20231218-rv-vaststellen-bestemmingsplan-de-clossei-bijlage-2-toelichting-en-regels-aangepast
Tekst van het document
Het waterschap heeft de "Handreiking Waterparagraaf voor bestemmingsplannen" (versie januari 2012) ontworpen waarmee kan worden bepaald voor welke plannen en in welke mate het waterschap betrokken dient te worden bij het opstellen van een waterparagraaf. Bij plannen met een verhard oppervlak kleiner dan 500 m² in de nieuwe situatie hoeft geen berging gerealiseerd te worden. Bij plannen met een toename van het verhard oppervlak tussen 500 m² dient rekening gehouden te worden met een maatgevende bui van 40 mm per uur. Hiervoor kan de volgende berekening worden gehanteerd, waarin de factor 0,04 m een maatgevende bui van 40 mm per uur vertegenwoordigt: Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (in m²) * 0,04. Planspecifiek Het plangebied ligt binnen het beheergebied van waterschap Rijn en IJssel. In het vervolg van voorliggend paragraaf zijn de belangrijkste waterhuishoudkundige aspecten uitgewerkt. Hemelwater Benodigde waterberging Vanuit het gemeentelijk waterbeleid dient hemelwater op eigen terrein geborgd te worden. Voor het bepalen van de capaciteit van de bergingsvoorzieningen is uitgegaan van de normen van waterschap Rijn en IJssel. Uitgegaan is van een maatgevende bui van T=100+10% en een infiltratiebehoefte van 80 mm in 48 uur.
Om te bepalen of en hoeveel hemelwaterberging er gerealiseerd dient te worden, is het nodig om de toename van het verhard oppervlak te bepalen. In de huidige situatie bestaat het gehele plangebied uit grasveld en is er geen verhard oppervlakte aanwezig. In de toekomstige situatie zijn 25 nieuwe woningen voorzien, waarvan 6 hoekwoningen en 19 tussenwoningen. De hoekwoningen krijgen een oppervlak van 40 m² en worden opgericht op een woonperceel van 80 m². De tussenwoningen krijgen een oppervlak van 38 m² en worden opgericht op een woonpereel van 77 m². Op basis van de huidige inrichtingstekening is het verhard oppervlak in de toekomstige situatie als volgt opgebouwd: hoekwoningen (6x): woning van 40 m² * 100% * 6 = 240 m²; hoekwoningen (6x): woonperceel 40 m² (80 m² - opp woning) *50% *6 = 120 m²; tussenwoningen (19x): woning van 38 m² * 100% * 19 = 722 m²; tussenwoningen (19x): woonperceel van 39 m² (perceel totaal - woning) * 50% * 19 = 370 m²; paden, wegen en parkeerplaatsen = ca 1900 m² * 100% = 1900 m².
De Clossei Westervoort
33
Het totale gezamenlijke oppervlak komt daarmee uit op ca 3352 m². De totale benodigde compensatie is als volgt: Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak 3352 m² * 0,08 = circa 268 m³. Voor de woningen en de verharding (50%) in de tuin wordt per woning geïnfiltreerd op eigen terrein, met een overloop naar de wadi. Voor de twee type woningen komt de bergingsbehoefte per woonperceel daarmee uit op: hoekwoning: 60 m² * 0,08 = 4,8 m³; tussenwoning: 57,5 m² * 0,08 = 4,6 m³. Te realiseren waterberging Bij de aanvraag van de vergunning voor het bouwen is pas bekend hoeveel verhard oppervlakte er gerealiseerd wordt. Mede daarom betreft de in deze paragraaf berekende waterberging een schatting, op basis waarvan geconcludeerd wordt dat het bestemmingsplan met betrekking tot water uitvoerbaar is. Om de wateropgave in te vullen is er de keuze uit een aantal bergingsvoorzieningen. Voorzieningen die hiervoor gebruikt kunnen worden, zijn de wadi centraal binnen het plangebied, het groenplantsoen met bomen direct ten noorden van de wadi en het aanleggen van halfverharde parkeergelegenheden. Daarnaast is het mogelijk om bij de aanleg en inrichting van de tuin rekening te houden met de waterberging. Hemelwater dat valt op terrassen kan in de tuin infiltreren.
Aangezien er voldoende mogelijkheden zijn om op eigen terrein in de benodigde waterberging te voorzien, wordt het plan uitvoerbaar geacht. De concrete uitwerking van de waterberging wordt opgenomen bij de definitieve aanvraag van de omgevingsvergunning. Hierbij wordt rekening gehouden met de K-waarde van de bodem ter plaatse. Overige waterhuishoudkundige aspecten Binnen het plangebied zijn geen watergangen gelegen. Ook voorziet voorliggend initiatief niet in bouwmogelijkheden binnen beschermingszones van watergangen. Het plangebied ligt wel binnen een intrekgebied. Onder het provinciaal beleid (zie 3.2) is reeds gemotiveerd dat voorliggend initiatief de winning van fossiele energie niet mogelijk maakt. Verder ligt het plangebied niet binnen een gebied dat vanuit waterhuishoudkundig oogpunt bescherming geniet. Tijdens de bouw van de woningen zullen geen uitloogbare materialen worden gebruikt. Watertoets Waterschap Rijn en IJssel is via de digitale watertoets op de hoogte gebracht van voorliggend bestemmingsplan, zie bijlage 9. Het waterschap geeft aan dat, mede vanwege de toename van verhard oppervlak, de normale procedure van toepassing is. Het waterschap blijkt in het vervolg van de ontwikkeling betrokken bij de verdere uitwerking van het initiatief. Conclusie Het bestemmingsplan is uitvoerbaar vanuit het aspect water.
34
De Clossei Westervoort
4.3
Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en bosopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek In het kader van voorliggend bestemmingsplan is een quickscan Flora en Fauna uitgevoerd, zie bijlage 10. In voorliggende paragraaf zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Rijntakken' ligt op 630 m ten westen van het plangebied. Vanwege deze ruime afstand en het beperkte ruimtelijke effect van de nieuwe woningen op de omgeving kunnen negatieve effecten vanuit trilling, geluid en lichthinder op voorhand worden uitgesloten. Voor het aspect stikstofdepositie is een Voortoets Stikstofdepositie opgesteld, zie bijlage 11. De belangrijkste conclusie is dat als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied waarvoor de berekeningen zijn uitgevoerd, de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, in zowel de aanlegfase als gebruiksfase niet toeneemt.
Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden. Het aanvragen van een Wnb-vergunning is daarom niet nodig voor dit project. Soortenbescherming Uit de quickscan uit bijlage 10 blijkt dat het plangebied geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten. Tijdens de realisatie van de woningen zal de algemene zorgplicht in acht worden genomen. Nader onderzoek in het kader van soortenbescherming is niet aan de orde. De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.
De Clossei Westervoort
35
4.4
Verkeer
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Ten opzichte van de bestaande situatie neemt het aantal woningen en de daarmee samenhangende verkeersbewegingen van en naar het plangebied toe. Op basis van de verkeersgegevens van het CROW (publicatie 318) is er sprake van een theoretisch aantal van maximaal 6 verkeersbewegingen per woning per dag. In totaal komt het aantal verkeersbewegingen in de toekomstige situatie daarmee uit op een theoretisch aantal van 150 verkeersbewegingen per dag. Het omliggende wegennet kan deze toename goed aan. Daar komt bij dat de parkeervoorzieningen op verschillende plaatsen binnen het plangebied worden aangelegd. Dit zorgt voor een evenwichtige spreiding van de verkeersbewegingen over de aangrenzende wegen. Parkeren De gemeente Westervoort beschikt niet over een parkeernormennota. De benodigde behoeft aan parkeerplaatsen is voor dit plan berekend op basis van landelijke parkeernormen zoals opgenomen in de CROW. Conform de CROW bestaat voor de 25 sociale huurwoningen een parkeernorm van 1,6 (CROW Huur, sociale huur, matig stedelijk, rest bebouwde kom, gemiddeld kencijfer). Daarbij is 1,3 parkeerplaats voor de bewoners en 0,3 voor bezoekers benodigd per woning. In de basis zijn er dan 40,0 parkeerplaatsen nodig voor het plan, dit zijn 33 voor de bewoners en 7 voor de bezoekers.
Met dubbelgebruik op het drukste moment (90% bewoners en 80% bezoekers op een werkdagavond) is er een maximale theoretische bezetting van (afgerond naar boven) 31 bewoners en 6 bezoekers. Met 37 parkeerplaatsen kan dan alsnog voldaan worden aan de parkeernorm. Binnen het plangebied zijn 37 nieuwe parkeerplaatsen voorzien waarmee aan de minimale parkeerbehoefte wordt voldaan. Herinrichting Tullekens Hofstede In voorliggend plan wordt de verbreding van de Tullekens Hofstede ter hoogte van het plangebied planologisch mogelijk gemaakt. De verbreding van de weg voorziet in de mogelijkheid om de weg in te richten voor verkeer in twee richtingen. Bestaande langs- en haaks parkeervakken aan De Clossei worden aan de westzijde ingepast. De nieuwe parkeerplaatsen worden aangelegd in de vorm van (halve) parkeerkoffers. De verbreding vindt enkel ter plaatse van het plangebied tot aan het parkeerkoffer. Voor het overige blijft de Tullekens Hofstede eenrichtingsverkeer zodat de verkeerssituatie van de bestaande woonwijk niet verandert maar het plangebied wel goed bereikbaar is. Het initiatief is uitvoerbaar in het kader van het aspect Verkeer.
4.5
Cultuurhistorie en archeologie
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie. Cultuurhistorie Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
36
De Clossei Westervoort
Archeologie De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente. Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Planspecifiek Cultuurhistorie Het plangebied ligt binnen de begrenzing van de voormalige Romeinse Limes. In paragraaf 3.1 is reeds gemotiveerd dat voorliggend initiatief geen negatief effect heeft op de kernkwaliteiten van de Romeinse Limes. Binnen en in de omgeving van het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zoals (rijks)monumenten aanwezig. Ook ligt het plangebied niet in andere gebieden die vanuit cultuurhistorisch oogpunt bescherming genieten.
Het initiatief heeft geen negatief effect vanuit het aspect cultuurhistorie. Archeologie In het kader van de bodemwerkzaamheden tijdens de bouw van de woningen is een archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 12. De belangrijkste conclusie is dat een archeologisch niveau te verwachten is op een diepte tussen de 30 cm en 110 cm –mv. Vanwege deze geringe diepte zullen eventueel aanwezige resten vrij zeker worden verstoord. Daarom is voor voorliggende ontwikkeling aanvullend onderzoek nodig. Ter uitvoering van dit onderzoek is een Programma van Eisen (zie bijlage 13) opgesteld dat op 13 december 2022 is goedgekeurd door de regio-archeoloog. Het aanvullende proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd in juni 2023 (zie bijlage 14). De belangrijkste conclusie is dat er enkel niet behoudenswaardige archeologische resten zijn aangetroffen tijdens het aanvullend onderzoek. De vindplaats is gewaardeerd op basis van het kwaliteitscriteria van de KNA 4.1. Op basis van deze waardering is de vindplaats als niet behoudenswaardig gewaardeerd en is nader aanvullend archeologisch onderzoek niet nodig. Beoordeling regioarcheoloog De conclusies van het onderzoek worden onderschreven. Het advies van Laagland Archeologie kan worden overgenomen.
De proefsleuven zijn gegraven ter hoogte van de geplande bebouwing/bodemingrepen, waarbij de projectlocatie met betrekking tot de archeologie kan worden vrijgegeven voor de toekomstige ontwikkeling. Omdat de landschappelijke vorm van het rivierduin nog niet duidelijk is en daarmee de kans op erosie/afdekking niet is onderbouwd kan er nog geen beslissing worden genomen over het laten vervallen van de dubbelbestemming archeologie voor het gehele plangebied. In de regels van voorliggend bestemmingsplan is het gemeentelijke bestemmingsplan 'Archeologie en Cultuurhistorie' uit 2013 daarom van toepassing verklaard. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect cultuurhistorie en archeologie.
De Clossei Westervoort
37
4.6
Klimaatadaptatie
Op grond van het bepaalde in artikel 2.65b uit de Omgevingsverordening Gelderland (zie ook 3.2) dient een bestemmingsplan dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving te bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt (artikel 2.65b van de omgevingsverordening). In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. Daarnaast moet de beschrijving worden opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. Voor die beschrijving kan gebruik worden gemaakt van de opgestelde klimaatatlas. Op basis van de klimaatatlas van de gemeente Westervoort (zie https://weetvanwater.nl/klimaatatlas/) is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen als gevolg van klimaatverandering voor het plan De Clossei. Dit is in navolgende tekst uitgewerkt: Wateroverlast Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat er een zeer gering risico bestaat op plasvorming tot 20 cm hoog na een korte bui van 70mm/ 1 uur voor het noordelijkste stuk van het plangebied. De kans hierop is 1x in de 100 jaar.
Een iets groter risico bestaat er op plasvorming van 15 tot 30 cm voor het noordelijk plangebied na een bui van 160 mm/2 uur. De kans hierop is 1x per 1000 jaar. Voor het overige deel van het plangebied is er geen risico. Dit risico is naar waarschijnlijkheid gebaseerd op de huidige lagere hoogte van het terrein. De te realiseren woningen (met tuin) worden ten opzichte van de straat altijd op een iets hoger peil gebouwd. Daarmee zullen de woningen zelf minder tot geen risico lopen. Er wordt een nieuwe wadi gecreëerd binnen het plangebied. Dit zal als nieuw laag punt fungeren. Dit gebied wordt openbare ruimte. De mogelijke locaties van plasvorming zijn de meest noordelijke 5 woningen. Deze komen dus op een hoger peil te staan inclusief de daarbij horende tuinen. Het overtollige water kan zich verzamelen in de nieuwe wadi en indien noodzakelijk overstorten in het openbare water ten zuiden van de Tullekens Hofstede. Dat er mogelijk enige wateroverlast ontstaat in de openbare ruimte vormt naar verwachting geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Voor de volledigheid wordt aanvullend ook verwezen naar de uitgevoerde watertoets. Daarin is voor de berekening van de benodigde bergingscapaciteit van hemelwater uitgegaan van 60 mm waarmee enkel in extreme gevallen onvoldoende berging voor handen is.
Tot slot blijft de begaanbaarheid van de Tullekens Hofstede en De Clossei voor verkeer en hulpdiensten goed bij de verwachte plasvorming na een korte bui en beperkt voor enkel hulpdiensten bij een bui van 160mm/2 uur (met een kans van 1x per 1000 jaar). Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat in voorliggend plan voldoende wordt ingezet op het voorkomen of beperken van mogelijke risico's door wateroverlast als gevolg van klimaatverandering en dat deze gering zijn. Hittestress Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat de temperatuur in het plangebied normaal tot (veel) koeler zal zijn op warme dagen. Dit is naar waarschijnlijkheid gebaseerd op de huidige inrichting van het plangebied als openbaar groen. De aanleg van groen (o.a. wadi's) tussen/rond de woningen en behoud van de bestaande bomen draagt bij aan het verminderen/voorkomen van een toename van hitte ondanks het toevoegen van de beoogde bebouwing. De aanwezigheid van groen zorgt namelijk voor verdampingskoeling. Daarnaast is sprake van nieuwbouwwoningen die goed geïsoleerd zijn conform de huidige normen. Daarmee zijn de woningen ook minder gevoelig voor opwarming wat relevant is voor warmte in de nachtelijke periode.
Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat in voorliggend plan voldoende wordt ingezet op het voorkomen of beperken van mogelijke risico's door hittestress als gevolg van klimaatverandering.
38
De Clossei Westervoort
Droogte De bijbehorende kaartbeelden laten wat betreft grondwaterstanden en droogtegevoeligheid in 2050 een beperkte verandering zien ten opzichte van de huidige situatie. Daarmee is en blijft in het plangebied sprake van lagere grondwaterstanden en van grotere droogtegevoeligheid. Door het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf zoals dat in feite in de huidige (onbebouwde) situatie ook zo is. Het plangebied ligt niet in een gebied waar een grotere kans op natuurbranden is bij langdurige droogte. In het plangebied zijn al waterpartijen en beken aanwezig die stil staan in de bestaande situatie. Dit zal niet veranderen. Daarmee is geen sprake van een risico voor de volksgezondheid. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat in voorliggend plan voldoende wordt ingezet op het voorkomen of beperken van mogelijke risico's door droogte als gevolg van klimaatverandering. Overstroming De kaartbeelden laten zien dat bij het bezwijken van een dijk van de IJssel of de Rijn het plangebied naar verwachting een waterhoogte heeft van 200-500 cm. Daarnaast bestaat een kleine overstromingskans (1x per 300 tot 3000 jaar) in 2050 op meer dan 50 cm water. Het is gelet op de locatie daarmee niet uit te sluiten dat er wateroverlast ontstaat bij een overstroming. Er kan dan wel gevlucht worden naar de verdieping.
Hiermee is het risico op verdrinking gering. Gezien de geringe overstromingskans wordt daarnaast het mogelijke risico als gevolg van overstroming door het bezwijken van een dijk van de IJssel of de Rijn geaccepteerd. Temeer ook verwacht wordt dat de Waterschappen c.q. verantwoordelijke medeoverheden zich ook inzetten om zorg te dragen voor een goede waterveiligheid in het stroomgebied van de IJssel en de Rijn.
4.7
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Planspecifiek De kosten voor Vivare bestaan uit de aankoopkosten van de grond en de bouwkosten voor de 25 woningen. De gemeente heeft in de aankoopprijs de kosten verwerkt voor het bouw- en woonrijp maken. Hierin is inbegrepen de inrichting van de openbare ruimte (groen, verharding parkeervoorzieningen, riolering, ect.) en de planologische kosten voor de bestemmingsplanprocedure.
Middels een intentieovereenkomst en later een koopovereenkomst wordt dit gewaarborgd. De gemeentelijke kosten zijn uitgewerkt in de grondexploitatie. De Clossei. Deze wordt gelijktijdig met het bestemmingsplan vastgesteld door de gemeenteraad. Het vaststellen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 lid 1 en 2 Wet ruimtelijke ordening is hiermee niet aan de orde.
De Clossei Westervoort
39
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing. Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan. Verbeelding De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend. Regels De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I : Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten; Hoofdstuk II: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik. Hoofdstuk III: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. Hoofdstuk IV: Overgangs- en slotbepalingen.
40
De Clossei Westervoort
5.2
Wijze van bestemmen
Voorliggend bestemmingsplan is gebaseerd op de systematiek van het bestemmingsplan 'Komplannen Westervoort' en bevat de volgende bestemmingen: Groen: Deze bestemming is behouden ter plaatse van het centrale deel van het plangebied. Daarmee is geborgd dat De Clossei voorzien blijft van een groene inrichting waarbinnen ruimte is voor de instandhouding van de bestaande bomen en de aanleg van waterhuishoudkundige voorzieningen waaronder de wadi. Verkeer: Deze bestemming is opgenomen op de locaties waar de parkeervoorzieningen zijn voorzien. Ook aan de zuidkant van het plangebied is deze bestemming opgenomen om de gewenste verbreding van de Tullekens Hofstede uit te kunnen voeren. Wonen: Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de beoogde woningen en bijbehorende voor- en achtertuinen. De hoofdgebouwen zijn toegestaan binnen de daarvoor opgenomen bouwvlakken. Op de verbeelding zijn via aanduidingen de maximale goot- en bouwhoogtes, het maximum aantal wooneenheden en het toegestane woningtype opgenomen. Via een voorwaardelijke verplichting is geborgd dat, vanwege de nabijheid van een kinderdagverblijf, de ingebruikname van woningen binnen het noordelijk bouwvlak niet is toegestaan zolang er geen geluidswerende voorzieningen zijn gerealiseerd. Daarmee is verzekerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Bestemmingsplan 'Archeologie en Cultuurhistorie' Op dit bestemmingsplan is naast het bepaalde in dit bestemmingsplan tevens het bepaalde in het bestemmingsplan 'Archeologie en Cultuurhistorie' van toepassing. Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
De Clossei Westervoort
41
Hoofdstuk 6 6.1
Procedure
Algemeen
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.
Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld.
6.2
Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk vooroverleg opgestuurd naar de relevante instanties. De provincie Gelderland is akkoord met het plan. De opmerkingen van het waterschap zijn verwerkt in voorliggend document. Het plan wordt toegezonden aan het waterschap op het moment van de terinzagelegging.
6.3
Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro
In het kader van voorliggend bestemmingsplan wordt geen formele inspraakprocedure doorlopen. Het bestemmingsplan wordt direct als ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. De gemeente Westervoort heeft inmiddels meerdere (digitale) bijeenkomsten georganiseerd voor omwonenden. Navolgende tekst geeft hiervan een samenvatting. Verslag inspraak Op 29 april 2021 is een eerste (digitale) informatiebijeenkomst gehouden voor de omwonenden en belanghebbenden. Deze avond was een eerste verkenning en zijn de eerste ideeën gedeeld. De bewoners en belanghebbenden konden aangeven wat zij belangrijk vonden en er was gelegenheid om opmerkingen te maken en wensen kenbaar te maken. Op basis van hetgeen is opgehaald heeft een landschapsarchitect een aantal ontwerpen gemaakt die op 3 februari 2022 tijdens een tweede (digitale) informatiebijeenkomst zijn gepresenteerd. Vervolgens is een “definitief” ontwerp gemaakt waarbij waar mogelijk nog de opmerkingen, wensen en aanvullingen van de omwonenden en belanghebbenden betrokken zijn. Tijdens een informatiebijeenkomst bij Wieleman op 30 juni 2022 is het definitieve ontwerp gepresenteerd. Ook het college van B&W alsmede de gemeenteraadsleden zijn telkens uitgenodigd voor de bijeenkomsten. Wanneer het bestemmingsplan in procedure gaat zullen de aanwonenden en belanghebbenden hier van op de hoogte gesteld worden.
42
De Clossei Westervoort
6.4
Verslag zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan 'De Clossei, Westervoort' is op woensdag 26 juli 2023 gepubliceerd en lag met ingang van donderdag 27 juli 2023 tot en met woensdag 6 september 2023 voor iedereen ter inzage. Gedurende de periode waarin het ontwerpbestemmingsplan ter inzage lag is één zienswijze ingediend op 4 september 2023. Deze is tijdig ingediend en hiermee ontvankelijk. In de Nota beantwoording zienswijze uit bijlage 15 is deze zienswijze van een reactie voorzien door de gemeente Westervoort. De zienswijze is grotendeels gegrond verklaard. Het bestemmingsplan is op verschillende plaatsen gewijzigd. Een toelichting opn deze aanpassingen is uitgewerkt in de Nota ambtshalve wijzigingen uit bijlage 16.
De Clossei Westervoort
43
Bijlagen bij de toelichting
44
De Clossei Westervoort
De Clossei Westervoort
45
Bijlage 1
46
Schetsontwerp De Clossei
De Clossei Westervoort
De Clossei Westervoort
47
Bijlage 2
48
Verkennend bodemonderzoek
De Clossei Westervoort
De Clossei Westervoort
49
Bijlage 3
50
Memo - geluidbelastingkaart De Clossei
De Clossei Westervoort
De Clossei Westervoort
51
Bijlage 4
52
Akoestisch onderzoek milieuzonering
De Clossei Westervoort
De Clossei Westervoort
53
Bijlage 5
54
Vormvrije m.e.r.-notitie
De Clossei Westervoort
De Clossei Westervoort
55
Bijlage 6
56
Advies EV ODRA
De Clossei Westervoort
De Clossei Westervoort
57
Bijlage 7
58
Advies EV VGGM
De Clossei Westervoort
De Clossei Westervoort
59
Bijlage 8
60
Carola risicoberekening
De Clossei Westervoort
De Clossei Westervoort
61
Bijlage 9
62
Watertoets
De Clossei Westervoort
De Clossei Westervoort
63
Bijlage 10
64
Quickscan Flora en Fauna
De Clossei Westervoort
De Clossei Westervoort
65
Bijlage 11
66
Voortoets Stikstofdepositie
De Clossei Westervoort
De Clossei Westervoort
67
Bijlage 12
68
Archeologisch onderzoek
De Clossei Westervoort
De Clossei Westervoort
69
Bijlage 13
70
Archeologisch PvE
De Clossei Westervoort
De Clossei Westervoort
71
Bijlage 14
72
Archeologisch vervolgonderzoek
De Clossei Westervoort
De Clossei Westervoort
73
Bijlage 15
74
Nota beantwoording zienswijze
De Clossei Westervoort
De Clossei Westervoort
75
Bijlage 16
76
Nota ambtshalve wijzigingen
De Clossei Westervoort
De Clossei Westervoort
77
Regels
78
De Clossei Westervoort
De Clossei Westervoort
79
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan het bestemmingsplan "De Clossei Westervoort" met identificatienummer NL.IMRO.0293.BPDeClossei-VS01 van de gemeente Westervoort. 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aan huis verbonden bedrijf een bedrijf dat in een (gedeelte van) of bij een woning wordt uitgeoefend en dat is gericht op het vervaardigen van producten en/of het leveren van diensten, door de bewoner van de woning, en dat niet krachtens een milieuwet vergunning- of meldingplichtig is. 1.4 aan huis verbonden beroep een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend door de bewoner van de woning, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.5 aanbouw een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
1.6 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.7 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.8 aanduidingsvlak een op de plankaart aangegeven vlak met eenzelfde aanduiding, begrensd door een aanduidingsgrens. 1.9 afhankelijke woonruimte een aan-, uit- of bijgebouw die qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg aanwezig is. 1.10 afwijking een afwijking als bedoeld in artikel 3.6 lid 1 sub c van de Wet ruimtelijke ordening. 1.11 ander-werk een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid.
80
De Clossei Westervoort
1.12 archeologische verwachting de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten. 1.13 archeologische waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten. 1.14 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.15 bebouwingspercentage een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van (een deel van) het bouwvlak aangeeft, dat maximaal mag worden bebouwd, tenzij in de regels anders is bepaald. 1.16 bedrijf een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen. 1.17 bestaand bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van terinzagelegging is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald; bij gebruik: het gebruik dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald. 1.18 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak.
1.19 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.20 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.21 bijgebouw een op zich zelfstaand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.22 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.23 bouwgrens de grens van een bouwvlak.
De Clossei Westervoort
81
1.24 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder. 1.25 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels van een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.26 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel. 1.27 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.28 bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.29 dove gevel a. een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede, b. een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. In dit geval wordt onder een geluidsgevoelige ruimte verstaan een ruimte binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon-, of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken van ten minste 11 m².
1.30 eerste bouwlaag de bouwlaag op de begane grond. 1.31 erf al dan niet bebouwde perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw. 1.32 erker een uitbouw van het hoofdgebouw met de omvang en uitstraling van een uitgebouwd venster, veelal gelegen voor het verlengde van de voorgevel. 1.33 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.34 gebruiken gebruiken, het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik geven. 1.35 hoofdgebouw een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkste is.
82
De Clossei Westervoort
1.36 mantelzorg het bieden van zorg aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en / of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband. 1.37 nadere eis een nadere eis als bedoeld in artikel 3.6 eerste lid onder d van de Wet ruimtelijke ordening. 1.38 nevenactiviteit een activiteit ondergeschikt aan de hoofdactiviteit in zowel omvang (m2), omzet (€) als de effecten op het woon- en leefklimaat. 1.39 normaal onderhoud, gebruik en beheer een gebruik gericht op het in zodanige conditie houden of brengen van objecten dat het voortbestaan van deze objecten op ten minste het bestaande kwaliteitsniveau wordt bereikt. 1.40 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden vergunning als bedoeld in artikel 3.3 onder a van de Wet ruimtelijke ordening. 1.41 omgevingsvergunning ten behoeve van sloop vergunning als bedoeld in artikel 3.3 onder b van de Wet ruimtelijke ordening. 1.42 onderbouw een gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 m boven het peil is gelegen. 1.43 oprit het gedeelte van het bouwperceel voor het bereiken van de bij het bouwperceel behorende garage en / of carport en / of andere bij de desbetreffende bestemming behorende gebouwen waar verkeer over rijdt. Een oprit is altijd direct bereikbaar vanaf de openbare weg.
1.44 overig bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.45 overkapping een bouwwerk op het bouwperceel van een gebouw of standplaats, dat strekt tot vergroting van het woongenot van het gebouw of de standplaats dan wel ten dienste van de ter plaatse toegestane activiteit en dat, voor zover gebouwd vóór (het verlengde van) de voorgevel van een gebouw, geen tot de constructie zelf behorende wanden heeft en, voor zover gebouwd achter (het verlengde van) de voorgevel van een gebouw, maximaal drie wanden heeft waarvan maximaal twee tot de constructie behoren. 1.46 pand de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.47
peil
De Clossei Westervoort
83
a. b. c.
voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; indien in of op het water wordt gebouwd: de hoogte van het terrein ter plaatse van het meest nabijgelegen punt waar het water grenst aan het vaste land.
1.48 prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.49 seksinrichting een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische/pornografische aard plaatsvinden, waaronder in ieder geval worden verstaan een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.50 slopen het al dan niet geheel afbreken van gebouwen en andere bouwwerken. 1.51 uitbouw een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.52 uitvoeren uitvoeren, het doen uitvoeren, laten uitvoeren en in uitvoering geven. 1.53 uitwerking een uitwerking als bedoeld in artikel 3.6 eerste lid onder b van de Wet ruimtelijke ordening. 1.54 verbeelding de analoge en digitale voorstelling van de in het plan opgenomen digitale ruimtelijke informatie. 1.55 voorgevel de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt.
1.56 wijziging een wijziging als bedoeld in artikel 3.6 eerste lid onder a van de Wet ruimtelijke ordening. 1.57 woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
84
De Clossei Westervoort
2.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is. 2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.3 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.4 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Bij de vaststelling van de goothoogte worden goten van ondergeschikte bouwdelen zoals dakkappelen niet meegerekend. 2.5 de hoogte van een windturbine vanaf het peil tot aan de as van de windturbine. 2.6 de horizontale diepte van een gebouw de diepte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de gevel waaraan wordt gebouwd. 2.7 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
2.8 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.9 de oppervlakte van een overkapping tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping. 2.10 overige bepalingen bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.
De Clossei Westervoort
85
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Bestemmingsregels Groen
3.1 bestemmingsomschrijving De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen, bermen en beplanting; b. parken en plantsoenen; c. (fiets)paden, wegen en parkeervoorzieningen; d. speelvoorzieningen, water- en (nuts)voorzieningen; met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en verhardingen en met inachtneming van de keur van het waterschap. 3.2 bouwregels 3.2.1 gebouwen Gebouwen voldoen aan de volgende kenmerken: a. gebouwen voor het openbare nut tot maximaal 50 m² en tot maximaal 4 m hoog. 3.2.2 bouwwerken geen gebouwen zijnde De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt: a. maximaal 8 m voor speelvoorzieningen; b. maximaal 10 m voor de wegaanduiding, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer; c. maximaal 6 m voor overige bouwwerken. 3.3 wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming Groen wijzigen in de bestemming Wonen en / of de bestemming Tuin met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. er geen nieuwe woning mogelijk wordt gemaakt; b. er geen onevenredige aantasting plaats vindt van de verkeersveiligheid; c. er geen onevenredige aantasting plaats vindt van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden.
86
De Clossei Westervoort
Artikel 4
Verkeer
4.1 bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen en straten, wandel- en fietspaden met een functie voornamelijk gericht op verblijf alsmede de afwikkeling van het doorgaande verkeer; b. parkeer-, groen- en speelvoorzieningen; c. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen; d. nutsvoorzieningen waaronder (ondergrondse) containers; met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde zoals straatmeubilair. 4.2 bouwregels 4.2.1 gebouwen Gebouwen voldoen aan de volgende kenmerken: a. gebouwen voor het openbare nut tot maximaal 50 m² en tot maximaal 4 m hoog. 4.2.2 bouwwerken geen gebouwen zijnde De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt: a. maximaal 8 m voor speelvoorzieningen; b. maximaal 10 m voor de wegaanduiding, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer; c. maximaal 6 m voor overige bouwwerken.
De Clossei Westervoort
87
Artikel 5
Wonen
5.1 bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het bestaand aantal woningen en ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' uitsluitend aaneengebouwde woningen; b. in afwijking van het bepaalde onder a. zijn ter plaatse van de aanduiding 'maximaal aantal wooneenheden' nieuwe aaneengebouwde woningen toegestaan tot in totaal het maximum aangegeven aantal; c. aan huis verbonden beroepen met dien verstande dat de oppervlakte beperkt is tot een maximum van 60 m2 van het hoofdgebouw en/of het aangebouwde bijgebouw; met bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en (fiets)paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water- en (nuts)voorzieningen, tuinen en erven en daarmee naar aard en omvang vergelijkbaar gebouwen en voorzieningen. 5.2 bouwregels 5.2.1 hoofdgebouwen Hoofdgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken: a. gebouwd binnen het bouwvlak; b. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' zijn alleen aaneengebouwde woningen toegestaan; c. goot- en bouwhoogte maximaal de ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte‘ aangegeven goothoogte respectievelijk bouwhoogte; d. het maximum aantal woningen per bouwvlak bedraagt niet meer dan aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'; e.
de voorgevelrooilijn van de aaneengebouwde hoofdgebouwen dient na vijf aaneengebouwde woningen te verspringen waarbij de achterliggende voorgevelrooilijn minimaal 0,5 m achter het verlengde van de voorste voorgevelrooilijn komt te liggen. 5.2.2 aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd en voldoen aan de volgende kenmerken: a. gebouwd op het zij- en achtererf en minimaal 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw, met dien verstande dat aan- en uitbouwen in de vorm van erkers tot vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mogen worden gebouwd, mits: 1. de horizontale diepte maximaal 1,50 m bedraagt; 2. de diepte van de overblijvende, niet met gebouwen bebouwde gronden minimaal 2,5 m bedraagt; 3. voor zover de erker wordt gebouwd tegen de voorgevel van het hoofdgebouw de breedte maximaal 2/3 van de breedte van die gevel bedraagt; 4. de bouwhoogte maximaal 3 m bedraagt dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,25 m. b. gezamenlijke oppervlakte voor zover gebouwd buiten het bouwvlak per hoofdgebouw maximaal 50 m 2, en waarbij geldt dat: 1. het bebouwingspercentage van bouwpercelen tot 200 m2 maximaal 75% mag zijn; 2.
voor bouwpercelen groter dan 200 m² geldt een maximum van 60%; met dien verstande dat altijd 20 m2 mag worden gebouwd; c. goothoogte maximaal 3 m dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,25 m; d. bouwhoogte maximaal de bouwhoogte van het hoofdgebouw - 2 m, waarbij geldt dat de bouwhoogte in ieder geval 3 m mag bedragen en maximaal 6 m mag bedragen, en waarbij geldt dat indien tot: 1. 1 m uit de perceelsgrens wordt gebouwd, de maximale bouwhoogte 4 m mag bedragen; 2. 2 m uit de perceelsgrens wordt gebouwd, de maximale bouwhoogte 5 m mag bedragen.
88
De Clossei Westervoort
5.2.3 ondergronds bouwen Binnen het bouwvlak is ondergronds bouwen toegestaan tot maximaal het oppervlak wat op basis van de regels bovengronds is toegestaan, waarbij een maximale bouwdiepte van 3 m is toegestaan. 5.2.4 zwembaden Binnen de bestemming 'Wonen' zijn onoverdekte zwembaden toegestaan tot een maximaal oppervlak van 100 m2, waarbij een minimale afstand van 5 m tot een naburige perceelsgrens moet worden aangehouden indien op het naburige perceel een woonfunctie aanwezig is. 5.2.5 bouwwerken geen gebouwen zijnde Bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde maximaal: a. erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw 1 m; b. erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw 2 m; c. overige bouwwerken geen gebouwen zijnde 2 m; 5.3 afwijken van de bouwregels 5.3.1 afwijkingen Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in: a. artikel 5.2.1 onder a voor het bouwen tot maximaal 5 meter buiten het bouwvlak; b. artikel 5.2.1 onder c voor het bouwen tot een maximale goothoogte van 6 m en een maximale bouwhoogte van 11 m; c.
artikel 5.2.2 onder a voor het verkleinen van de afstand van een aan- of uitbouw, bijgebouw of overkapping tot (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw dan wel voor het bouwen van een aan- of uitbouw, bijgebouw of overkapping vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw; d. artikel 5.2.2 onder b voor het vergroten van de gezamenlijke bebouwde oppervlakte tot maximaal 135 m 2; 5.3.2 voorwaarden verlening omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3.1 kan slechts worden verleend, mits: a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; b. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad. 5.4 specifieke gebruiksregels 5.4.1 voorwaardelijke verplichting parkeren a. Gebruik van gronden overeenkomstig de bepalingen in artikel 5.1 is uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat er voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn binnen het plangebied uitgaande van een norm van 1,5 parkeerplaats per woning. b. Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 5.4.1 lid a ten aanzien van de genoemde parkeernorm wanneer elders in de parkeergelegenheid wordt voorzien. 5.4.2 voorwaardelijke verplichting geluidwerende voorzieningen a.
Gebruik van woningen binnen het noordelijke bouwvlak en bijbehorende gronden overeenkomstig de bepalingen in artikel 5.1 is uitsluitend toegestaan indien navolgende geluidwerende voorzieningen zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden met als doel het borgen van een goed woon- en leefklimaat: 1. een geluidsscherm van 2 m hoog, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding geluidsscherm'. Het geluidsscherm moet goed gesloten zijn en dient te beschikken over een massa van minimaal ca 10 kg/m² en kan bestaan uit hout, steen, staal, glas e.d.; 2. een dove gevel, ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn'.
De Clossei Westervoort
89
5.5 afwijken van de gebruiksregels 5.5.1 algemeen Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 5.1 onder b ten behoeve van het toestaan van een aan huis verbonden bedrijf. 5.5.2 voorwaarden Afwijken als bedoeld in artikel 5.5.1 kan slechts mits: a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; b. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad; c. de oppervlakte van het aan huis verbonden bedrijf bedraagt niet meer dan 50% van de gebruiksoppervlakte van de woning en nooit meer dan 60 m²; d. de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie en woonomgeving in overeenstemming is.
90
De Clossei Westervoort
Hoofdstuk 3 Artikel 6
Algemene regels Anti-dubbeltelbepaling
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 7
Algemene bouwregels
7.1 goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud van bouwwerken In die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet en de Wabo tot stand zijn gekomen meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud in afwijking daarvan als maximaal toegestaan. 7.2 afstand van bouwwerken In die gevallen dat de bestaande afstand tot enige op de verbeelding aangegeven lijn van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet en de Wabo tot stand zijn gekomen minder bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven, geldt die afstand in afwijking daarvan als minimaal toegestaan.
Artikel 8
Algemene gebruiksregels
8.1 strijdig gebruik Tot een gebruik in strijd met alle bestemmingen wordt in ieder geval begrepen: a. een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; b. een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud.
Artikel 9
Algemene afwijkingsregels
9.1 Algemene afwijkingen Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van: a. in het plan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 10% van de goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen; b. de regels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 2,5 m, en deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing; c. de regels en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot tot maximaal 40 m met dien verstande dat deze omgevingsvergunning uitsluitend mag worden verleend op gronden behorende bij de bestemmingen Groen, Verkeer, Verkeer - Spoor; d. de regels en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde wordt vergroot tot maximaal 10 m;
De Clossei Westervoort
91
e.
het vergroten van het oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen en / of hoofdgebouwen tot een groter oppervlakte dan toegestaan op basis van de overige geldende regels ten behoeve van de bouw van een afhankelijke woonruimte mits een dergelijk gebruik noodzakelijk is vanuit oogpunt van mantelzorg. Hierbij geldend voorts de volgende bepalingen: 1. een deskundige is betrokken m.b.t. de noodzakelijkheid van de mantelzorg; 2. de vergroting van het oppervlakte niet meer bedraagt dan 20 m2; 3. de overige bouwregels van de bestemming in acht worden genomen.
9.2 Voorwaarden verlenen omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.1 kan slechts worden verleend, mits: a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; b. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.
Artikel 10
Algemene procedureregels
Bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid en/of uitwerkingsbevoegdheid worden de procedureregels van Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht in acht genomen.
Artikel 11
Algemene wijzigingsregels
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in de vorm van het aanbrengen van geringe veranderingen in de plaats, ligging en/of afmetingen van bestemmingsgrenzen, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. bestemmingsgrenzen mogen met niet meer dan 5 m worden verschoven; b. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden mogen niet onevenredig worden geschaad; c. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen mogen niet onevenredig worden geschaad.
Artikel 12
Overige regels
12.1 Archeologie en Cultuurhistorie Op dit bestemmingsplan is naast het bepaalde in dit bestemmingsplan tevens het bepaalde in het bestemmingsplan 'Archeologie en Cultuurhistorie' van toepassing.
92
De Clossei Westervoort
Hoofdstuk 4 Artikel 13
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht
13.1 overgangsrecht bouwwerken 13.1.1 algemeen Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 13.1.2 afwijken bij omgevingsvergunning Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig afwijken van het bepaalde in artikel 13.1.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 13.1.1 met maximaal 10%. 13.1.3 uitzondering Artikel 13.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 13.2 overgangsrecht gebruik 13.2.1 algemeen Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.