20231206-rv-vaststellen-bestemmingsplan-de-clossei-bijlage-2-toelichting-en-regels
Tekst van het document
Bestemmingsplan De Clossei Westervoort Gemeente Westervoort
COLOFON Gegevens over het plan: Plannaam: Identificatienummer: Status: Datum: Projectnummer Buro SRO:
De Clossei Westervoort NL.IMRO.0293.BPDeClossei-VS01 Vastgesteld 27 oktober 2023 44.10.23
Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever: Contactpersoon opdrachtgever:
Gemeente Westervoort Dhr. O. Eurlings
Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO: Bezoekadres vestiging Arnhem: Telefoon: E-mail: Internet:
Dhr. T. Vette Sweerts de Landasstraat 50, 6814 DG te Arnhem 026 – 35 23 125 arnhem@buro-sro.nl www.buro-sro.nl
2
De Clossei Westervoort
Inhoudsopgave Toelichting
6
Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3
Inleiding Aanleiding voor het bestemmingsplan Ligging plangebied Leeswijzer Het initiatief Huidige situatie Toekomstige situatie Duurzame stedenbouw Beleidskader Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid
3.4 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 Hoofdstuk 5 5.1 5.2 Hoofdstuk 6 6.1 6.2 6.3 6.4
Gemeentelijk beleid Uitvoerbaarheid Milieu Water Ecologie Verkeer Cultuurhistorie en archeologie Klimaatadaptatie Economische uitvoerbaarheid Juridische planbeschrijving Algemeen Wijze van bestemmen Procedure Algemeen Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro Verslag zienswijzen
8 8 8 9 10 10 12 14 16 16 17 19
De Clossei Westervoort
20 24 24 32 35 36 36 38 39 40 40 41 42 42 42 42 43
3
Bijlagen bij de toelichting
44
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 12 Bijlage 13 Bijlage 14 Bijlage 15 Bijlage 16
46 48 50 52 54 56 58 60 62 64 66 68 70 72 74 76
Schetsontwerp De Clossei Verkennend bodemonderzoek Memo - geluidbelastingkaart De Clossei Akoestisch onderzoek milieuzonering Vormvrije m.e.r.-notitie Advies EV ODRA Advies EV VGGM Carola risicoberekening Watertoets Quickscan Flora en Fauna Voortoets Stikstofdepositie Archeologisch onderzoek Archeologisch PvE Archeologisch vervolgonderzoek Nota beantwoording zienswijze Nota ambtshalve wijzigingen
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Hoofdstuk 4 Artikel 13 Artikel 14
Verbeelding
4
78 Inleidende regels Begrippen Wijze van meten Bestemmingsregels Groen Verkeer Wonen Algemene regels Anti-dubbeltelbepaling Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene procedureregels Algemene wijzigingsregels Overige regels Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
80 80 84 86 86 87 88 91 91 91 91 91 92 92 92 93 93 93
94
De Clossei Westervoort
De Clossei Westervoort
5
Toelichting
6
De Clossei Westervoort
De Clossei Westervoort
7
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het bestemmingsplan
Woningcorporatie Vivare is voornemens om samen met de gemeente Westervoort sociale huurwoningen te ontwikkelen aan de Clossei in Westervoort. Het plan bestaat uit de oprichting van 25 grondgebonden woningen. Het plan speelt daarmee in op een urgente maatschappelijke behoefte aan betaalbare woningen voor een brede doelgroep. De ontwikkeling past niet in het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief wel passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan De Clossei aan de zuidkant van de bebouwde kom van Westervoort. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
De ligging van het plangebied en de omgeving (bron: www.openstreetmaps.nl)
8
De Clossei Westervoort
1.3
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.
De Clossei Westervoort
9
Hoofdstuk 2
Het initiatief
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
2.1
Huidige situatie
Het plangebied aan De Clossei ligt aan de zuidkant van de bebouwde kom van Westervoort, in de wijk 'Ganzenpoel-De Schans'. De wijk uit begin jaren 80 bestaat voornamelijk uit woningen, het merendeel grondgebonden rijwoningen. Direct ten noordwesten van het plangebied ligt een concentratie van wijkfuncties, waaronder een jongerencentrum, huisartsenpraktijk en kinderdagverblijf. Het plangebied wordt verder begrensd door de verkeerstraten De Clossei aan de oostkant en de Tullekens Hofstede aan de zuidkant. De Tullekens Hofstede is een belangrijke ontsluitingsweg van de wijk. De weg wordt begeleid door laanbomen en een watergang, die belangrijk is voor de afwatering. Het plangebied heeft een oppervlak van ca 5.500 m² en bestaat voornamelijk uit grasveld. Het noordelijk grasveld en het grotere grasveld aan de zuidkant worden visueel van elkaar gescheiden door een groenplantsoen met bomen. Het plangebied wordt doorsneden door een wandelpad. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van de bestaande situatie.
Luchtfoto van het plangebied (bron: google maps)
10
De Clossei Westervoort
Aanzicht op het plangebied vanaf de Tullekense Hofstede (bron: google streetview)
Aanzicht op het plangebied vanaf de Clossei (bron: google streetview)
De Clossei Westervoort
11
2.2
Toekomstige situatie
Woningcorporatie Vivare en de gemeente Westervoort hebben het voornemen het plangebied te herontwikkelen tot woonlocatie. Het plan is om 25 grondgebonden sociale huurwoningen op te richten. Voor het plan is een schetsontwerp gemaakt, zie bijlage 1. In voorliggende paragraaf wordt het plan op hoofdlijnen toegelicht.
Uitsnede van de inrichtingstekening van de toekomstige situatie (bron: gemeente Westervoort)
De in totaal 25 woningen worden over twee deelgebieden gerealiseerd. Aan de noordkant komt een kleiner woongedeelte met in totaal 5 rijwoningen. Aan de zuidkant komen twee woonblokken met ieder 10 rijwoningen. De zes hoekwoningen krijgen een beukmaat van 5,4 m, alle overige tussenwoningen een beukmaat van 5,1 m. Alle woningen krijgen één bouwlaag met kap. De woningen en bijbehorende tuinen worden eigendom van woningcorporatie Vivare, de resterende buitenruimte blijft in eigendom van de gemeente. Bij de inpassing van de woningen in de omgeving en de inrichting van de buitenruimte is rekening gehouden met de bestaande groenstructuur. Het centrale groenplantsoen met bomen en het aangrenzende wandelpad blijven behouden. Voor het plan hoeven er dus geen bomen worden gekapt. Parallel aan het wandelpad is ruimte voor compensatiemaatregelen voor het opvangen van overtollig hemelwater. Gedacht kan worden aan de aanleg van een wadi (meer over water in paragraaf 4.2). Deze wadi en aangrenzende gronden krijgen niet alleen een functie in het kader van de waterhuishouding maar zorgen ook voor een natuurlijke inrichting van de buitenruimte. De gronden rondom de wadi worden ingezaaid met een bloemrijk mengsel. Samen met de wadi ontstaat er daardoor een aantrekkelijk stand- verblijfplaats voor plant- en diersoorten. Het parkeren van auto's is straks mogelijk aan de randen van de woonpercelen.
Daar is ruimte genoeg om te voldoen aan de gemeentelijke parkeernorm (1,5 parkeerplaats per woning, zie verder 4.4). Het plan wordt mede aangegrepen om de gewenste verbreding van de Tullekens Hofstede ter hoogte van het plangebied planologisch mogelijk te maken. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van de toekomstige situatie.
12
De Clossei Westervoort
3D-impressie van de woonblokken aan de zuidkant van het plangebied (bron: schetsontwerp De Clossei)
3D-impressie van het kleinere woonblok aan de noordkant (bron: schetsontwerp De Clossei)
De Clossei Westervoort
13
2.3
Duurzame stedenbouw
Duurzaamheid In een duurzame leefomgeving wordt bewust omgegaan met energie, klimaat, grondstoffen, ruimte, water en groen. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn een logisch moment om de verschillende aspecten van duurzame stedenbouw vanaf het begin in de planvorming mee te nemen. Bouwbesluit Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Voor woningen geldt sinds 2015 een Energie Prestatie Coëfficiënt van 0,4 op gebouwniveau. Vanaf 2020 wordt deze verlaagd richting een coëfficiënt dichter bij de nul. Vanaf 2020 moeten alle nieuwe gebouwen voldoen aan de BENG-eisen. Dit is rijksbeleid, waarbij BENG staat voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen. Kansen Bij de herinrichting van een perceel en bij nieuwbouw liggen kansen om duurzaamheid te verbeteren. Het energieneutraal maken van een gebouw kan beter bij de bouw dan achteraf. Nieuwbouw biedt de kans om meteen voor een duurzame wijze van verwarming te kiezen, maar ook andere duurzaamheidsaspecten zijn bij nieuwbouw relatief eenvoudig te realiseren, zoals het opwekken van duurzame energie. Het is van belang de kansen voor het opwekken van duurzame energie te benutten om de gestelde toename van duurzaam opgewerkte energie te behalen. Sinds 01-07-2018 moeten nieuwe woningen gasloos worden gebouwd.
Daarnaast kan bij de inrichting van de buitenruimte rekening worden gehouden met water- en hittestress. Het aanplanten van groen is goed voor de klimaatbestendigheid, omdat het bijdraagt aan het verminderen van de hittestress en het verbeteren van het watervasthoudend vermogen van het gebied. Planspecifiek Het thema duurzaamheid is geïntegreerd in de planuitwerking van voorliggend initiatief. Dit komt op verschillende manieren tot uiting. De toekomstige woningen krijgen geen aansluiting op het gasnetwerk maar zullen op een andere manier worden verwarmd. Verder zijn er mogelijkheden voor de toepassing van duurzame bouwmaterialen en technieken aan de woningen, bijvoorbeeld zonnepanelen. Ook bij de inrichting van de buitenruimte komt thema duurzaamheid op verschillende manieren tot uiting. De bestaande bomen centraal binnen het plangebied blijven behouden. Deze bomen zorgen voor schaduwwerking en een verkoelend effect tijdens warme dagen. Dit komt het verblijf- en leefklimaat van de nieuwe inwoners van de wijk ten goede. Om de toename van verhard oppervlak te compenseren worden verschillende compensatiemaatregelen getroffen. De belangrijkste daarvan is de aanleg van de wadi, parallel aan het bestaande wandelpad. Overtollig hemelwater kan naar deze wadi worden afgevoerd, waarna het water vertraagd kan worden geïnfiltreerd in de bodem.
De wadi en aangrenzende gronden worden op een natuurlijke manier ingericht, onder andere met kruidenrijke bloemen. Centraal in de nieuwe woonwijk ontstaat er daardoor een aantrekkelijke natuurlijke omgeving. Op een later moment, in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag voor het bouwen, wordt de exacte toepassing van duurzame technieken en de inrichting van de buitenruimte nader uitgewerkt.
14
De Clossei Westervoort
Het uitgangspunt is om de buitenruimte op een natuurlijke- en duurzame manier in te richten (bron: Schetsontwerp De Clossei)
De Clossei Westervoort
15
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Per januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.
Met de komst van de NOVI komen meerdere nationale beleidsstukken te vervallen, waaronder de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Strategisch relevante delen van de SVIR en het Barro worden echter opgenomen in de NOVI en blijven daarmee ook na inwerkingtreding van de NOVI gelden. Dit bestemmingsplan zal daarom ook aan dit beleid worden getoetst. Gebiedsgericht De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. In het Barro waren regels opgesteld waarmee deze gebiedsbescherming juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd. Ladder duurzame verstedelijking Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied.
Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2). De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
16
De Clossei Westervoort
Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Planspecifiek Gebiedsgericht Het plangebied ligt in het besluit-subvlak Romeinse Limes. De Limes was de noordelijke grens van het oude Romeinse rijk. In het gebied zijn voormalige forten, nederzettingen, militaire infrastructuur en scheepswrakken aanwezig. De ontwikkeling vindt plaats binnen een bestaande woonwijk. Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen overblijfselen van de Romeinse Limes aanwezig. Het plangebied ligt niet in andere aangewezen gebieden van de NOVI en het Barro. Het initiatief raakt daarmee op voorhand niet aan één of meerdere aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Ladder duurzame verstedelijking Met voorliggend initiatief neemt het aantal woningen binnen het plangebied per saldo toe met 25 (van 0 nu naar 25 in de toekomstige situatie). Er is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Daarom dient de ladder voor duurzame verstedelijking te worden doorlopen. Kwantitatieve- en kwalitatieve behoefte Voorliggend initiatief voorziet in 25 grondgebonden sociale huurwoningen. In het vervolg van voorliggende paragraaf is aan de hand van de regionale (3.3) en gemeentelijke (3.4) woningbouwkaders aangetoond dat zowel vanuit kwantitatief- als kwalitatief oogpunt een (urgente) behoefte is aan de nieuwe woningen uit voorliggend plan. Locatie Daarnaast dient in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking te worden ingegaan op de locatie van het initiatief. De prioriteit in het beleid ligt bij inbreidings- en transformatielocaties. Bij voorliggend plan is sprake van een inbreidingslocatie midden in een bestaande woonwijk. Daarmee komt het plan tegemoet om bij voorkeur woningen binnenstedelijk te bouwen. De ladder voor duurzame verstedelijking is hiermee succesvol doorlopen. Het initiatief is passend binnen het rijksbeleid.
3.2
Provinciaal beleid
Algemeen In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze is op 1 februari 2022 voor het laatst geactualiseerd op basis van de nieuwe omgevingsvisie. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen.
De Clossei Westervoort
17
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat: Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten; Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid; Een voortvarend en innovatief circulair beleid; Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit; Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag; Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat; Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Naast deze zeven ambities blijft het beleid uit de Omgevingsvisie uit 2014 gelden.
Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden. Omgevingsverordening Gelderland De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling is opgenomen in het woningbouwprogramma van de gemeente Westervoort dat regionaal is afgestemd met de regio De Liemers. Onder het regionale beleid is reeds aangetoond dat er een behoefte is aan de woningen uit voorliggend plan. Zie daartoe ook paragraaf 3.3. Het initiatief voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking en het vereiste uit de omgevingsverordening zoals bedoeld in afdeling 2.1. Verder ligt het plangebied in een intrekgebied. Artikel 2.38 stelt dat de winning van fossiele energie niet is toegestaan binnen deze gebieden. Voorliggend bestemmingsplan maakt de winning van fossiele energie niet mogelijk.
Daarmee past het initiatief binnen het bepaalde van artikel 2.38 uit de omgevingsverordening. Op grond van artikel 2.65b (klimaatadaptatie) van de omgevingsverordening dient een bestemmingsplan waarin nieuwe activiteiten mogelijk worden gemaakt, een toelichting te bevatten over de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken. Deze toelichting is in voorliggend bestemmingsplan in een aparte paragraaf 4.6 Klimaatadaptatie uitgewerkt. Het initiatief past binnen de provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening.
18
De Clossei Westervoort
3.3
Regionaal beleid
3.3.1 Woondeal Arnhem - Nijmegen In maart 2020 hebben het Rijk, de provincie Gelderland en de 18 samenwerkende gemeenten in de regio 'Arnhem - Nijmegen', waaronder de gemeente Westervoort, een woondeal afgesloten. De snel oplopende woningtekorten, de complexe leefbaarheidsproblematiek, de strategische ligging en de groene ambities van de regio zijn daarbij voor het Rijk belangrijke overwegingen geweest. Daarmee fungeert deze woondeal mede als regiospecifieke uitwerking van het interbestuurlijk Programma (IBP) in die regio's waar de druk op de woningmarkt het grootste is. In de Woondeal zijn onder meer de volgende afspraken gemaakt: tot 2025 worden 20.000 woningen gerealiseerd, dit zijn er 5000 meer dan eerder gepland; 50% van de woningen moeten in het betaalbare segment vallen (sociale- en middeldure huur en betaalbare koop tot de NHG-grens, conform landelijke definities); de regio zorgt voor een totale planvoorraad tot en met 2030 van 130% van de woningbehoefte; versneld realiseren van (flexibele en tijdelijke) woningen. Planspecifiek In de Woondeal zijn door de samenwerkende gemeenten afspraken gemaakt om versneld extra woningen bij te bouwen. Voorliggend initiatief voorziet per saldo in een toename van 25 woningen en draagt daarmee direct bij aan het behalen van een belangrijk doel uit de Woondeal.
De woningen komen in eigendom van woningcorporatie Vivare en worden als sociale huurwoning verhuurd. Daarmee sluit het initiatief ook aan op de doelstelling om 50% van de nieuwe woningen in de regio op te richten binnen het betaalbare segment. Het initiatief past binnen de woningbouwafspraken uit de Woondeal Arnhem - Nijmegen. 3.3.2 Liemerse Woonagenda 2020-2025 In 2020 is de subregionale woonagenda geactualiseerd. De uitgangspunten uit de Liemerse Woonagenda zijn nog steeds relevant, al is er op een aantal punten een accentverschuiving. Zo wordt nu vooral gekeken naar de kwaliteiten van het plan en naar de toegevoegde waarden van het plan op lokale en/of (sub)regionale behoefte en is afgestapt van harde afspraken over het aantal te bouwen woningen. Bovendien is de afgelopen jaren gewerkt aan een beter inzicht in vraag en aanbod in de Liemers. Op basis van het regionale woningmarktonderzoek 2019 Arnhem- Nijmegen zijn de belangrijkste opgaven: Voorkomen dat het woningtekort verder oploopt in de Liemers; Ruimte voor nieuwe woningbouwlocaties; Behoefte aan betaalbaar wonen. Door de accentverschuiving zijn de uitgangspunten herijkt en zijn er zes punten geformuleerd in plaats van zeven. Parallel aan de Liemerse Woonagenda wordt in de Regio Arnhem Nijmegen ook samengewerkt aan de Woondeal.
Die zal op een aantal punten helpen bij het uitvoeren van de opgaven en uitgangspunten die in de Liemerse Woonagenda zijn geformuleerd. De toevoeging van woningen (en uitbreiding van de woningvoorraad) is noodzakelijk om de woningvraag als gevolg van de toename van het aantal huishoudens te kunnen faciliteren. Ten opzichte van 2017 ligt het accent nu sterk op de oplopende woningtekorten en de betaalbaarheid van woningen voor middeninkomensgroepen. Volgens het woningbehoefteonderzoek zou tot 2025 bijna de helft van het woningbouwprogramma moeten bestaan uit betaalbare koopwoningen. Daarnaast geeft het onderzoek aan dat er vanuit de middeninkomens ook behoefte is aan vrije sector huurwoningen in de middenhuur.
De Clossei Westervoort
19
Woondeal Op 4 maart 2020 is de Woondeal regio Arnhem-Nijmegen ondertekend. Aanleiding hiervoor zijn de toenemende woningtekorten en de complexiteit van de stedelijke vraagstukken. De woondeal is een pakket met afspraken met het ministerie van BZK, de regio Arnhem-Nijmegen en de provincie Gelderland. Doel van deze woondeal is om tot een gezamenlijke inzet van instrumentarium en middelen te komen om opgaven op de woningmarkt op te pakken. De woondeal bevat een zestal kernafspraken, waar onder woningbouwopgave en versnelling en betaalbaarheid. Planspecifiek Voorliggend initiatief sluit één op één aan op de drie belangrijkste opgaven uit de Liemerse Woonagenda. Het plan voorziet in een toename van 25 woningen, waardoor het woningtekort wordt aangepakt. Het plangebied betreft een bestaande openheid in een bestaande woonwijk. De plek van de beoogde woningen kan daarmee als passend en logisch worden beschouwd. Alle woningen worden opgericht als sociale huurwoningen, waarmee het plan ook inspeelt op de (urgente) behoefte aan betaalbare woningen. Het initiatief past binnen de 'Liemerse Woonagenda 2020-2025'.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Omgevingsvisie Westervoort Op 27 september 2021 heeft de gemeenteraad van Westervoort de Omgevingsvisie Westervoort vastgesteld. Hierin streeft de gemeente Westervoort naar het behouden en versterken van een gezonde, veilige, vitale, duurzame, leefbare en aantrekkelijke leefomgeving. Voor nu en voor de toekomst. Om dit te bereiken heeft de gemeente de Omgevingsvisie Westervoort opgesteld als stip op de horizon voor de fysieke leefomgeving van Westervoort in 2040. De visie is opgesteld in samenspraak met meerdere partijen waaronder gebruikers van de leefomgeving zoals inwoners, maatschappelijke instellingen, bedrijven en verenigingen. De omgevingsvisie sluit aan bij nationaal, regionaal en lokaal beleid. De inhoudelijke basis voor deze omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: Historie: De gemeente Westervoort heeft een rijke geschiedenis waar we op voortbouwen. Richtinggevende waarden: belangrijk zijn onder andere vitale, sterk onderling verbonden sociale gemeenschap, de aantrekkelijke leefomgeving en de uitstekende voorzieningen van de gemeente Westervoort. Ruimtelijke kwaliteiten: de kenmerken van het landschap, het erfgoed en de manier van wonen in de gemeente Westervoort dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente.
Ontwikkelingen & toekomstperspectief: Leidraad voor de toekomst is dat we ruimte willen bieden aan de ontwikkelingen, recht doen aan ruimtelijke kwaliteiten, maatwerk leveren op basis van de leefomgevingskwaliteiten en zorg dragen voor natuur en milieu. Dit doen we samen met alle gebruikers van de leefomgeving.
20
De Clossei Westervoort
Uitsnede van kaart 10 'Visiekaart wonen & werken 2030' (bron: Omgevingsvisie Westervoort)
Planspecifiek In de Omgevingsvisie Westervoort heeft de gemeente gewenste en geschikte inbreidingslocaties voor woningbouwontwikkelingen aangewezen. Zoals ook waarneembaar is op voorgaande afbeelding is het plangebied (13) aangemerkt als één van deze inbreidingslocaties. Voorliggend initiatief voorziet in de concrete uitwerking van de ambitie uit de omgevingsvisie om het plangebied te ontwikkelen. In het plan dat voorligt is verder rekening gehouden met andere ambities uit de visie. Zo speelt het thema duurzaamheid een centrale rol in het plan (zie verder 2.3), is rekening gehouden met natuur en milieu en speelt het plan in op een urgente maatschappelijke behoefte aan betaalbare woningen voor een brede doelgroep. Het initiatief past binnen de Omgevingsvisie Westervoort.
De Clossei Westervoort
21
3.4.2 Woonvisie Westervoort 2021-2030 De huidige Woonvisie 2015-2020 van de gemeente Westervoort is vastgesteld in 2015. De daarin vastgelegde visie op het wonen in Westervoort geldt grotendeels nog steeds. Wel is sinds 2015 de woningmarkt sterk veranderd en zijn er nieuwe bevolkingsprognoses en woningbehoefteberekeningen beschikbaar gekomen. Verder is er begin maart 2020 een Woondeal gesloten tussen de regio Arnhem-Nijmegen, het rijk en de provincie. Ook is eind 2020 de Liemerse Woonagenda herijkt. Op gemeentelijk niveau ontwikkelden we de afgelopen jaren lokaal beleid, onder meer over uitvoering van het woningbouwprogramma in de Woningbouwnotitie 2018-2027 en in het Uitvoeringsprogramma Woningbouw 2020-2024. Bovendien kreeg een aantal specifieke doelgroepen als arbeidsmigranten, woonwagenbewoners en spoedzoekers geen aandacht in de Woonvisie 2015. Daarom heeft de gemeente besloten een nieuwe woonvisie vast te stellen, de 'Woonvisie Westervoort 2021-2030'. Deze nieuwe woonvisie vervangt de Woningbouwnotitie 2018-2027 en het Uitvoeringsprogramma Woningbouw 2020-2024. In de 'Woonvisie Westervoort 2021- 2030' heeft de gemeente drie hoofdambitites geformuleerd: 1. Kwaliteit bestaande woningen en leefbare wijken; 2. Doelgroepen; 3. Meer en passende woningen. Planspecifiek Locatie De Clossei is in de Woonvisie Westervoort 2021-2030 opgenomen als één van de nieuwbouwlocaties.
Voor de Clossei zijn 35 woningen gereserveerd als zachte plancapaciteit, met verder de kenmerken 'inbreiding' en 'huur'. Voorliggend initiatief voorziet in maximaal 25 sociale huurwoningen. Daarmee wordt de ruimte die in de Woonvisie voor deze locatie is opgenomen, voor een belangrijk deel benut. Verder blijkt uit de Woonvisie het belang van voldoende betaalbare woningen voor jongeren en starters. Hier speelt het plan op in door 25 sociale huurwoningen toe te voegen. De nieuwe woningen voldoen aan de huidige duurzame en energetische kwaliteitseisen waardoor een belangrijke slag wordt geslagen om de woningvoorraad van de gemeente te verduurzamen. Het initiatief past binnen de Woonvisie Westervoort 2021-2030. 3.4.3 Geldend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Komplannen Westervoort, vastgesteld door de gemeente Westervoort op 22 september 2014'. Navolgende afbeelding geeft een impressie van de bestaande situatie.
22
De Clossei Westervoort
Uitsnede van het vigerende bestemmingsplan 'Komplannen Westervoort' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Het gehele plangebied heeft de bestemming 'Groen', zonder nadere aanduidingen. Op 28 oktober 2013 heeft de gemeente voor haar hele grondgebied ook het bestemmingsplan 'Archeologie en Cultuurhistorie' vastgesteld. Ter plaatse van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie' en de gebiedsaanduidingen 'overige zone -specifieke vorm van waarde - hoge archeologisce verwachting' en 'overige zone - specifieke vorm van waarde - archeologische vindplaats'. Strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan De oprichting van woningen is niet toegestaan binnen de bestemming 'Groen'. Daarmee is voorliggend initiatief in strijd met het vigerende bestemmingsplan.
De Clossei Westervoort
23
Hoofdstuk 4
Uitvoerbaarheid
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1
Milieu
4.1.1 Bodem Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Planspecifiek Vanwege de beoogde woonfunctie van het plangebied is een verkennend (asbest) bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 2. De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat het plangebied vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt wordt geacht voor de beoogde woonfunctie. Nader bodemonderzoek is niet nodig. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem. 4.1.2 Lucht De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5(fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide).
Voor grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3. Bijdrage aan luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.
24
De Clossei Westervoort
Planspecifiek Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de concentraties ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De volgende concentraties ter plaatse van het rekenpunt 15466899 (aan de Rijndijk ter hoogte van plangebied) komen naar voren:
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2020 (µg/m3) Grenswaarde concentratie (µg/m3)
NO2 (stikstofdioxide) 13,9 µg/m3
PM10 (fijnstof) 16,1 µg/m3
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) 9,4 µg/m3
40 µg/m3
40 µg/m3
25 µg/m3
De berekende concentraties stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Bijdrage initiatief Ten opzichte van de bestaande situatie zorgt voorliggend initiatief voor een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de nieuwe woningen (zie paragraaf 4.4 voor aantallen en een nadere onderbouwing). Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, gelijk aan 1.500 woningen). Vanwege het beperkte aantal nieuwe woningen ten opzichte van de grenswaarde is te concluderen dat dit project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit. 4.1.3 Geluid De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving.
In de Wgh worden de volgende objecten beschermd: woningen; geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen). Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Voorliggend initiatief voorziet in de oprichting van 25 geluidgevoelige objecten. Het plangebied is gelegen op circa 75 m afstand van de Rivierweg (50 km/u) en ligt daarmee binnen de geluidzone van deze weg. Tevens is het plangebied gelegen in de omgeving van verschillende 30 km/u-wegen (De Roskamer, De Clossei en Tullekens Hofstede).
De Clossei Westervoort
25
Om te beoordelen of voor onderhavig initiatief akoestisch onderzoek met betrekking tot wegverkeerlawaai benodigd is, heeft de gemeente Westervoort op basis van beschikbare verkeersgegevens een memo geluidbelastingskaart opgesteld, zie bijlage 3. Uit de memo blijkt dat als gevolg van wegverkeer over de Tullekens Hofstede de geluidsbelasting aan de zuidkant van het plangebied maximaal 48 dB bedraagt. Het betreft hierbij de geluidsbelasting in de toekomstige situatie in 2030 inclusief aftrek conform artikel 110 van de Wet geluidhinder. De geluidsbelasting voldoet daarmee aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder en de bovengrens van het gemeentelijk beleid. Voor alle overige delen van het plangebied komt de geluidsbelasting uit op minder dan 43 dB waardoor het overgrote deel van het plangebied aansluit bij de ambitiewaarde 'rustig' uit de gemeentelijke Nota Geluidsbeleid. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek in het kader van wegverkeerlawaai is niet noodzakelijk. In de (nabije) omgeving zijn geen industrieterreinen en spoorwegen gelegen. Geluidhinder van deze geluidsbronnen kan daarmee op voorhand worden uitgesloten. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat vanuit het aspect geluid. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.
4.1.4 Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten. De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven.
Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Planspecifiek Het plangebied ligt midden in een woonwijk. Direct ten noorden van het plangebied is een concentratie van wijkfuncties aanwezig. Door de verscheidenheid aan functies (wonen, kantoren, kinderdagverblijf, jongerencentrum, gezondheidscentrum, extensieve recreatiemogelijkheden) kan het noordelijk deel van het plangebied worden aangemerkt als gemengd gebied.
26
De Clossei Westervoort
Woon- en leefklimaat nieuwe woningen Direct ten noorden van het plangebied is aan de De Clossei 2 kinderdagverblijf 'Hummelclub' gevestigd. De 'kinderopvang' is op basis van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' aan te merken als een categorie 2-inrichting met een bijbehorende maximale richtafstand van 30 m (geluid). Het verblijf ligt in het gebied dat is aan te merken als gemengd gebied, waardoor voor dit plan getoetst kan worden aan de richtafstanden van één lagere milieucategorie, in dit geval 10 m. Het dichtstbijzijnde bouwvlak ligt op ca 4 m vanaf het kinderdagverblijf, de woonbestemming op 1 m afstand. Er wordt daarmee niet voldaan aan de richtafstand. Om de gevolgen van het kinderdagverblijf voor het woon- en leefklimaat van de nieuwe woningen te kunnen bepalen, is een akoestisch onderzoek milieuzonering uitgevoerd, zie bijlage 4. De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat voor het merendeel van de nieuwe woningen een goed woon- en leefklimaat op voorhand zeker is. Voor de nieuwe woningen binnen het noordelijke bouwvak dienen geluidwerende voorzieningen te worden gerealiseerd. Hoewel aan de noordkant van het plangebied sprake is van een gemengd gebied, is het uitgangspunt bij de uitwerking van de geluidwerende voorzieningen dat ook voor de vijf woningen binnen het noordelijk bouwvlak voldaan wordt aan de richtwaarde van een 'rustige woonwijk'.
Er zijn twee geluidswerende voorzieningen noodzakelijk. De eerste voorziening betreft de realisatie van een geluidsscherm van 2 m hoog op de perceelsgrenzen tussen de noordelijke woonpercelen en het kinderdagverblijf. De tweede voorziening betreft de uitvoering van de noordelijke zijgevel van het noordelijke woonblok als dove gevel. De realisatie en instandhouding van deze twee geluidswerende voorzieningen is als een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van voorliggend bestemmingsplan, zie artikel 5.4.2 van de regels. Daarmee is planologisch geborgd dat ter plaatse van de nieuwe woningen aan de noordkant van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van het kinderdagverblijf. Bovendien dienen uitwendige scheidingsconstructies van verblijfsgebieden te beschikken over een minimale geluidwering van 20 dB. Deze laatste maatregel wordt geborgd via het Bouwbesluit. Aan de Uitterweert 2 ten noorden van het plangebied is een ondernemerscentrum gevestigd. De activiteiten zijn het beste te vergelijken met een kantoorfunctie. Een kantoorfunctie is op basis van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' aan te merken als een milieucategorie 1 functie (richtafstand 10 m (geluid), gemengd gebied 0 m). De afstand tussen het plangebied en de grens van het buitenterrein rondom het kantoorgebouw bedraagt 15 m.
Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Aan De Rosmolen 15 ten westen van het plangebied is een gezondheidscentrum gevestigd. Een gezondheidscentrum is aan te merken als een categorie 1 activiteit op basis van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Het gezondheidscentrum en bijbehorend bestemmingsvlak zijn op minimaal 30 m tot het dichtstbij gelegen nieuwe woonperceel gevestigd. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Aan De Rosmolen 27 is een jongerencentrum gevestigd. Een jongerencentrum is aan te merken als een milieucategorie 2 inrichting, met een bijbehorende maximale richtafstand van 30 m (geluid) en 10 m voor een gemengd gebied. Het jongerencentrum en bijbehorend bestemmingsvlak zijn op minimaal 40 m vanaf het dichtstbij gelegen nieuwe woonperceel voorzien. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Gelet op voorgaande luidt de conclusie dat voor de vijf nieuwe woonpercelen aan de noordkant van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden. Voor alle overige nieuwe woningen in het plangebied zorgen bedrijven en inrichtingen uit de omgeving op voorhand niet voor milieuhinder en kan een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd worden.
De Clossei Westervoort
27
Ontwikkelingsmogelijkheden bedrijven en inrichtingen De vijf nieuwe woningen aan de noordkant van het plangebied worden de dichtstbij gelegen woningen op korte afstand van het kinderdagverblijf, het gezondheidscentrum en het jongerencentrum. In alle gevallen geldt dat deze bedrijven en inrichtingen in de bestaande situatie de planologische- en ruimtelijke mogelijkheden al maximaal hebben benut. Specifiek voor het kinderdagverblijf geldt dat in de bestaande situatie het gehele terrein al in gebruik is, met de meest belastende activiteiten (buitenspeelterrein) onder andere aan de zijde van het plangebied. Dit maakt dat bij eventueel ander gebruik in de toekomst op de plek van het kinderdagverblijf, er geen belemmeringen zijn in de ontwikkelingsmogelijkheden vanwege de komst van de nieuwe woningen. In de onderbouwing onder 'Woon- en leefklimaat nieuwe woningen' van voorliggende paragraaf is bovendien aangegeven dat geluidswerende voorzieningen worden gerealiseerd waarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de vijf noordelijke nieuwe woningen in de toekomst verzekerd is. Het kinderdagverblijf wordt niet beperkt in haar (toekomstige) gebruiksmogelijkheden. Bedrijven en inrichtingen worden niet belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van voorliggend initiatief. Het initiatief is uitvoerbaar in het kader van milieuzonering.
4.1.5 Milieueffectrapportage Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven. Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties: in het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlagen C en D zijn activiteiten aangewezen waarvoor direct een m.e.r.-plicht geldt; een m.e.r.-plicht kan volgen uit een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming; op grond van de provinciale milieuverordening kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt. M.e.r.-beoordeling Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden.
Er kunnen twee uitkomsten zijn: als de conclusie is dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden hoeft er geen m.e.r.procedure te worden doorlopen. Dit wordt in het betreffende plan of besluit gemotiveerd en moet ook formeel bekend worden gemaakt door het bevoegd gezag; als belangrijke nadelige milieugevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Planspecifiek Het onderhavige plan behelst de ontwikkeling van maximaal 25 grondgebonden woningen binnen een bestaande woonwijk. Het initiatief blijft daarmee (ver) onder de drempel van 100 hectare en 2000 woningen (Besluit m.e.r. bijlage D11.2). Daarom kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling, zie bijlage 5. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat het plan een beperkte omvang heeft, niet in een kwetsbaar gebied ligt en geen ontwikkeling mogelijk maakt waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet m.e.r.-plichtig.
28
De Clossei Westervoort
4.1.6 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting. De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, kampeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR).
Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan. Planspecifiek Voorliggend initiatief maakt de oprichting van 25 kwetsbare objecten mogelijk. In het kader van voorliggend initiatief hebben de Omgevingsdienst Regio Arnhem en de Veiligheidsregio Gelderland Midden (VGGM) advies uitgebracht. Deze adviezen zijn toegevoegd als bijlagen 6 (ODRA) en 7 (VGGM) en verwerkt in voorliggende paragraaf.
De Clossei Westervoort
29
Uitsnede van de provinciale risicokaart (bron: Advies EV ODRA)
In de omgeving van het plangebied liggen verschillende risicobronnen. Het gaat om de rijksweg A12, de toekomstige rijksweg A15, de Betuweroute, de Rijn, enkele aardgastransportleidingen en de milieubelastende activiteiten van industrieterrein de Kleefse Waard in Arnhem. Plaatsgebonden risico Het plangebied ligt op ca. 410 meter van de drie hogedruk aardgastransportleidingen A-505, A-507 en A-663. Hiervoor is een risicoberekening uitgevoerd genaamd: 'Carola risicoberekening, De Clossei, Westervoort' (d.d. 22 december 2022), zie bijlage 8. Uit de risicoberekening is naar voren gekomen dat de berekende 10 -6 risicocontour niet over het plangebied ligt. Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van één of meerdere andere risicobronnen in de omgeving. Er worden daarmee geen grens- of richtwaarden overschreden. Er is geen directe of harde belemmering voor de realisatie van het initiatief met betrekking tot het plaatsgebonden risico. Groepsrisico Ten aanzien van het groepsrisico met betrekking tot transportroutes is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van de snelweg A12 en de Betuweroute. Over de vaarweg worden geen toxische stoffen vervoerd waardoor het invloedsgebied maar ca. 35 meter bedraagt. Het plangebied ligt hier buiten.
Doordat het plan gelegen is binnen het invloedsgebied hebben ontwikkelingen hierbinnen invloed op de hoogte van het groepsrisico. Doordat het plan op meer dan 200 meter is gelegen van deze risicobron, heeft de wetgever aangegeven, dat er kan worden volstaan met een beperkte verantwoording groepsrisico. Ten aanzien van het groepsrisico met betrekking tot buisleidingen is een verantwoording groepsrisico noodzakelijk omdat het plangebied in het invloedsgebied van deze drie aardgastransportleidingen ligt. Er kan worden volstaan met een beperkte verantwoording groepsrisico omdat uit de risicoberekening blijkt dat de hoogte van het groepsrisico beneden de 0,1 maal de oriëntatiewaarde ligt. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van BEVI-inrichtingen. Een verdere beoordeling hiervan is niet noodzakelijk.
30
De Clossei Westervoort
Verantwoording groepsrisico Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van een externe veiligheidsrisicobron. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat om de wettelijke verplichting op grond van Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 (zie onderdelen C en D) vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de snelweg A12 en de Betuweroute en het Besluit externe veiligheid Buisleidingen (Bevb) artikel 12 vanwege drietal aardgastransportleidingen. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de Veiligheidsregio adviesrecht. Bij het invullen van de verantwoordingsplicht is gebruik gemaakt van het advies van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) van 21 november 2022 (kenmerk 2022-006977), zie bijlage 7. A. Personendichtheid Het plan maakt de realisatie van vijventwintig grondgebonden woningen mogelijk op een braakliggend terrein. Hierdoor neemt het aantal personen maximaal toe met 60 personen conform de handreiking verantwoording groepsrisico (2,4 personen per woning). B.
Hoogte groepsrisico De hoogte van het groepsrisico voor de drie aardgastransportleidingen is inzichtelijk gemaakt door een risicoberekening genaamd: 'Carola risicoberekening, De Clossei, Westervoort' (d.d. 22 december 2022). Uit deze berekening is naar voren gekomen dat het groepsrisico van alle drie de aardgastransportleidingen beneden de 0,1 maal de oriëntatiewaarde bevindt. Het groepsrisico neemt niet/nauwelijks toe met de ontwikkeling van dit plan. C. Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident met toxische stoffen te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. VGGM ziet ook geen reden om aanvullend te adviseren in het kader van de bestrijdbaarheid. D. Zelfredzaamheid Met de term “zelfredzaamheid” wordt bedoeld: Het vermogen om jezelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij (een dreiging van) een gevaarlijke situatie. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gesteldheid en zelfstandigheid van de aanwezigen, de alarmeringsmogelijkheden en vluchtmogelijkheden een rol.
Het advies van Veiligheids en Gezondheidsregio Gelderland Midden geeft het volgende aan: Het plan ligt alleen binnen de effectafstand van het scenario fakkelbrand en toxische wolk. De kans daarop is klein. Het plan leidt tot een toename van het aantal aanwezigen die zichzelf in veiligheid kunnen brengen, mits geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd; VGGM adviseert: toekomstige bewoners te infomeren over risicocommunicatie, ontvluchtbaarheid (vluchtroutes van de risicobron af), afspraken bij werkzaamheden aan de aardgasleidingen en bouwkundige maatregelen zoals centraal afsluitbare ventilatie. Ten aanzien van de risicocommunicatie is er NL-alert. Hiermee zijn mensen binnen een bepaald gebied gericht te informeren door het sturen van een bericht naar mobiele telefoons. Verder is plangebied e ontvluchten via 'Tullekens' Hofstede en 'De Rosmolen'. De gemeente acht het dan ook niet noodzakelijk om verdere maatregelen te treffen om de zelfredzaamheid te verbeteren, dit ook omdat het om inbreidingslocatie gaat. Daarnaast zijn de geadviseerde maatregelen van de VGGM niet ruimtelijk relevant.
De Clossei Westervoort
31
Conclusie Op basis van de verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief niet tot een toename van het groepsrisico leidt en geen significant effect heeft op de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect externe veiligheid.
4.2
Water
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.
Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
32
De Clossei Westervoort
Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen: de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan. Beleid waterschap Rijn en IJssel Voor dit plan is het beleid van Waterschap Rijn en IJssel mede van belang. Waterschap Rijn en IJssel beschrijft in het Waterbeheerplan 2016-2021 het beleid voor alle taakgebieden van het waterschap. Het plan geeft aan welke doelen het waterschap nastreeft en met welke aanpak het waterschap deze doelen wil bereiken.