20240227-rv-vaststelling-bestemmingsplan-de-pals-40-bijlage-4-toelichting
Tekst van het document
Riolering en afvalwaterketen De bestaande functies in het plangebied hebben reeds een aansluiting op het riool. De nieuwe woningen in het plangebied moeten een nieuwe aansluiting op het riool krijgen. Dit wordt nader uitgewerkt in een rioleringsplan en zal worden betrokken bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.9
Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden
2
Econsultancy (2022). Doorlatendheidsonderzoek Pals 40 te Westervoort. Rapportnummer: 18747.001. 16 juni 2022. 27
aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing SAB heeft met een quick scan natuur 3 onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming Uit de quick scan volgt dat Natura 2000-gebied “Rijntakken” op 500 meter afstand van het plangebied ligt. In het voorgenoemde Natura 2000-gebied zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Daarom is een onderzoek stikstofdepositie4 opgesteld waarin de mogelijke effecten van de woningbouwontwikkeling, zowel voor de aanleg- als gebruiksfase, op stikstofdepositie in Natura 2000 gebieden zijn onderzocht. Uit het onderzoek blijkt dat negatieve effecten door stikstofdepositie op deze gebieden als gevolg van stikstofemissie van dit plan zijn uit te sluiten. Omdat negatieve effecten zijn uit te sluiten is een nadere beoordeling, in de vorm van een passende beoordeling, niet nodig.
Daarnaast ligt het plangebied niet in het Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuurzones. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Verder blijkt uit de quick scan dat de aanwezigheid van functioneel leefgebied en/of verblijfplaatsen van een aantal grondgebonden zoogdiersoorten niet op voorhand
3
SAB (2022). Quick scan natuur. Pals 40, Westervoort Projectnummer: 190133.02. 7 juli 2022.
4
SAB (2023). Stikstofonderzoek. Westervoort, Pals 40. Projectnummer: 190133.02. 8 september 2023. 28
worden uitgesloten. Het betreft de bunzing, hermelijn en wezel (kleine marterachtigen) en de steenmarter. Tevens kan, door de aanwezigheid van een poel op een afstand van slechts 50 meter van het plangebied, landhabitat (functioneel leefgebied) van een aantal amfibieënsoorten niet op voorhand worden uitgesloten. Het betreft de kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van bovengenoemde soorten moet nader soortgericht onderzoek worden uitgevoerd. Het nader soortgericht onderzoek wordt momenteel conform de geldende onderzoeksprotocollen uitgevoerd. Voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan zullen de resultaten van dit onderzoek in voorliggende toelichting worden verwerkt. Houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie p.m.
4.10
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het project te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Binnen het plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ in combinatie met de gebiedsaanduiding ‘overige zone - specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachting’. Hieruit volgt dat bij bodemingrepen waarbij de oppervlakte groter is dan 200 m² en dieper dan 0,4 meter onder het maaiveld een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Als gevolg van het plan zal deze onderzoeksgrens worden overschreden. Daarom is archeologisch onderzoek 5 verricht. Uit het bureauonderzoek blijkt dat in het plangebied rivier(duin)afzettingen aanwezig zijn met daarop kom- en oeverafzettingen. Bewoning op eventuele rivierduinen is mogelijk van het Laat Paleolithicum. Op de oeverafzettingen is bewoning mogelijk vanaf de Late IJzertijd tot en met de Nieuwe tijd.
In 1761 heeft een dijkdoorbraak plaatsgevonden waardoor in het plangebied een afdekkend pakket overslagafzettingen is afgezet. De
5
Bureau voor Archeologie (2022). Pals 40, Westervoort, gemeente Westervoort: een bureauen inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende en karterende fase. Rapport 1232. 31 augustus 2022. 29
eerste bebouwing dateert uit 1937. Tijdens het booronderzoek zijn tien boringen gezet met einddieptes tussen 250 en 370 cm -mv. Deze bevestigen dat de ondergrond bestaat uit rivierduinafzettingen. De top van deze afzettingen ligt in het westen van het plangebied ongeveer 40 tot 130 cm hoger vergeleken met de rest van het plangebied en daarom is waarschijnlijk sprake van een rivierduin. Hierin is een oude bouwvoor aangetroffen. De lage delen van dit pakket rivierduinafzettingen zijn bedekt met komafzettingen, de hogere delen niet. De rivierduin is daarom waarschijnlijk geschikt geweest voor bewoning vanaf het Laat Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. In het noorden van het plangebied is een pakket oever- of crevasseafzettingen aanwezig. Zowel in deze afzettingen als de komafzettingen zijn geen archeologische lagen aangetroffen, waardoor de kans klein is dat hierin archeologische resten aanwezig zijn. Alle afzettingen worden afgedekt door een pakket overslagafzettingen en een recent omgewerkt pakket. De top van het potentiële archeologische niveau in de rivierduinafzettingen in het westen van het plangebied ligt tussen tussen 944 en 978 cm NAP. Uitgaande van een veiligheidsmarge van 30 cm wordt geadviseerd om graafwerkzaamheden in deze zone te beperken tot 1010 cm NAP.
Indien ingrepen dieper gaan dan dit niveau zal een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd moeten worden om eventuele archeologische resten op te sporen (kartering) en te waarderen. De werkwijze van het onderzoek dient vastgelegd te worden in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). In de rest van het plangebied worden geen behoudenswaardige archeologische resten verwacht. In deze zone wordt vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht.
Advieskaart archeologisch onderzoek (Bron: Bureau voor Archeologie).
30
De groen gearceerde gronden uit bovenstaande advieskaart zijn in voorliggend plan voorzien van een archeologische dubbelbestemming. Dit betekent dat bij een eventuele omgevingsvergunningaanvraag in dit gebied beoordeeld zal moeten worden in hoeverre de mogelijke archeologische waarden geraakt kunnen worden en er vervolgonderzoek moet plaatsvinden. Op deze manier zijn eventuele archeologische waarden in voldoende mate beschermd. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.11
Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het nemen van ruimtelijke besluiten. Toetsing Op 12 maart 2018 heeft de gemeenteraad van Westervoort de Erfgoednota Westervoort vastgesteld. In de Erfgoednota ligt vast hoe de gemeente wil omgaan met haar verantwoordelijkheid voor het cultuurhistorisch erfgoed binnen haar grenzen. De nota heeft daarnaast de ambitie en het doel om inwoners, ondernemers en gasten van Westervoort bewust te maken van het in Westervoort aanwezige erfgoed. Daarnaast helpt de Erfgoednota bij het zoeken naar kansen om samen dit erfgoed te behouden, uit te dragen en bij nieuwe ontwikkelingen te betrekken. De Erfgoednota is opgesteld op basis van de vastgestelde Cultuurhistorische waardenkaart en het Ambitiedocument. De Erfgoednota bevat de ambities voor de omgang met het Westervoorts erfgoed zoals deze zijn uitgesproken door de bij het opstellen van het Ambitiedocument betrokken partijen en zijn bekrachtigd door de gemeenteraad. In de toelichting op de cultuurhistorische waardenkaart wordt De Pals vanuit cultuurhistorisch oogpunt als een van de bijzondere gebieden binnen de dorpskom van Westervoort genoemd.
De door het gebied slingerende straat heeft een smal dwarsprofiel met aan weerszijden molgoten. Het gebied heeft nog altijd een landelijk karakter met kleinschalige (agrarische) bebouwing, veel open ruimten (weiden) en hagen. Deze eigenschappen zijn meegenomen in de ontwikkelingsvisie voor De Pals. Hierop is het voornemen gebaseerd, waardoor geacht wordt dat de cultuurhistorische waarden voldoende zijn meegenomen in de planvorming. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
31
4.12
Verkeer en parkeren Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW 6 kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Gelet op de ligging van het plangebied worden de kencijfers voor het gebied ‘rest. bebouwde kom’ gehanteerd. De gemeente Westervoort wordt conform CBS-gegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid gezien als een ‘matig stedelijk’ gebied. Voor de toevoeging van vier vrijstaande koopwoningen en vier twee-onder-één-kap koopwoningen volgt uit de kerncijfers de volgende verkeersgeneratie: Koop, huis, Vrijstaand (4)
Koop, huis, Twee-onder-één-kap (4)
Minimaal
7,8 x 4 = 31,2
7,4 x 4 = 29,6
Maximaal
8,6 x 4 = 34,4
8,2 x 4 = 32,8
Geconcludeerd wordt dat de woningen in totaal maximaal circa 67 (34,4 + 32,8) extra verkeersbewegingen per etmaal zullen genereren. De inschatting is dat dit extra verkeer niet zal leiden tot significante veranderingen in het verkeersbeeld. Parkeren Het plangebied ligt op basis van de publicatie van het CROW in een 'matig stedelijk gebied' met het gebiedstype 'rest bebouwde kom'. De gemeente Westervoort hanteert het gemiddelde van de kengetallen van het CROW. Dat betekent dat voor vrijstaande woningen een parkeernorm van minimaal 2,2 parkeerplaatsen per woning geldt. Voor twee-onder-één-kapwoningen wordt een norm van 2,1 parkeerplaatsen per woning gehanteerd. In de parkeernorm wordt 0,3 parkeerplaats voor bezoekers aangehouden. Op eigen terrein dienen er respectievelijk 1,9 en 1,8 parkeerplekken te zijn. In het stedenbouwkundig plan is voldoende ruimte gereserveerd, zowel op eigen terrein als op het erf, om in het bewoners- en bezoekersparkeren te voldoen. In de regels van dit bestemmingsplan is de gemeentelijke parkeerregeling vanuit het ‘Parapluplan Parkeren Westervoort’ overgenomen. Dit betekent dat bij de omgevingsvergunning voor het bouwen getoetst zal worden of het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Daarmee wordt gesteld dat het aspect ‘parkeren’ voldoende in dit plan is gewaarborgd.
Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
6
CROW, publicatie 381, van parkeerkencijfers naar parkeernomen. 32
5
Wijze van bestemmen
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: − de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en − de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: − het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: − het bebouwen van de gronden; − het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
5.1.2
Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.
33
2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3
Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Dit bestemmingsplan
5.2.1
Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het
34
bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.2
De specifieke bestemmingen Voor onderhavig plan is bij de regeling aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘Komplannen Westervoort’. Het plangebied bevat de bestemmingen ‘Tuin’, ‘Verkeer’, ‘Wonen’, ‘Waarde - Archeologie' en ‘Waarde - Boom'. Tuin De voortuinen van de beoogde woningen en het mandelig gebied zijn voorzien van de bestemming ‘Tuin’. Deze bestemming voorziet uitsluitend in de bouw van erkers aan de voorgevel van een woning. Hiervoor zijn specifieke bouwregels geformuleerd. Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen, waarbij met de aanduidingen ‘twee-aaneen’ en ‘vrijstaand’ de woningtypen over het plangebied zijn verdeeld. Daarnaast zijn aan huis verbonden beroepen, bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven toegestaan. Er gelden afzonderlijke bouwregels voor hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Zo dienen woningen te voldoen aan de op de verbeelding aangegeven maximum goot- en bouwhoogte (hier: 4 en 10/11 meter). Er kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels. Ook kan onder voorwaarden worden afgeweken van de gebruiksregels inzake aan huis verbonden bedrijven. Waarde - Archeologie In een deel van het plangebied is mogelijk sprake van archeologische waarden. Om die reden is een archeologische dubbelbestemming opgenomen.
Deze dubbelbestemming voorziet in een omgevingsvergunningstelsel waarmee eventueel aanwezige archeologische waarden worden beschermd en is geregeld dat bij bepaalde bodemingrepen (dieper dan 1010 cm NAP) archeologisch onderzoek moet worden verricht. Waarde - Boom De te behouden bomen in het plangebied zijn door middel van de dubbelbestemming ‘Waarde - Boom' beschermd. Door deze dubbelbestemming is het niet zonder meer mogelijk om ter plaatse te bouwen of werkzaamheden uit te voeren.
5.2.3
Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht. Parkeren In de overige regels is een parkeerregeling opgenomen. Deze regeling houdt in dat een omgevingsvergunning voor bouwen of uitbreiden van een gebouw slechts wordt verleend indien voldoende parkeergelegenheid is gerealiseerd, conform het meest recente gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren. Hier kan onder voorwaarden van worden afgeweken. 35
6 6.1
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het project. De ontwikkelingen die concreet mogelijk worden gemaakt door de ruimtelijke procedure moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming. Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking, het opstellen van een exploitatieplan is daarom overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening niet nodig. Gesteld kan worden dat er geen verplichting is om tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een exploitatieplan op te stellen. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Overleg en inspraak Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijke procedure, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van de ontwikkeling. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld.
6.2.2
Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan zal voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.
36