20260601-bopa-fort-geldersoord-bijllage-1-onderbouwing-etfal
Tekst van het document
Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron.
Fort Geldersoorth
31
Planspecifiek Voorliggend initiatief voorziet niet in een toename van het aantal kwetsbare objecten. Zoals navolgende uitsnede van de website atlasleefomgeving.nl bovendien laat zien is dat binnen het projectgebied geen inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Het projectgebied is hier globaal aangegeven met een rode cirkel.
Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)
Het projectgebied ligt niet in een risicocontour of aandachtsgebied. Een verdere verantwoording van het groepsrisico is daarmee niet nodig. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
32
Fort Geldersoorth
4.8
M.e.r.-beoordeling
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. Beoordeling of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit. 1. De eerste stap is te kijken of het project past binnen de omschrijving van een project in kolom 1. 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen. 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt.
Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3. o
Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 2? Dan geldt voor het project een 'project-mer-plicht'.
o
Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-mer-beoordelingsplicht'.
Als er voor het project een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit, dan wordt die omgevingsvergunning aangemerkt als het besluit in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 11.8 onder 3 van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er dus ook voor omgevingsvergunningaanvragen die niet in kolom 4 staan wel de m.e.r.-(beoordelings)plicht. Planspecifiek In het kader van voorliggend initiatief is een m.e.r.-beoordelingsnotitie opgesteld, zie Bijlage 8. Daaruit blijkt dat het project een beperkte omvang heeft, niet in een kwetsbaar gebied ligt en geen ontwikkeling mogelijk maakt waarbij aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Verder onderzoek in het kader van hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit is niet nodig: er wordt afgezien van het doorlopen van een m.e.r. procedure.
Fort Geldersoorth
33
Hoofdstuk 5
Goede omgevingskwaliteit
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.
5.1
Zorgvuldig ruimtegebruik
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Raad van State heeft ook aangegeven dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m² of een gebouw met een brutovloeroppervlakte kleiner dan 500 m². De Ladderonderbouwing beschrijft de behoefte aan de ontwikkeling. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen. Planspecifiek Ten opzichte van bestaande planologische mogelijkheden neemt het aantal woningen niet toe. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en een verdere toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
5.2
Archeologie, cultuurhistorie en landschap
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
34
Fort Geldersoorth
De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Planspecifiek Cultuurhistorie en landschap Het projectgebied en de directe omgeving behoren tot een cultuurhistorisch rijksmonument (De Rosmolen 40, OBD 38849) vanwege het voormalige Fort Geldersoord. Het beoogde bouwplan vraagt om aansluiting bij de belangrijkste cultuurhistorische waarden van het gebied. Om de relatie tussen de cultuurhistorische waarden en het beoogde bouwplan aan te tonen zijn een kwaliteitshandboek (Bijlage 1) en definitief ontwerp (Bijlage 2) opgesteld. De cultuurhistorische waarden en contouren van het voormalige fort staan aan de basis van de verdere planuitwerking. In een eerder stadium van de huidige planontwikkeling heeft er reeds afstemming plaatsgevonden met het Samenwerkingsverband Cultuurhistorie Gelderland en ook in het vervolgtraject blijft dit verband betrokken.
Archeologie
Fort Geldersoorth
35
In het verleden zijn bij de ontwikkeling van landschapspark De Schans, waar het projectgebied onderdeel vanuit maakt, verschillende archeologische onderzoeken uitgevoerd. Hierdoor bestaat er inzicht in de archeologische waarden in de bodem. De basis hiervoor bedraagt bestemmingsplan ‘Westervoort, De Schans’ waar specifiek voor deellocatie Fort Geldersoord in 2007 een inventariserend veldonderzoek doormiddel van proefsleuven is uitgevoerd. Het huidige projectgebied ligt volledig binnen het onderzoeksgebied uit 2007. Voor het onderzoeksgebied, dat groter is dan het projectgebied, geldt dat archeologische waarden en restanten van de fundering van het bastion aanwezig zijn. De gemeente Westervoort heeft in het kader van de verschillende woningbouwontwikkelingen die volgden na uitvoering van het archeologisch onderzoek uit 2007 bij selectiebesluit college d.d. 27 april 2010, nr. RenS 4 bepaald dat de realisatie van woningen binnen het projectgebied mogelijk is, mits bij de fundering en kabels en leidingen rekening wordt gehouden met de in de bodem aanwezige resten van het bastion. In het kader van de vergunningaanvraag zal initiatiefnemer een Programma van een Programma van Eisen (PvE) aanbieden aan het bevoegd gezag. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
5.3
Ecologie
De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijven ongewijzigd, met uitzondering van stikstof. Het beoordelen van de effecten van een planontwikkeling op beschermde gebieden is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit
36
Fort Geldersoorth
een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren.
Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: •
er soorten aanwezig zijn; en
•
welke soorten dat zijn.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Planspecifiek Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een quickscan Natuur uitgevoerd, zie Bijlage 9. belangrijkste conclusies zijn in het vervolg van voorliggende paragraaf opgenomen. Soortenbescherming Uit het onderzoek blijkt dat bij de beoogde ruimtelijke ingreep bij Fort Geldersoord te Westervoort wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur. Vervolg onderzoek is niet noodzakelijk. Bij het vervolg van de otnwikkeling zal de algemene zorgplicht in acht worden genomen. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie. Het projectgebied ligt op circa 285 m afstand tot het Natura 2000-gebied Rijntakken. Gezien de afstand tot dit gebied zijn externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie op voorhand niet uit te sluiten.
Fort Geldersoorth
37
Daarom is een voortoets stikstof uitgevoerd, zie Bijlage 10. De AERIUS-berekeningen zijn toegevoegd als bijlagen Bijlage 11 (aanlegfase) en Bijlage 12 (gebruiksfase). De belangrijkste conclusie is dat als gevolg van de ontwikkelingen in het projectgebied waarvoor de berekeningen zijn uitgevoerd, er in zowel de gebruiksfase als de aanlegfase geen sprake van een bijdrage van stikstofdepositie op (bijna) overbelaste hexagonen van de Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/j. Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve gevolgen op beschermde Natura 2000-gebieden zoals bedoeld in het Bal, Artikel 11.6, specifieke zorgplicht, onder 2). Gezien de aard, omvang en afstand van de ontwikkeling tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is er geen sprake van overige effecten (geluid, optische verstoring, licht, trillingen). Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
5.4
Verkeer en parkeren
Een ruimtelijke ontwikkeling zorgt vaak voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. Planspecifiek De toekomstige bewoners van Fort Geldersoorth bereiken hun woningen via een nieuwe ontsluitingsbrug aan de noordkant van het projectgebied. De brug krijgt een aansluiting op Het Geerken. Het projectgebied wordt ontsloten via een nieuw aan te leggen brug die aansluit op de weg Heegsche Bouwing. Deze weg sluit aan op Het Geerken. Deze wegen hebben voldoende capaciteit voor de extra verkeersbewegingen. Hoewel het toegestane aantal woningen niet toeneem ten opzichte van de aantallen woningen uit het bestaande bestemmingsplan, is toch gekeken naar het effect van de nieuwe verkeersbewegingen door het plan op de bestaande woningen aan Het Geerken.
Uit de verschilberekening, zie Bijlage 14, blijkt dat door het plan sprake is van een kleine toename van de geluidbelasting, maar de totale geluidbelasting blijft ruim onder de streefwaarde van 53 dB. Als gevolg van het initiatief neemt ook de vraag naar parkeervoorzieningen in het projectgebied toe. In de Parkeernota Westervoort zijn parkeernormen opgenomen die gehanteerd worden in de gemeente. De stedelijkheidsgraad van de gemeente Westervoort is matig stedelijk en het gebied bevindt zich in het deelgebied ‘rest bebouwde kom’. De parkeernorm voor een woningen met een GO van 90 tot 135 m2 betreft 2,1 per woning (waarvan 1,8 voor bewoners en 0,3 bezoekers). Uit de opgestelde parkeerbalans, zie Bijlage 13, blijkt een maximale parkeerbehoefte van 45 parkeerplaatsen (incl. bezoekers). Achter de woningen, aan de zuidkant van het projectgebied, komt een parkeerstrook met 40 parkeerplaatsen, zie verder ook de inrichtingstekeningen uit Bijlage 2. Deze parkeerplaatsen zijn via een ontsluitingsweg in verbinding met de hoofdontsluiting (brug) te bereiken. Voor de
38
Fort Geldersoorth
overige 5 benodigde bezoekersparkeerplaatsen is het mogelijk om op loopafstand, binnen maximaal 250 meter parkeervoorzieningen aan te leggen. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
5.5
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico’s voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten. De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Planspecifiek Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het projectgebied als gevolg van klimaatverandering. Wateroverlast Uit de klimaateffectatlas blijkt dat bij het onderdeel wateroverlast er ter plaatse van het projectgebied een toename van het aantal zeer natte dagen verwacht wordt.
Gemiddeld neemt de jaarlijkse neerslag toe, echter neemt de hoeveelheid neerslag in de zomer naar verwachting af ten opzichte de huidige situatie. Er is een kleine toename in de kans dat veel en langdurige regenval leidt tot grondwateroverlast op het perceel door de lage grondwaterstand. Voorliggend projectgebied blijft echter in de toekomstige situatie voor een groot deel onverhard waardoor water in de bodem kan infiltreren. Bovendien worden verschillende bergingsvoorzieningen aangelegd. Hittestress Uit de klimaateffectatlas blijkt dat bij het onderdeel hittestress er binnen het projectgebied meer tropische dagen en langere hitte verwacht kan worden. De geplande nieuwbouw is goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee voldoen de woningen aan de toegenomen koelbehoefte die kan ontstaan als een gevolg van hittestress. Daarbij zal het projectgebied rondom de woningen zo groen mogelijk worden ingericht en met zo min mogelijk verharding, ter voorkoming van hittestress.
Fort Geldersoorth
39
Droogte De klimaateffectatlas laat wat betreft droogte zien dat in het projectgebied een hoger neerslagtekort verwacht kan worden. Dit heeft gevolgen voor de grondwaterstanden en droogtegevoeligheid van het gebied. Door het hemelwater binnen het projectgebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf. De kans op natuurbranden bij langdurige droogte blijft in de toekomst gelijk aan de huidige situatie. Overstroming De klimaateffectatlas laat zien dat het projectgebied op enige afstand tot de grote wateren van de Waal en de Maas ligt. De projectlocatie wordt echter goed beschermd door de dijk ten westen van de locatie. Daardoor is er tot aan 2100 maar een kleine kans (1/300 tot 1/3000 jaar) op overstroming. Mochten ergens de dijken bezwijken dan is er een Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
40
Fort Geldersoorth
Hoofdstuk 6
Conclusie
Artikel 1.3 van de Omgevingswet, “maatschappelijke doelen van de wet”, bepaalt het volgende: “Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: 1. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en 2. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.” De Memorie van toelichting licht dit verder toe: Met behulp van de wet moet de samenleving in staat zijn om de fysieke leefomgeving op de gewenste kwaliteit te brengen, te houden én tegelijkertijd voldoende ruimte te laten voor activiteiten van burgers en bedrijven. Centraal staat de samenhangende zorg voor de fysieke leefomgeving welke integrale oplossingen moet bevorderen. Integraal betekent niet dat er geen sectorale beleidsdoelen meer zullen zijn. Zo zullen er doelen en randvoorwaarden blijven op het gebied van veiligheid, gezondheid, kwaliteit van ecosystemen, beschikbaarheid van hulpbronnen en behoud van cultureel erfgoed. Het is voor een goede integratie van belang dat sectorale doelen en randvoorwaarden helder en eenduidig zijn, omdat deze het uitgangspunt vormen voor de integrale zorg voor de fysieke leefomgeving.
Mocht het zo zijn dat er in een bepaald geval een norm wordt overschreden dan is er de bestuurlijke afwegingsruimte. Die ruimte kan nodig zijn om (gemotiveerd) af te wijken van een norm in verband met bijvoorbeeld (bijzondere) lokale situaties, complexe gebieden of gebiedsoverstijgende belangen. Om een plan te kunnen vergunnen dient het te voldoen aan de wettelijk eis dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om deze vraag te beantwoorden is een afweging nodig tussen alle aspecten met betrekking tot het plan. Van belang daarbij is dat voldaan wordt aan de eisen voor gezondheid en veiligheid. Dit is van belang omdat hiervoor niet één algemene norm is maar dit tot stand komt als optelsom – en weging – van het totaal. Het kan gewenst zijn af te wijken van een, of meerdere, sectorale aspecten om uitvoering van een maatschappelijk gewenste activiteit of maatwerk in het individuele geval mogelijk te maken. Op deze manier kan afgewogen worden waarom een ontwikkeling bijdraagt aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Aan de hand van een voorbeeld is dit makkelijk duidelijk te maken: dat een woning meer geluid ontvangt van wegverkeer dan gewenst maakt nog niet dat het onaanvaardbaar is. Dat geldt voor veel woningen waar mensen gezond en veilig wonen. Dat geldt ook voor geur, omgevingsveiligheid, trilling, luchtkwaliteit of bodemkwaliteit.
Maar als álle zes deze aspecten wat hoger zijn, of drie flink hoger of twee heel hoog – maar binnen de maximale norm – dan kan de conclusie anders zijn. In voorgaande hoofdstukken is ingegaan op die regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor de beoordeling of bij dit project sprake is van een evenwichtige toedeling van
Fort Geldersoorth
41
functies aan locaties. Overige regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten zijn niet relevant voor de beoordeling van dit project en daarom niet beschreven. Dit is in lijn met de Memorie van toelichting paragraaf 2.2 en 4.16.4. Planspecifiek Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de eisen voor gezondheid en veiligheid: ook als optelsom -en de weging daarbij- geldt dat gezien hetgeen in hoofdstuk 4 en 5 is te lezen (“veilige en gezonde fysieke leefomgeving“ en “een goede omgevingskwaliteit”) dit plan voldoet aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
42
Fort Geldersoorth
Hoofdstuk 7
Toestemming en voorwaarden
Deze onderbouwing etfal is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen en afwijken van regels en vormt daarmee de onderlegger voor het benodigde gebruiks- en bouwrecht. Het besluit, zie daartoe het bij deze onderbouwing etfal behorende besluit, betreft het vergunnen van het plan Fort Geldersoorth zoals onder andere nader uitgewerkt in kwaliteitshandboek (Bijlage 1) en het Definitief ontwerp (Bijlage 2). Het benodigde gebruiks- en bouwrecht is tevens het planologische basisbesluit voor eventuele opvolgende besluiten mits deze, uiteraard, passen binnen de verleende vergunning. Denk bijvoorbeeld aan bouwplannen met een andere architectuur binnen dezelfde massa of vergunningsvrij bouwen dat later op het achtererf gewenst is. Zie ook paragraaf 1.3 voor het bredere wettelijke kader en een toelichting op het planologische basisbesluit.
7.1
Procedure
In beginsel is bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken. In sommige gevallen kan het college echter wel bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten de uitgebreide procedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaren. Bij de reguliere procedure bestaat de mogelijkheid voor bezwaar. Bij de uitgebreide procedure bestaat geen mogelijkheid voor bezwaar. Daar bestaat de mogelijkheid zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te dienen.
Fort Geldersoorth
43
Hoofdstuk 8
Overige aspecten
In hoofdstuk 1 is te lezen dat onderdeel van de besluitvorming meer is dan alleen de vraag of voldaan wordt aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In elk geval op twee aspecten dient altijd ook ingegaan te worden en die komen daarom hier aan bod. Hier, ín dit hoofdstuk, kunnen nog meer aspecten aan bod komen maar het kan ook zijn dat het besluit zelf daar verder op in gaat. Immers, voorliggend stuk is niet het besluit, het is een onderdeel ervan.
8.1
Participatie
Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad kan aangeven in welke gevallen participatie verplicht is en hoe dat vorm gegeven kan worden Planspecifiek In een eerder stadium van de ontwikkeling zijn bewoners en andere belanghebbenden al betrokken bij de planontwikkeling. Zo zijn er participatiebijeenkomsten gehouden op 14 oktober 2024, 17 december 2024 en 28 april 2025. De plannen zijn over het algemeen goed ontvangen met hier en daar een kritische noot waar in de huidige plannen uitwerking aan is gegeven. De aanwezigen konden via een reactieformulier ook nog hun mening geven, ideeën inbrengen of vragen stellen. Op 30 maart 2026 vindt er een nieuwe participatieovereenkomst plaats. De reacties worden waar mogelijk beantwoord. Een volledig overzicht van alle reeds doorlopen participatiemomenten, inclusief verslaglegging, is toegevoegd aan de vergunningaanvraag. Gezien de voorgeschiedenis en de gevoeligheid van het project schaart de gemeente Westervoort dit project onder categorie 8 “gevoelige onderwerpen” als benoemd in de Notitie adviesrecht, verplichte participatie en delegatiebesluit 2024 Westervoort. Vanwege dit uitgangspunt is hier sprake van verplichte participatie en biedt de gemeente de definitieve aanvraag voor advies aan bij de gemeenteraad.
Uiteraard worden de indieners van het beroepsschrift en de direct omwonenden betrokken in de verdere planvorming.
8.2
Kostenverhaal
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Voor het verlenen van de dienst om stukken te beoordelen en samen met de initiatiefnemer uit te werken worden op basis van de legesverordening leges geheven. Maar het verhaal van te maken overheidskosten heeft ook betrekking op werken, werkzaamheden en maatregelen zoals bijvoorbeeld kosten voor het aanleggen van openbare voorzieningen zoals wegen, parkeren, civiele voorzieningen etc.. Dit kostenverhaal kan publiekrechtelijk vormgegeven worden via het Omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Overheid en initiatiefnemer kunnen ook een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: de ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een
44
Fort Geldersoorth
grondslag in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie. Planspecifiek De ontwikkelingskosten komen voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst. Tevens zal een overeenkomst betreffende nadeelcompensatie worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
8.3
Vooroverleg
In het kader van bestuurlijk vooroverleg is overleg gevoerd met de belanghebbende instanties.
Fort Geldersoorth
45
Bijlagen
46
Fort Geldersoorth
Kwaliteitshandboek
Fort Geldersoorth
47
Definitief ontwerp
48
Fort Geldersoorth
Berekening waterberging
Fort Geldersoorth
49
Tekening waterberging
50
Fort Geldersoorth
Bodemonderzoek
Fort Geldersoorth
51
Verkennend waterbodemonderzoek
52
Fort Geldersoorth
Akoestisch onderzoek
Fort Geldersoorth
53
M.e.r.-beoordelingsnotitie
54
Fort Geldersoorth
Quickscan Natuur
Fort Geldersoorth
55
Voortoets stikstofdepositie
56
Fort Geldersoorth
AERIUS-berekening aanlegfase
Fort Geldersoorth
57
AERIUS-berekening gebruiksfase
58
Fort Geldersoorth
Parkeerbalans
Fort Geldersoorth
59
Verschilberekening
60
Fort Geldersoorth
Fort Geldersoorth
61