CConstaterende datWestervoort
Koppel je AI →
Document · PDF

20240116-rv-wijziging-gr-odra-bijlage-1-toelichting- verwerkte-voorkeuren-partners-odra

Commissie Ruimte en Financien 16 januari 2024, gemeente WestervoortBij agendapunt: Wijziging gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Regio Arnhem (ODRA)978 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Toelichting op de wijze waarop de voorkeuren partners ODRA zijn verwerkt in de regeling. 1. Zienswijze bij besluiten Voor de zienswijzeprocedure bij besluiten wordt aangesloten bij de huidige werkwijze en daarmee de wettelijke voorschriften om de zienswijzeprocedure te volgen. Het orgaan dat bevoegd is tot het nemen van het besluit kan bepalen dat voordat het besluit wordt genomen het wordt voorgelegd aan de raden en Staten. Dit is in lijn met de voorkeur van raden. De Staten zien graag de mogelijkheid om bij besluiten met aanzienlijk financieel of politiek belang ook een zienswijze te kunnen indienen. In beginsel voorziet de huidige werkwijze daarin, door het toezenden van de ontwerpbegroting en de kadernota. Op de kadernota kan altijd worden gereageerd zonder de officiële zienswijzeprocedure te volgen. De wettelijke termijnen kunnen niet worden gehaald door ODRA als een zienswijzeprocedure gevolgd moet worden bij de kadernota. Mocht de huidige werkwijze niet dekkend zijn voor besluiten met aanzienlijk financieel of politiek belang, dan kan het Algemeen Bestuur (of een ander orgaan) alsnog het besluit voor zienswijze voorleggen aan de raden en staten. 2. Actieve informatieplicht De plicht tot het actief informeren wordt uitgewerkt in een informatieprotocol. Voordat het informatieprotocol wordt vastgesteld wordt het voor zienswijze aan de raden en staten voorgelegd.

Dit is in lijn met de voorkeuren zoals die bij de verkenning naar voren zijn gekomen. De zienswijzeprocedure op het informatieprotocol is een toevoeging naar aanleiding van de verkenning met de staten. Het informatieprotocol is opgesteld in samenwerking met de ODR. Uiteindelijk zal dit samen met de wijziging van de regeling worden vastgesteld. 3. Evaluatie Bij de bepaling over evalueren is rekening gehouden met de bestuursperiode van de raden en Provinciale Staten. Het uitgangspunt is dat in ieder geval één keer in een bepaalde periode wordt geëvalueerd en bij behoefte kan vaker worden geëvalueerd. Door deze brede formulering wordt voorzien in de behoefte van de staten om per bestuursperiode diepgaand te evalueren. Dit moet in de bestuursperiode zelf nader worden geregeld. 4. Gemeenschappelijke adviescommissie In de tekst van de regeling is een bepaling opgenomen dat het Algemeen Bestuur een adviescommissie instelt als de raden en staten dit voorstellen aan het Algemeen Bestuur. De staten hebben de voorkeur om een adviescommissie in te stellen met een goede balans in de frequentie van vergaderen en duidelijke opdracht. Naar aanleiding van de verkenning met de staten is een bepaling aan de regeling toegevoegd. In de regeling kan de adviescommissie zelf niet worden ingesteld, hiervoor is het nodig dat alle raden en staten gezamenlijk een voorstel aan het Algemeen Bestuur doen.

5. Uittreding De wetswijziging noopt om in de regeling op te nemen wat de gevolgen zijn van uittreding. Wettelijk is bepaald dat uittreden in principe niet kan (18.21 OW). Daarom is de uittreding kort gehouden met alleen het hoognodige erin. Essentie is dat in de GR het geregeld moet zijn door de deelnemers en niet door het AB. Daarom gekozen voor 'inventarisatie' door het AB. Uittreding is een eenzijdig besluit en kan niet onder voorwaarde. Afspraken over de uittreding worden vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst.

Bij uittreden gaat het om terugnemen van de basistaken. Omdat de deelnemers wettelijk verplicht zijn die taken over te dragen aan een omgevingsdienst, zal dat niet snel voorkomen. Wel kan het bij een herindeling aan de orde zijn als een deelnemer hierdoor een andere omgevingsdienst toegewezen krijgt. De financiële gevolgen voor een omgevingsdienst kunnen uiteraard ook groot zijn als een deelnemer taken (niet zijnde basistaken) terugneemt. Ook dan geldt eenzelfde procedure. Het is de intentie van de omgevingsdienst om die te gaan opnemen in de overeenkomsten tussen de deelnemers en de omgevingsdienst, omdat de systematiek van de regeling dit bepaalt. Voor het toe- en uittreden geldt de zienswijzeprocedure van artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 6. Participatie De bepaling over participatie is ongewijzigd overgenomen zoals deze is besproken met de raden en staten. 7. Verdeling saldo In het oude artikel werd een bedrag genoemd dat toegevoegd diende te worden aan de Algemene reserve. Dit sluit minder goed aan bij de Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) en het traject dat nu is ingezet vanuit het Interbestuurlijk overleg (IBV). In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) wordt gesproken over weerstandsvermogen en weerstandsratio.

Het Interbestuurlijk overleg (IBP) heeft met haar criteria de aansluiting hierop gezocht, en een criterium ‘weerstandscapaciteit ’ met een norm van 0,8 % als ondergrens gedefinieerd. ODRA wil daarbij aansluiten. De weerstandscapaciteit houdt het volgende in: de middelen en mogelijkheden waarover de organisatie beschikt of kan beschikken om geïdentificeerde risico’s en/of niet begrote kosten te dekken. Er wordt vanuit het interbestuurlijk programma VTH aangegeven dat de weerstandscapaciteit (risico’s gedeeld door vermogen) minimaal 0,8 % dient te bedragen om te komen tot een robuuste omgevingsdienst. Dit zal in 2024 door de minister worden aangegeven. ODRA vindt het belangrijk om daar aan te voldoen. Mocht de ODRA nog niet voldoen aan het criterium dan zal een plan van aanpak worden opgesteld met de deelnemers om daarnaartoe te werken. Het uitgangspunt is dat de weerstandscapaciteit 0,8 % bedraagt. In dit artikel is beschreven welke keuzemogelijkheden het algemeen bestuur heeft wanneer de weerstandscapaciteit hoger is dan 0,8 %. Een combinatie van mogelijkheden is uiteraard ook toegestaan. Vervolgens wordt uitgewerkt welke mogelijkheden het algemeen bestuur heeft als er sprake is van een weerstandscapaciteit die lager is dan 0,8 %.

Er is gekozen voor een verdeling naar rato van de stemverhouding en niet op basis van exploitatie, omdat de exploitatie in de tijd gezien te veel kan fluctueren. Stemverhouding geeft een meer stabiele situatie 8. Samenstelling en stemverhouding Al eerder is bestuurlijk besloten om de samenstelling aan te passen aan de financiële inbreng van de deelnemers. Nu wordt dit ook in de regeling vastgelegd. Het aantal stemmen is afhankelijk van de bijdrage van de deelnemer aan in begroting van dat jaar. Hiervoor wordt een staffel gebruikt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westervoort&id=8e0f4dd2-a345-4c88-a3c5-8d0cdbaebdca