied potentieel voor kunnen komen: − Bunzing − Hermelijn − Steenmarter − Vleermuizen − Wezel In het besluitgebied zijn echter geen potentiële verblijfplaatsen van de bunzing, hermelijn, steenmarter, vleermuizen en de wezel aanwezig. De rugstreeppad komt nu niet voor in het besluitgebied, maar kan bouwterreinen wel makkelijk koloniseren. Geadviseerd wordt om maatregelen te treffen zoals beschreven in paragraaf 3.8 om vestiging van deze soort te voorkomen. Uit de quick scan blijkt dat vogelsoorten waarvan het nest niet jaarrond is beschermd in de directe omgeving van het besluitgebied tot broeden kunnen komen. Tref derhalve de preventieve maatregelen zoals beschreven in paragraaf 3.3.3.2 om een schadelijke handeling onder de Omgevingswet te voorkomen. 4.2.2
Specifieke zorgplicht Uit de quick scan blijkt dat soorten voor kunnen komen die enkel onder de specifieke zorgplicht vallen en niet onder een strenger beschermingsregime. Deze vallen binnen de volgende soortgroepen: − Amfibieën, − Broedvogels, − Zoogdieren. Tref hiervoor de maatregelen zoals opgesomd in paragraaf 3.12. Indien het uitvoeren van deze maatregelen (deels) niet mogelijk is, dient afstemming plaats te vinden met een deskundig ecoloog.
4.3
Vervolgstappen − Tref de maatregelen zoals beschreven in paragraaf 3.12; − Tref de preventieve maatregelen zoals beschreven in paragraaf 3.3.3 voor broedende vogels; Door de werkzaamheden overdag uit te voeren kan verstoring op de kerkuil, steenuil en vleermuizen worden voorkomen. Indien er toch in de nacht gewerkt wordt mag er in ieder geval geen licht uitstralen in noordwestelijke richting;
27
− Door de werkzaamheden in één richting uit te voeren kan worden voorkomen dat individuen van de bunzing, hermelijn, steenmarter en de wezel evenals algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood; − Zorg tijdens de bouwfase dat het besluitgebied niet geschikt wordt voor de rugstreeppad, zoals beschreven in paragraaf 3.8.
28
Geraadpleegde bronnen BIJ12. 2017a. Kennisdocument Steenuil Athene noctua, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2024b. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 2.0, april 2024. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017c. Kennisdocument Kerkuil Tyto alba, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017d. Kennisdocument Das Meles meles, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2023a. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 2.0, juli 2023. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2023b. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 2.1, februari 2023. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2024. Kennisdocument Kleine marterachtigen Bunzing – Hermelijn – Wezel, versie 1.0, januari 2024. BIJ12, Utrecht. Broekmeyer, M. E. A., Schouwenberg, E. P. A. G., van der Veen, M., Prins, D., & Vos, C. C. (2005). Effectenindicator Natura 2000-gebieden: achtergronden en verantwoording ecologische randvoorwaarden en storende factoren. (Alterra-rapport; No. 1375). Alterra. Bos, F. Bosveld, M. Groenendijk, D. van Swaay, C. Wynhof, I. De Vlinderstichting. 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming. Nederlandse fauna deel 7. Creemers, R. van Delft, J. 2009. De Amfibieën en Reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna deel 9. Dietz, Ch. von Helversen, O. Nill, D. 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Janssen, J. A. M. Schamineé, J. H. J. 2004.
Europese Natuur in Nederland. Soorten van de habitatrichtlijn. Lange, R. Twisk, P. van Winden, A. van Diepenbeek, A. 2003. Zoogdieren van WestEuropa. Limpens, H. J. G. A. Twisk, P. Veenbaas, G. 2004. Met vleermuizen onderweg. Uitgave DDW en VZZ.
Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie. 2002. De Nederlandse Libellen (Odonata). Nederlandse Fauna deel 4. Netwerk Groene Bureaus. 2020. Definitielijst Netwerk Groene Bureaus 2020, 16 januari 2020. Netwerk Groene Bureaus. 2023. Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie nov 2023), gepubliceerd november 2023. Netwerk Groene Bureaus. Vleermuisprotocol 2021 (geactualiseerd voor meervleermuis), gepubliceerd op 24 maart 2025. Netwerk Groene Bureaus, Gegevensautoriteit Natuur, Zoogdiervereniging. 2020. Vleermuisprotocol 2021. SAB. 2025. Westervoort, Klapstraat 180, onderzoek stikstofdepositie, juni 2025. SAB, Arnhem. SOVON. 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels. Verspreiding, aantallen, verandering. Nederlandse Fauna deel 5. Sparrius, L. Odé, B. Beringen, R. Basisrapport Rode Lijst Vaatplanten 2012 volgens Nederlandse en IUCN-criteria. FLORON rapport 57. Zoogdiervereniging & Probos. 2012. Laanbeheer en vleermuizen; met oog voor veiligheid en cultuurhistorie; met bijdragen van E. A. Jansen, M. H. A. van Benthem, C. de Groot, P. Twisk & H. J. G. A. Limpens.
Websites www.anemoon.org www.aerius.nl www.eis-nederland.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.sovon.nl statline.cbs.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.vogelbescherming.nl www.zoogdiervereniging.nl