20240409-rv-bp-snelfietsroute-f12-bijlage-7-voortoets-stikstof
Tekst van het document
Voortoets stikstof
Snelfietsroute F12 tussen Duiven-Westervoort (tracédeel Westervoort)
Voortoets Stikstof
Snelfietsroute F12 tussen Duiven-Westervoort (tracédeel Westervoort) Projectnummer: 2021-0424
Datum: 27-10-2023 Versie: 1.0
Opdrachtgever: 1Stroom Bram Beune
Ben ten Oever
b.beune@lycens.nl
b.tenoever@lycens.nl
Adviseur Ecologie
Projectleider Ecologie
M 06 450 627 49
Lycens B.V.
Deventerstraat 10
Schrevenweg 6
M 06 160 074 42
7575 EM Oldenzaal 8024 HA Zwolle
0541-570730
info@lycens.nl
Inhoudsopgave
1. Inleiding ..................................................................................................................... 4 1.1. Het bouwplan ......................................................................................................................................................... 4 1.2. Ligging van de projectlocatie ............................................................................................................................... 4
1.3. Relevante Natura 2000-gebieden ........................................................................................................................ 5
2. Natuurwetgeving en -beleid ...................................................................................... 7 2.1. Natura 2000 ............................................................................................................................................................ 7
3. Motivering input Aerius-calculator ............................................................................ 8 3.1. Rekeninput beoogde situatie, gebruiksfase ...................................................................................................... 8 3.2. Rekeninput beoogde situatie, realisatiefase ..................................................................................................... 8
3.3. Rekeninput vergund recht .................................................................................................................................... 9
4. Stikstofberekening - Resultaten en conclusie ......................................................... 10
4.1. Rekenresultaat beoogde situatie gebruiksfase ............................................................................................... 10 4.2. Rekenresultaat beoogde situatie realisatiefase .............................................................................................. 10 4.3. Conclusie............................................................................................................................................................... 10
5. Natura 2000-gebied Veluwe en Rijntakken; deelgebied Uiterwaarden IJssel ......... 12
5.1. Gebiedsbeschrijving Veluwe .............................................................................................................................. 12
5.2. Gebiedsbeschrijving Rijntakken, deelgebied Uiterwaarden IJssel............................................................... 12
6. Effecten en toetsing ................................................................................................. 14
6.1. Afbakening ............................................................................................................................................................ 14 6.2. Gebiedsspecifieke effectbeoordeling Veluwe.................................................................................................. 15 6.3. Gebiedsspecifieke effectbeoordeling Rijntakken; deelgebied Uiterwaarden IJssel .................................. 19
6.4. Cumulatie.............................................................................................................................................................. 22
7. Conclusie.................................................................................................................. 24 8. Bronnen ................................................................................................................... 25
3
Voortoets Stikstof Snelfietsroute F12 tussen Duiven-Westervoort (tracédeel Westervoort)
27-10-2023
1. Inleiding
Initiatiefnemer is voornemens een snelfietsroute te realiseren tussen Duiven en Westervoort. Gezien de huidige
stikstofproblematiek is het noodzakelijk voorafgaand aan de te volgen procedures de gevolgen voor de stikstofdepositie in beeld te brengen. Voorliggende rapportage betreft een onderzoek ‘stikstofdepositie in relatie
tot Natura 2000’ die de exacte depositie van het project op de omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk
maakt. Bij een depositiewaarde kleiner of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar zorgt het beoogde plan niet voor een significante toename van de stikstofdepositie en worden negatieve effecten uitgesloten.
1.1.
Het bouwplan
Het plan bestaat uit de realisatie van een snelfietsroute van beton welke tussen Duiven en Westervoort is gelegen. De realisatie zal plaatsvinden in 2024.
1.2.
Ligging van de projectlocatie
De projectlocatie ligt tussen de Hamersestraat in Westervoort en de Rivierweg in Duiven en staat kadastraal bekend als (kadastrale) gemeente Westervoort, sectie A, nummer(s) 7411, 7412, 6842, 3367, 3607, 7596. In figuur
1.1 wordt de ligging van het deel van de snelfietsroute in de gemeente Westervoort weergegeven. Figuur 1.2 toont de ter plaatse geldende bestemmingen.
Figuur 1.1: Ligging projectlocatie
4
Voortoets Stikstof Snelfietsroute F12 tussen Duiven-Westervoort (tracédeel Westervoort)
27-10-2023
Figuur 1.2: Ligging projectlocatie tracédeel Westervoort
1.3.
Relevante Natura 2000-gebieden
Onderstaand zijn de voor het onderhavige project relevante gebieden weergegeven. Daarnaast zijn per gebied de aanwijzingsdata weergegeven en de afstand tot het projectgebied. In figuur 1.3 zijn deze gebieden geografisch weergegeven ten opzichte van het projectgebied. Rijntakken: • •
afstand: 640 meter;
aanwijzingsdata: 7 december 2004 als Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied.
Veluwe: • •
5
afstand: 4,11 kilometer;
aanwijzingsdata: 7 december 2004 als Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied.
Voortoets Stikstof Snelfietsroute F12 tussen Duiven-Westervoort (tracédeel Westervoort)
27-10-2023
Figuur 1.3: Natura 2000-gebieden in de omgeving
6
Voortoets Stikstof Snelfietsroute F12 tussen Duiven-Westervoort (tracédeel Westervoort)
27-10-2023
2. Natuurwetgeving en -beleid 2.1.
Natura 2000
De bescherming van Natura 2000-gebieden (Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Projecten of plannen die significante gevolgen kunnen hebben voor deze
beschermde gebieden, zijn in beginsel (zonder vergunning) niet toegestaan. De verbodsbepalingen uit de Wet Natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000-gebieden staan in artikel 2.7, eerste en tweede lid, Wet natuurbescherming.
Artikel 2.7: Beoordeling van plannen en projecten 1.
Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, met
2.
uitzondering van het negende lid;
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
Kern van de Natura 2000 toetsing zijn de instandhoudingsdoelstellingen die voor Natura 2000-gebied zijn geformuleerd. Een project of plan mag er niet toe leiden dat de instandhoudingsdoelstellingen niet meer gehaald
(kunnen) worden. Dan is sprake van significante gevolgen. Naast directe effecten (bijvoorbeeld ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijvoorbeeld door geluid,
licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets, waarin wordt getoetst of significante gevolgen voor Natura 2000-gebied op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende
beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming.
7
Voortoets Stikstof Snelfietsroute F12 tussen Duiven-Westervoort (tracédeel Westervoort)
27-10-2023
3. Motivering input Aerius-calculator 3.1.
Rekeninput beoogde situatie, gebruiksfase
Stikstofemissie in de gebruiksfase is afkomstig van het door het toekomstige plan gegenereerde verkeer op het moment dat het snelfietspad in gebruik is genomen. Verkeersgeneratie
Uit gegevens van de opdrachtgever komt naar voren dat gemiddeld op een dag 1.000 fietsers gebruik maken van het snelfietspad. Een klein percentage hiervan zal bestaan uit licht verkeer als brommers. Dit zou neerkomen op ongeveer 30 brommers per dag. In de Aerius-calculator worden bromfietsers als licht verkeer meegenomen.
Gezien de inrichting van de fietsroute als fietssnelweg en tevens als ontsluitingsweg voor licht verkeer, gaat dit lichte verkeer direct op in het heersende verkeersbeeld. Conform de NSL-Monitoringstool is geen sprake van congestie.
3.2.
Rekeninput beoogde situatie, realisatiefase
Verkeersgeneratie
De verkeersgenererende werking in de realisatiefase bestaat uit transport van materialen en personen
grondverzetters, bouwvakkers, aannemers, uitvoerders). De algehele realisatiefase (bouwrijp, bouw en terreinafwerking) gaat circa 10 weken in beslag nemen. Dit resulteert in circa 50 werkbare dagen. In onderstaande tabel 3.1 zijn in de realisatiefase verwachte motorvoertuigbewegingen inzichtelijk gemaakt. In de Aeriusberekening wordt uitgegaan van een gelijkmatige verdeling van verkeersbewegingen: Licht verkeer: personenauto’s en transportbusjes
Zwaar verkeer: overig vrachtverkeer, tractoren en trailer Verkeersgeneratie realisatiefase Doel
beweging
motorvoertuig- Type
Transport personeel
Licht verkeer
Transport materiaal en Zwaar verkeer materieel
Ritten per dag
Verkeersbewegingen
Totaal realisatiefase
6
12
600
4
per dag 8
400
Tabel 3.1: Verkeersgeneratie in de realisatiefase
Emissie materieelinzet
Voor de realisatiefase is materieelinzet noodzakelijk die een emissie van stikstof kent als gevolg van het gebruik van dieselmotoren. De hierin opgenomen materieelinzet is inzichtelijk gemaakt op basis van door initiatiefnemer aangeleverde gegevens over typen materieel, aantal draaiuren per dag en omvang van werkzaamheden.
8
Voortoets Stikstof Snelfietsroute F12 tussen Duiven-Westervoort (tracédeel Westervoort)
27-10-2023
Daarnaast is de TNO gegevensset “Mobiele werktuigen – stage klasse emissiefactoren” 1 versie 13-01-2022
toegepast. Er is gebruik gemaakt van de AERIUS Calculator Versie 2022.2. Het rekenjaar dat is gehanteerd voor de ontwikkeling is 2024.
Emissie stationair draaien
Tijdens de realisatiefase is er ook emissie afkomstig van het stationair draaien van motoren van vrachtverkeer tijdens het laden en lossen. Om de totale emissie van stationair gedraaide uren te berekenen wordt gebruik gemaakt van kencijfers in bijlage 1 van de BIJ12-publicatie 2.
3.3.
Rekeninput vergund recht
Omdat in de beoogde situatie, gebruiksfase, geen sprake is van een verhoogde depositie is dit aspect niet relevant.
1 2
9
https://www.aerius.nl/nl/factsheets/mobiele-werktuigen-stage-klasse-emissiefactoren/13-01-2022
https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2023/01/Instructie-gegevensinvoer-voor-AERIUS-Calculator-2022.pdf
Voortoets Stikstof Snelfietsroute F12 tussen Duiven-Westervoort (tracédeel Westervoort)
27-10-2023
4. Stikstofberekening - Resultaten en conclusie 4.1.
Rekenresultaat beoogde situatie gebruiksfase
Uit de rekenresultaten blijkt dat in de ‘beoogde situatie, gebruiksfase’ geen rekenresultaten hoger dan 0,00
mol/ha/j op omliggende Natura 2000-gebieden zijn berekend. Dat betekent dat het onderhavige project in de
permanente gebruiksfase geen significant negatieve invloed uitoefent op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van de gebruiksfase zijn geen nadere stappen noodzakelijk.
4.2.
Rekenresultaat beoogde situatie realisatiefase
Uit de rekenresultaten blijkt dat in de ‘beoogde situatie, realisatiefase’ rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j
op omliggende Natura 2000-gebieden zijn berekend, namelijk maximale toenames van 0,03 en 0,01 mol/ha/j. Dit
betekent dat het onderhavige project in de tijdelijke realisatiefase mogelijk een significant negatieve invloed kan
hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van de realisatiefase zijn nadere stappen noodzakelijk.
Uit de rekenresultaten van de AERIUS-calculator is gebleken dat als gevolg van onderhavig project in de
gebruiksfase geen sprake is van stikstofdeposities op de omliggende Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol/ha/j.
Uit de rekenresultaten van de AERIUS-calculator is gebleken dat als gevolg van onderhavig project in de
realisatiefase sprake is van stikstofdeposities op de omliggende Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol/ha/j, namelijk maximaal 0,03 mol/ha/j op Rijntakken en maximaal 0,01 mol/ha/j op Veluwe.
Om te beoordelen of de realisatie van het tracédeel in Westervoort daadwerkelijk leidt tot negatieve effecten voor
de betreffende Natura 2000-gebieden wordt een Voortoets Stikstof uitgevoerd. Omdat het project in de
gebruiksfase leidt tot een lagere stikstofuitstoot in de gebruiksfase (dagelijks 2.000 fietsbewegingen in plaats van motorvoertuigbewegingen) kan de tijdelijke overschrijding in de realisatiefase mogelijk worden geaccepteerd.
4.3.
Conclusie
Uit de rekenresultaten van de AERIUS-calculator is gebleken dat als gevolg van onderhavig project in de
gebruiksfase geen sprake is van stikstofdeposities op de omliggende Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol/ha/j.
Uit de rekenresultaten van de AERIUS-calculator is gebleken dat als gevolg van onderhavig project in de
realisatiefase sprake is van stikstofdeposities op de omliggende Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol/ha/j, namelijk maximaal 0,03 mol/ha/j op Rijntakken en maximaal 0,01 mol/ha/j op Veluwe.
Om te beoordelen of de realisatie van het tracédeel in Westervoort daadwerkelijk leidt tot negatieve effecten voor
de betreffende Natura 2000-gebieden wordt een Voortoets Stikstof uitgevoerd. Omdat het project in de
10
Voortoets Stikstof Snelfietsroute F12 tussen Duiven-Westervoort (tracédeel Westervoort)
27-10-2023
gebruiksfase leidt tot een lagere stikstofuitstoot in de gebruiksfase (dagelijks 2.000 fietsbewegingen in plaats van motorvoertuigbewegingen) kan de tijdelijke overschrijding in de realisatiefase mogelijk worden geaccepteerd.
11
Voortoets Stikstof Snelfietsroute F12 tussen Duiven-Westervoort (tracédeel Westervoort)
27-10-2023
5. Natura 2000-gebied Veluwe en Rijntakken; 5.1.
deelgebied Uiterwaarden IJssel Gebiedsbeschrijving Veluwe
De Veluwe bestaat overwegend uit droge bossen, droge en natte heide, vennen en stuifzanden. In de voorlaatste ijstijd, zo'n 150.000 jaar geleden, duwden de ijslobben van het landijs enorme hoeveelheden door de rivieren
aangevoerd zand en grond voor zich uit en opzij en vormden zo de stuwwallen. Hoewel de hoogteverschillen
sindsdien door wind en water zijn afgevlakt, reiken de hoogste delen van de Veluwe tot ruim 100 m boven NAP.
Tot 1900 was de Noord-Veluwe één uitgestrekt stuifzandgebied. Tegenwoordig is er in totaal nog 1400 hectare stuifzand op de Veluwe. Bij Kootwijk is één van de grootste actieve stuifzandgebieden van Europa. Plaatselijk komen in de heiden natte (o.a. Leemputten bij Staverden) of droge (o.a. Harskamp) heischrale graslanden,
jeneverbesstruwelen, vennen, natte heide en hoogveenkernen (Mosterdveen) voor. In het beekdal van de Hierdense en Staverdense Beek worden schraallanden aangetroffen. Langs de randen van de Veluwe ontspringen de (sprengen)beken, waar beekvegetaties en zeer plaatselijk bronbossen voorkomen.
5.1.1. Begrenzing en oppervlakte Veluwe
De begrenzing is op de bijbehorende kaart aangegeven. Het Natura2000-gebied Veluwe omvat de bos- en
natuurterreinen op de Veluwe. De buitengrens ervan wordt in beginsel gevormd door de overgang van het aaneengesloten bos- en natuurgebied naar de cultuurgronden en bebouwde kommen van de omringende plaatsen. Het gebied wordt globaal begrensd door de plaatsen Arnhem, Wageningen, Ede, Barneveld, Lunteren,
Otterloo, Putten, Harderwijk, Hattem, Apeldoorn, Dieren. Ook enkele beken nabij Wissel en Emst maken deel uit van het aangewezen gebied. Het bunkercomplex Schaarsbergen (zie volgende alinea) is het enige deel van het gebied dat uitsluitend wordt aangewezen als Habitatrichtlijngebied.
5.1.2. Relevante instandhoudingsdoelstellingen Veluwe
Het Natura 2000-gebied Veluwe is aangewezen op grond van Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daaraan gekoppeld
zijn in het gebied instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor zowel Vogelrichtlijnsoorten, Habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten.
5.2.
Gebiedsbeschrijving Rijntakken, deelgebied Uiterwaarden IJssel
Het deelgebied Uiterwaarden IJssel omvat het systeem van de rivier de IJssel, de aanliggende oeverwallen en de uiterwaarden. De IJssel is een zijtak van de Rijn en loopt van Arnhem tot aan het IJsselmeer. Het landschap is
ontstaan in een periode dat de rivier een veel groter deel van de waterafvoer verzorgde en de monding nog een
echte delta was. De IJssel neemt in perioden van hoge afvoer 1/6 deel van de Rijnafvoer voor haar rekening. In
perioden met lage afvoer wordt het water op peil gehouden door de stuw in de Neder- Rijn. Gedurende het winterhalfjaar zijn grote delen van de uiterwaarden geïnundeerd raken. De overstromingsduur en -frequentie variëren sterk van jaar tot jaar. Er zijn grote verschillen in het buitendijkse gebied, verschillen in hoogteligging,
afwisseling tussen smalle en brede delen en tussen dichte kleinschalige en grote open delen. Plaatselijk treedt grondwater uit en monden beken uit in het IJsseldal. Zandige kalkrijke oeverwallen en rivierduinen worden 12
Voortoets Stikstof Snelfietsroute F12 tussen Duiven-Westervoort (tracédeel Westervoort)
27-10-2023
afgewisseld met kleiige, vlakke stroomdalen. Bij Arnhem en Dieren snijdt de rivier de stuwwal van de Veluwe aan.
Tot aan Olst zijn in het verleden brede meanders (kronkelwaarden) gevormd. In het middendeel stroomt de rivier tussen relatief smalle, hooggelegen uiterwaarden. Bij Zalk, in het benedendeel, krijgt de rivier een breder bed dat
bij Kampen overgaat in een kleine delta. Dit jong gebied is gevormd na de Romeinse tijd en voor de afsluiting van het IJsselmeer. Tussen Dieren en Wijhe liggen veel landgoederen met daarbij behorende oude
verkavelingspatronen, heggen en bossen. Het landschap van het noordelijkste deel is open en wordt gekenmerkt door grasland. Een aantal vrijwel onvergraven en reliëfrijke uiterwaarden zoals Cortenoever, Rammelwaard,
Ravenswaard en Scherenwelle, vormt een kleinschalig oud cultuurlandschap met daarin stroomdalgraslanden,
kievitsbloemhooilanden en glanshaverhooilanden. In reliëfrijke delen komt plaatselijk hardhoutooibos voor. De IJssel verbindt een aantal natuurgebieden met elkaar:
de natuurgebieden langs de rivieren, in de Gelderse Poort en bovenstrooms langs de Rijn in het zuiden; de laagveenmoerassen van Noordwest Overijssel in het noorden;
de Randmeren en het Ketelmeer met aansluiting op het IJsselmeer in het westen.
5.2.1. Begrenzing en oppervlakte Rijntakken, deelgebied Uiterwaarden IJssel
Het Natura 2000-gebied Uiterwaarden IJssel omvat een groot deel van het winterbed van de rivier tussen
Westervoort en het Ketelmeer. Het omvat ook het Keteldiep en een deel van het Kattendiep tot aan het Ketelmeer. Gelet op het voorkomen en de uitbreidingskansen van het habitattype glanshaver- en vossenstaarthooilanden, glanshaver (H6510A), dat hier voornamelijk voorkomt op hellingen van winterdijken, ligt de grens waar deze de
winterdijk volgt op de buitenkruinlijn van de dijk. Ook het habitattype *Stroomdalgraslanden (H6210) komt in het
gebied plaatselijk op dijkhellingen voor. Het voorgaande geldt voor de Habitatrichtlijn-delen van het gebied. In de Vogelrichtlijn-delen ligt de grens conform het oorspronkelijk aanwijzingsbesluit op de buitenteen van de
winterdijk.
5.2.2. Relevante instandhoudingsdoelstellingen Rijntakken, deelgebied Uiterwaarden IJssel
Het Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen op grond van Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daaraan gekoppeld zijn in het gebied instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor zowel vogelrichtlijnsoorten, Habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten.
13
Voortoets Stikstof Snelfietsroute F12 tussen Duiven-Westervoort (tracédeel Westervoort)
27-10-2023
6. Effecten en toetsing 6.1.
Afbakening
Uit bovengenoemde rekenresultaten met de Aerius calculator 2023 blijkt dat er sprake is van een tijdelijke toename aan stikstofdepositie tijdens de realisatiefase op Natura 2000-gebieden Veluwe en Rijntakken
deelgebied Uiterwaarden IJssel. Een toename aan stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase is dus niet van toepassing.
De Habitattypen weergegeven in tabel 6.1 worden in de volgende paragrafen ecologisch beoordeelt. Dit wordt
gedaan op basis van informatie uit de PAS-gebiedsanalyse, het Natura 2000 Beheerplan van Veluwe en Rijntakken
en soortgegevens van Sovon, VZZ, Floron, Ravon en EIS. Volgens de Handreiking van BIJ12 worden deze als geschikte bronnen beschouwt. 3
Tabel 6.1: Berekende stikstofdepositie van het voorgenomen plan in de realisatiefase
De kritische drempelwaarde (KDW) is de hoeveelheid stikstof in mol per hectare per jaar waarboven verslechtering
van de kwaliteit van de natuur niet op voorhand is uit te sluiten. Voor alle habitattypen en leefgebieden van
soorten waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen is een KWD vastgesteld aan de hand van wetenschappelijk onderzoek. Hoe lager de KDW, hoe stikstofgevoeliger de natuur is.
3
https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2021/03/BIJ12-Handreiking-Voortoets-Stikstof-%E2%80%93-Februari-2021.pdf
14
Voortoets Stikstof Snelfietsroute F12 tussen Duiven-Westervoort (tracédeel Westervoort)
27-10-2023
Het kan voorkomen dat de KDW wordt overschreden door de huidige achtergronddepositie (de depositie die feitelijk is veroorzaakt door de gezamenlijke bijdragen van alle emissiebronnen). Als gevolg kan er sprake zijn van
een effect op de kwaliteit van het betreffende habitattype/leefgebied. Echter, de kwaliteit van een habitattype/leefgebied hoeft niet altijd te lijden onder een overschrijding van de KDW. Wanneer de KDW wordt
overschreden is het noodzakelijk om een gebiedsspecifiek onderzoek uit te voeren waarin duidelijk moet worden wat de knelpunten zijn die de kwaliteit van het betreffende habitattype/leefgebied beïnvloeden. In het geval de KDW wordt overschreden en de kwaliteit van het habitattype/leefgebied goed is blijkt dat stikstofdepositie niet
het bepalende knelpunt is voor de kwaliteit. Wanneer uit de ecologische beoordeling naar voren komt dat de
instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende Natura-2000 gebied niet in het geding komen, kan ondanks
de overschrijding van de KDW worden uitgesloten dat er negatieve gevolgen zullen optreden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.
6.2.
Gebiedsspecifieke effectbeoordeling Veluwe
6.2.1. Lg14 Eiken- en beukenbossen van lemige zandgronden
Op Lg14 is voor de realisatiefase een tijdelijke toename van stikstof berekend van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op
een gedeelte (65,11 ha) van LG14 Eiken- en beukenbossen van lemige zandgronden. Aangezien het een leefgebied betreft, zijn er geen instandhoudingsdoelstellingen voor dit specifieke gebied maar wel een herstelstrategie.
Lg14 dient volgens de Herstelstrategie als leefgebied voor de vogelsoorten wespendief, draaihals, korhoen en zwarte specht. Landelijk is de trend van de wespendief stabiel (SOVON, 2021). Zwarte specht en draaihals
foerageren op mieren op de bosbodem en de zwarte specht daarnaast op insecten in staand en liggend dood hout. Voor de winter moet zwarte specht waarschijnlijk uitwijken naar andere bostypen, aangezien naaldbomen met een losse bast fungeren als foerageerlocatie in de winter (Pearce-Higgins et al. 2007). Korhoen en draaihals foerageren ook vaak in open gebieden buiten bossen (m.n. heide en agrarisch gebied) en zijn in veel mindere
mate voor hun voedsel gebonden aan dit leefgebied dan zwarte specht. Zwarte specht broedt in zelfgemaakte
holtes in dikke bomen in oudere loofbossen, draaihals broedt in bestaande holtes, vaak in oude berken. Voor de zwarte specht en draaihals worden de instandhoudingsdoelstellingen behaald, voor de wespendief loopt het stuk op 10 broedparen. Echter lijkt stikstof hier niet het grootste knelpunt in te zijn (Sovon 2023, Veluwe 2023).
In de Herstelstrategie van Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden wordt de stikstofgevoeligheid van het leefgebied besproken. Hierin worden als maatregelen tegen stikstof (her)invoer hakhout- of middenbosbeheer,
begrazen en strooiselverwijdering benoemd. Echter is de huidige achtergronddepositie is hoger dan de KDW. De
huidige achtergronddepositie is 1.389 mol/ha/jr tegen een KDW van 1.071 mol/ha/jr voor Lg14 Eiken- en
beukenbossen van lemige zandgronden.
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten is er in de realisatiefase sprake van een tijdelijke kleine toename van 0,01 mol N/ha/jr op een deel van Lg14 (65,11 ha). Gezien de omvang en aard van het project zorgt de beperkte
toename van stikstofdepositie niet tot merkbare verandering van de kwaliteit door vergrassing of verruiging. Een dergelijke kleine en tijdelijke toename zorgt voor zichzelf niet voor significante negatieve effecten voor de
instandhoudingsdoelstellingen van Vogelrichtlijnsoorten gekoppeld aan betreffende Lg14. De Herstelstrategie
geeft ook aan dat stikstof niet het belangrijkste knelpunt lijkt te zijn voor de instandhoudingsdoelstellingen voor
15
Voortoets Stikstof Snelfietsroute F12 tussen Duiven-Westervoort (tracédeel Westervoort)
27-10-2023
de betreffende soorten. Negatieve significante gevolgen als gevolg van de voorgenomen activiteiten zijn op voorhand met zekerheid uit te sluiten.
6.2.2. H9120 Beuken-eikenbossen met hulst
Als gevolg van de realisatiefase vindt er een beperkte tijdelijke toename van stikstof plaats van maximaal 0,01 mol
N/ha/jr op een deel (58,81 ha) van het habitattype H9120 Beuken-eikenbossen met hulst. Het
instandhoudingsdoel van Habitattype H9120 in natura-2000 gebied Veluwe is het uitbreiden van de oppervlakte
en kwaliteit. De KDW van H9120 is 1.071 mol N/ha/jr terwijl de huidige achtergronddepositie 1.637 mol N/ha/jr is, wat betekent dat de KDW wordt overschreden.
Natura 2000-gebied Veluwe is van grote betekenis voor het behoud van BeukenEikenbossen met Hulst. Locaties
waar het habitattype goed ontwikkeld is als rijke epifytenbossen zijn bijvoorbeeld Elspeeterbos, Gortelse bos,
Speulderbos en Vierhouterbos. De meeste van de 28 malenbossen van de Veluwe behoren tot het habitattype. Vaak liggen de bossen ook zeer fraai om nederzettingen zoals bijvoorbeeld Het Hof bij Uddel.
In de gebiedsanalyse wordt de trend van het habitattype besproken. Hierin staat dat de oppervlakte en
verspreiding in de 20e eeuw eerst achteruit is gegaan door omvorming van loofbos naar snelgroeiend naaldbos.
Echter is de trend het laatste decennia geleidelijk uitbreidend door ouder en minder voedselarm worden van bosgroeiplaatsen. De Kwaliteit is al enige decennialang stabiel, staat niet onder druk. Aandachtspunt is dat
bodemflora onder druk komt door combinatie van weinig structuurvariatie en toename dominantie beuk. Gezien
de KDW overschreden wordt en de kwaliteit van overwegend goed is, vormt stikstofdepositie hier niet het belangrijkste knelpunt.
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten is er in de realisatiefase sprake van een tijdelijke kleine toename van
0,01 mol N/ha/jr op een deel van H9120 (58,81 ha). De tijdelijke en beperkte toename van stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr leidt op zichzelf niet het aantasten van de kwaliteit van het habitattype. Het is
uitgesloten dat de beperkte toename van 0,01 mol N/ha/jr op zichzelf zal zorgen voor verruiging of vergrassing wat de kwaliteit van het gebied zou schaden. Ondanks dat de KDW wordt overschreden, is de kwaliteit van het habitattype goed. Dit laat zien dat stikstof niet het belangrijkste knelpunt vormt voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. De voorgenomen activiteiten zullen geen negatieve significante effecten hebben
op de instandhoudingsdoelstellingen. Een tijdelijke, beperkte toename van stikstofdepositie (0,01 N/ha/jr) op een gedeelte (58,81 ha) van het totaal aan oppervlakte H9120 Beuken-eikenbossen met hulst leidt met zekerheid niet tot negatieve significante gevolgen voor het habitattype.
6.2.3. L4030 Droge heiden
Als gevolg van de realisatiefase vindt er een beperkte tijdelijke toename van stikstof plaats van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op een klein deel (0,85 ha) van het leefgebied L4030 Droge heiden. Aangezien het een leefgebied betreft,
zijn er geen instandhoudingsdoelstellingen voor dit specifieke gebied maar wel een herstelstrategie. De KDW van L4030 is 714 mol N/ha/jr terwijl de huidige achtergronddepositie 1.487 mol N/ha/jr is, wat betekent dat de KDW wordt overschreden.
16
Voortoets Stikstof Snelfietsroute F12 tussen Duiven-Westervoort (tracédeel Westervoort)
27-10-2023
In de herstelstrategie van H4030 staat dat de kwaliteit van het habitattype gebaat is bij het vóórkomen van overgangen naar andere begroeiingstypen van het zandlandschap, zoals extensief gebruikte akkers, stuifzand,
heischraal grasland, vochtige heide en open bos (Vogels et al. 2011; 2013a). Dit verhoogt de kans op aanwezigheid van vegetatietypen die – mits ze voorkomen in mozaïek met zelfstandige vegetatietypen van het habitattype bijdragen aan de kwaliteit van droge heiden. Ook sommige typische soorten profiteren van de aanwezigheid van
complexe vegetatiepatronen en voedselplanten die vaak schaars of afwezig zijn in karakteristieke
heidevegetaties. In het laatste geval gaat het om kruiden zoals distels en havikskruiden waarvan de bloemen een
nectarbron zijn voor b.v. Kommavlinder (Hesperia comma), alsook fijnbladige grassen die waardplant zijn voor
de larven van Heidevlinder (Hipparchia semele) en Kommavlinder. Gezien de KDW overschreden wordt en de kwaliteit van H4030 overwegend goed is, vormt stikstofdepositie hier niet het belangrijkste knelpunt.
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten is er in de realisatiefase sprake van een tijdelijke kleine toename van
0,01 mol N/ha/jr op een deel van L4030 (0,85 ha). De tijdelijke en beperkte toename van stikstofdepositie van
maximaal 0,01 mol N/ha/jr leidt op zichzelf niet het aantasten van de kwaliteit van het habitattype. Het is
uitgesloten dat de beperkte toename van 0,01 mol N/ha/jr op zichzelf zal zorgen voor verruiging of vergrassing wat de kwaliteit van het gebied zou schaden. Ondanks dat de KDW wordt overschreden, is de kwaliteit van het
habitattype H4030 goed. Dit laat zien dat stikstof niet het belangrijkste knelpunt vormt voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. De voorgenomen activiteiten zullen geen negatieve significante effecten hebben
op de instandhoudingsdoelstellingen. Een tijdelijke, beperkte toename van stikstofdepositie (0,01 N/ha/jr) op een gedeelte (0,85 ha) van het totaal aan oppervlakte L4030 Droge heiden leidt met zekerheid niet tot negatieve significante gevolgen voor het habitattype.
6.2.4. ZGL4030 Droge heiden
Als gevolg van de realisatiefase vindt er een beperkte tijdelijke toename van stikstof plaats van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op een klein deel (0,72 ha) van het leefgebied ZGL4030 Droge heiden. Aangezien het een leefgebied betreft,
zijn er geen instandhoudingsdoelstellingen voor dit specifieke gebied maar wel een herstelstrategie. Het betreft een Zoekgebied, wat betekent dat het een gedeelte van het potentiële PAS-leefgebied is dat geen bezet, maar wel
mogelijk bezet leefgebied is voor ten minste 1 soort die in de herstelstrategie wordt genoemd. Hierbij gaat het
alleen om delen van de Veluwe waarin voor de betreffende soort een instandhoudingsdoelstelling geldt. De KDW
van ZGL4030 is 714 mol N/ha/jr terwijl de huidige achtergronddepositie 1.685 mol N/ha/jr is, wat betekent dat de
KDW wordt overschreden.
In de herstelstrategie van H4030 staat dat de kwaliteit van het habitattype gebaat is bij het vóórkomen van overgangen naar andere begroeiingstypen van het zandlandschap, zoals extensief gebruikte akkers, stuifzand,
heischraal grasland, vochtige heide en open bos (Vogels et al. 2011; 2013a). Dit verhoogt de kans op aanwezigheid van vegetatietypen die – mits ze voorkomen in mozaïek met zelfstandige vegetatietypen van het habitattype bijdragen aan de kwaliteit van droge heiden. Ook sommige typische soorten profiteren van de aanwezigheid van
complexe vegetatiepatronen en voedselplanten die vaak schaars of afwezig zijn in karakteristieke
heidevegetaties. In het laatste geval gaat het om kruiden zoals distels en havikskruiden waarvan de bloemen een
nectarbron zijn voor b.v. kommavlinder alsook fijnbladige grassen die waardplant zijn voor de larven van
17
Voortoets Stikstof Snelfietsroute F12 tussen Duiven-Westervoort (tracédeel Westervoort)
27-10-2023
heidevlinder en kommavlinder. Gezien de KDW overschreden wordt en de kwaliteit van H4030 overwegend goed is, vormt stikstofdepositie hier niet het belangrijkste knelpunt.
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten is er in de realisatiefase sprake van een tijdelijke kleine toename van
0,01 mol N/ha/jr op een deel van ZGL4030 (0,72 ha). De tijdelijke en beperkte toename van stikstofdepositie van
maximaal 0,01 mol N/ha/jr leidt op zichzelf niet het aantasten van de kwaliteit van het habitattype. Het is
uitgesloten dat de beperkte toename van 0,01 mol N/ha/jr op zichzelf zal zorgen voor verruiging of vergrassing wat de kwaliteit van het gebied zou schaden. Ondanks dat de KDW wordt overschreden, is de kwaliteit van het
habitattype H4030 goed. Dit laat zien dat stikstof niet het belangrijkste knelpunt vormt voor het behalen van de instandhoudingsdoelstelllingen. De voorgenomen activiteiten zullen geen negatieve significante effecten hebben
op de instandhoudingsdoelstellingen. Een tijdelijke, beperkte toename van stikstofdepositie (0,01 N/ha/jr) op een gedeelte (0,72 ha) van het totaal aan oppervlakte ZGL4030 Droge heiden leidt met zekerheid niet tot negatieve significante gevolgen voor het habitattype.
6.2.5. H4030 Droge heiden
Als gevolg van de realisatiefase vindt er een beperkte tijdelijke toename van stikstof plaats van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op een deel (0,48 ha) van het habitattype H4030 Droge heiden. Het instandhoudingsdoel van Habitattype
H4030 in natura-2000 gebied Veluwe is het uitbreiden van de oppervlakte en kwaliteit. De KDW van H4030 is 714 mol N/ha/jr terwijl de huidige achtergronddepositie 1.377 mol N/ha/jr is, wat betekent dat de KDW wordt
overschreden.
In de Natuurdoelanalyse wordt de kwaliteit van habitattype H4030 Droge heiden besproken. Het habitattype scoort in ruim een derde van de habitatclusters ‘goed’ op het criterium inbedding in heidelandschap. Hier komt het habitattype voor als onderdeel van een heidelandschap met goed ontwikkelde gradiënten in bodemtypen. In
iets minder dan de helft scoort het habitattype ‘voldoende’. In veel van de clusters is de historische gradiënt
tussen nederzettingen en woeste gronden verstoord. In de meeste habitatclusters wordt goed tot voldoende
voldaan aan de oppervlaktebehoefte. De kwaliteit op basis van functie en structuur varieert sterk, maar is in de meeste habitatclusters minimaal voldoende. In de meeste habitatclusters ontbreken groepjes van inlandse eiken
in de droge heiden. De kwaliteit op basis van karakteristieke soorten flora is bijna overal goed. De kwaliteit op basis van karakteristieke fauna scoort echter minder hoog. Aangezien de KDW overschreden wordt en de kwaliteit van overwegend goed is, vormt stikstofdepositie hier niet het belangrijkste knelpunt.
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten is er in de realisatiefase sprake van een tijdelijke kleine toename van
0,01 mol N/ha/jr op een deel van H4030 (0,48 ha). De tijdelijke en beperkte toename van stikstofdepositie van
maximaal 0,01 mol N/ha/jr leidt op zichzelf niet het aantasten van de kwaliteit van het habitattype. Het is
uitgesloten dat de beperkte toename van 0,01 mol N/ha/jr op zichzelf zal zorgen voor verruiging of vergrassing wat de kwaliteit van het gebied zou schaden. Ondanks dat de KDW wordt overschreden, is de kwaliteit van het habitattype goed. Dit laat zien dat stikstof niet het belangrijkste knelpunt vormt voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. De voorgenomen activiteiten zullen geen negatieve significante effecten hebben
op de instandhoudingsdoelstellingen. Een tijdelijke, beperkte toename van stikstofdepositie (0,01 N/ha/jr) op een
18
Voortoets Stikstof Snelfietsroute F12 tussen Duiven-Westervoort (tracédeel Westervoort)
27-10-2023
gedeelte (0,48 ha) van het totaal aan oppervlakte H4030 Droge heiden leidt met zekerheid niet tot negatieve significante gevolgen voor het habitattype.
6.3.
Gebiedsspecifieke effectbeoordeling Rijntakken; deelgebied Uiterwaarden IJssel
6.3.1. H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)
Als gevolg van de realisatiefase vindt er een beperkte tijdelijke toename van stikstof plaats van maximaal 0,03 mol
N/ha/jr op een klein deel (0,63 ha) van het habitattype H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden
(glanshaver). Het instandhoudingsdoel van Habitattype H6510A in natura-2000 gebied Rijntakken is het uitbreiden van de oppervlakte en kwaliteit. De KDW van H6510A is 1.357 mol N/ha/jr terwijl de huidige
achtergronddepositie 1.224 mol N/ha/jr is, wat betekent dat de KDW niet wordt overschreden.
Van het Nederlands areaal glanshaverhooiland ligt het grootste deel in de Rijntakken (Bijlsma et al., 2008). De belangrijkste vlak dekkende locaties in de Rijntakken zijn de Stiftsche waard en de Rijswaard (Uiterwaarden Waal), Amerongen (Uiterwaarden Neder-Rijn), Cortenoever, Rammelwaard, Wilpse klei en Ravenswaard (Uiterwaarden
IJssel). Lintvormige vegetaties op dijken komen vooral voor in de Gelderse Poort, kortere trajecten langs de Waal
en langs de IJssel tussen Zutphen en Hattem. Het actuele areaal in Rijntakken bedraagt ca. 221 ha
(Habitattypenkaart Rijntakken, september 2014). In de gebiedsanalyse worden de belangrijkste knelpunten van
H6510A besproken. Hierin wordt vermeld dat de voornaamste knelpunten inadequaat beheer en ingeperkte
rivierdynamiek zijn. De KDW wordt niet overschreden en stikstofdepositie vormt dan ook niet het belangrijkste knelpunt voor H6510A.
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten is er in de realisatiefase sprake van een tijdelijke kleine toename van
0,03 mol N/ha/jr op een deel van H6510A (0,63 ha). De tijdelijke en beperkte toename van stikstofdepositie van
maximaal 0,03 mol N/ha/jr leidt op zichzelf niet het aantasten van de kwaliteit van het habitattype. Het is
uitgesloten dat de beperkte toename van 0,03 mol N/ha/jr op zichzelf zal zorgen voor verruiging of vergrassing wat de kwaliteit van het gebied zou schaden. De KDW wordt niet overschreden en de kwaliteit van het habitattype
goed. De voornaamste knelpunten zijn inadequaat beheer en ingeperkte rivierdynamiek. De voorgenomen activiteiten zullen geen negatieve significante effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen. Een
tijdelijke, beperkte toename van stikstofdepositie (0,03 N/ha/jr) op een gedeelte (0,63 ha) van het totaal aan
oppervlakte H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) leidt met zekerheid niet tot negatieve significante gevolgen voor het habitattype.
6.3.2. ZGLg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en
zeekleigebied
Op ZGLg11 is voor de realisatiefase een tijdelijke toename van stikstof berekend van maximaal 0,02 mol N/ha/jr op een gedeelte (2,24 ha) van ZGLg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied.
Aangezien het een leefgebied betreft, zijn er geen instandhoudingsdoelstellingen voor dit
specifieke gebied maar wel een herstelstrategie. Het betreft een Zoekgebied, wat betekent dat het een gedeelte
van het potentiële PAS-leefgebied is dat geen bezet, maar wel mogelijk bezet leefgebied is voor ten minste 1 soort
19
Voortoets Stikstof Snelfietsroute F12 tussen Duiven-Westervoort (tracédeel Westervoort)
27-10-2023
die in de herstelstrategie wordt genoemd. Hierbij gaat het alleen om delen van de Rijntakken waarin voor de betreffende soort een instandhoudingsdoelstelling geldt.
In de Natuurdoelanalyse van de Rijntakken wordt de ontwikkeling van stikstofdepositie op Lg11 Kamgrasweide
en bloemrijk weidevogelgrasland weergeven. Hieruit blijkt dat er een sterke afname is van stikstofdepositie op Lg11. Daarnaast is de huidige achtergronddepositie met een ruime marge lager dan de KDW. De huidige achtergrondepositie is 1.293 mol/ha/jr tegen een KDW van 1.357 mol/ha/jr voor ZGLg11 Kamgrasweide &
Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied.
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten is er in de realisatiefase sprake van een tijdelijke kleine toename van 0,02 mol N/ha/jr op een deel van ZGLg11 (2,24 ha). Gezien de omvang en aard van het project zorgt de beperkte
toename van stikstofdepositie niet tot merkbare verandering van de kwaliteit door vergrassing of verruiging. Een
dergelijke kleine en tijdelijke toename zorgt op zichzelf niet voor significante negatieve effecten voor de instandhoudingsdoelstellingen van Vogelrichtlijnsoorten gekoppeld aan betreffende ZGLg11. De KDW wordt niet
overschreden en negatieve significante gevolgen als gevolg van de voorgenomen activiteiten zijn op voorhand met zekerheid uit te sluiten.
6.3.3. ZGLg08 Nat, matig voedselrijk grasland
Op ZGLg08 is voor de realisatiefase een tijdelijke toename van stikstof berekend van maximaal 0,02 mol N/ha/jr op een gedeelte (0,27 ha) van ZGLg08 Nat, matig voedselrijk grasland. Aangezien het een leefgebied betreft, zijn er geen instandhoudingsdoelstellingen voor dit specifieke gebied maar wel een herstelstrategie. Het betreft een Zoekgebied, wat betekent dat het een gedeelte van het potentiële PAS-leefgebied is dat geen bezet, maar wel
mogelijk bezet leefgebied is voor ten minste 1 soort die in de herstelstrategie wordt genoemd. Hierbij gaat het alleen om delen van de Rijntakken waarin voor de betreffende soort een instandhoudingsdoelstelling geldt.
In de gebiedsanalyse van Rijntakken staat dat er een duidelijk beeld ontbreekt van de verspreiding en (trend in)
kwaliteit van de stikstofgevoelige leefgebieden Dotterbloemgrasland van veen en klei (Lg07) en Nat, matig voedselrijk grasland (Lg08), maar op basis van expert judgement wordt uitgegaan van tenminste een stabiele trend. Stikstofdepositie speelt, gezien de matige overbelasting op een relatief klein deel van het leefgebied en zal
in verhouding tot de andere knelpunten voor deze soort waarschijnlijk een beperkt probleem en niet –of slechts
zeer beperkt – de oorzaak zijn van de dalende trend in aantal. Daarnaast is de huidige achtergronddepositie lager
dan de KDW. De huidige achtergrondepositie is 1.540 mol/ha/jr tegen een KDW van 1.571 mol/ha/jr voor ZGLg11
Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied.
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten is er in de realisatiefase sprake van een tijdelijke kleine toename van 0,02 mol N/ha/jr op een deel van ZGLg08 (0,27 ha). Gezien de omvang en aard van het project zorgt de beperkte
toename van stikstofdepositie niet tot merkbare verandering van de kwaliteit door vergrassing of verruiging. Een dergelijke kleine en tijdelijke toename zorgt voor zichzelf niet voor significante negatieve effecten voor de
instandhoudingsdoelstellingen van Vogelrichtlijnsoorten gekoppeld aan betreffende ZGLg08. De KDW wordt niet
overschreden en negatieve significante gevolgen als gevolg van de voorgenomen activiteiten zijn op voorhand met zekerheid uit te sluiten.
20
Voortoets Stikstof Snelfietsroute F12 tussen Duiven-Westervoort (tracédeel Westervoort)
27-10-2023
6.3.4. H6120 Stroomdalgraslanden
Als gevolg van de realisatiefase vindt er een beperkte tijdelijke toename van stikstof plaats van maximaal 0,02 mol
N/ha/jr op een klein deel (0,02 ha) van het habitattype H6120 Stroomdalgraslanden. Het instandhoudingsdoel van Habitattype H6120 in natura-2000 gebied Rijntakken is het uitbreiden van de oppervlakte en kwaliteit. De
KDW van H6120 is 1.286 mol N/ha/jr terwijl de huidige achtergronddepositie 1.224 mol N/ha/jr is, wat betekent
dat de KDW niet wordt overschreden.
De belangrijkste actuele locaties zijn de kerngebieden voor droge graslanden Cortenoever, Duursche Waarden-
Vorchterwaarden en de Vreugderijkerwaard-Zalkerbos-Koppelerwaard met in totaal circa 14 hectare. Deze
locaties bieden samen met de Velperwaarden en Rammelwaard-Ravenswaarden-Wilpsche Klei mogelijkheden voor verbetering en uitbreiding van het habitattype. Binnen deze kerngebieden moeten (potentiële)
standplaatsen op oeverwallen en sedimentatieprocessen worden behouden en liefst versterkt. Verder is beheer
gericht op de ontwikkeling van het habitattype nodig. De IJssel kent ten opzichte van de Gelderse Poort en de Waal een beperkte zanddynamiek. Voor een deel komt dit doordat het riviersysteem minder dynamisch is.
Daarnaast wordt het veroorzaakt doordat de oevers van de IJssel met stenen zijn vastgelegd. Kansen voor ontstening van de oever waarbij extra sedimentatie op de kerngebieden voor droge grasland plaatsvindt, moeten zoveel mogelijk worden benut. In het kader van de KRW zijn dit soort maatregelen voorbereid. In de gebiedsanalyse worden de belangrijkste knelpunten van H6120 besproken. Hierin wordt vermeld dat in de
afgelopen eeuw het stroomdalgrasland sterk is achteruitgegaan in oppervlakte en kwaliteit. Belangrijke oorzaken zijn habitatvernietiging (dijkverzwaring, zandwinning), bemesting, omploegen (voor maïsakkers), recreatie en
achterstallig beheer. De KDW wordt niet overschreden en stikstofdepositie vormt dan ook niet het belangrijkste knelpunt voor H6510A.
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten is er in de realisatiefase sprake van een tijdelijke kleine toename van
0,02 mol N/ha/jr op een deel van H6120 (0,02 ha). De tijdelijke en beperkte toename van stikstofdepositie van
maximaal 0,02 mol N/ha/jr leidt op zichzelf niet het aantasten van de kwaliteit van het habitattype. Het is
uitgesloten dat de beperkte toename van 0,02 mol N/ha/jr op zichzelf zal zorgen voor verruiging of vergrassing wat de kwaliteit van het gebied zou schaden. De KDW wordt niet overschreden en de kwaliteit van het habitattype
goed. De voornaamste knelpunten zijn inadequaat beheer en ingeperkte rivierdynamiek. De voorgenomen activiteiten zullen geen negatieve significante effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen. Een
tijdelijke, beperkte toename van stikstofdepositie (0,02 N/ha/jr) op een gedeelte (0,02 ha) van het totaal aan
oppervlakte H6120 Stroomdalgraslanden leidt met zekerheid niet tot negatieve significante gevolgen voor het habitattype.
6.3.5. H3150baz Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen
Op H3150baz is voor de realisatiefase een tijdelijke toename van stikstof berekend van maximaal 0,01 mol N/ha/jr
op een gedeelte (0,07 ha) van H3150baz Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen. Het instandhoudingsdoel van Habitattype H3150baz in natura-2000 gebied Rijntakken is het
21
Voortoets Stikstof Snelfietsroute F12 tussen Duiven-Westervoort (tracédeel Westervoort)
27-10-2023
uitbreiden van de oppervlakte en kwaliteit. De KDW van H3150 is 2.143 mol N/ha/jr terwijl de huidige achtergronddepositie 1.294 mol N/ha/jr is, wat betekent dat de KDW niet wordt overschreden.
Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150) komen verspreid in het gebied voor, in oude rivierarmen en
in gegraven wateren, met name in het noordelijk deel van het gebied, maar ook bij Zutphen. Het betreft hier één
van de zeer weinige uiterwaarden waar, naast begroeiingen met blaasjeskruid en/of fonteinkruiden, ook plaatselijk krabbenscheer wordt aangetroffen tussen de drijvende waterplanten. Het gebied Uiterwaarden IJssel
levert binnen het Natura 2000-landschap rivierengebied de beste perspectieven voor uitbreiding van het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden. Dit is van belang voor de spreiding van het habitattype over verschillende landschappen.
In de Natuurdoelanalyse wordt beschreven dat de kwaliteit van habitattype H3150 Meren met krabbenscheer en
fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen matig is. Krabbescheer is zeer gevoelig voor sulfaat. Bij anaerobe
afbraak van organisch materiaal onder invloed van sulfaat wordt in ijzerarme omgeving waterstofsulfide
gevormd. Dat is een toxische stof waarvoor de soort zeer gevoelig is. Voor de instandhouding van
krabbenscheerbegroeiingen is toestroom van ijzerrijk water dan ook nodig (afhankelijk van het ijzergehalte van de bodem). Het habitattype is gevoelig voor stikstofdepositie, in de randmeren zijn de vegetaties met
krabbenscheer en fonteinkruiden vanwege waarschijnlijk voldoende buffercapaciteit niet gevoelig voor stikstofdepositie.
In de periode 1994-2004 zijn in de laagveengebieden met betrekking tot dit habitattype positieve ontwikkelingen
waargenomen, veelal binnen de natuurgebieden. Dit is vooral een gevolg van een verbeterde waterkwaliteit door waterzuivering, een betere regulering van de gemotoriseerde watersport en de aanleg van petgaten. In het agrarisch gebied is de verspreiding van dit habitattype over het algemeen afgenomen
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten is er in de realisatiefase sprake van een tijdelijke kleine toename van
0,01 mol N/ha/jr op een deel van H3150baz (0,07 ha). De tijdelijke en beperkte toename van stikstofdepositie van
maximaal 0,01 mol N/ha/jr leidt op zichzelf niet het aantasten van de kwaliteit van het habitattype. Het is
uitgesloten dat de beperkte toename van 0,01 mol N/ha/jr op zichzelf zal zorgen voor verruiging of vergrassing
wat de kwaliteit van het gebied zou schaden. Stikstof vormt dan ook niet een belangrijk knelpunt voor H3150baz. De
voorgenomen
activiteiten
zullen
geen
negatieve
significante
effecten
hebben
op
de
instandhoudingsdoelstellingen. Een tijdelijke, beperkte toename van stikstofdepositie (0,01 N/ha/jr) op een klein gedeelte (0,07 ha) van het totaal aan oppervlakte H3150baz Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen leidt met zekerheid niet tot negatieve significante gevolgen voor het habitattype.
6.4.
Cumulatie
Het projecteffect heeft een dermate kleine omvang en een dermate tijdelijk effect dat er in ecologische zin geen
merkbare veranderingen in kwaliteit van het betreffende habitattype optreedt. Hierdoor is een significant effect door cumulatie met andere projecten dan ook uitgesloten. Bovendien zijn er geen reeds vergunde maar nog niet
uitgevoerde projecten bekend die gelijktijdig met de aanleg van het voorgenomen project worden uitgevoerd en
die een overlap hebben qua beïnvloedingsgebied met het aantal hexagonen waarop het voorgenomen project
22
Voortoets Stikstof Snelfietsroute F12 tussen Duiven-Westervoort (tracédeel Westervoort)
27-10-2023
een tijdelijk verwaarloosbare stikstoftoename heeft. Van een significant effect door cumulatie met eventuele andere projecten is dan ook geen sprake en is bij deze uitgesloten.
23
Voortoets Stikstof Snelfietsroute F12 tussen Duiven-Westervoort (tracédeel Westervoort)
27-10-2023
7. Conclusie
De voorgenomen activiteiten van voorliggend project leiden als met zekerheid niet tot significante gevolgen voor
het nabijgelegen Natura 2000-gebied Veluwe en Rijntakken deelgebied Uiterwaarden IJssel voor andere omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie.
Tijdens de realisatiefase is sprake van een beperkte en tijdelijke toename in stikstofdepositie van maximaal 0,03 mol N/ha/jr op een beperkt deel van Natura 2000-gebied Veluwe en Rijntakken deelgebied Uiterwaarden IJssel.
Vanuit de ecologische beoordeling kan worden vastgesteld dat een zodanige beperkte en tijdelijke toename van stikstofdepositie niet zal leiden tot merkbare verandering van de kwaliteit van de betreffende Habitattypen.
Geconcludeerd wordt dat op voorhand significante gevolgen, in combinatie met eventuele andere reeds
vergunde maar nog niet gerealiseerde projecten (cumulatie), kunnen worden uitgesloten. Ook vormt het voorgenomen plan geen belemmering voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Veluwe en Rijntakken deelgebied Uiterwaarden IJssel.
24
Voortoets Stikstof Snelfietsroute F12 tussen Duiven-Westervoort (tracédeel Westervoort)
27-10-2023
8. Bronnen
AERIUS. (2020). AERIUS-Calculator. Opgehaald van aerius.nl: www.aerius.nl
Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen J.B.M. (2016), Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. -Natuur van
Nederland 12. Naturalis Biodiversity Centre & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland, - Nederlandse fauna 9.
Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey -Nederland, Leiden. Floron (2011). Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora, Knnv Uitgeverij, Utrecht.
Provincie Gelderland (2017). Beheerplan Natura 2000 Veluwe (057). Ministerie van LNV d.d. 22-9-2018.
Provincie Gelderland (2017). Beheerplan Natura 2000 Rijntakken (057). Ministerie van LNV d.d. 22-9-2018.
Limpens, H., K. Mostert en W. Bongers (1997). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. Utrecht: KNNV Uitgeverij.
Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3.
Ministerie van Economische Zaken (2017). PAS-Gebiedsanalyse Natura 2000-gebied 057 Veluwe. Ministerie van Economische Zaken versie d.d. 15-12-2017.
Ministerie van Economische Zaken (2017). PAS-Gebiedsanalyse Natura 2000-gebied 057 Rijntakken. Ministerie van Economische Zaken versie d.d. 15-12-2017.
SOVON Vogelonderzoek Nederland (2002). Atlas van de Nederlandse broedvogels, - Nederlandse fauna 5.
Leiden, Nederland: KNNV Uitgeverij & European invertebrate Survey – Nederland. Soort- en gebiedsinformatie: www.eurobats.org
www.natura2000.nl
www.nederlandsesoorten.nl www.pdok.nl
www.ravon.nl
www.ruimtelijkeplannen.nl www.sovon.nl
www.verspreidingsatlas.nl
www.vogelbescherming.nl
www.zoogdiervereniging.nl Omgevingsverordening Waarnemingen: ndff-ecogrid.nl
25
Voortoets Stikstof Snelfietsroute F12 tussen Duiven-Westervoort (tracédeel Westervoort)
27-10-2023