20250414-rv-herijken-subsidiebeleid-bijlage-2-subsidiebeleidskader
Tekst van het document
SAMEN BEREIKEN WE MEER MET SUBSIDIES
Subsidiebeleidskader 2025
Inhoud 1 Voorwoord ............................................................................................................................................ 2 2 Inleiding ................................................................................................................................................ 3 2.1 Aanleiding voor dit subsidiebeleidskader...................................................................................... 3 2.2 Positie van het subsidiebeleidskader ............................................................................................ 3 2.3 Doelstelling .................................................................................................................................... 4 2.4 Rollen en verantwoordelijkheid..................................................................................................... 4 2.5 Looptijd van het subsidiebeleidskader .......................................................................................... 4 2.5.1 Westervoort: alle aanvragen voor 1 oktober 2026 op de nieuwe manier ............................. 4 2.5.2 Duiven: een deel van de aanvragen voor 1 oktober 2025 op de nieuwe manier .................. 4 3 Wettelijk kader......................................................................................................................................
6 3.1 Hoe ziet het wettelijk kader voor subsidieverstrekking eruit? ...................................................... 6 3.2 Wat is een subsidie? ...................................................................................................................... 6 3.3 Afwegingskader subsidie versus inkoop ........................................................................................ 7 3.4 Wat zijn de algemene wettelijke regels? ....................................................................................... 8 3.5 Algemene subsidieverordening (ASV) ........................................................................................... 8 3.6 Uitwerking in een subsidieregeling is vereist ................................................................................ 8 3.7 Verschillende soorten subsidie ...................................................................................................... 8 3.8 Subsidies afbouwen ....................................................................................................................... 9 4 Uitgangspunten .................................................................................................................................. 10 4.1 Samenvatting uitgangspunten .....................................................................................................
10 4.2 Doelgerichte inzet van subsidies ................................................................................................. 11 4.3 Sturing op maat ........................................................................................................................... 12 4.4 Stimuleren onderlinge samenwerking ........................................................................................ 14 4.5 Inclusie stimuleren ...................................................................................................................... 14 4.6 Duidelijke, eerlijke en weloverwogen subsidieverstrekking ........................................................ 15 4.7 Toepassen van subsidieplafonds ................................................................................................. 16 4.8 Inzicht verschaffen aan de maatschappij .................................................................................... 16 4.9 Langdurig partnerschap om de impact te vergroten ................................................................... 17 4.10 Burgerinitiatieven mogelijk maken ............................................................................................ 18 4.11 Cofinanciering: subsidie moet aanvullend zijn ..........................................................................
18 4.12 Maatwerk voor vermogenstoets en reservevorming ................................................................ 19
Subsidiebeleidskader
1
1 Voorwoord Voor u ligt het subsidiebeleidskader ‘Samen bereiken we meer met subsidies’ van de gemeente Duiven en Westervoort. Dit kader is geschreven vanuit de vraag wat we als gemeente belangrijk vinden in subsidieverstrekking en op welke wijze we met ons subsidie instrument willen omgaan. Met het voorliggende subsidiebeleidskader is het gemeentelijk subsidiebeleid geactualiseerd en ligt er een stevige basis om de komende jaren op een goede manier subsidies te verstrekken. Duiven en Westervoort hebben tal van verenigingen, stichtingen en maatschappelijke organisaties die een belangrijke maatschappelijke bijdrage leveren voor de inwoners van de beide gemeenten. Samen met onze huidige en potentiële subsidierelaties willen we nog meer bereiken met subsidies. De gemeente kan en wil dit niet alleen doen. Dit subsidiebeleidskader is tot stand gekomen in samenwerking met de gemeenteraden en de verenigingen en stichtingen in Duiven en Westervoort. Met de gemeenteraad is een informele avond georganiseerd, waarin de raadsleden aangaven wat zij belangrijk vinden in subsidieverstrekking (uitgangspunten) vanuit een kaderstellende rol. Met de subsidieontvangers is een participatiebijeenkomst georganiseerd, waarin we met de verenigingen en stichtingen het gesprek aangingen over de uitgangspunten. Dit subsidiebeleidskader is het resultaat van dit traject.
Als colleges zijn we samen opgetrokken in dit traject. Wij zijn daarom ook blij dat we tot één subsidiebeleidskader zijn gekomen voor de beide gemeenten. Samen willen we namelijk meer bereiken met subsidies. Samen tussen Duiven en Westervoort. Samen tussen de gemeente en de subsidieontvangers. En samen tussen subsidieontvangers onderling!
Wethouder Joyce Zwaga-Komen
Wethouder Peter Pennekamp
Subsidiebeleidskader
2
2 Inleiding 2.1 Aanleiding voor dit subsidiebeleidskader Het subsidiebeleidskader beschrijft de kaders en spelregels als de gemeente het instrument subsidie inzet om beleidsdoelstellingen te realiseren. In Westervoort ontbrak een dergelijk kader. In Duiven fungeerde het stimuleringsbeleid als kader voor het verstrekken van subsidies. Het stimuleringsbeleid is echter onvoldoende effectief gebleken om als overkoepelend kader te kunnen fungeren. Het ontbreken van een werkzaam kader is als onwenselijk ervaren door de ambtelijke organisatie 1Stroom. Ondanks dat een subsidiebeleidskader vanuit juridisch oogpunt geen noodzaak is, biedt het kader houvast en sturing om subsidiemiddelen op een effectieve, efficiëntie en juiste wijze in te zetten. Deze sturing is de afgelopen jaren gemist. Het kader biedt ook meer duidelijkheid richting subsidieontvangers hoe de gemeente invulling geeft aan het subsidie instrument.
2.2 Positie van het subsidiebeleidskader Het subsidiebeleid bestaat uit een kaderstellend onderdeel en de uitvoering. Het kaderstellende onderdeel bestaat uit een wettelijk en een inhoudelijk kader. Het wettelijk kader is de algemene subsidieverordening (ASV). Het inhoudelijk kader is het subsidiebeleidskader. De gemeenteraad stelt deze twee kaders vast.
Inhoudelijk kader / uitgangspunten
Subsidiebeleidskader
Wettelijk kader / algemene regels
ASV
Uitvoering / beleids- en uitvoeringsregels
Subsidieregeling sport
Subsidieregeling cultuur
Subsidieregeling …
Het college van B&W verstrekt subsidies binnen de kaders vastgelegd door de raad. Hiervoor werkt het college nadere voorwaarden en criteria uit in de beleids- en uitvoeringsregels (subsidieregelingen). Het vaststellen van de regelingen is een bevoegdheid van het college. Het subsidiebeleidskader beschrijft het kader en de uitgangspunten waarbinnen en waarmee de gemeente subsidie als instrument inzet. Het subsidiebeleidskader is instrumenteel beleid (wat is je beleid als gemeente op het instrument subsidie) en geldt als middel om inhoudelijke beleidsdoelen na te streven. In dit subsidiebeleidskader gaat de gemeente niet in op beleidsinhoudelijke vraagstukken. Inhoudelijk beleid en beleidsdoelen worden geborgd in de afzonderlijke beleidsnota’s. Hetzelfde geldt voor de vraag hoeveel subsidiegeld er beschikbaar is voor welke domeinen. Als laatste is dit subsidiebeleidskader alleen van toepassing op de directe subsidies die rechtstreeks door de gemeente worden verstrekt aan subsidieontvangers (uitgaande subsidies). Daarnaast heeft de gemeente ook te maken met inkomende subsidies (bijv. subsidies vanuit het rijk) waarin de gemeente als doorgeefluik fungeert. Op deze subsidies Subsidiebeleidskader
3
gelden vaak specifieke voorwaarden en richtlijnen. De uitgangspunten in dit subsidiebeleidskader gelden niet voor dergelijke inkomende subsidies.
2.3 Doelstelling Dit subsidiebeleidskader draagt als inhoudelijk kader bij aan het integraal verbeteren van het systeem van subsidieverstrekking binnen de gemeente. Om dit te bereiken wordt ook de ASV opgesteld en geactualiseerd, de huidige (en mogelijke nieuwe) regelingen verbeterd en wordt het proces van subsidieverstrekking binnen 1Stoom geoptimaliseerd. Met het verbeteren van het subsidiebeleid streeft de gemeente de volgende speerpunten na: ➢ ➢ ➢ ➢ ➢
Een goede aansluiting tussen subsidiebeleid en gemeentelijk beleid; Subsidiebeleid dat meebeweegt als er dingen in de samenleving veranderen; Subsidieverstrekking is eerlijk en goed doordacht; Subsidiegeld komt op de juiste plek terecht; Transparantie en inzicht in de effecten van subsidies.
Het subsidiebeleidskader kan geëvalueerd worden op deze speerpunten. Door het bereiken van deze speerpunten kan de gemeente subsidie als instrument op een effectieve en efficiënte manier inzetten om: ➢ Gemeentelijke doelstellingen na te streven; ➢ Bij te dragen aan een sterk en gezond verenigingsleven; ➢ Maatschappelijke impact voor de inwoners van de Gemeente Duiven en Westervoort te realiseren.
2.4 Rollen en verantwoordelijkheid Binnen het opstellen en uitvoeren van het subsidiebeleid werken de raad, het college en de ambtelijke organisatie samen. De raad heeft een kaderstellende rol en stelt de kaders / uitgangspunten van het subsidiebeleid (dit subsidiebeleidskader) en de ASV vast. De raad ziet toe op de uitvoering van de kaders en controleert hierin het college. Vanuit het budgetperspectief stelt de raad ook de financiële kaders in de begroting vast waarbinnen subsidies kunnen worden verstrekt. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van het subsidiebeleid. Dit houdt in het vaststellen van nadere regels (subsidieregelingen) binnen de kaders van de raad en het verstrekken van subsidies. Het college is op basis van de ASV het bevoegde bestuursorgaan om subsidies te verlenen. Ondanks dat de praktische uitvoering van het subsidiebeleid voor een groot deel is gemandateerd aan de ambtelijke organisatie, blijft het college eindverantwoordelijk voor de uitvoering van het subsidieproces.
2.5 Looptijd van het subsidiebeleidskader De gemeenteraad stelt het subsidiebeleidskader vast. Het gaat in vanaf mei 2025. De uitgangspunten van het subsidiebeleidskader kan de gemeente niet in één keer op alle regelingen doorvoeren. Daarom is 2025 een overgangsjaar voor de subsidieregelingen. 2.5.1 Westervoort: alle aanvragen voor 1 oktober 2026 op de nieuwe manier Subsidie moet in Westervoort in de huidige situatie voor 1 april worden aangevraagd. Als het nieuwe subsidiebeleidskader ingaat, zijn de aanvragen al binnen. Daarom gaat het aanvragen van subsidie in 2025 nog op de oude manier. 2.5.2 Duiven: een deel van de aanvragen voor 1 oktober 2025 op de nieuwe manier In de gemeente Duiven moet subsidie voor 1 oktober worden aangevraagd. Die tijd gebruikt de gemeente om enkele regelingen aan te passen. Sommige subsidieontvangers vragen dus
Subsidiebeleidskader
4
voor 1 oktober 2025 al op de nieuwe manier subsidie aan. Hierover krijgen zij op tijd informatie. De andere aanvragen gaan voor 1 oktober 2026 op de nieuwe manier. Dit subsidiebeleidskader heeft geen specifieke einddatum. Elk jaar wordt geëvalueerd of het subsidiebeleid nog werkbaar is voor de gemeente en subsidieontvangers. Als het subsidiebeleid op een onderdeel minder goed werkt of een bepaald speerpunt kan niet goed nagestreefd worden, dan moet dit gericht aangepast en verbeterd worden. Dit geldt ook als er nieuwe (externe) ontwikkelingen zijn. Op deze wijze wordt het subsidiebeleid een flexibel instrument dat tijdig meebeweegt als dat nodig of gewenst is.
Subsidiebeleidskader
5
3 Wettelijk kader 3.1 Hoe ziet het wettelijk kader voor subsidieverstrekking eruit? De Algemene wet bestuursrecht (Awb), de algemene subsidieverordening (ASV), subsidieregelingen en specifieke subsidieverordeningen vormen samen de wettelijke basis om subsidie te verstrekken. Ook zijn er regels uit de Gemeentewet (GemWet) van toepassing.
3.2 Wat is een subsidie? Artikel 4:21 lid 1 van de Awb geeft de volgende definitie: “Onder subsidie wordt verstaan: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.” Uit deze definitie zijn vijf onderdelen te halen die samen maken dat het gaat over subsidie. 1. Een subsidie is een aanspraak: dit wil zeggen dat een subsidie een recht geeft. De ontvanger van dat recht is niet verplicht om er daadwerkelijk gebruik van te maken. Dat wil ook zeggen dat de subsidieontvanger niet verplicht is om de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt ook daadwerkelijk uit te voeren. Wanneer de gesubsidieerde activiteiten niet of niet geheel hebben plaatsgevonden conform de subsidieverlening, kan de subsidie lager worden vastgesteld, maar de uitvoering van de activiteiten kan niet worden afgedwongen; 2. Op financiële middelen: een subsidie is altijd financieel; 3. Door een bestuursorgaan verstrekt: alleen de overheid is bevoegd subsidie te verstrekken; 4. Met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager: een subsidie wordt alleen verstrekt voor bepaalde activiteiten van de aanvrager, dus niet voor bijvoorbeeld loonkosten of de huur van een gebouw; 5.
Anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten: een subsidie is met andere woorden per definitie geen opdracht/inkoop ten behoeve van de gemeente zelf. Ook voor de uitvoering van een wettelijke taak kan geen subsidie worden gegeven. Als een financiering voldoet aan deze criteria voor een subsidie, dan is het een subsidie. Aanspraak
Op financiële middelen Subsidie artikel 4:21 Awb
Door een bestuursorgaan verstrekt
Met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager
Geen opdracht/inkoop ten behoeve van de gemeente zelf
Subsidiebeleidskader
6
3.3 Afwegingskader subsidie versus inkoop Hoewel het soms lastig is om precies te kunnen zeggen of er sprake is van subsidie of inkoop, is een subsidie juridisch een andere vorm van geldverstrekking dan een overheidsopdracht (inkoop of aanbesteding). Wanneer partijen het niet eens worden, zal de rechter altijd nagaan of het feitelijk om een subsidie gaat of om inkoop, los van de naam die partijen aan de financiële verstrekking hebben gegeven. Als een ‘subsidie’ feitelijk als inkoop moet worden gezien, dan zijn het Burgerlijk Wetboek, de Europese aanbestedingsregels en het gemeentelijk inkoopbeleid van toepassing. De keuze tussen subsidie of inkoop moet daarom zorgvuldig en bewust worden gemaakt. Eén van de belangrijkste verschillen tussen subsidie en inkoop is dat met een subsidie niet kan worden afgedwongen dat een activiteit ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd. De subsidieontvanger kan aanspraak maken op subsidie wanneer diegene de activiteiten uitvoert, maar is niet verplicht om dit (geheel of gedeeltelijk) uit te voeren. Ook de manier waarop de activiteiten worden uitgevoerd, is aan de subsidieontvanger. Een subsidie is namelijk vooral bedoeld om bepaalde activiteiten te stimuleren of mogelijk te maken. Met deze activiteiten worden de maatschappelijke doelen van de gemeente nagestreefd.
Wanneer de activiteiten niet (geheel) of niet conform de subsidieverlening worden uitgevoerd, kan de subsidie wel worden teruggevorderd. Verder wordt bij subsidie nooit méér betaald dan de kostprijs van de activiteit. Bij inkoop kan de gemeente wél nakoming eisen. Inkoop ligt daarom voor de hand wanneer de activiteit moet worden uitgevoerd en de gemeente ook nakoming wil kunnen eisen. Dit is bijvoorbeeld aan de hand bij de uitvoering van wettelijke taken, zoals de Wet Maatschappelijke Ondersteuning en de Jeugdwet. Wettelijke taken kunnen dan ook per definitie niet worden uitgevoerd door middel van subsidie. Om een goede afweging te kunnen maken, gebruikt de gemeente het volgende afwegingskader.
Belang van de gemeente zelf
Inkoop
Winstoogmerk
Inkoop
Kostpijs of minder
Overleg met jurist
Winstoogmerk
Overleg met jurist
Kostprijs of minder
Subsidie
Winstoogmerk
Inkoop
Kostprijs of minder
Overleg met jurist
Winstoogmerk
Overleg met jurist
Kostprijs of minder
Subsidie
Gemeente Afdwingbaar
Algemeen belang Initiatief activiteit
Niet afdwingbaar Belang van de gemeente zelf
Inkoop
Externe partij Afdwingbaar
Algemeen belang Niet afdwingbaar
Subsidiebeleidskader
7
3.4 Wat zijn de algemene wettelijke regels? De Awb bepaalt grotendeels het wettelijk kader van het subsidiebeleid. Voor subsidieverstrekking is een wettelijke grondslag nodig (artikel 4:23, lid 1 Awb): “Een subsidie wordt slechts verstrekt op basis van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt”. Voor gemeenten is dit wettelijk voorschrift een subsidieverordening. Bij de vaststelling van het nieuwe subsidiebeleidskader, wordt ook een ASV vastgesteld. Aan de hand van deze verordening kan het college nadere regels maken voor verschillende specifieke regelingen. Het college moet zich hierbij houden aan de inhoud van het subsidiebeleidskader en van de ASV. Toch zijn er ook enkele subsidies die buiten deze verordening en regelingen om verstrekt kunnen worden. Deze subsidies worden genoemd in artikel 4:23, lid 3 Awb. Dat zijn: subsidies rechtstreeks op grond van een Europees programma; b. subsidies in afwachting van een wettelijke regeling, voor maximaal een jaar; c. subsidies die met naam van de ontvanger en het maximale subsidiebedrag zijn opgenomen in de Programmabegroting. Deze begrotingspostsubsidie kan geschikt zijn als er maar één organisatie is die de gewenste activiteiten voor meerdere jaren (en op de gewenste manier) kan uitvoeren; d. subsidies in incidentele gevallen, voor ten hoogste vier jaar.
Dit gaat over subsidie aan een beperkt aantal ontvangers voor min of meer eenmalige activiteiten. a.
3.5 Algemene subsidieverordening (ASV) In de ASV staan de algemene regels voor het verlenen van subsidie. Deze regels gaan bijvoorbeeld over de aanvraagtermijn, de gegevens die moeten worden ingediend bij de aanvraag, de redenen om een aanvraag af te wijzen en bepalingen over de verantwoording van de subsidie. Tegelijk met het subsidiebeleidskader wordt de ASV vastgesteld: de Algemene subsidieverordening Duiven en Westervoort 2025. In de ASV 2025 is het procedurele deel van het subsidiebeleidskader verwerkt.
3.6 Uitwerking in een subsidieregeling is vereist Voor het verstrekken van subsidie moet de ASV altijd verder worden uitgewerkt in een nadere subsidieregeling. Alleen op die manier kan een subsidie gedetailleerd worden vormgegeven en worden bereikt dat voor alle belanghebbenden dezelfde regels gelden. In een subsidieregeling wordt vastgelegd wie voor welke activiteiten subsidie kan aanvragen, welk subsidiedoel wordt nagestreefd en aan welke achterliggende beleidsdoelen de subsidie bijdraagt. Verder kan een subsidieregeling specifieke eisen bevatten die gelden voor de subsidieaanvraag, specifieke weigeringsgronden of verplichtingen voor de aanvrager en de subsidieverantwoording, in aanvulling op de eisen die al gelden op grond van de ASV.
3.7 Verschillende soorten subsidie In de praktijk worden er allerlei namen gebruikt voor verschillende soorten subsidies, bijvoorbeeld exploitatiesubsidie, structurele subsidie, waarderingssubsidie, projectsubsidie, instellingssubsidie of budgetsubsidie. De juridische betekenis van zulke namen is beperkt. Ze slaan vooral op het doel dat met de subsidie wordt beoogd en niet zozeer op de te subsidiëren activiteit. Ze komen de duidelijkheid meestal niet ten goede.
Subsidiebeleidskader
8
De aanvrager weet vaak niet voor welke subsidie hij in aanmerking zou kunnen komen, omdat hij niet kan inschatten onder welke categorie zijn activiteiten zouden kunnen vallen. In de Awb gaat het alleen over de te subsidiëren activiteit. De Awb maakt verder alleen onderscheid in subsidies die direct worden vastgesteld, en subsidies die voorafgaand aan de vaststelling worden verleend. Wanneer een subsidie wordt verleend, geven we een voorschot. Pas als de aanvraag tot vaststelling is goedgekeurd, dan wordt de subsidie ook daadwerkelijk vastgesteld. In de ASV 2025 maakt de gemeente onderscheid in: - subsidies die per boekjaar of kalenderjaar worden verstrekt en andere (bijvoorbeeld incidentele) subsidies met verschillende aanvraagtermijnen en vaststellingstermijnen en - subsidies met diverse hoogtes van bedragen. Dit is om te kunnen differentiëren in de manier van verstrekken en verantwoorden, met het oog op het zo laag mogelijk houden van administratieve lasten.
3.8 Subsidies afbouwen Lopende subsidierelaties moeten soms worden afgebouwd. Dit raakt de rechten van de ontvanger. Redenen om subsidies af te bouwen of te beëindigen kunnen zijn: -
noodzaak tot bezuinigingen van de gemeente; beleidswijzigingen; het niet of in onvoldoende mate doelmatig en doelgericht benutten van de subsidie; onvoldoende inzicht kunnen bieden in de uitvoering van de activiteiten.
Als het college een nieuwe subsidie wil weigeren, kan het college de regels volgen. Als een subsidie al drie jaren of langer wordt gegeven, moet de ontvanger genoeg tijd krijgen om de activiteiten af te bouwen of op zoek te gaan naar andere middelen. Als het college van plan is om een subsidie te stoppen, meldt de gemeente dit daarom op tijd aan de ontvanger. Dit geeft de ontvanger de kans om maatregelen te nemen. De tijd die de ontvanger krijgt, hangt af van de gevolgen van het wegvallen van de subsidie. Deze termijn hoeft niet zo lang te zijn dat de ontvanger de activiteiten op dezelfde manier kan voortzetten. Het college doet een algemene vooraankondiging en treedt daarna zo snel mogelijk in contact met specifieke ontvangers. De snelheid van het afbouwen is maatwerk, omdat er geen specifieke regels zijn.
Subsidiebeleidskader
9
4 Uitgangspunten 4.1 Samenvatting uitgangspunten ❖ Doelgerichte inzet van subsidies Subsidies moeten als middel bijdragen aan de beleidsdoelen van de gemeente. ❖ Sturing op maat Toezicht en sturing vanuit de gemeente wordt afgestemd op de hoogte van het subsidiebedrag. ❖ Stimuleren onderlinge samenwerking Het stimuleren van samenwerking tussen subsidieontvangers. ❖ Inclusie stimuleren Er wordt van subsidieontvangers in redelijkheid een inspanning verwacht om inclusie te bevorderen. ❖ Duidelijke, eerlijke en weloverwogen subsidieverstrekking Per subsidieregeling wordt aangegeven wat de voorwaarden zijn en de wijze van verdeling inzichtelijk gemaakt. ❖ Toepassen van subsidieplafonds Aan elke subsidieregeling wordt een maximum budget gekoppeld dat tijdens een periode beschikbaar is. ❖ Inzicht verschaffen aan de maatschappij De gemeente wil transparant zijn in subsidieverstrekking richting de maatschappij, subsidieontvangers en de gemeenteraad. ❖ Langdurig partnerschap om de impact te vergroten De gemeente kan in bepaalde gevallen ervoor kiezen om meerjarig te subsidiëren. ❖ Burgerinitiatieven mogelijk maken De gemeente vindt het belangrijk om ruimte te geven aan goede ideeën van inwoners. ❖ Cofinanciering: subsidie moet aanvullend zijn Subsidieontvangers hebben een inspanningsverplichting om ook andere middelen dan subsidie aan te wenden.
❖ Maatwerk voor vermogenstoets en reservevorming De gemeente past maatwerk toe om het eigen vermogen te beoordelen en staat reservevorming onder voorwaarden toe.
Subsidiebeleidskader
10
4.2 Doelgerichte inzet van subsidies Subsidies moeten gekoppeld zijn aan de gemeentelijke doelen en/of een bijdrage leveren aan een (actuele) maatschappelijke opgave binnen de gemeente. Op deze manier worden subsidies doelgericht ingezet en realiseert de gemeente de grootste maatschappelijke impact met subsidies. Verstrekte subsidies staan hierdoor niet op zichzelf, maar dienen als middel om beleidsdoelen na te streven. In onderstaand schema is de praktische vertaling van de koppeling tussen subsidies en gemeentelijk beleid weergegeven. Per subsidieregeling formuleert de gemeente een concreet en helder subsidiedoel. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente om het subsidiedoel aan te laten sluiten bij het (achterliggende) beleidsdoel per domein. Bijvoorbeeld: het subsidiedoel van de subsidieregeling sport draagt bij en/of komt overeen met de visie en doelen uit het beleidskader sport. Het is de verantwoordelijkheid van de subsidieontvanger om in de aanvraag duidelijk te omschrijven hoe de activiteiten die in aanmerking komen voor subsidie bijdragen aan het subsidiedoel van de regeling. Bij de inzet van subsidies gaat het niet alleen om het uitvoeren van activiteiten, maar juist ook wat er met de activiteiten wordt bereikt. Het koppelen van de activiteiten aan doelen geven zowel de gemeente als de subsidieontvangers houvast bij de subsidieaanvraag.
GEMEENTELIJK BELEID Maatschappelijke opgaven / overkoepelende gemeentelijke doelen
Overkoepelend beleid van toepassing op meerdere beleidsdomeinen (bijv. coalitieakkoord, Samen Sterk, Strategische visie Sociaal Domein)
Beleidsdoelen per domein
Afzonderlijke beleidsnota’s per beleidsdomein (bijv. een beleidskader sport of een cultuurvisie)
Subsidiedoel per regeling
Verantwoordelijkheid beleidsadviseur per domein
Activiteiten subsidieontvanger
Verantwoordelijkheid subsidieontvanger in de aanvraag
SUBSIDIEVERSTREKKING
Het kan voorkomen dat de beleidsdoelen van een beleidsdomein niet duidelijk zijn geformuleerd in de beleidsnota’s en/of het ontbreekt aan een beleidsnota (bijv. er is geen beleidskader sport of een cultuurvisie). In dat geval kan het subsidiedoel van een regeling niet gekoppeld worden aan de gemeentelijke doelen van een domein en komt de doelgerichte inzet van subsidies in het geding. Bij het ontbreken van duidelijke beleidsdoelen binnen een domein heeft de gemeente de volgende opties: • •
Het subsidiedoel van een regeling wordt direct gekoppeld aan het overkoepelende beleid van de gemeente; De gemeente formuleert in afstemming met subsidieontvangers het subsidiedoel van een regeling.
Als deze opties niet werkbaar zijn, kan het college de afweging maken om de subsidieregeling af te bouwen of geen subsidie te verstrekken. Impactgericht subsidiëren Impactgericht subsidiëren is een methode waarin de maatschappelijke opgaven van de Subsidiebeleidskader
11
gemeente centraal staan in het verstrekken van subsidies. Een maatschappelijke opgave is een complexe uitdaging die de samenleving raakt en waar de gemeente mee te maken heeft of krijgt (bijv. de toenemende zorgvraag). Een maatschappelijke opgave is vaak domein overstijgend. Dit houdt in dat meerdere beleidsdomeinen binnen de gemeente te maken hebben met een maatschappelijke opgave. Daarbij opereren enkele maatschappelijke partners waar de gemeente mee samenwerkt domein overstijgend (de activiteiten die deze partners uitvoeren zijn moeilijk te plaatsen binnen één domein). In dergelijke gevallen kan het voor deze partners en de gemeente effectiever werken om een maatschappelijke (domein overstijgende) opgave centraal te stellen in de subsidieaanvraag. In plaats van het hanteren van een subsidieregeling per domein, hanteert de gemeente dan een domein overstijgende regeling. Hierin staan niet de doelen van één beleidsdomein centraal, maar juist een (domein overstijgende) maatschappelijke opgave van de gemeente. De gemeente geeft binnen de kaders van de maatschappelijke opgave aan welke impact of maatschappelijk effect voor de samenleving gerealiseerd moet worden (bijv. ouderen kunnen langer zelfstandig thuis wonen). De maatschappelijke partner geeft in de subsidieaanvraag aan hoe de activiteiten bijdragen aan deze impact.
De gemeente gaat impactgericht subsidiëren als methode toepassen als dat van meerwaarde is. Evaluatie van verstrekte subsidies en subsidieregelingen Onderdeel van een doelgerichte inzet van subsidies is een reguliere evaluatie van de subsidies die zijn verstrekt. Zijn de verstrekte subsidies nog effectief? De subsidieontvangers geven inzicht in de uitgevoerde activiteiten en de bijdrage van deze activiteiten aan het subsidiedoel. Als de activiteiten van een subsidieontvanger niet effectief blijken te zijn, dan kan de gemeente ervoor kiezen om de subsidie niet meer te verstrekken. De gemeente is primair verantwoordelijk voor het evalueren van de effectiviteit van subsidieregelingen. In andere woorden, draagt het subsidiedoel van een regeling bij aan de inhoudelijke doelen van een beleidsdomein. In dat kader is het ook belangrijk dat subsidieregelingen flexibel meebewegen met veranderingen in het gemeentelijke beleid. Dit betekent dat als er beleidswijzigingen zijn, geëvalueerd moet worden of de betreffende subsidieregeling en hieraan gekoppeld het subsidiedoel nog effectief is en aangepast moet worden.
4.3 Sturing op maat We vragen niet meer verantwoording dan nodig is om de rechtmatige en doelmatige besteding van de subsidies te waarborgen. Subsidies moeten toegankelijk zijn voor alle organisaties en zij moeten optimaal in staat gesteld worden om bij te dragen aan de doelen. Het toezicht en de sturing vanuit de gemeente wordt afgestemd op de omvang van de verstrekte subsidie. Aan kleinere subsidiebedragen moeten minder uren (administratie) besteed worden dan aan grotere subsidiebedragen. Dit geldt voor zowel de gemeente als de subsidieontvanger. Toezicht en sturing vanuit de gemeente en de gevraagde verantwoording (wat moet je als subsidieontvanger aanleveren bij de gemeente) wordt groter, als het subsidiebedrag groter wordt. Afhankelijk van de hoogte van het subsidiebedrag verbindt de gemeente minder of juist meer voorwaarden aan de subsidieverstrekking. In de staffel is dit weergegeven. Naarmate het subsidiebedrag hoger wordt, wordt de grip die de gemeente wil krijgen op de verstrekte subsidies ook groter. Kiezen voor subsidies Tot een bepaalde hoogte kan een gemeente grip verkrijgen op verstrekte subsidies. Dit doet de gemeente door doelen en voorwaarden te koppelen aan subsidies (aan de voorkant), verantwoording op te vragen (aan de achterkant) en in contact te treden met subsidieontvangers (tussentijds).
De gemeente kan aangeven wat zij wil bereiken, de subsidieontvangers bepalen zelf op welke manier zij hieraan bijdragen. Bij
Subsidiebeleidskader
12
subsidieverstrekking heeft de gemeente nooit volledig zeggenschap over het resultaat van de activiteit. De gemeente kan niet afdwingen dat een activiteit wordt uitgevoerd en mag ook niet bepalen ‘hoe’ de activiteit wordt uitgevoerd. Als dat wel het geval is hebben we het namelijk over een inkoopopdracht en stelt de gemeente zich op als opdrachtgever. Deze mate van sturing moet afgewogen worden bij de beslissing of het instrument subsidie of het inkoopinstrument wordt ingezet. Het afwegingskader subsidie versus inkoop is hierin leidend. Staffel
Subsidiebedrag
Direct vaststellen
1
0-< 10.000
Ja
Inhoudelijk en financieel eindverslag Optioneel (steekproefsgewijze verantwoording)
2
10.000 - < 50.000
Nee
Ja
4
50.000 - < 100.000
Nee
Ja
5
> 100.000
Nee
Ja
Verantwoordingsmomenten en aanvullende eisen • Actieve meldingsplicht als de activiteiten niet zijn uitgevoerd • Mogelijkheid tot uitvoeren steekproef • Inzicht in prestatie bij een steekproef • Tenminste 1 contactmoment (bij subsidies tussen de 5.000 en 10.000 euro is dit een fysiek contactmoment) • Actieve meldingsplicht als de activiteiten niet zijn uitgevoerd • Tenminste 1x verantwoordingsgesprek en tussentijds gesprek (= optioneel) • Inzicht in prestatie en resultaat • Actieve meldingsplicht als de activiteiten niet zijn uitgevoerd • Tenminste 2x voortgangsgesprek en 1x verantwoordingsgesprek • Tussentijds (deel)verslag • Inzicht in prestatie en resultaat • controleverklaring • Actieve meldingsplicht als de activiteiten niet zijn uitgevoerd • Tenminste 2x voortgangsgesprek en 1x verantwoordingsgesprek • Tussentijds (deel)verslag • Inzicht in prestatie, resultaat en maatschappelijk effect • controleverklaring
Publieke verantwoording Optioneel
Ja
Ja
Ja, inclusief verantwoording aan raad
Inzicht in effecten Als gemeente willen we meer inzicht verkrijgen in de effecten van verstrekte subsidies. In
Subsidiebeleidskader
13
bovenstaande staffel is de wijze van verantwoording opgenomen, die hieronder wordt toegelicht. Inzicht in prestatie De prestatie gaat over het uitvoeren van de gesubsidieerde activiteiten (bijv. het organiseren van een evenement). Inzicht in resultaat Het resultaat gaat over wat er is bereikt met het uitvoeren van de gesubsidieerde activiteiten. Dit zijn concrete resultaten die bijdragen aan het subsidiedoel (bijv. meer mensen aan het sporten krijgen). Inzicht in maatschappelijk effect Een maatschappelijk effect heeft vaak te maken met meerdere beleidsdoelen. Het is een lange termijn effect waar een gemeente in samenwerking met een partner op in wil zetten (bijv. preventie binnen de gemeente bevorderen). Dit ligt in lijn met impactgericht subsidiëren, waarin de maatschappelijke opgave centraal wordt gesteld.
4.4 Stimuleren onderlinge samenwerking Samenwerking tussen subsidieontvangers zorgt voor onderlinge kennisdeling, verbinding en een betere afstemming tussen activiteiten. Samenwerking kan leiden tot nieuwe initiatieven, die individueel niet van de grond komen. Ook zorgt samenwerking voor een efficiëntere inzet van middelen. Organisaties kunnen elkaar versterken en dit vergroot de maatschappelijke impact. Samenwerking tussen subsidieontvangers moet naar redelijkheid een structureel karakter krijgen. We onderscheiden drie vormen van samenwerking: • • •
Samenwerking tussen organisaties binnen een beleidsdomein (bijv. sportverenigingen); Horizontale samenwerking tussen beleidsdomeinen (bijv. sport- en cultuurverenigingen); Verticale samenwerking tussen grote maatschappelijke partners en kleinere verenigingen.
In eerste instantie focust de gemeente zich op het stimuleren van samenwerking binnen een beleidsdomein (bijv. samenwerking tussen muziekverenigingen bevorderen). Subsidieontvangers binnen een domein hebben vaak te maken met een vergelijkbare doelgroep en activiteiten. In de subsidieaanvraag worden subsidieontvangers gestimuleerd om hierover na te denken. De gemeente heeft hierin een faciliterende functie als ‘kansen’ en ‘bedreigingen’ zich voordoen. Een bedreiging kan bijvoorbeeld zijn als verenigingen minder subsidiegeld ter beschikking hebben en de samenwerking gezocht moet worden in multifunctioneel ruimtegebruik.
4.5 Inclusie stimuleren De gemeente vindt het belangrijk dat iedereen in de samenleving mee kan doen en uitsluiting wordt voorkomen. Met inclusief beleid wordt bedoeld dat er rekening wordt gehouden met de mogelijkheden en beperkingen van mensen. Inclusief beleid sluit geen mensen uit, maar maakt participatie en meedoen voor iedereen mogelijk (indien de veiligheid of de aard van de activiteit niet in het geding komt). Voor het subsidiebeleid betekent dit dat de gemeente ernaar streeft om een dekkend netwerk van verenigingen en stichtingen te hebben als het gaat om inclusie. De gemeente faciliteert hierin waar mogelijk.
Subsidiebeleidskader
14
Op individueel niveau ondersteunt de gemeente subsidieontvangers om inclusie te bevorderen. Er wordt van gesubsidieerde organisaties een inspanning (in redelijkheid) verwacht om deelname aan activiteiten voor elke inwoner mogelijk te maken. Dit wordt actief uitgevraagd in de subsidieaanvraag. De gemeente is zich ervan bewust dat niet alles mogelijk is. Waar verenigingen kwetsbare groepen moeilijk kunnen bereiken, ondersteunt de gemeente verenigingen waar mogelijk om met deze inwoners in contact te komen. Het bevorderen van inclusie kan een financiële investering vergen. De gemeente verwacht dat subsidieontvangers eerst proberen om andere middelen te raadplegen (bijv. voorliggende voorzieningen). De gemeente kan hierin faciliteren en meedenken. Indien het niet mogelijk is om andere middelen aan te wenden, dan is het mogelijk dat een subsidieontvanger de benodigde investering meeneemt in het aangevraagde subsidiebedrag. Dit is per geval een afweging van het college.
4.6 Duidelijke, eerlijke en weloverwogen subsidieverstrekking De gemeente vindt het belangrijk dat de criteria waarop subsidie wordt toegekend aan de voorkant helder zijn. Een vereniging of stichting moet vooraf weten waar een aanvraag aan moet voldoen en wat er van hen wordt verwacht in het proces. In de subsidieregelingen wordt alle informatie voor het aanvragen van subsidie helder samengebracht en van tevoren kenbaar gemaakt. De gemeente zorgt er daarnaast voor dat de informatievoorziening op de website op orde is. Verder moet het duidelijk zijn waarom de ene partij wel subsidie ontvangt en de andere partij niet. Hiervoor wordt per subsidieregeling aangegeven wat de voorwaarden zijn om voor subsidie in aanmerking te komen en wordt op voorhand de wijze van verdeling inzichtelijk gemaakt. Er zijn drie mogelijkheden ten aanzien van de verdeling van subsidiegeld: 1. Tendermethode – objectieve beoordeling en rangschikking van subsidieaanvragen aan de hand van vooraf vastgestelde toetsings- of beoordelingscriteria; 2. Gelijk verdelen van het subsidiebudget – evenredig verdelen van het budget als het plafond is bereikt; 3. Volgorde van binnenkomst (wie het eerst komt, wie het eerst maalt) – aanvragen worden in volgorde van binnenkomst behandeld. De tendermethode is vanuit kwaliteitsoogpunt de meest zuivere methode om subsidiegeld te verdelen.
Deze methode creëert de meeste sturingsmogelijkheden voor de gemeente. De gemeente hanteert objectieve en eenduidige toetsingscriteria om aanvragen te beoordelen, af te wegen en te selecteren. Dit ligt in lijn met de doelgerichte inzet van subsidies. Activiteiten van organisaties die het meest bijdragen aan het subsidie- of beleidsdoel, komen met voorrang in aanmerking voor de subsidie. Bij deze methode moeten de inhoudelijke doelen van een beleidsdomein of maatschappelijke opgave bekend zijn om tot objectieve toetsingscriteria te komen. Aan de andere kant vergt de tendermethode de grootste administratieve lasten voor de gemeente en de aanvrager. Voor de gemeente is het belangrijk om balans aan te brengen tussen de doelgerichte inzet van subsidies en het beperken van de administratieve lasten. De tendermethode wordt daarom alleen gehanteerd als: • • •
Er duidelijk en vastgesteld beleid is vanuit de gemeente waarop objectieve toetsingscriteria gebaseerd kunnen worden en; De inhoudelijke kwaliteit van de activiteiten van de aanvrager doorslaggevend is in het bereiken van het subsidiedoel of de gemeentelijke doelen en; De activiteiten van aanvragers onderling op inhoud met elkaar te vergelijken zijn.
Subsidiebeleidskader
15
Bij de inzet van de tendermethode krijgt bij een gelijke inhoudelijke beoordeling de lokale aanvrager (gevestigd binnen de gemeentegrenzen) de voorkeur boven regionale en landelijke aanvragers. Als de tendermethode niet wordt toegepast, hanteert de gemeente de verdeelmethodiek ‘gelijk verdelen van het subsidiebudget’. De methode ‘volgorde van binnenkomst’ wordt in principe niet toegepast, tenzij de andere methoden niet toereikend zijn (bijv. als het hele jaar door subsidie voor een bepaalde activiteit aangevraagd kan worden). Ongeacht het verdeelmechanisme, wordt elke subsidieaanvraag inhoudelijk en financieel beoordeeld op specifieke voorwaarden en wordt niet zomaar subsidie verstrekt. Ook bij de verdeelmethodieken ‘gelijk verdelen van het subsidiebudget’ en ‘volgorde van binnenkomst’ moeten de activiteiten bijdragen aan het subsidiedoel. Als de tendermethode niet wordt toegepast, kan de gemeente zodoende alsnog subsidies doelgericht inzetten. De te hanteren verdeelmechanisme is per subsidieregeling een afweging van het college. Door op voorhand het verdeelmechanisme en de aanvullende voorwaarden kenbaar te maken, wordt subsidieverstrekking duidelijker, eerlijker en een weloverwogen keuze.
4.7 Toepassen van subsidieplafonds Als er verschillende aanvragers voor een subsidie zijn, worden subsidies verstrekt op basis van een subsidieregeling. Aan elke subsidieregeling wordt een subsidieplafond gekoppeld. Het subsidieplafond is het maximale budget dat tijdens een periode beschikbaar is voor een bepaalde subsidie. Als het plafond is bereikt, moet en kan de gemeente een aanvraag voor subsidie afwijzen (ook al is deze aanvraag inhoudelijk passend). Hiermee worden openeindregelingen voorkomen. Het subsidieplafond begrenst het subsidiebudget dat kan worden toegewezen. Het verdelen van het beschikbare budget binnen het subsidieplafond gebeurt volgens één van de verdeelmechanismen, zoals benoemd onder het vorige uitgangspunt. Voor elke subsidieregeling wordt tijdig de hoogte van het subsidieplafond inzichtelijk gemaakt. De raad stelt in de begroting de budgetten vast op programma- en/of taakveldniveau. Binnen dit budgettaire kader is het college bevoegd om subsidieplafonds vast te stellen. Als er slechts één partij in de markt is die een bepaalde activiteit kan uitvoeren (en het subsidiegeld niet verdeeld hoeft te worden), kan de gemeente ervoor kiezen om geen subsidieregeling te hanteren. De gemeente past in dat geval een begrotingspostsubsidie toe (dit is administratief minder werk). De subsidieontvanger en het subsidiebedrag worden op de begroting vermeld.
Een subsidieplafond wordt dan niet specifiek toegepast. Indexering Als de totale kosten van een vereniging of stichting omhoog gaan (bijv. door inflatie), wordt het voor de subsidieontvanger duurder om de activiteiten die in aanmerking komen voor subsidie te organiseren. Indien de financiële situatie het toelaat, worden de subsidieplafonds geïndexeerd conform het prijsindexcijfer Bruto Binnenlands Product (pbbp) van het Centraal Economisch Plan (CEP) die in de meicirculaire wordt genoemd. Een eventuele begrotingspostsubsidie wordt ook geïndexeerd conform dit prijsindexcijfer. De gemeente is echter niet primair verantwoordelijk om kostenstijgingen van verenigingen en stichtingen op te vangen. Hiervoor dient een subsidieontvanger ook naar andere oplossingen te kijken.
4.8 Inzicht verschaffen aan de maatschappij De gemeente wil transparant zijn in subsidieverstrekking richting de maatschappij, subsidieontvangers en de gemeenteraad (als toezichthouder). Ten aanzien van transparantie heeft zowel de gemeente als de gesubsidieerde organisatie een verantwoordelijkheid. Transparantie vanuit de gemeente De gemeente voldoet aan de wettelijke verplichting en publiceert jaarlijks op haar website
Subsidiebeleidskader
16
welke organisaties subsidie hebben ontvangen voor welke bedragen. Dit is het subsidieregister. Via een nader te bepalen voortgangsrapportage rapporteert het college periodiek aan de raad over de (inhoudelijke) voortgang van het subsidiebeleid. Naast de verstrekte subsidies, wil de gemeente ook transparant zijn richting potentiële subsidierelaties. Verenigingen of stichtingen die nu nog geen subsidie ontvangen, kunnen namelijk wel een waardevolle bijdrage leveren aan de doelen van de gemeente. Op de website moet duidelijk zichtbaar zijn welke subsidies beschikbaar zijn, wanneer een organisatie hiervoor in aanmerking kan komen en welke beleidsdoelen zijn gekoppeld aan de subsidie. Ook organisaties die nog geen subsidie ontvangen worden op deze manier op de hoogte gebracht van de subsidiemogelijkheden. Transparantie vanuit de gesubsidieerde organisatie Zoals in de staffel is opgenomen, zijn subsidieontvangers vanaf 10.000 euro gebonden aan publieke verantwoording. De gemeente stimuleert subsidieontvangers onder de 10.000 euro om ook een verantwoording aan de samenleving af te leggen. Deze organisaties plaatsen jaarlijks een verantwoording van de subsidie op hun eigen website of via social media. In de specifieke vorm zijn subsidieontvangers vrij. Dit mag een verslag zijn, maar ook een overzicht met foto’s en filmpjes.
Uitgangssituatie is dat het voor de maatschappij duidelijk moet zijn wat er met het subsidiegeld is gedaan en welke resultaten dit heeft opgeleverd. De grote maatschappelijke partners (vanaf 100.000 euro) worden verzocht om gezamenlijk inhoudelijk verantwoording af te leggen aan de raad. Op termijn wordt bekeken of en op welke wijze dit ook voor andere organisaties mogelijk is en of de verantwoording aan een bredere groep geïnteresseerde inwoners gegeven kan worden.
4.9 Langdurig partnerschap om de impact te vergroten De gemeente past een bepaalde mate van sturing toe om de effectiviteit (dragen subsidies bij aan de doelen) en doelmatigheid (komt het subsidiegeld op de juiste plek terecht) te waarborgen. Binnen het kader van sturing op maat is het vertrekpunt in de relatie tussen de gemeente en de gesubsidieerde organisaties samenwerking op basis van partnerschap en vertrouwen. Dit betekent dat we als gemeente er niet alleen zijn om subsidiegeld te verstrekken, maar juist ook naast onze partners staan en proactief meedenken. Hierbij nemen we nadrukkelijk niet de rol van uitvoerder over, maar helpen we wel in bijvoorbeeld het leggen van verbinding tussen partners en het verschaffen van informatie over zaken als beleidsdoelen en gemeentelijke ontwikkelingen. Het werken met meerjarige subsidies kan als onderdeel worden gezien van een langdurig partnerschap. Meerjarige subsidieverlening leidt ertoe dat de gemeente samen met de partner verder vooruit kan kijken en het biedt administratieve lastenverlichting voor zowel de gemeente als de subsidieontvanger. Bij het kiezen voor een meerjarige subsidie ten opzichte van een eenjarige subsidie neemt de gemeente het maatschappelijke belang, het belang van de subsidieontvanger en het belang van de gemeente (in samenhang) in ogenschouw: • • • •
Is de inschatting dat een meerjarige subsidie ervoor zorgt dat de kwaliteit van de gesubsidieerde activiteiten wezenlijk toeneemt en dit de impact voor de maatschappij vergroot?; Is de inschatting dat zekerheid en financiële duidelijkheid nodig is voor de subsidieontvanger om (beter) invulling te kunnen geven aan de activiteiten?; Is de inschatting dat de gemeente de beleidsdoelen beter kan nastreven door meerjarige subsidieafspraken en doelen na te streven met de subsidieontvanger?; Is vanuit financieel opzicht een meerjarige subsidie haalbaar (binnen de financiële kaders van de begroting) en wenselijk voor de gemeente?.
Subsidiebeleidskader
17
In aanvulling op bovenstaande punten, maakt het college ook altijd de afweging of de toegenomen stabiliteit van meerjarig subsidiëren opweegt tegen de verminderde flexibiliteit in het jaarlijks verstrekken van subsidie. Organisaties die een meerjarige subsidie ontvangen moeten jaarlijks een verantwoording indienen. Op het moment als de doelen niet worden bereikt en/of de activiteiten niet worden uitgevoerd, heeft de gemeente de mogelijkheid om de meerjarige subsidie te beëindigen. Hierdoor kan de gemeente altijd doelgericht en flexibel bijsturen als dat nodig is. Een combinatie van meerjarige en jaarlijkse of incidentele subsidies is ook mogelijk, als het gaat om organisaties die naast hun structurele subsidie voor hun vaste takenpakket aanvullende projecten uitvoeren. In de subsidieregeling of bij het verstrekken van een begrotingspostsubsidie wordt bepaald voor hoeveel jaar de subsidie wordt verstrekt.
4.10 Burgerinitiatieven mogelijk maken De gemeente vindt het belangrijk om ruimte te geven aan goede ideeën van inwoners. Deze ideeën moeten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Inwoners zijn natuurlijke personen, maar kunnen zich ook verenigd hebben in een rechtspersoon. De maatschappelijke meerwaarde van burgerinitiatieven moet wel duidelijk zijn, in lijn met de doelgerichte inzet van subsidies. Om aanspraak te maken op subsidie moeten de initiatieven van burgers bijdragen aan: • •
Bestaand beleid van de gemeente (bijv. een subsidiedoel van een bestaande subsidieregeling of vastgesteld inhoudelijk beleid van een beleidsdomein); Een actuele maatschappelijke opgave binnen de gemeente, ook al is dit (nog) niet vastgelegd in het beleid van de gemeente.
De gemeente wil de creativiteit van burgers belonen. Inwoners hebben vaak goede ideeën die van waarde zijn voor de gemeente (en onder een maatschappelijke opgave geschaard kunnen worden), maar die (nog) niet zijn vastgelegd in beleid van de gemeente. Een maatschappelijke opgave benaderen we in dit geval als een uitdaging, probleem of kans waar (een wijk binnen) de gemeente mee te maken heeft. De aanvrager moet duidelijk aangeven hoe het initiatief bijdraagt aan de maatschappelijke opgave en wat de meerwaarde is voor de inwoners die ermee te maken hebben.
4.11 Cofinanciering: subsidie moet aanvullend zijn Cofinanciering houdt in dat een organisatie zelf meebetaalt aan een activiteit en naast de subsidie ook andere middelen inbrengt om de activiteit te bekostigen (bijv. sponsorgelden, contributie, andere subsidiebronnen). Door cofinanciering creëer je een gedeeld eigenaarschap tussen de gemeente en de gesubsidieerde organisatie en wordt de afhankelijkheid van subsidie minder groot. In dit kader vindt de gemeente het belangrijk om organisaties te stimuleren om ook andere middelen dan subsidie aan te wenden. Organisaties hebben een inspanningsverplichting om actief op zoek te gaan naar andere middelen. Als een organisatie hier structureel geen inspanning in levert, kan de gemeente ervoor kiezen om de subsidie te weigeren. Als vertrekpunt beschouwt de gemeente het als een positieve ontwikkeling wanneer subsidieontvangers minder afhankelijk worden van subsidie en minder subsidiegeld nodig hebben om maatschappelijke activiteiten uit te voeren. De gemeente wil cofinanciering stimuleren en ook belonen. Dit betekent dat als een subsidieontvanger meer middelen binnenhaalt door middel van cofinanciering (dit kan ook in natura), de gemeente samen met de subsidieontvanger kijkt welke aanvullende maatschappelijke activiteiten uitgevoerd kunnen worden (dit kan bijvoorbeeld ook een investering in inclusie bevorderen zijn). In dit
Subsidiebeleidskader
18
geval leidt cofinanciering ertoe dat een vereniging meer en betere (in plaats van dezelfde) maatschappelijke activiteiten kan uitvoeren vanwege de extra middelen. Dit vergroot de totale maatschappelijke waarde voor de inwoners van de gemeente. Op het moment dat een subsidieontvanger extra middelen heeft aangewend en geen aanvullende activiteiten kan (bijv. door een tekort aan vrijwilligers) of wil organiseren (het aanbod van activiteiten blijft hetzelfde), dan kijkt een gemeente goed naar wat een vereniging nodig heeft. Subsidiegeld moet besteed worden aan de bekostiging van maatschappelijke activiteiten. Het is niet de bedoeling dat subsidiegeld overblijft nadat de activiteiten zijn uitgevoerd. In dit geval kan cofinanciering ertoe leiden dat een subsidieontvanger minder subsidiegeld krijgt. Niet elke organisatie kan aan cofinanciering doen. Sommige verenigingen of stichtingen zijn afhankelijk van subsidie en hebben geen andere inkomsten. De gemeente verwacht een bepaalde inspanning van partijen om ook andere middelen dan subsidie binnen te halen. Als dat niet lukt en verklaard en aangetoond kan worden, kan een organisatie in aanmerking blijven komen voor subsidie. Cofinanciering is voor dergelijke subsidierelaties dan niet van toepassing. Hierdoor valt de maatschappelijke waarde van de organisatie voor de gemeente niet weg.
4.12 Maatwerk voor vermogenstoets en reservevorming Subsidiegeld is bestemd voor maatschappelijke activiteiten die anders niet of in mindere mate van de grond komen. De gemeente wil dat subsidiegeld op de juiste plek terecht komt en voorkomen dat in het kader van de doelmatige besteding van subsidies, organisaties subsidiegeld krijgen dat ze niet nodig hebben. Een vermogenstoets – waarmee wordt gekeken of de aanvrager voldoende eigen vermogen heeft om de activiteiten zelfstandig uit te voeren – is bijna altijd maatwerk. Vermogen is in veel gevallen nodig om bijvoorbeeld toekomstige investeringen te bekostigen. Het gaat hierbij om het verhaal achter de cijfers. De toelichting waarom een organisatie vermogen nodig heeft. Het eigen vermogen moet dan specifieker omschreven of toegelicht worden. Om enerzijds de doelmatige besteding van subsidies te waarborgen en anderzijds de administratieve lasten te beperken, kijkt de gemeente naar twee kengetallen om te bepalen of een vermogenstoets bij een subsidieaanvrager wordt uitgevoerd. Enerzijds kijkt de gemeente naar de solvabiliteit van de organisatie (eigen vermogen ten opzichte van totaal vermogen). Anderzijds kijkt de gemeente naar de hoogte van het eigen vermogen ten opzichte van de hoogte van het aangevraagde subsidiebedrag.
Als indicatieve bovengrens hanteert de gemeente een solvabiliteit van 0,4 en een eigen vermogen van maximaal 300% ten opzichte van de subsidie. Als een vereniging hier boven uitkomt (solvabiliteit groter dan 0,4 en/of eigen vermogen meer dan 300% van de subsidie), dan wordt een vermogenstoets uitgevoerd. Deze toets is maatwerk per situatie en aan de hand van de toets wordt beoordeeld of een organisatie in aanmerking komt voor subsidie. In de vermogenstoets kijkt de gemeente naar het verhaal achter de cijfers. Zaken waar de gemeente naar kan kijken zijn: • • •
Is het eigen vermogen vrij besteedbaar of is het bestemd voor toekomstige investeringen?; Zijn er bijzondere omstandigheden waardoor een groter eigen vermogen gewenst is?; Is het eigen vermogen (mede) gevormd door subsidiegeld van de gemeente?
Als na de kwalitatieve vermogenstoets blijkt dat de aanvrager ook zonder subsidie over voldoende gelden beschikt om de kosten van de activiteiten te dekken (de aanvrager heeft vrij besteedbaar eigen vermogen of liquide middelen die gebruikt kunnen worden voor het
Subsidiebeleidskader
19
uitvoeren van de activiteit), dan kan de gemeente de subsidieaanvraag geheel of gedeeltelijk weigeren. In twee gevallen wordt altijd een vermogenstoets uitgevoerd, ongeacht de kengetallen. Dit is het geval als: • •
Het aangevraagde subsidiebedrag groter dan 100.000 euro is; De aanvrager van de subsidie een negatief eigen vermogen heeft.
In bepaalde situaties kan het voorkomen dat een aanvrager – die over voldoende eigen vermogen beschikt – subsidie aanvraagt voor een aanvullende maatschappelijke activiteit, die het alleen wil uitvoeren met subsidiegeld. Het is dan aan het college om een afweging te maken tussen de doelmatige besteding van subsidiegeld en de waarde van de specifieke maatschappelijke activiteit voor de gemeente om wel of niet subsidie te verstrekken. Verder staat de gemeente reservevorming met subsidiegeld onder voorwaarden toe. Ook hier geldt weer maatwerk. Als uit de financiële verantwoording of naar aanleiding van de actieve meldingsplicht blijkt dat een subsidieontvanger een overschot heeft overgehouden aan de subsidie, dan wordt dit overschot in principe teruggevorderd. Reserveopbouw kan echter nodig zijn om risico’s in enig jaar op te vangen en kan ook als onderdeel worden gezien van een langdurig partnerschap. Alleen onder de volgende voorwaarden mag een reserve worden opgebouwd met subsidiegeld van de gemeente: • • • •
Het gaat om voortdurende activiteiten van een subsidieontvanger (bijv. een jaarlijkse of structurele subsidie); De subsidieontvanger heeft de afgelopen jaren niet structureel reserves opgebouwd met subsidiegeld van de gemeente; De activiteiten van de subsidieontvanger zijn conform de subsidiebeschikking uitgevoerd en de doelen zijn behaald; De reserve moet aangewend worden voor het doel van de subsidie.
Het college moet expliciet toestemming geven om een reserve op te bouwen met subsidiegeld. De hoogte van de reserve mag in ieder geval niet meer dan 10% van de omvang van het jaarsubsidiebedrag bedragen. In onderstaand voorbeeld staat aangegeven hoe de hoogte van de reserve berekend wordt. Voorbeeld: Het college heeft een subsidie verleend van 135.000 euro. Daarnaast heeft de subsidieontvanger 15.000 euro aan overige inkomsten. De totale inkomsten zijn dan 150.000 euro, waarvan 90% subsidie van de gemeente. Aan het eind van het jaar heeft de subsidieontvanger een voordelig resultaat van 30.000 euro. Het deel dat naar evenredigheid van de inkomstenverdeling is toe te schrijven aan de gemeentelijke subsidie is 27.000 euro (90% van 30.000) en wordt beschouwd als de reserve. Deze reserve is 20% van het jaarsubsidiebedrag (27.000 van 135.000). In dit geval moet de subsidieontvanger in ieder geval 13.500 euro terugbetalen om met de reserve tot maximaal 10% van de omvang van het jaarsubsidiebedrag te komen. De subsidieontvanger houdt dan nog 13.500 euro over en dit kan toegevoegd worden aan de reserve na toestemming van het college.
Subsidiebeleidskader
20