CConstaterende datWestervoort
Koppel je AI →
Document · PDF

20240917-rv-vvgb-de-wyborgh-bijlage-4-ruimtelijke-onderbouwing

Commissie Ruimte en Financien 17 september 2024, gemeente WestervoortBij agendapunt: Afwijken geluidbeleid en definitieve verklaring van geen bedenkingen woonblokken De Wyborgh Westervoort15.987 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Mees Ruimte & Milieu | 23168.RO

Pagina | 27

Daarnaast zal de gemeente bij de realisatie van woningen in de geluidklasse “onrustig” en hoger nietakoestische compensatie positief betrekken bij de overwegingen om een hogere waarde toe te staan. Bij nietakoestische compensatie kan gedacht worden aan de volgende zaken:  grotere appartementen;  de nieuwe locatie “groen” in te richten;  de appartementen te voorzien van een hoger afwerkingsniveau;  de hoogst belaste appartementen te situeren op een locatie met uitzicht;  de hoogst belaste appartementen te situeren in de nabijheid van “uitloopgebieden” / natuurgebieden. Verlenen hogere waarden Geconcludeerd kan worden dat er niet voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde. Er is getoetst aan het gemeentelijk beleid en maatregelen zijn overwogen. Het is duidelijk dat de maatregelen niet doeltreffend zijn en enkele vanwege stedenbouwkundige en financiële aard niet wenselijk (plaatsen geluidsschermen). Gezien de plek van de ontwikkeling in het centrum van Westervoort, het invullen van de woningbehoefte door te intensiveren op een plek waar op dit moment ook al woningen aanwezig zijn in de naastgelegen gebouwen en het feit dat middels voldoende geluidwerende gevels een goed binnenklimaat gegarandeerd kan worden, is het verlenen van hogere waarden voor de in het geluidsonderzoek aangegeven gevels zeer acceptabel.

Conclusie Het aspect geluid vormt, met inachtneming van de te verlenen hogere waarden en de voorwaarden daaruit, en het vaststellen van een maatwerkvoorschrift voor de supermarkt, geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie. Bij de aanvraag omgevingsvergunning activiteit bouwen zal aangetoond moeten worden dat aan deze hogere waarden kan worden voldaan.

KABELS EN LEIDINGEN Algemeen Voor sommige kabels en leidingen is het belangrijk deze op te nemen in het bestemmingsplan. Het gaat dan niet om de algemene nutsleidingen, maar om de leidingen waarbij bijvoorbeeld een veiligheidszone geldt of leidingen die een risico zijn als ze bij werkzaamheden geraakt worden. Bepaalde leidingen moeten vanuit regelgeving of rijksbeleid in een bestemmingsplan worden opgenomen. Dit is het geval bij bovengrondse hoogspanningslijnen en buisleidingen. Bij andere leidingen bepaald bevoegd gezag of dit wenselijk is, dit is bijvoorbeeld steeds vaker het geval bij ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Dergelijke leidingen kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van de omgeving. De (planologische relevante) leidingen dienen als zodanig te worden bestemd en daarbij dient de afstand die moet worden vrijgehouden van bebouwing ter bescherming van de leiding, te worden aangeduid. Dit betreft de zogeheten beschermingszone. Naast planologisch relevante leidingen kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die planologisch niet relevant zijn, maar waar met de beheerder van de kabels en leidingen afstemming dient plaats te vinden over het beschermen dan wel verleggen van in en nabij een ontwikkellocatie gelegen kabels en leidingen. Buisleidingen Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang.

Binnen het toepassingsbereik van het Bevb vallen:  

buisleidingen voor aardgas met een uitwendige diameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. buisleidingen voor brandbare stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer.

Mees Ruimte & Milieu | 23168.RO

Pagina | 28

 

buisleidingen voor vergiftige stoffen. buisleidingen voor specifieke stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer.

Voor de realisatie van een buisleiding of een kwetsbaar object dient voldaan te worden aan de grenswaarde voor het PR, terwijl het GR verantwoord moet worden. Bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoogspanningsverbindingen Bij transport van stroom door een hoogspanningsverbinding ontstaat een magneetveld. De sterkte ervan hangt vooral af van de hoeveelheid stroom die wordt vervoerd en van de afstand tot de verbinding. Over de mogelijk nadelige gevolgen van deze velden voor de gezondheid bestaat onduidelijkheid. Onduidelijk zijn vooral de langetermijneffecten van blootstelling aan de veldsterkte die optreedt in woningen die zich in de buurt van het hoogspanningsnet bevinden. Sinds 2005 adviseert de Nederlandse rijksoverheid een voorzorgsprincipe voor bovengrondse hoogspanningslijnen. Bij de planning van nieuwe woningen, scholen en kinderopvangplaatsen is het advies zoveel mogelijk te voorkomen dat kinderen langdurig blootgesteld worden aan magneetvelden die gemiddeld over een jaar sterker zijn dan 0,4 microtesla. De aanleiding hiervoor is dat epidemiologisch onderzoek laat zien dat kinderen in de leeftijd tot 15 jaar, die bij bovengrondse hoogspanningslijnen wonen, mogelijk een verhoogde kans hebben leukemie. Deze mogelijk verhoogde kans zou zich voordoen bij langdurige blootstelling aan een veldsterkte van meer dan 0,4 microtesla.

Of de velden leukemie veroorzaken en hoe dan, is onbekend. Voor leukemie bij kinderen tot 15 jaar geldt dat er wel een statistisch verband op wordt gevonden met de afstand tot een hoogspanningslijn en, daarvan afgeleid, met de hoogte van het magneetveld. Er is echter geen verklaring voor die samenhang. De oorzaak kan het magneetveld zijn, iets anders dat met afstand tot een hoogspanningslijn samenhangt of toeval.1 De indicatieve magneetveldzone bedraagt:  50 meter aan weerszijden van het hart van de hoogspanningslijn voor 50 kV-lijnen;  60 meter aan weerszijden van het hart van de hoogspanningslijn voor 150 kV-lijnen. De GGD heeft het Rijksadvies verbreed naar alle situaties waar het veld de jaargemiddelde waarde van 0,4 microtesla overschrijdt. Verder oordeelde de bestuursrechter in 2017 dat de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het beleidsadvies over bovengrondse hoogspanningslijnen, in beginsel ook voor ondergrondse hoogspanningskabels van toepassing zijn.2 Zowel de Commissie mer als de Gezondheidsraad hebben dit advies overgenomen, waardoor het voorzorgsprincipe voor bovengrondse hoogspanningslijnen ook van toepassen is op ondergrondse kabels, transformatorhuisjes, wijkverdeelstations en andere bronnen van langdurige blootstelling aan magneetvelden uit het elektriciteitsnetwerk.

Relatie tot ontwikkeling De in de nabijheid liggende buisleidingen zijn in paragraaf 4.4 externe veiligheid al behandeld en vormen geen belemmering voor de ontwikkeling van de woningen. De meest dichtbij gelegen hoogspanningsleiding ligt aan de westzijde van het projectgebied. Het betreft het station Centrale Kleefsewaard. Dit betreft de klantaansluiting voor het lokale chemiepark. Het betreft hier een 50 kV spanningslijn. De projectlocatie ligt op ruim 1,6 kilometer en dus op meer dan voldoende afstand.

1

Meer en gedetailleerde informatie over de uitgevoerde onderzoeken en over de conclusies die daaraan worden verbonden, vindt u op de website van het

Kennisplatform Elektromagnetisch Velden (www.kennisplatform.nl ) onder ‘Onderwerpen’>’Hoogspanningslijnen en elektriciteitsvoorziening’. Het Kennisplatform helpt burgers en werknemers wetenschappelijk onderzoek over de relatie tussen magneetvelden en gezondheid te begrijpen en op waarde te schatten en verenigt de kennis van organisaties zoals TNO, DNV GL (voormalig KEMA), GGD en RIVM 222

AbvRS, 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:238

Mees Ruimte & Milieu | 23168.RO

Pagina | 29

Figuur 11. Uitsnede HoogspanningsNet Netkaart.

Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de realisatie van de woningen binnen de projectlocatie.

LUCHTKWALITEIT Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder:

Mees Ruimte & Milieu | 23168.RO

Pagina | 30

 

woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.

Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van de realisatie van 63 woningen. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. Voor de volledigheid is op basis van de worst-case berekende verkeersgeneratie (zie paragraaf 4.12) de NIBM-rekentool gebruikt. Op basis daarvan kan eveneens geconcludeerd worden dat de grenswaarde van 3% niet wordt overschreden en de ontwikkeling daarmee niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Figuur 12. NIBM-rekentool (geraadpleegd op 27 november 2023).

In aanvulling op het bovenstaande wordt opgemerkt dat binnen de ontwikkeling geen gevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk worden gemaakt. Ook om deze reden is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek niet nodig. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de totale concentratie is ter plaatse van een specifiek rekenpunt. De totale concentratie bestaat uit de achtergrondconcentratie (op basis van de GCN-kaart) en de lokale bijdrage (van lokale bronnen, op basis van data over o.a. verkeersgegevens). Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de totale concentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 4 oktober 2023 met bijbehorende grenswaarden).

Mees Ruimte & Milieu | 23168.RO

Pagina | 31

Tabel 1. Jaar

Totale concentraties van stikstofdioxide en fijnstof in nabijheid van de projectlocatie Totale concentratie rekenpunt Dorpstraat NO2 (µg/m3) PM10 (µg/m3)

PM2,5 (µg/m3)

2021

15,7

16,9

10,0

2030

11,3

14,3

7,5

Grenswaarden

40

40

25

Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

MILIEUZONERING Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Tabel 2. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering.

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk / rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien

Mees Ruimte & Milieu | 23168.RO

Pagina | 32

sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Daarnaast onderscheidt de VNG-publicatie 'functiemengingsgebieden'. Dit zijn bijvoorbeeld stadscentra, dorpscentra of winkelcentra. Als een gebied is aangewezen als functiemengingsgebied, dan kan de Staat van Bedrijfsactiviteiten voor functiemenging worden toegepast. Hierbij is het beter mogelijk om menging van functies toe te staan.

Relatie tot ontwikkeling Het projectgebied maakt onderdeel uit van het winkelcentrum De Wyborgh en ligt midden in het centrum van Westervoort. Direct ten zuiden van het projectgebied zijn diverse wijkfuncties aanwezig, waaronder een basisschool en dierenkliniek. Aan de westzijde van het projectgebied liggen enkele woningen aan de Kerkstraat. De te realiseren woningen worden straks onderdeel van het vernieuwde winkelcentrum. De projectlocatie kent de bestemming ‘Centrum’. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat sprake is van gemengd gebied en opzichte van de omgeving en de diverse functies binnen het winkelcentrum. Figuur 13. Omliggende activiteiten, toekomstige woningen in oranje kader.

Mees Ruimte & Milieu | 23168.RO

Pagina | 33

Tabel 3. Milieuzonering omgeving en richtafstanden.

Activiteit/bestemming

Milieucategorie

Richtafstand ‘gemengd gebied

Feitelijke afstand

Belemmering

Gemengd

Max. categorie 1

0m

Minimaal 12 m

nee

10 m

Bedrijf, nutsvoorziening

Feitelijk: sportschool cat.2 en dierenarts cat. 1 Categorie 1

Minimaal 17 m

nee

0m

3

Maatschappelijk

Feitelijk: nutsvoorziening cat. 1 Categorie 2

10 m

Minimaal 12 m

nee

4

Winkelcentrum (bestemming Centrum)

Feitelijk: basisschool cat. 2 Overwegend cat. 1, max cat. 2 voor dansschool

0 m en 10 m

0m

Mogelijk in de toekomst

1

2

Feitelijk: detailhandel cat.1 (oa supermarkt)

0m

0m

nee

Rondom de geplande woningbouw zijn een aantal activiteiten aanwezig die mogelijk een belemmering vormen voor de woningbouw of vice versa. In bovenstaande tabel en figuur 13 is af te lezen welke functies dit zijn. Deze worden hieronder besproken. 1 Gemengd Aan de zuidkant van het projectgebied ligt een gebouw met een gemengde bestemming waar horeca activiteiten in categorie 1, detailhandel, dienstverlening en kantoor toegestaan is. Deze activiteiten kennen een richtafstand in een gemengd gebied van 0 meter. In de feitelijke situatie is hier op de begane grond een sportschool aanwezig die aan te merken is als categorie 2 met een richtafstand van 10 meter. De dichtbij gelegen te realiseren woningen liggen op een afstand van minimaal 12 meter waardoor geen belemmeringen te verwachten zijn. 2 Bedrijf Nutsvoorziening Aan de zuidkant van de te realiseren woningen aan Dorpsplein ligt een nutsvoorziening in de vorm van een elektriciteitshuisje. Deze nutsvoorziening kent een richtafstand van 0 meter en ligt op ruim 17 meter afstand van de nieuw te bouwen woningen. Deze nutsvoorziening vormt derhalve geen belemmering voor de woningen en vice versa. 3 Maatschappelijk Zoals in figuur 13 aangegeven ligt aan de zuidkant een basisschool (IKC De Brug) die in het kader van milieuzonering aan te merken is als een categorie 2 bedrijfsactiviteit.

Dit betekent dat er in een gemengd gebied een richtafstand geldt van 10 meter ten opzichte van de gevels van woningen. De nieuw te realiseren appartementen op de verdieping aan het Dorpsplein Zuid liggen op 12 meter afstand van de bestemmingsgrens van de basisschool. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Bovendien ligt op kortere afstand aan de westzijde van de basisschool ook woningen waar al rekening mee gehouden moet worden. De realisatie van de woningen aan het Dorpsplein Zuid zorgen niet voor een belemmering van de bedrijfsvoering van de basisschool en voor de te realiseren woningen kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. 4 Centrum De woningen vanuit het woonblok aan de Kerkstraat en het woonblok aan Dorpsplein worden omringd door het winkelcentrum zelf met de bestemming ‘Centrum’. Binnen deze bestemming zijn overwegend functies toegestaan binnen milieucategorie 1 (detailhandel, dienstverlening, kantoor en horeca categorie I), maar zijn planologisch ook functies toegestaan die binnen milieucategorie 2 vallen (horeca categorie II, zoals een

Mees Ruimte & Milieu | 23168.RO

Pagina | 34

dansschool en maatschappelijke voorziening in de vorm van een school of kinderopvang. Op dit moment ligt aan de oostzijde van het woonblok aan de Kerkstraat een supermarkt (AH) en aan de noordzijde zijn verswinkels zoals een bakker en visboer aanwezig. Deze activiteiten vallen in beginsel onder milieucategorie 1 en hebben een richtafstand van 0 meter. Planologisch gezien zijn enkele activiteiten toegestaan die onder milieucategorie 2 vallen. Dit betreft dan onder andere een dansschool, kinderopvang of een onderwijsfunctie (basisschool of voortgezet onderwijs). Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter. Dit betekent dat bij een mogelijk toekomstige ontwikkeling van een categorie 2 bedrijf, deze op minimaal 10 meter afstand gesitueerd moet worden vanaf de te realiseren woningen. Dichterbij is wel mogelijk, maar dan zal uit een nader onderzoek (bijvoorbeeld geluidsonderzoek) moeten blijken dat de te realiseren categorie 2 activiteit geen hinder veroorzaakt voor omliggende woningen. Het is echter niet de verwachting dat een van deze functies op korte termijn een plek zal vinden in het winkelcentrum. Daarbij geldt overigens dat er op dit moment al bestaande bovenwoningen zijn waar al rekening mee gehouden moet worden.

Vooralsnog kan aan de hand van de aanwezige functies een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd voor de toekomstige woningen en worden de bestaande activiteiten niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel getoetst aan de activiteiten van de naastgelegen supermarkt (Albert Heijn) zoals het laden en lossen, rijden met winkelwagens en dichtslaan portieren van deuren op het parkeerterrein. Uit de praktijk en jurisprudentie blijkt dat een supermarkt, ondanks een lage milieucategorie in het kader van het hinderaspect geluid voor mogelijke overlast kan zorgen. Hiervoor heeft Alcedo een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie paragraaf 4.5. Geconcludeerd kan worden dat er een overschrijding is in de avondperiode van 2 dB(A). Hiervoor wordt een maatwerkvoorschrift vastgesteld en daarnaast kan middels goede geluidwering een goed woon- en leefklimaat in de woningen worden gegarandeerd. De supermarkt wordt op deze manier niet in de bedrijfsvoering belemmerd.

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

NATUUR Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden.

Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of

Mees Ruimte & Milieu | 23168.RO

Pagina | 35

leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.

Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de ontwikkeling is door Laneco in eerste instantie een quickscan uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten en gebieden. De rapportage van 21 maart 2023 (Groot, R. 2023 Quickscan flora en fauna De Wyborgh (Blok A) te Westervoort. Laneco, Ede.) is bijgevoegd in de bijlagen bij voorliggende onderbouwing. De resultaten worden in deze paragraaf per onderdeel beschreven. Soortenbescherming Binnen het plangebied kunnen een aantal nationaal en Europees beschermde soorten voorkomen, waarvoor voor aantasting van rust- en verblijfplaatsen een ontheffingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming geldt. Op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezige habitats en de biotoopeisen van de individuele diersoorten is de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen in de bebouwing binnen het plangebied niet uitgesloten. Door de beoogde ingreep zijn negatieve effecten op verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, de kleine dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis niet uitgesloten. Op basis van het veldbezoek, de verspreidingsgegevens, de aanwezige habitattypen en biotoopeisen van de mogelijk in de omgeving voorkomende soorten zijn van de overige (niet-vrijgestelde) nationaal of Europees beschermde soorten, vaste rust- en verblijfplaatsen uit te sluiten binnen het plangebied.

Nader onderzoek naar deze soorten is dan ook niet nodig. Wel geldt altijd de zorgplicht. Nader vleermuisonderzoek Uit de quickscan flora en fauna is gebleken dat binnen het bestaande gebouw langs Dorpsplein Zuid een aantal open stootvoegen aanwezig zijn die mogelijk toegang bieden tot de achterliggende spouw aan de gebouwbewonende vleermuissoorten, namelijk de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), de kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus) en de ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii), waarmee de aanwezigheid van verblijfplaatsen van deze soorten niet op voorhand kon worden uitgesloten. Om de aanwezigheid van en negatieve effecten door de beoogde ingreep op kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen in het plangebied uit te kunnen sluiten, is in 2023 nader ecologisch onderzoek uitgevoerd (Groot, R. 2023 Rapportage nader ecologisch onderzoek De Wyborgh (blok A) te Westervoort. Ede: Laneco). Doel van dit onderzoek was om vast te stellen of deze beschermde soortgroep ook daadwerkelijk gebruik maakt van de bebouwing in het plangebied als kraam-, zomer of paarverblijfplaats. Het nader onderzoek is als bijlage terug te vinden, de resultaten zijn hieronder weergegeven.

Tijdens de 4 onderzoeksrondes zijn in het plangebied geen kraam-, zomer- of paarverblijfplaatsen of andere essentiële onderdelen van het leefgebied van vleermuizen vastgesteld. De beoogde ingreep heeft daarom geen negatieve effecten op gebouwbewonende vleermuizen.

Mees Ruimte & Milieu | 23168.RO

Pagina | 36

Met betrekking tot verblijfplaatsen en andere essentiële onderdelen van het leefgebied van vleermuizen van gebouwbewonende vleermuizen zijn voor de beoogde ingreep in het plangebied in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) geen consequenties. Gebiedsbescherming Bij het uitvoeren van werkzaamheden op de locatie gaat geen oppervlakte van het dichtstbijzijnde gelegen NNN-gebied (ca. 500 meter) verloren. Gelet op de lokale aard van de ingreep, de afstand tot het NNN-gebied en de al aanwezige menselijke activiteit, zijn negatieve effecten op het NNN-gebied uitgesloten. Het plangebied ligt op circa 500 meter afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Rijntakken”. Door de voorgenomen ingreep gaat geen Natura 2000-gebied verloren. Effecten op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied door externe invloeden van de werkzaamheden, zoals geluid, licht, menselijke aanwezigheid en trilling, zijn gezien de afstand en de tussenliggende elementen op voorhand uitgesloten. Tijdens de aanleg- en gebruikersfase van de toekomstige inrichting wordt mogelijk de maximale stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar op nabijgelegen Natura 2000-gebieden overschreden. In dit kader is er op 24 november 2023 door SPA WNP een stikstofberekening uitgevoerd (referentie 2300544.b02a). In dit onderzoek (dat als bijlage terug te vinden is) is de gehele herontwikkeling van het winkelcentrum meegenomen.

Dus niet enkel de realisatie van de woningbouw, maar ook het vergroten van de supermarkten. Hiermee is integraal naar de stikstofeffecten van zowel bouw- als gebruiksfase gekeken. Op basis van de berekende stikstofemissies tijdens de beoogde situatie kunnen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in beginsel niet worden uitgesloten. Door middel van intern salderen is aanvullend bepaald of er sprake is van significante effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. De emissies van de referentiesituatie en de beoogde situatie zijn in AERIUS ingevoerd en met elkaar vergeleken met behulp van verschilberekeningen. Uit de AERIUS-berekeningen van de beoogde situatie volgt dat er in beginsel natuurgebieden zijn met rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Op basis van verschilberekeningen (intern salderen) is bepaald of er significante effecten zijn op het behalen van de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Hieruit blijkt dat daar geen sprake van is.

Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN Algemeen De opslag van munitie en/of explosieven valt niet onder het toepassingsgebied van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Op de opslag van munitie en/of explosieven is de 'Circulaire Opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik' van toepassing. In tegenstelling tot het Bevi is geen sprake van risicobenadering maar van een effectbenadering bij de opslag van munitie en/of explosieven. Per categorie explosieven zijn aan te houden afstanden onderscheiden. Kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogen binnen deze afstanden niet aanwezig zijn. In de Nederlandse bodem zitten nog veel conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Bij het opsporen en ruimen van conventionele explosieven (CE’s) is de openbare orde en veiligheid het bepalende uitgangspunt. De burgemeester is op grond van artikel 172 van de Gemeentewet belast met de handhaving daarvan. De beslissing om in een concrete situatie al dan niet over te gaan tot het opsporen en ruimen van een CE is dus de bevoegdheid van de burgemeester. In een CE-verdacht gebied is grondroerende partij verplicht een explosieven onderzoek uit te voeren in het kader van 'veilige werkomgeving en veiligheid voor derden en de omgeving'. Er geldt geen verplichting om over te gaan tot opsporing en ruiming. Dit hangt af

Mees Ruimte & Milieu | 23168.RO

Pagina | 37

van het concrete geval en dat wordt vooral beoordeeld in relatie tot het huidige en toekomstige gebruik van het gebied. Conform de Arbowetgeving dient voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden het terrein onderzocht te worden op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Hiermee wordt voorkomen dat tijdens werkzaamheden in de bodem ontplofbare oorlogsresten worden aangetroffen die een gevaar voor de werknemers en de openbare orde en veiligheid kunnen vormen.

Relatie tot ontwikkeling Het betreft de herontwikkeling op een reeds bebouwde locatie. In de huidige situatie is de locatie al volledig bebouwd en is de grond reeds geroerd bij het realiseren van het bestaande winkelcentrum. Er worden daarom geen conventionele explosieven verwacht en nader onderzoek is niet nodig.

Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

VERKEER EN PARKEREN Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.

Relatie tot ontwikkeling Parkeren Auto De gemeente Westervoort heeft op 19 juni 2023 de Parkeernormennota Westervoort vastgesteld. De benodigde behoefte aan parkeerplaatsen is voor dit plan berekend op basis van deze nota. De projectlocatie valt onder ‘centrum’ en kent voor gestapelde woningen de volgende parkeernormen: Tabel 4. Parkeernormen conform de Parkeernomennota Westervoort.

Parkeerbehoefte Dit leidt tot de volgende parkeerbehoefte:

Mees Ruimte & Milieu | 23168.RO

Pagina | 38

Tabel 5. Berekening parkeerbehoefte woningen.

Aantal woningen 52 11 0 Totaal

Type Klein <90m2 Midden >90 <120 m2 Groot >120 m2

Norm 1,3 1,4 1,6

parkeerbehoefte 67,6 15,4 0 83

Voor het totaal van 63 woningen is er een normatieve parkeerbehoefte van 83 parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte geeft de behoefte voor zowel bewoners als bezoekers weer. Het bezoekersaandeel binnen de norm is 0,3. Dit bedraagt in totaal 18,9 parkeerplaatsen. Dit aandeel moet ten alle tijden openbaar beschikbaar zijn. Op basis van aanwezigheidspercentages die het CROW hanteert, kan bepaald worden wat het maatgevende moment is. Tabel 6. Aanwezigheidspercentages conform het CROW.

Het maatgevende moment voor woningbouw ligt op de werkdagavond met een aandeel bewoners van 90% en aandeel bezoekers van 80%. Dit leidt tot de volgende parkeerbehoefte in de maatgevende periode:  Werkdagavond: 57,69 bewoners en 15,12 bezoekers: totaal 72,81 = 73 parkeerplaatsen Op het maatgevende moment zijn er derhalve 73 parkeerplaatsen nodig voor de realisatie van de 63 woningen. De ontwikkeling wordt integraal bekeken: naast het toevoegen van woningen verdwijnt ook een flink oppervlak aan winkels. In dit kader is er een integrale parkeerberekening gemaakt die de huidige parkeerbehoefte en de toekomstige parkeerbehoefte van dit deel van het winkelcentrum inzichtelijk maakt. Deze parkeerberekening is als bijlage terug te vinden. Tabel 7. Integrale parkeerberekening.

In totaal is er ten opzichte van de huidige situatie (overigens nog zonder dubbelgebruik) een extra parkeerbehoefte van 19 parkeerplaatsen te verwachten (zie tabel 7 integrale parkeerberekening en bijlage 11 parkeerbalans). Dit betekent een theoretisch tekort aan 19 parkeerplaatsen zonder daarbij rekening te houden met dubbelgebruik. Ook bij de integrale parkeerberekening is naar dubbelgebruik gekeken, waarbij de maatgevende periode zaterdagmiddag is (in tegenstelling tot enkel woningbouw, waar dit de werkdagavond is). Met dubbelgebruik ligt de parkeerbehoefte op 213 parkeerplaatsen (zie tabel 8). Dit is lager dan oorspronkelijke parkeerbehoefte (230 parkeerplaatsen) en ook lager met de ontwikkelingen Mees Ruimte & Milieu | 23168.RO

Pagina | 39

van de 63 appartementen, waarbij het totaal op 249 parkeerplaatsen komt, waar geen rekening is gehouden met dubbel gebruik. Hierbij is sprake van een positief verschil van 17 parkeerplaatsen. Tabel 8. Aantal benodigde parkeerplaatsen inclusief dubbelgebruik op het maatgevende moment.

Aanbod parkeerplaatsen Binnen de nieuw te realiseren gebouwen wordt op de begane grond ruimte gereserveerd voor parkeerplaatsen. In het blok aan de Kerkstraat worden 16 parkeerplaatsen gerealiseerd en in het blok aan het Dorpsplein komen 27 parkeerplaatsen. In totaal worden er 43 parkeerplaatsen gerealiseerd. Dit betekent dat er in beginsel voldoende parkeerplaatsen voor de ontwikkeling van deze woonblokken worden toegevoegd. Hierbij moet worden opgemerkt dat de 43 parkeerplaatsen enkel voor de bewoners zijn. De parkeerplaatsen voor de bezoekers moeten openbaar beschikbaar zijn. Net als het deel van de parkeerplaatsen voor bewoners die niet op eigen terrein worden gerealiseerd, kunnen de bezoekers gebruik maken van de aanwezige parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Om te beoordelen of er in de openbare ruimte voldoende parkeergelegenheid is, is door NDC een parkeeronderzoek rondom het winkelcentrum uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage terug te vinden, de resultaten zijn hieronder weergegeven. In het onderzoek is een loopafstand van maximaal 200 meter rondom de ontwikkeling aangehouden. Uit de resultaten van de metingen op alle meetdagen komen geen extreme of opvallende resultaten naar voren. De parkeerdruk in het gehele onderzoeksgebied blijft gedurende alle meetmomenten ruim onder de 85%.

Het hoogste bezettingspercentage voor het gehele onderzoeksgebied tijdens de onderzoeksdagen is op vrijdag 17 februari (weekmarkt) om 12:00 uur met een bezettingspercentage van 65% (294 bezette parkeerplaatsen van de in totaal 449 openbare parkeerplaatsen) in het onderzoeksgebied. Hieruit blijkt dat er in alle gevallen meer dan voldoende parkeercapaciteit in de openbare ruimte aanwezig is om te kunnen voldoen aan de parkeervraag. Fiets Naast het voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor de auto dient ook te worden voorzien in genoeg stallingsruimte voor de fiets. De parkeernormennota Westervoort geeft hier ook kencijfers voor. Zo moeten er voor een niet- grondgebonden woning in het centrum groter dan 50 m2 3 fietsparkeerplaatsen aanwezig zijn. Het fietsparkeren wordt opgelost door in zowel het bouwblok aan de Kerstraat en Dorpsplein Zuid een gezamenlijke fietsenberging te realiseren. Voor Dorpsplein Zuid geldt dat er voor de 34 woningen dus op basis van de norm 102 fietsparkeerplaatsen verlangt en voor de Kerkweg op basis van 29 woningen 87 fietsparkeerplaatsen. De gezamenlijke berging in het woonblok aan het Dorpsplein Zuid heeft 104 stallingsplaatsen (inclusief bakfietsen) en in het woonblok aan de Kerkstraat worden 93 stallingsplaatsen opgenomen (inclusief bakfietsen). Hiermee wordt dus voldaan aan de fietsparkeerbehoefte.

Mees Ruimte & Milieu | 23168.RO

Pagina | 40

Verkeersgeneratie Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is de CROW-rekentool geraadpleegd op basis van de stedelijkheidsgraad ‘matig stedelijk’ en de ligging ‘centrum’. Hierbij is uitgegaan van een worst case benadering (allemaal koopwoningen ipv gedeeltelijk koop en huur). Dit leidt tot de volgende verkeersgeneratie op basis van een gemiddelde verkeersgeneratie van 5,1 per woning:  63 woningen koop, etage, midden: 63 x 5,1 = 321,3 verkeersbewegingen per etmaal. De ontsluiting van de projectlocatie vindt plaats via het Dorpsplein naar de Zuidelijke parallelweg en Brugweg die leidt naar de provinciale weg N235 of via de Kerkstraat, Klapstraat, Broeklanden en Rivierweg richting de Rijksweg A12. Het aantal vervoersbewegingen dat door de realisatie van de woningen gegenereerd wordt, kan goed opgevangen worden door het bestaande omliggende wegennetwerk.

Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

WATER Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:  vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater.

Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.  schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.

Mees Ruimte & Milieu | 23168.RO

Pagina | 41

Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Beleid waterschap Rijn en IJssel Voor dit plan is het beleid van Waterschap Rijn en IJssel mede van belang. Waterschap Rijn en IJssel beschrijft in het Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 het beleid voor alle taakgebieden van het waterschap. Het plan geeft aan welke doelen het waterschap nastreeft en met welke aanpak het waterschap deze doelen wil bereiken. Het thema ‘Watersysteembeher’ is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie "Vasthouden-Bergen-Afvoeren". Indien het verhard oppervlak toeneemt, kan dit gevolgen hebben voor het watersysteem en is onder voorwaarden waterberging nodig. Bij plannen met een verhard oppervlak kleiner dan 500 m² in de nieuwe situatie hoeft geen berging gerealiseerd te worden.

Bij plannen met een toename van het verhard oppervlak vanaf 500 m² dient rekening gehouden te worden met een maatgevende bui van 40 mm per uur. Hiervoor kan de volgende berekening worden gehanteerd, waarin de factor 0,04 een maatgevende bui van 40 mm per uur vertegenwoordigt: Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (in m²) * 0,04. Daarnaast geldt vanaf 1 januari 2024 de Waterschapsverordening Waterschap Rijn en IJssel. Deze vervangt de Keur.

Relatie tot ontwikkeling Het plangebied ligt binnen het beheergebied van waterschap Rijn en IJssel. In het vervolg van de voorliggende paragraaf zijn de belangrijkste waterhuishoudkundige aspecten uitgewerkt. Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Waterkwantiteit In de bestaande situatie is het projectgebied volledig verhard. Met voorliggende ontwikkeling wordt het bestaande volume vergroot en worden appartementen op de verdiepingen toegevoegd. Er is dus geen sprake van een toename van verharding en de compensatieplicht is hier niet van toepassing. Beschermde gebieden Op basis van de legger van Waterschap Rijn en IJssel is af te lezen dat de projectlocatie niet binnen een beschermingszone van een waterkering of watergang ligt.

Mees Ruimte & Milieu | 23168.RO

Pagina | 42

Figuur 14. Projectlocatie (zwart) valt buiten beschermingszone van een waterkering of watergang.

Er worden vanuit dit wateraspect dan ook geen belemmeringen verwacht. Riolering Er wordt aangesloten op de bestaande riolering ter plaatse.

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

(VORMVRIJE) M.E.R-BEOORDELING Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.

Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient

Mees Ruimte & Milieu | 23168.RO

Pagina | 43

een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.

Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van 63 koop- en huurappartementen. Een dergelijke ontwikkeling kan worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D11.2 en is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Er geldt geen directe m.e.r.-beoordelingsplicht, een vormvrije m.e.r.-beoordeling is wel noodzakelijk. Indien hieruit blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een m.e.r.-beoordelingsplicht. Ten behoeve van de ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld. De aanmeldnotitie met daarin opgenomen de vormvrije m.e.r.-beoordeling van 17 november 2023 (Mees Ruimte & Milieu, kenmerk 23168.AN/MER) is toegevoegd aan de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Geconcludeerd kan worden dat de realisatie van de woningen niet leidt tot significant negatieve milieueffecten waardoor een nadere m.e.r.beoordeling niet nodig is. Op basis van de aanmeldnotitie neemt het bevoegd gezag een m.e.r.beoordelingsbesluit.

Mees Ruimte & Milieu | 23168.RO

Pagina | 44

5

BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID De uitvoering van de ontwikkeling is geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Met de initiatiefnemer wordt een overeenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 6.12, lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. Met die overeenkomst is verzekerd dat de wettelijk te verhalen kosten die de gemeente maakt, zoals mogelijke planschade, worden verhaald op de initiatiefnemer. Op grond daarvan kan de gemeenteraad afzien van het vaststellen van een exploitatieplan, omdat het verhaal van de kosten anderszins is verzekerd.

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Participatie Op 21 juni 2023 is een informatiebijeenkomst georganiseerd voor geïnteresseerden en belanghebbenden waarbij de eerste beelden van de ontwikkeling getoond zijn. Op 23 oktober 2023 is een tweede informatieavond gehouden in het zalencentrum Wieleman. Hierbij waren ongeveer 65 omwonenden en geïnteresseerden aanwezig. De architect heeft een toelichting gegeven op de plannen voor woningbouw aan de Kerkstraat en Dorpsplein Zuid. Er zijn onder andere vragen gesteld ten aanzien van parkeren, stikstof, geluid en de procedure. De vragen zijn beantwoord en vastgelegd in een verslag van de bijeenkomst. Dit verslag is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd.

Planologische procedure De omgevingsvergunning is voorbereid met toepassing van een uitgebreide procedure ex artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3° Wabo juncto artikel 3.10 Wabo. Het ontwerpbesluit met bijbehorende stukken heeft vanaf donderdag 4 april 2024 voor een termijn van zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn kon een ieder hierop zienswijzen indienen. Tijdens deze termijn zijn vijf zienswijzen ingediend. Deze zijn beantwoord in de ‘Zienswijzennota Woonblokken De Wyborgh’ behorende bij de aanvraag. De ingediende zienswijzen hebben niet geleid tot een aanpassing van het plan.

Mees Ruimte & Milieu | 23168.RO

Pagina | 45

6

CONCLUSIE RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE INPASBAARHEID De initiatiefnemer heeft als doel 63 woningen toe te voegen aan het bestaande winkelcentrum De Wyborgh in Westervoort. Voor deze ontwikkeling dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt aan de hand van een omgevingsvergunning doorlopen. Middels voorliggende rapportage is het project gemotiveerd aan de hand van relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. Tevens is de uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst aan de diverse omgevingsaspecten en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling. De ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd.

Mees Ruimte & Milieu | 23168.RO

Pagina | 46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westervoort&id=4e576efc-c1e3-47f8-b136-89be6cda1cad