CConstaterende datWestervoort
Koppel je AI →
Document · PDF

20240227-rv-vaststelling-bestemmingsplan-de-pals-40-bijlage-4-toelichting

Raadsvergadering 11 maart 2024, gemeente WestervoortBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan de Pals 40 - AANGENOMEN12.146 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan | Toelichting

Westervoort, Pals 40

Gemeente Westervoort

Datum: 14 september 2023 Projectnummer: 190133.02 ID: NL.IMRO.0293.BPPals40-ON01

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Vigerende bestemmingsplan Leeswijzer

3 3 4 5

2

Planbeschrijving

6

2.1 2.2

Huidige situatie plangebied Toekomstige situatie plangebied

6 7

3

Beleid en regelgeving

9

3.1 3.2 3.3

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

9 10 12

4

Milieu- en omgevingsaspecten

14

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12

Milieueffectrapportage Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Geur Externe veiligheid Water Natuur Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren

14 15 15 16 17 18 19 23 27 29 31 32

5

Wijze van bestemmen

33

5.1 5.2

Algemeen Dit bestemmingsplan

33 34

6

Uitvoerbaarheid

36

6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

36 36

Bijlagen − − − − − −

Bijlage 1: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 2: Bodem doorlatendheidsonderzoek Bijlage 3: Quick scan natuur Bijlage 4: Onderzoek stikstofdepositie Bijlage 5: Nader onderzoek natuur p.m. Bijlage 6: Archeologisch onderzoek

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Voor het gebied ‘De Pals’ in Westervoort is een ontwikkelingsvisie opgesteld. De visie geeft inzicht in de toekomst van het gebied en bevat kaders voor mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied. In de visie is onder meer voor het voormalige agrarische bedrijf op het adres Pals 40 opgenomen dat het onder voorwaarden herontwikkeld kan worden ten behoeve van woningbouw. Op basis van deze visie is het voornemen ontstaan om de bestaande voormalige agrarische opstallen aan de Pals 40 te slopen en ter plaatse acht nieuwe woningen te gaan realiseren. Tevens worden de bestaande twee agrarische bedrijfswoningen herbestemd als reguliere burgerwoningen. Deze ontwikkeling is echter niet mogelijk binnen de kaders van het huidige bestemmingsplan, aangezien de geldende agrarische bestemming geen woningbouw mogelijk maakt. Het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan is noodzakelijk om het plan mogelijk te maken. Voorliggend document voorziet hierin.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt in het westen van de kern Westervoort behorende bij de gemeente Westervoort. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging in Westervoort en de globale begrenzing van het plangebied zelf weergegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding, behorende bij dit bestemmingsplan.

Ligging plangebied (gele cirkel) in relatie tot de kern Zierikzee (Bron: PDOK viewer).

3

Het plangebied bij benadering globaal geel omlijnd (Bron: PDOK viewer).

1.3

Vigerende bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Komplannen Westervoort’ en heeft het perceel de bestemming ‘Agrarisch’. Deze gronden zijn bedoeld voor het uitoefenen van een agrarisch bedrijf in combinatie met eventueel een bedrijfswoning. Gebouwen moeten daarbij binnen een bouwvlak worden opgericht en voldoen aan de op de verbeelding opgenomen maatvoering. Het voornemen om woningen te realiseren past dus niet in het vigerende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling alsnog mogelijk te maken dient een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden. Daarnaast geldt het bestemmingsplan ‘Archeologie en Cultuurhistorie’, waarin de archeologische en cultuurhistorische verwachtingswaarden zijn vastgesteld. Het plangebied kent de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ met de gebiedsaanduiding ‘overige zone - specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachting’. Als gevolg van deze dubbelbestemming en gebiedsaanduiding moet ter plaatse onderzoek uitgevoerd worden in geval van bodemingrepen die dieper gaan dan 40 centimeter beneden het maaiveld en een groter oppervlak omvatten dan 200 m2.

4

Uitsnede bestemmingsplan ‘Komplannen Westervoort’ en ‘Archeologie en Cultuurhistorie’ met daarop het plangebied rood omlijnd (Bron: PDOK viewer).

1.4

Leeswijzer Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De toelichting is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en komt de planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt de toets aan het beleidskader weergegeven, waarna in hoofdstuk 4 de haalbaarheid van het plan aangetoond wordt voor wat betreft milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische planopzet. Het laatste hoofdstuk behandelt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

5

2 2.1

Planbeschrijving Huidige situatie plangebied De Pals Bij de Gaeymanswaai aan de Rijndijk ligt het buurtschap De Pals. In 1832 omvatte De Pals een tiental (arbeiders)woningen/boerderijen gegroepeerd rondom een gemeentelijke weide aan de dijk. In de loop van de negentiende eeuw werd dit buurtje ontsloten vanaf de Klapstraat via een weg die slingerend door het buurtschap loopt. Het buurtschap is een van de bijzondere gebieden binnen het dorp. De weg heeft een smal dwarsprofiel en het gebied heeft nog altijd een landelijk karakter met kleinschalige (agrarische) bebouwing, veel open ruimte (weiden) en hagen. Deze waarden zijn vastgelegd in de Erfgoednota Westervoort en de Cultuurhistorischewaardenkaart. Onder andere door uitbreidingen van de woonwijken lijkt de overgang tussen woonwijken en De Pals vrij willekeurig. Door haar verscholen ligging lijkt De Pals vergeten te zijn. De afgelopen tijd zijn ook geen ontwikkelingen in het gebied geweest. Inmiddels zijn er wel aanvragen voor initiatieven ontstaan, wat aanleiding gaf tot het opstellen van een ontwikkelingsvisie voor het gebied. Met de visie wordt enerzijds de geschiedenis van het gebied beschermd en zichtbaar en leesbaar gemaakt, anderzijds worden kaders geboden voor ruimtelijke ontwikkelingen passend bij de gebiedskwaliteit.

Het ligt dan ook voor de hand –geheel in lijn met de beleidsdoelstellingen van de gemeente Westervoort– om de aanwezige geschiedenis in het gebied als vertrekpunt te nemen bij verdere ontwikkeling van het gebied. Dat maakt dat een uitgebalanceerde ontwikkelingsvisie enerzijds de geschiedenis van het gebied zichtbaar en leesbaar heeft gemaakt en anderzijds ‘slechts’ ontwikkeling van (bouw)activiteiten terughoudend tegemoet is getreden. Daarbij komt dat deze (bouw)activiteiten logischerwijs de gebiedskwaliteiten moeten eerbiedigen en versterken. Het plangebied Voorliggend plangebied heeft een oppervlakte van bijna 1 hectare. Aan de westzijde van het plangebied bevindt zich een groene gordel met veelal hoge bomen. Achter deze groene gordel ligt de Gaeymanswaai. Dit is een diepe plas die is ontstaan bij een duikdoorbraak van de Rijn van in ieder geval vóór 1657. Ten zuidwesten bevindt zich een kleinschalige volkstuin. Ten oosten zijn voornamelijk woningen aanwezig. Ten noorden bevindt zich een agrarisch perceel met daarachter een woonwijk. In de huidige situatie betreft het perceel een voormalig agrarisch bedrijf. Ten behoeve hiervan zijn opstallen en sleufsilo’s op het perceel aanwezig, met bijbehorend twee bedrijfswoningen. De woningen zijn aaneengebouwd en bestaan uit één lag met een hoge kap. Behorend bij de woningen is een vrijstaand schuurtje gebouwd.

6

2.2

Toekomstige situatie plangebied In de ontwikkelingsvisie van De Pals is voorliggend plangebied behandeld als één van de locaties die mogelijk geschikt is voor woningbouw. Om de ontwikkeling mogelijk te maken moet worden voldaan aan de gestelde eisen in de visie. Ten eerste dient de verschijningsvorm van vernieuwingen of toevoegingen in harmonie te zijn met de omgeving van De Pals. In de visie is rekening gehouden met de cultuurhistorische waarde en gekeken op welke manier toevoegingen (zoals woningbouw) op een goede manier in kunnen worden gepast, waarbij deze de bestaande ruimtelijke verschijningsvorm van De Pals bevestigt of versterkt. Hieruit volgt dat voor voorliggend plangebied een thema is gekozen die voorkomt uit de geschiedenis van de plek en zo het verhaal van de plek in het heden en de toekomst duidelijk maakt en versterkt. Als verdere uitwerking van de ontwikkelingsvisie is voor De Pals 40 een stedenbouwkundig plan opgesteld die uitgaat van een landelijk boerenerf waar een ongedwongen, informele en landelijke sfeer geldt. Het beoogde boerenerf bestaat uit een ensemble van een bestaand en een nieuw ‘hoofdhuis’ en schuurwoningen aan de Pals, en woningen met een landelijke uitstraling -passend bij het beoogde boerenerf- achter op het erf. De woningen betreffen een mix van vrijstaande woningen en enkele twee-onder-één-kapwoningen.

In totaal worden er 8 nieuwe woningen gerealiseerd, op veelal ruim bemeten kavels, wat de groene uitstraling van het boerenerf bevestigd. De nieuwe kavels worden omzoomd door groene erfafscheidingen om aan te sluiten in het sfeerbeeld. Op de kavel is ruimte voor parkeergelegenheid, veelal gecombineerd met een bijgebouw.

Stedenbouwkundig plan De Pals 40 (Bron: Jan Jansen bouwkundig adviseurs).

7

Een nieuwe woning aan de Pals vormt samen met de bestaande woningen het (nieuwe) hoofdhuis van het erf. De architectuur is wat uitgesprokener dan de overige woningen, om de positie van de woning op het erf te benadrukken. Tussen de twee hoofdhuizen zijn twee bijzondere twee-onder-één-kapwoningen aan de Pals beoogd die zich tonen als één schuur als onderdeel van het bebouwingsensemble op het erf. De woningen zijn qua architectuur en de hoofdvorm is -in tegenstelling tot het hoofdhuis- eenvoudig. Achter deze woningen komen de woningen op het boerenerf met een meer landelijk karakter. Een ontspannen landelijk ensemble bestaande uit vrijstaande woningen en twee-onder-één-kapwoningen is het doel. De kavels worden verbonden door een smalle ‘straat’ die uitkomt op een erf. De straat wordt ingericht als een soort ‘karrenspoor’ met groene grasbermen. Het erf wordt met een wandelpad verbonden met de dijk (buiten het plangebied). Op basis van het stedenbouwkundig plan wordt verder invulling gegeven aan de ontwikkelmogelijkheden voor de locatie Pals 40 te Westervoort. Alle ambities uit de eerder opgestelde ontwikkelingsvisie zijn daarbij meegenomen, zodat op een passende wijze een toekomstbestendige invulling aan het plangebied wordt gegeven.

8

3

Beleid en regelgeving

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: − ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; − duurzaam economisch groeipotentieel; − sterke en gezonde steden en regio's; − toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Toetsing Gelet op het feit dat er met voorliggend plan wordt voorzien in een duurzame en toekomstbestendige invulling van een voormalig agrarisch bedrijfsperceel, waarbij de bestaande kwaliteiten en identiteit van de omgeving van het plangebied centraal staan, is dit plan in lijn met het gedachtegoed van de NOVI.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland (NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij het NNN en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van het NNN is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in juridisch-planologische procedures te borgen, wordt met het Barro 9

bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het voorgenomen plan ligt in de zone van de Romeinse Limes die wordt aangemerkt als nationaal belang. Mede als gevolg hiervan kenmerkt het plangebied zich door een hoge archeologische verwachtingswaarde en is om die reden archeologisch onderzoek (paragraaf 4.10) verricht. Met inachtneming van deze onderzoekresultaten in combinatie met de daarbij behorende aanbevelingen wordt aangenomen dat de Romeinse Limes in voldoende beschermd is en voorliggend plan niet in strijd is met het bepaalde in het Barro. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen.

Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Uit jurisprudentie blijkt dat een woningbouwplan die voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een kern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Omdat voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal acht nieuwe woningen hoeft er voor dit plan geen toets aan de Ladder te worden doorlopen.

3.1.4

Conclusie Voorliggend plan is niet in strijd met het rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie en -verordening Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie

10

heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld. − Gezond en veilig. Dat = een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat = voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat = aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. − Schoon en welvarend. Dat = een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema’s: − Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. − Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer. − Circulaire economie: sluiten van kringlopen. − Biodiversiteit: werken met de natuur. − Bereikbaarheid: duurzaam verbonden. − Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio. − Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn.

De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Toetsing Raadpleging van de digitale versie van de Omgevingsvisie en -verordening wijst uit dat de gronden van het plangebied zijn aangewezen als ‘intrekgebied’. De provincie streeft ernaar het grondwater als bron voor de drinkwatervoorziening te beschermen.

Voor een effectieve en duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening maakt de provincie daardoor onder andere gebruik van regelgeving en vergunningverlening. De provincie wil niet dat fossiele energie (aardgas, aardolie, schaliegas of steenkoolgas) gewonnen wordt in de intrekgebieden voor de drinkwatervoorziening. De Omgevingsverordening regelt dan ook dat een bestemmingsplan ter plaatse van

11

een intrekgebied niet mag voorzien in een bestemming die de winning van fossiele energie mogelijk maakt. Aangezien voorliggend initiatief enkel de realisatie van acht woningen mogelijk maakt, is er geen sprake van de winning van fossiele energie en vormt dit verder geen problemen ten aanzien van de drinkwatervoorziening. Ook vormen dergelijke functies geen bedreiging voor de kwaliteit van de drinkwatervoorzieningen in Gelderland. In meer algemene zin geldt dat voorliggend plan een bijdrage levert aan het realiseren van de provinciale ambities ten aanzien van de woon- en leefomgeving. Met de voorgenomen woningbouwontwikkeling wordt immers zowel kwantitatief als kwalitatief gezien voorzien in een behoefte, wordt aardgasloos ontwikkeld en is aandacht voor zaken als bereikbaarheid, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Deze ambities sluiten aan bij hetgeen gesteld in de Omgevingsvisie. In artikel 2.65b van de provinciale omgevingsverordening is vastgesteld dat bij ruimtelijke ontwikkelingen een beschrijving dient te worden gegeven van de maatregelen die worden genomen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken. Voor dit initiatief geldt dat de woningen aardgasloos worden ontwikkeld en er zoveel mogelijk duurzame materialen worden gebruikt.

Daarbij komt de hoeveelheid verharding tot een minimum wordt beperkt en daar waar mogelijk in de vorm van halfverharding of waterdoorlatende bestrating aangebracht. Door het nemen van onder meer voorgenoemde maatregelen wordt aangenomen dat voldoende rekening wordt gehouden met de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptie. Daarmee vormen de Omgevingsvisie en -verordening geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project. 3.2.2

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met het provinciale beleid.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Westervoort 2021 Op 21 augustus 2021 heeft de gemeenteraad van Westervoort de Omgevingsvisie Westervoort vastgesteld. Hierin is de visie van de gemeente Westervoort op de leefomgeving op hoofdlijnen voor de middellange en lange termijn (2040) verwoord. De inhoudelijke basis van de omgevingsvisie bestaat uit de volgende vier onderdelen: − Historie: de gemeente Westervoort heeft een rijke geschiedenis waar we op voortbouwen. − Richtinggevende waarden: belangrijk zijn onder andere de vitale, sterk onderling verbonden sociale gemeenschap, de aantrekkelijke leefomgeving en de uitstekende voorzieningen van de gemeente Westervoort. − Ruimtelijke kwaliteiten: de kenmerken van het landschap, het erfgoed en de manier van wonen in de gemeente Westervoort dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente. − Ontwikkelingen & toekomstperspectief: leidraad voor de toekomst is dat we ruimte willen bieden aan ontwikkelingen, recht doen aan ruimtelijke kwaliteiten, maatwerk

12

leveren op basis van de leefomgevingskwaliteiten en zorg dragen voor natuur en milieu. Dit doen we samen met alle gebruikers van de leefomgeving. Deze doelen zijn verder uitgewerkt in lange termijn ambities. Wat betreft wonen wordt verklaard dat zowel in- als uitbreidingslocaties nodig zijn om de extra woningvraag te kunnen accommoderen. Toetsing Onderhavig plan past binnen de kaders van de omgevingsvisie. De locatie ‘De Pals’ is ook in de omgevingsvisie aangewezen als woningbouwlocatie, die een bijdrage moet leveren aan de ambitie om aan de extra woonvraag te kunnen voldoen. Hierbij is middels de gestelde voorwaarden in de ontwikkelingsvisie van het gebied voldaan aan het behoud van de historische waarden en ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Hiermee wordt geacht dat het plan in lijn is met het gestelde in de Omgevingsvisie Westervoort. 3.3.2

Woonvisie Westervoort 2021-2030 De gemeenteraad van Westervoort heeft de Woonvisie Westervoort 2021-2030 op 14 juni 2021 vastgesteld. Met de woonvisie wordt ingespeeld op de woonvraagstukken in Westervoort. De gemeente geeft 'richting aan wonen' en biedt duidelijke kaders voor bestaande en nieuwe woningbouwplannen. Bijzondere aandacht is er voor jongeren, ouderen en arbeidsmigranten. Westervoort wil haar kwaliteiten als woongemeente koesteren en versterken. Zij willen de goede kwaliteit van het wonen in een aangename woonomgeving handhaven en verbeteren. In het verlengde van de notitie sociale spankracht bestaat dat ambitie om de demografische opbouw van de bevolking te versterken door een meer evenwichtige opbouw van de woningvoorraad met meer middeldure en dure woningen. Toetsing Voorliggend plan voorziet in de realisatie van maximaal acht woningen. In de woonvisie is de locatie De Pals reeds aangewezen als een locatie voor nieuwbouw van woningen. Voor een verdere invulling van het gebied heeft de raad op 20 december 2021 de Ontwikkelingsvisie De Pals vastgesteld. Uit de ontwikkelingsvisie blijkt dat voor dit gebied cultuurhistorisch gezien enkel vrijstaande en/of twee-onder-één-kapwoningen passend zijn. Hier is dan ook invulling aangegeven, wat geresulteerd heeft in het voornemen van vier vrijstaande woningen en vier twee-onder-één-kapwoningen.

Dit sluit aan bij de ambitie om meer middeldure en dure woningen te realiseren om zo de demografische opbouw van de bevolking te versterken. Hiermee is op een duurzame manier invulling gegeven aan de woningbehoefte binnen de gemeente Westervoort.

3.3.3

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met het gestelde in het gemeentelijk beleid.

13

4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Algemeen De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In de bijlage van het Besluit m.e.r zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. In onderdeel C zijn activiteiten genoemd waarbij direct sprake is van een m.e.r.-plicht als bij besluiten de genoemde drempelwaarden worden overschreden. Voor de activiteiten die zijn genoemd in onderdeel D geldt dat als de drempelwaarden worden overschreden een m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden moet een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gedaan. Het bevoegd gezag (het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad) moet voorafgaande aan het besluit inzake het plan formeel de beslissing nemen of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. Het bevoegd gezag kan dit besluit nemen aan de hand van een ‘aanmeldingsnotitie’.

Het uiteindelijke besluit dient als bijlage bij de stukken van het ruimtelijke plan worden gevoegd. Toetsing Onderhavig plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling, bestaande uit maximaal 8 woningen, binnen de bebouwde kom van Westervoort, waarbij de opstallen van een voormalig agrarisch bedrijf worden gesloopt. Jurisprudentie (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2020:100) wijst uit dat dergelijke kleinschalige woningbouwprojecten door hun omvang niet hoeven te worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.). Daarbij is ook van belang dat het ruimtebeslag van de ontwikkeling beperkt is. Dit maakt dat, gelet op de aard (wonen) en omvang (8 woningen) van de ontwikkeling, gesteld wordt dat er geen sprake is van een activiteit zoals genoemd in het Besluit m.e.r. en dat daarom geen aanmeldnotitie noodzakelijk is. Conclusie Een nadere beoordeling in een (vormvrije) m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk.

14

4.2

Bodem Algemeen In het kader van het bestemmingsplan moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Toetsing Ter plaatse van het plangebied is een verkennend bodemonderzoek 1 uitgevoerd. Het aangetroffen licht verhoogde gehalten aan minerale olie in de bovengrond is. Uit de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat er binnen het plangebied geen ernstige bodem- of grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn. De vastgestelde waarden overschrijden enkel de achtergrond- en/ of streefwaarde, wat duidt op enkel lichte (natuurlijke) verontreinigingen. Bij het asbestonderzoek zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Op basis van voorgaande resultaten wordt de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.3

Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het kader van de te verlenen omgevingsvergunning moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Toetsing Met voorliggend plan is sprake van de realisatie van nieuwe geluidgevoelige functies in de vorm van woningen. Het plangebied ligt enkel in de geluidzone van het 50 km/h gedeelte van de Klapstraat. De overige wegen rondom het plangebied hebben een maximaal toegestane snelheid van 30 km/uur. Feitelijk gezien hebben dergelijke wegen geen onderzoekszone en dient enkel in het kader van een goede ruimtelijke ordening akoestisch onderzoek uit te worden gevoerd als sprake is van hoge verkeersintensiteiten en daarmee hoge geluidsbelastingen voor geluidgevoelige functies.

De verkeersintensiteiten zijn op omliggende wegen dusdanig laag dat daarmee de verwachting gerechtvaardigd is dat de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB ter plaatse van het plangebied niet zal worden overschreden en het uitvoeren van een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk is. Dit wordt bevestigd door navolgende afbeelding uit de geluidskaarten van de gemeente van 2030 inclusief aftrek conform

1

Montferland Milieu (2022). Verkennend bodem- en asbestonderzoek Pals 40 te Westervoort. Rapportnummer: MM22108. 28 juni 2022. 15

artikel 110 van de Wet geluidhinder. Daaruit volgt dat de geluidsbelasting in het plangebied lager dan 48 dB is.

Uitsnede geluidkaart gemeente Westervoort (bron: gemeente Westervoort).

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

4.4

Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.

Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit.

16

Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen, zoals scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden.

Toetsing Dit plan voorziet in de realisatie van maximaal acht woningen. Het plan draagt daarom ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.5

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'.

17

In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing Met onderhavig plan is sprake van de realisatie van nieuwe hindergevoelige functies in de zin van het aspect bedrijven en milieuzonering. Het plangebied ligt aan de rand van de kern Westervoort en is op basis van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering (2009)’ aan te merken als ‘rustige woonwijk’. In de omgeving van het plangebied is één hinderveroorzakende functie aanwezig. Sportbasisschool Het Startblok (Klapstraat 205) ligt ten noordoosten van het plangebied. De grootste richtafstand voor een basisschool bedraagt 30 meter voor het aspect geluid.

De afstand tussen het plangebied en de basisschool bedraagt circa 80 meter, waardoor wordt geconcludeerd dat aan de grootste richtafstand wordt voldaan. Dit maakt dat aangenomen kan worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat en de (toekomstige) bedrijfsvoering van omliggende functies door de beoogde ontwikkeling niet belemmerd wordt. Bovendien zal de basisschool niet in de (toekomstige) bedrijfsvoering belemmerd wordt omdat er op kortere afstand al bestaande woningen zijn. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.6

Geur Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastingsen afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Toetsing In voorliggend plan worden nieuwe geurgevoelige objecten opgericht. Ten noorden bevindt zich een agrarisch perceel. Vanwege het ontbreken van een bouwvlak is het hier niet mogelijk een veehouderij op te richten. In de verdere directe omgeving zijn

18

eveneens geen veehouderijen aanwezig. Om die reden is het uitvoeren van een geuronderzoek niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.7

Externe veiligheid Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico’s dienen te worden beoordeeld voor twee risiconormen: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers is weergegeven en op de verticale as de kans per jaar daarop ten minste dat aantal slachtoffers. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio.

19

Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de sloop van opstallen, waarvoor maximaal acht nieuwe woningen in de plaats komen. De twee bestaande bedrijfswoningen worden bestemd als reguliere burgerwoning. Na raadpleging van de risicokaart is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In de afbeelding hieronder is een uitsnede opgenomen van de risicokaart.

Uitsnede provinciale risicokaart met daarop het plangebied met het rode vlak weergegeven (geraadpleegd op 22 december 2022) (Bron: ODRA).

Transportroutes Het plangebied ligt op ca. 2.800 meter van de snelweg A12 en op circa 800 meter van de vaarweg Neder-Rijn/IJssel. Over deze transportroutes vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10 -6 van deze beide transportroutes dit vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van de snelweg vanwege het transport van toxische stoffen. Over de vaarweg worden geen toxische stoffen vervoerd, waardoor het invloedsgebied maar circa 35 meter bedraagt. Het plangebied ligt hierbuiten. Doordat het plan gelegen is binnen het invloedsgebied van de snelweg hebben ontwikkelingen hierbinnen invloed op de hoogte van het groepsrisico. Doordat het plan op meer dan 200 meter is gelegen van deze risicobron, heeft de wetgever aangegeven, dat er kan worden volstaan met een beperkte verantwoording groepsrisico. Buisleidingen Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van buisleidingen. Inrichtingen Het plangebied ligt op circa 3.000 meter van de inrichting Immori gelegen aan de Industrielaan 10 te Arnhem. Aan deze inrichting is op 31 oktober 2016 een

20

omgevingsvergunning verleend. Het in de QRA (d.d. 5-5-2014) berekende plaatsgebonden risico (10-6 risicocontour) ligt niet over het plangebied. Dit vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Ten aanzien van het groepsrisico is het plan wel gelegen binnen het invloedsgebied van het bedrijf Immori (volgens QRA bedraagt deze 3400 meter). Ontwikkeling binnen het invloedsgebied heeft mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. De voorgenomen ontwikkeling maakt 19,6 personen extra (8 nieuwe woningen à 2,4 personen) mogelijk in de nacht. Overdag zal er een toename zijn van 9,6 personen. De herbestemming van de twee voormalige agrarische woningen heeft geen invloed op de hoogte van het groepsrisico. Er wordt namelijk geen onderscheid gemaakt in de populatiedichtheid van een bedrijfswoning of van een reguliere woning. Doordat de afstand tussen het plan en de risicobron groter is dan 1.500 meter en de toename van het aantal personen beperkt is heeft de ontwikkeling geen gevolgen voor de hoogte van het groepsrisico. Wel moet het groepsrisico verantwoord worden. Verantwoording groepsrisico Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van een externe veiligheidsrisicobron. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden.

Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 (zie onderdelen H en I) vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de snelweg A12 en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) artikel 13 vanwege de opslag gevaarlijke stoffen bij de inrichting Immori. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de Veiligheidsregio adviesrecht. Bij het invullen vanen de verantwoordingsplicht is gebruik gemaakt van het advies van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) van 2 januari 2023 (kenmerk: 2022007873). A. Personendichtheid Het plan maakt de realisatie van acht nieuwe woning en 2 bestaande agrarische woningen als reguliere woningen mogelijk. Hierdoor neemt het aantal personen maximaal toe met 19,2 personen conform de handreiking verantwoording groepsrisico. Gezien de huidige bebouwing is deze toename er alleen in de nachtperiode. B. Hoogte groepsrisico Doordat het aantal personen minimaal toeneemt en het plan op grote afstand van de risicobron ligt, levert de ruimtelijke ontwikkeling geen toename van het groepsrisico op. Uit de destijds uitgevoerde risicoberekening van Immori (projectnr. 267290 140382-HF44, d.d.

20 mei 2014) blijkt dat de berekende hoogte van het groepsrisico zich beneden de oriëntatiewaarde bevindt. C t/m E. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico binnen de inrichting De gemeente Westervoort ziet geen andere mogelijkheden om het groepsrisico verder te beperken. In het verleden zijn er aanvullende veiligheidsmaatregelen opgenomen in de omgevingsvergunning van Immori.

21

F. De voor- en nadelen van andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico Omdat het plan beperkt van aard is en het plan op grotere afstand van de risicobron is gesitueerd, ziet de gemeente Westervoort geen andere mogelijkheden voor een ruimtelijke ontwikkeling met een lager groepsrisico. G. Mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst De gemeente Westervoort is niet voornemens nieuwe maatregelen te nemen om het groepsrisico te beperken. H Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident met toxische stoffen te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. VGGM ziet ook geen reden om aanvullend te adviseren in het kader van de bestrijdbaarheid. I. Zelfredzaamheid Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS palen) en NL-Alert: − VGGM heeft het volgende geadviseerd: ‘Het plangebied ligt binnen de effectafstand van het relevante scenario toxische wolk.

De kans daarop is klein. Het plan leidt tot een beperkte toename van het aantal aanwezigen (voornamelijk in de nachtelijke uren). Het ligt in de verwachting dat aanwezigen en/of bewoners zichzelf in veiligheid kunnen brengen, mits geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd’. − Wel adviseert de VGGM risicocommunicatie toe te passen, zodat burgers weten hoe te handelen bij (dreigend) incident en technische maatregelen te treffen om het gebouw of delen daarvan luchtdicht af te kunnen sluiten. Dit laatste zodat er een veilige schuilmogelijkheid wordt gecreëerd ingeval van een toxische wolk’. Ten aanzien van risicocommunicatie is er NL Alert. Hiermee zijn mensen binnen een bepaald gebied gericht te informeren door het sturen van een bericht naar mobiele telefoons. Verder is het plan te ontvluchten via Pals. Ten aanzien van de technische maatregel het betreft hier geen object met verminderd zelfredzame personen. De gemeente acht het dan ook niet noodzakelijk om verdere maatregelen te treffen om de zelfredzaamheid te verbeteren. Daarnaast is het geadviseerde van de VGGM niet ruimtelijk relevant. Conclusie Het plan ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een risicobron. Daarmee wordt geen grens- en richtwaarde overschreden en is er geen sprake van een directe of harde belemmering voor de realisatie van het plan.

Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied in het invloedsgebied van de snelweg A12 en de inrichting Immori. Op basis van de verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief niet tot een toename van het groepsrisico leidt en geen significant effect heeft de mogelijkheden voor rampenbestrijding en

22

zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan.

4.8

Water Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 zijn een aantal nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; − realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO2-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1.

Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen 2. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen.

23

Provinciaal beleid – Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening. Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar.

De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Regionaal Waterprogramma Gelderland 2021-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2021 – 2027 Provincie Gelderland is op 26 februari 2019 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2021-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Gelderland. Het Waterplan is onderverdeeld in drie deelprogramma’s: 1 Waterveiligheid: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. 2 Waterkwaliteit: Dit programma draait om het tegengaan van verontreinigingen en kwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater. De drinkwatervoorzieningen worden ook beschermd.

3 Klimaatadaptatie: de verspilling moet worden aangepakt. De provincie wil een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Gelderland.

24

In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Waterschapsbeleid - Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Rijn en IJssel In het waterbeheerplan beschrijft het waterschap Rijn en IJssel op welke wijze de volgende thema’s in de periode 2021-2027 uitgevoerd worden: creëren en onderhouden van een klimaatrobuust en veilig gebied, bijdragen aan een circulaire economie en de energietransitie en het creëren van een gezondere leefomgeving. Het waterbeheerplan zoekt verbinding met het werk van andere overheden: de provincies, gemeenten, Rijkswaterstaat en het Rijk. Het waterbeheer schept vaak randvoorwaarden voor gebruikers van het water, maar biedt ook mogelijkheden en meerwaarde voor maatschappelijke gebruikers, zoals burgers, agrariërs en terreinbeheerders, ondernemers en (drinkwater)bedrijven, recreanten en de naburige Duitse waterbeheerders.

Vanuit de omgevingsverkenning is het beleid voor de planperiode 2021-2027 beschreven voor de kerntaken van het waterschap: − het peilbeheer van grond- en oppervlaktewater; − het onderhouden en beheren van de waterkeringen en watergangen; − het transporteren en zuiveren van afvalwater; − het verbeteren van de waterkwaliteit; − de vergunningverlening, toezicht en handhaving. Daarnaast is het veerkrachtiger maken van het gebied tegen klimaatverandering een belangrijk speerpunt. Toetsing Om de waterhuishoudkundige gevolgen van onderhavig plan in beeld te brengen is gebruik gemaakt van de watertoets. Voor de watertoets is de Standaard Waterparagraaf van het Waterschap Rijn en IJssel aangewend. Deze waterparagraaf is onderdeel van, en hangt samen met, een set van standaarden zoals die door het waterschap gehanteerd wordt. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling per waterthema afgewogen. Als op één of meer vragen per waterthema ‘ja’ wordt geantwoord dan is het waterthema relevant. Die waterthema’s worden toegelicht. Thema

Toetsvraag

Relevant

1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of

Nee

HOOFDTHEMA’S Veiligheid

regionale waterkering? 2. Ligt in of nabij het plangebied een kade?

25

Nee

Riolering en Afvalwa-

1. Is er toename van het afvalwater (DWA)?

terketen

2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?

Ja Nee

3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap? Wateroverlast (oppervlaktewater)

Nee

1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak?

Ja

2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?

Nee

3. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? Grondwateroverlast

Nee

1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?

Nee

2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone van de Rijn of IJssel? 3. Is in het plangebied sprake van kwel?

Nee Nee

4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren? Oppervlaktewaterkwaliteit

Nee

1. Wordt vanuit het plangebied water op oppervlaktewater geloosd?

Nee

2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?

Nee

3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een Strategisch actiegebied? Grondwaterkwaliteit

1. Ligt het plangebied in de beschermingszone

Volksgezondheid

1. In of nabij het plangebied bevinden zich over-

van een drinkwateronttrekking?

Nee Nee

storten uit het gemengde of verbeterde gescheiden stelsel?

Nee

2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? Verdroging

1. Bevindt het plangebied zich in of nabij be-

Natte natuur

1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een

schermingszones voor natte natuur? natte EVZ?

Nee Nee Nee

2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur? Inrichting en beheer

Nee

1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?

Nee

2. Heeft het planherinrichting van watergangen tot doel?

Nee

26

AANDACHTSTHEMA’S Recreatie

1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?

Cultuurhistorie

Nee

1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?

*

Nee

als op één of meer vragen per waterthema Ja wordt geantwoord dan is het thema relevant en zal de toelichting bij het kopje 3 ingevuld en toegevoegd moeten worden in de ruimtelijke onderbouwing.

Uit voorgaande toetsing van de watertoetstabel blijkt dat er met voorliggend plan rekening gehouden dient te worden met de aspecten ‘riolering en afvalwaterketen’ en ’wateroverlast door oppervlaktewater’. Wateroverlast (oppervlaktewater) Als gevolg van het plan zal geen sprake zijn van enige toename aan verharding als gevolg van het verwijderen van de agrarische opstallen met bijbehorende voorzieningen zoals kuilplaten. Aangezien binnen het plangebied veel gronden een tuinbestemming krijgen, blijft voldoende terrein onbebouwd om (hemel)water te laten infiltreren. De ontwikkeling vormt daarmee geen belemmering op de waterhuishoudkundige situatie in en rondom het plangebied. Ten behoeve het bepalen van de wijze van waterberging is een doorlatendheidsonderzoek2 uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de bodem over het algemeen geclassificeerd wordt als matig tot goed doorlatend, waarbij k-waarden van 0,4 en 1,5 m/dag zijn gemeten. Uitgangspunt binnen het plan is dat er minimaal 60 liter per m2 dakoppervlakte wordt gecompenseerd. Door middel van waterdoorlatende bestrating bij het erf toe te passen in combinatie met een waterbergingsvoorziening met overstort richting de nabijgelegen waai wordt voorzien in de benodigde waterberging. In een op te stellen inrichtingsplan zal dit nader uitgewerkt worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westervoort&id=83ce4674-b66b-4fb5-ac0a-f564f5be4e3e