CConstaterende datWestervoort
Koppel je AI →
Document · PDF

20230417-rv-verordening-jeugdhulp-2023-bijlage-5-opmerkingen-psdw.docx

Raadsvergadering 17 april 2023, gemeente WestervoortBij agendapunt: Verordening Jeugdhulp 202323.631 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Verordening Jeugdhulp Westervoort 2023 Intitulé Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Westervoort houdende regels omtrent jeugdhulp (Verordening jeugdhulp Westervoort 2023) De raad van de gemeente Westervoort; Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van ….

…..

Gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, vierde lid van de Jeugdwet en artikel 150 van de Gemeentewet; Overwegende dat • • •

de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd; het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; het noodzakelijk is om regels vast te stellen over: o de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen; o de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; o de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen; o de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; o het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk; o de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet; o de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;

Besluit: vast te stellen de “Verordening Jeugdhulp Westervoort 2023”

Leeswijzer Voor u ligt de Verordening jeugdhulp Westervoort 2023, en uitgebreid document waarin de gemeenteraad van de gemeente Westervoort regels stelt over de uitvoering van de Jeugdwet. Op sommige onderdelen stelt het college van burgemeester en wethouders nadere regels, welke ook zijn vastgelegd in de Nadere regels jeugdhulp Westervoort 2023. Deze verordening is bedoeld voor alle inwonende jeugdigen in de leeftijd tot 18 jaar (bij uitzondering tot 23 jaar) van de gemeente Westervoort en hun ouders die een beroep willen doen op een voorziening op grond van de Jeugdwet, die gebruikelijke hulp verlenen of op een andere wijze te maken hebben met de Jeugdwet. De verordening is ook bedoeld voor zorgaanbieders, zowel gecontracteerde zorgaanbieders als pgb-aanbieders waaronder professionele en informele aanbieders. Daarnaast is deze verordening van belang voor het college en de betreffende ambtenaren. Op de volgende pagina staat een inhoudsopgave zodat u kunt zien welke onderwerp op welke pagina staat omschreven. In hoofdstuk 1 staan de begripsomschrijvingen geschreven. Hier kunt u de definities van bepaalde termen teruglezen. In hoofdstuk 2 is de toegang tot voorzieningen omschreven. In hoofdstuk 3 staan alle individuele voorzieningen benoemd met de betreffende criteria om ervoor in aanmerking te komen en de eisen die eraan gesteld worden.

Deze drie hoofdstukken zijn voornamelijk van belang voor de jeugdigen en hun ouders die een beroep op een voorziening op grond van de Jeugdwet willen doen. Hoofdstuk 4 is geschreven voor de zorgaanbieders, hierin staan de kwaliteitseisen omschreven. Hoofdstuk 5 is van belang voor de gemeente, zodat zij de zorg goed afstemt met andere voorzieningen. In hoofdstuk 6 staan alle regels omschreven over het persoonsgebonden budget (pgb). In hoofdstuk 7 staat omschreven hoe de gemeente het misbruik en oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet voorkomt, hierin is alles te lezen over de controle door de toezichthouder en de gevolgen van onrechtmatigheden en fraude. Hoofdstuk 8 is voornamelijk voor de jeugdige en de ouders hierin staat hoe zij gebruik kunnen maken van een vertrouwenspersoon en inspraak hebben bij de zorgaanbieder. Tot slot staan in hoofdstuk 9 de slotbepalingen opgenomen die voornamelijk van belang zijn voor de gemeente. Als bijlage is er een juridisch kader toegevoegd. Hierin zijn de wetsartikelen van de Jeugdwet en de uitvoeringsregeling Jeugdwet waar naar verwezen wordt in deze verordening.

Inhoud Leeswijzer................................................................................................................................................2 Hoofstuk 1: Algemene bepalingen ..........................................................................................................6 Artikel 1.1. Begripsbepalingen.........................................................................................................6 Artikel 1.2. Reikwijdte verordening en nadere regels .....................................................................7 Hoofdstuk 2: Toegang tot voorzieningen ................................................................................................8 Artikel 2.1. Toegang tot algemene voorzieningen...........................................................................8 Artikel 2.2. Beschikbare algemene voorzieningen ..........................................................................8 Artikel 2.3.

Toegang tot jeugdhulp via de gemeente ......................................................................8 Artikel 2.4 Toegang tot jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts........................8 Artikel 2.5 Toegang in het kader van jeugdstrafrecht .....................................................................9 Artikel 2.6 Onderzoek......................................................................................................................9 Artikel 2.7 Informeren uitkomsten onderzoek................................................................................9 Artikel 2.8 Aanvraag jeugdhulp .....................................................................................................10 Artikel 2.9 Inhoud beschikking ......................................................................................................10 Hoofdstuk 3: Criteria individuele voorzieningen ...................................................................................10 Paragraaf 1 Soorten individuele voorzieningen ................................................................................10 Artikel 3.1 Soorten individuele voorzieningen ..............................................................................10 Artikel 3.2. Algemene criteria voor een individuele voorziening ..................................................11 Artikel 3.3.

Criteria begeleiding basis jeugd ..................................................................................11 Artikel 3.4 Criteria begeleiding specialistisch jeugd ......................................................................12 Artikel 3.5 Criteria groepsbegeleiding jeugd .................................................................................12 Artikel 3.6 Criteria behandeling A .................................................................................................13 Artikel 3.7 Criteria behandeling B..................................................................................................13 Artikel 3.8 Criteria behandeling C..................................................................................................13 Artikel 3.9 Criteria behandeling D .................................................................................................14 Artikel 3.10 Criteria Dyslexie diagnose ..........................................................................................14 Artikel 3.11 Criteria Dyslexie behandeling....................................................................................14 Artikel 3.12 Criteria Consultatie A .................................................................................................15 Artikel 3.13 Criteria Consultatie B

.................................................................................................15 Artikel 3.14 Criteria Consultatie C .................................................................................................15 Artikel 3.15 Criteria Consultatie D .................................................................................................16 Artikel 3.16 Criteria BSO+: .............................................................................................................16 Artikel 3.17 Criteria Kindergeneeskunde licht...............................................................................17 Artikel 3.18 Criteria Kindergeneeskunde midden .........................................................................17 Artikel 3.19 Criteria Pleegzorg.......................................................................................................17

Artikel 3.20 Criteria Gezinshuis lichte begeleidingsintensiteit ......................................................18 Artikel 3.21 Gezinshuis middel begeleidingsintensiteit.................................................................18 Artikel 3.22 Gezinshuis zware begeleidingsintensiteit ..................................................................18 Artikel 3.23 Criteria verblijf groep lichte begeleidingsintensiteit..................................................19 Artikel 3.24 Criteria verblijf groep licht-middel begeleidingsintensiteit........................................19 Artikel 3.25 Criteria verblijf groep middel begeleidingsintensiteit................................................20 Artikel 3.26 Criteria Verblijf Groep middel- zware begeleidingsintensiteit...................................20 Artikel 3.27 Criteria verblijfscategorie F Jeugd GGZ ......................................................................21 Artikel 3.28 Criteria verblijfscategorie G Jeugd .............................................................................21 Artikel 3.29 Criteria Verblijf terrein groep middel-zware begeleidingsintensiteit ........................21 Artikel 3.30 Verblijf terrein Groep zware begeleidingsintensiteit.................................................22 Artikel 3.31

JeugdzorgPlus.............................................................................................................22 Artikel 3.32 Vervoer ......................................................................................................................23 Hoofdstuk 4: Kwaliteitseisen zorgaanbieders .......................................................................................23 Artikel 4.1. Kwaliteitseisen ............................................................................................................23 Artikel 4.2 Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden .........................................24 Hoofdstuk 5: Afstemming andere voorzieningen..................................................................................24 Artikel 5.1 Afstemming met gezondheidszorg ..............................................................................24 Artikel 5.2 Afstemming met gecertificeerde instellingen..............................................................25 Artikel 5.3 Afstemming met het justitiedomein ............................................................................25 Artikel 5.4 Afstemming met voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht......................25 Artikel 5.5. Afstemming met Veilig Thuis ......................................................................................25 Artikel 5.6.

Afstemming met Wmo-voorzieningen........................................................................25 Artikel 5.7 Afstemming met voorzieningen werk en inkomen ......................................................25 Hoofdstuk 6: Pgb beleid ........................................................................................................................26 Artikel 6.1. Voorwaarden pgb .......................................................................................................26 Artikel 6.2 Pgb voor ondersteuning door een informele aanbieder..............................................27 Artikel 6.3 Beheren van het pgb....................................................................................................27 Artikel 6.4 Pgb wordt niet verstrekt ..............................................................................................28 Artikel 6.5 Hoogte van het pgb......................................................................................................28 Artikel 6.6 Pgb weigeren en afwijzen ............................................................................................29 Hoofdstuk 7 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet......................................................................................29 Artikel 7.1

Bestrijding misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet ...............................................29 Artikel 7.2 Aanwijzen toezichthouder ...........................................................................................30 Artikel 7.3 Rechtmatig- en doelmatigheidsonderzoek ..................................................................30

Artikel 7.4 Melden nieuwe feiten en omstandigheden.................................................................31 Artikel 7.5 Beëindiging...................................................................................................................31 Artikel 7.6 Herziening en intrekking ..............................................................................................31 Artikel 7.7 Terugvordering.............................................................................................................31 Hoofdstuk 8 Beleidsparticipatie ............................................................................................................32 Artikel 8.1 Vertrouwenspersoon ...................................................................................................32 Artikel 8.2 Inspraak en medezeggenschap ....................................................................................32 Hoofdstuk 9 Slotbepalingen ..................................................................................................................32 Artikel 9.1 Overgangsbepaling.......................................................................................................32 Artikel 9.2 Hardheidsclausule........................................................................................................32 Artikel 9.3

Evaluatie.......................................................................................................................32 Artikel 9.4 Intrekking oude verordening........................................................................................32 Artikel 9.5 Citeertitel .....................................................................................................................32 Juridisch kader.......................................................................................................................................33

Hoofstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren; b. aanvraag : de aanvraag van of namens een jeugdige en/of zijn ouders voor een individuele voorziening. c. algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de wet die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders; d. calamiteit: een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van de zorg en die tot de dood van of een ernstig schadelijk gevolg voor een cliënt heeft geleid; e. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westervoort; f. fraude: handelen dat opzettelijk in strijd is met de regels, gericht op eigen of andermans (financieel) gewin, waaronder valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering plegen of trachten te plegen ten nadele van de gemeente, met het doel een betaling of ander voordeel te verkrijgen waarop hij geen recht heeft of kan hebben; g.

familiegroepsplan, hulpverleningsplan of plan van aanpak, opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren; h. gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders; i. hulpvraag: behoefte van een jeugdige en/of ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroeien opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; j. individuele voorziening: een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening die door het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt; k. informele aanbieder: iemand uit het sociale netwerk van de cliënt die jeugdhulp verleent door middel van een Pgb; l. intrekking: als een individuele voorziening wordt ingetrokken dan wordt de individuele voorziening met terugwerkende kracht stopgezet. Er was dan in het geheel geen recht op de voorziening; m. gespreks- en onderzoeksverslag: een document waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouders is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken, evenals de bijdragen die zowel het college als de hulpvrager en zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren; n.

herziening: herziening van een individuele voorziening houdt in dat een individuele voorziening wordt aangepast naar de nieuwe situatie; o. hulpvraag: behoefte aan jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.3 eerste lid, van de wet; p. informele aanbieder: iemand uit het sociale netwerk van de cliënt die ondersteuning verleent door middel van een Pgb; q. onderzoeksgesprek: gesprek in het kader van het onderzoek naar de noodzaak van jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.3 eerste lid, van de wet; r. ouder(s): gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder; s. persoonsgebonden budget (pgb): als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of ouder, dat hem in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;

t.

pgb-aanbieder: een derde die de cliënt heeft betrokken en waarbij hij jeugdhulp inkoopt. Met de pgb-aanbieder wordt zowel de professionele aanbieder als de informele aanbieder bedoeld; u. pgb- beheerder: een persoon die de belangen van de jeugdige of ouder behartigt en de aan een Pgb verbonden taken uitvoert, indien de jeugdige of ouder ondersteuning heeft (of wenst te ontvangen) in de vorm van een Pgb; v. professionele aanbieder: een zorginstelling of een persoon die werkzaam is bij een zorginstelling of werkzaam is als zelfstandige zonder personeel. Deze zorginstelling of persoon staat ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren werkzaamheden ingeschreven in het Handelsregister. De professionele aanbieder beschikt over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende. De professionele aanbieder is geen familielid van de cliënt; w. SKJ: Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) is het beroepsregister voor jeugdprofessionals in Nederland. Het is een onafhankelijke uitvoeringsorganisatie die verantwoordelijk is voor de wettelijke registratie van hbo- of wo opgeleide jeugdprofessionals die werken in complexe en risicovolle situaties. Zij toetsen of jeugdprofessionals voldoen aan de criteria voor (her)registratie en onderhouden het stelsel van collegiaal toezicht. x. Sociaal Loket: Toegangsloket van de gemeente voor het Sociale Domein; y.

sociaal netwerk: een netwerk dat bestaat uit familieleden, vrienden, kennissen, collega’s en buren. z. toezichthouder: een door het college aangewezen persoon of partij die toezicht uitoefent op naleving van de doelmatigheids- en rechtmatigheidseisen van de hulpverlening onder de wet. aa. Veilig Thuis: het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de wet; bb. voorliggende (wettelijke) voorziening: een voorziening op grond van een andere wet dan de jeugdwet, bijvoorbeeld op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), Zorgverzekeringswet (Zvw), Participatiewet (PW) of Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015). cc. wet: Jeugdwet; dd. zorg in natura (ZIN): de ondersteuning of jeugdhulp die aan personen wordt geleverd door aanbieders die door de gemeente gecontracteerd zijn in het kader van de Jeugdwet 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 1.2. Reikwijdte verordening en nadere regels 1. Deze verordening heeft betrekking op jeugdhulp ten behoeve van jeugdigen met het woonadres volgens de Basisregistratie personen binnen de gemeente Westervoort. 2. Indien een jeugdige jeugdhulp met verblijf ontvangt is de woonplaats -in afwijking met het voorgaande lid-de gemeente waar de jeugdige onmiddellijk voorafgaand aan zijn verblijf zijn woonadres had in de zin van de Wet basisregistratie personen. 3. Wanneer de doelgroep te maken heeft met meervoudige domein overstijgende problematiek op het terrein van de wet, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Participatiewet draagt het college zorg voor een goede afstemming van de ondersteuning. 4. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van deze verordening.

Hoofdstuk 2: Toegang tot voorzieningen Artikel 2.1. Toegang tot algemene voorzieningen Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders. Er vindt geen toegangsbeoordeling plaats door het college. Artikel 2.2. Beschikbare algemene voorzieningen 1. Op grond van de volgende thema’s zijn algemene voorzieningen beschikbaar: a. Gezondheid, opvoeden en opgroeien; b. Jongerenwerk; c. Onderwijs: d. Groepsaanbod: e. Sociaal Loket: f. Financiële ondersteuning; g. Sport; h. Ouderbijeenkomsten. 2. Het college kan nadere regels vaststellen over welke algemene voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn. Zie hiervoor de sociale kaart als bijlage bij de nadere regels. Artikel 2.3. Toegang tot jeugdhulp via de gemeente 1. Jeugdigen en ouders kunnen een behoefte aan jeugdhulp melden bij het college. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en wijst de jeugdige en zijn ouders voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning en op de mogelijkheid om een familiegroepsplan op te stellen. Als de jeugdige of zijn ouders daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan. 3.

In spoedeisende gevallen beslist het college na een melding onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke individuele voorziening (maximaal 3 maanden) in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van de jeugdige of zijn ouders of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. 4. Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een algemene of voorliggende (wettelijke) voorziening. Artikel 2.4. Toegang tot jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. Als de jeugdige of zijn wettelijk vertegenwoordiger na een verwijzing door de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract met de gemeente heeft en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een aanbieder waarmee zij een contract heeft, is de gemeente niet gehouden deze andere keuze te vergoeden. 3. Het college kan de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast leggen in een beschikking.

Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking

Commentaar [MdG|AZ1]: Is de gemeente niet verplicht om altijd een beschikking af te geven?

Artikel 2.5. Toegang in het kader van jeugdstrafrecht 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die voortvloeit uit een strafrechtelijke beslissing binnen het jeugdstrafrecht en voor de inzet van alle vormen van jeugdreclassering. 2. Er is sprake van jeugdhulp die voortvloeit uit een strafrechtelijke beslissing wanneer hulp expliciet is opgenomen in een strafrechtelijke beslissing binnen het jeugdstrafrecht, zoals in een vonnis, strafbeschikking of schorsende voorwaarden. 3. Het college is verplicht de jeugdhulp in te zetten die de rechter, het Openbaar Ministerie (OM), de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) nodig vinden bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing. Ook als het gaat om de nazorg na verblijf in de justitiële jeugdinrichting in het kader van een scholings- en trainingsprogramma. Artikel 2.6. Onderzoek 1. Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige en/of zijn ouders in het kader van de hulpvraag aan de hand van een stappenplan: Stap 1: Het college stelt de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder vast. Stap 2: Het college stelt vast of er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen.

Stap 3: Het college bepaalt welke hulp (aard en omvang) nodig is voor de jeugdige om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam te zijn en mee te doen in de samenleving. Hierbij houdt het college rekening met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau. Stap 4: Het college onderzoekt of én in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen (de ‘eigen kracht’) van de ouder(s) en van het sociaal netwerk voldoende zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden en of er gebruik kan worden gemaakt van algemene of voorliggende wettelijke voorzieningen . Het college dient de volgende aspecten te beoordelen: a. Is de ouder in staat de noodzakelijke hulp te bieden, eventueel met behulp van het sociale netwerk? b. Is de ouder beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden? c. Raakt de ouder overbelast door het bieden van de hulp? d. Kunnen financiële problemen ontstaan doordat de hulp door de ouder wordt geboden? Stap 5: Alleen voor zover de eigen kracht, hulp uit het sociale netwerk, algemene en voorliggende (wettelijke) voorzieningen ontoereikend zijn, moet het college een jeugdhulpvoorziening verlenen. 2. Als de cliënt een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd voor zijn ondersteuning, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. 3.

De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 4. Het college kan in overleg met de cliënt besluiten het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk achterwege te laten, als het college op basis van voorafgaande dossieronderzoeken, bekendheid met de cliënt en zijn actuele situatie, over voldoende inzicht beschikt in de jeugdhulpbehoefte. Artikel 2.7. Informeren uitkomsten onderzoek 1. Het college legt de uitkomsten van het onderzoek, de adviezen en de te behalen resultaten vast in een gespreks-en onderzoeksverslag. 2. Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd.

3. Het college informeert de cliënt of bijdragen in de kosten verschuldigd zijn. 4. Indien een gecontracteerde individuele voorziening niet passend is informeert het college de cliënt over de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. Artikel 2.8. Aanvraag jeugdhulp 1. Indien een jeugdige of zijn ouders behoefte heeft aan jeugdhulp dan kan hij direct een aanvraag indienen bij het college. 2. Het college dient binnen 8 weken te beslissen op deze aanvraag conform artikel 4:13 Awb. Artikel 2.9. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is; b. welke aanbieder de hulp gaat verlenen; c. wat de gestelde doelen en/of resultaten zijn; d. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; e. In welke vorm de voorziening wordt verstrekt, en f. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3.

Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is; b. welke aanbieder de hulp gaat verlenen; c. wat de gestelde doelen en/of resultaten zijn; d. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; e. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; f. wat de ingangsdatum en duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; g. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; en h. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4. Als sprake is van een te betalen worden de jeugdige of zijn ouders daarover in de beschikking geïnformeerd. Hoofdstuk 3: Criteria individuele voorzieningen Paragraaf 1 Soorten individuele voorzieningen Artikel 3.1. Soorten individuele voorzieningen 1. De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar: a. Begeleiding basis Jeugd; b. Begeleiding specialistisch Jeugd; c. Groepsbegeleiding Jeugd; d. Behandeling A; e. Behandeling B; f. Behandeling C; g. Behandeling D; h. Dyslexie diagnose; i. Dyslexie behandeling;

Commentaar [MdG|AZ2]: Waarom deze voorwaarde? Heeft een inwoner (in veel gevallen) niet simpelweg het recht om voor pgb te kiezen? Wie beoordeelt of gecontracteerde zorg passend is?

Commentaar [MdG|AZ3]: Zeker bij een pgb is het niet altijd gelijk duidelijk wie de zorgaanbieder is. PGB-houders kunnen met de beschikking op zoek gaan naar een geschikte aanbieder. Dan is het ondoenlijk om in de beschikking al aan te geven wie dat is. Het gaat ook tegen het principe van het pgb in: client heeft eigen verantwoordelijkheid. Bovendien moet de gemeente de zorgovereenkomst met de aanbieder nog goedkeuren en is dus altijd op de hoogte.

j. Consultatie A; k. Consultatie B; l. Consultatie C; m. Consultatie D; n. BSO+; o. Kindergeneeskunde licht; p. Kindergeneeskunde midden; q. Pleegzorg; r. Gezinshuis lichte begeleidingsintensiteit; s. Gezinshuis middel begeleidingsintensiteit; t. Gezinshuis zware begeleidingsintensiteit; u. Verblijf groep lichte behandelintensiteit; v. Verblijf groep licht-middel begeleidingsintensiteit; w. Verblijf groep middel begeleidingsintensiteit; x. Verblijf groep middel-zware begeleidingsintensiteit; y. Verblijfscategorie F Jeugd GGZ; z. Verblijfscategorie G Jeugd GGZ; aa. Verblijf terrein groep middel-zware begeleidingsintensiteit; bb. Verblijf terrein groep zware begeleidingsintensiteit; cc. JeugdZorgPlus; dd. Vervoer. Artikel 3.2. Algemene criteria voor een individuele voorziening 1. Jeugdigen of ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening als: a. Er sprake is van opvoedingsproblemen bij de ouders en/of de jeugdige indien er sprake is van psychische problemen of stoornissen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking bij de jeugdige, waardoor hij/zij onvoldoende in staat is om i. gezond en veilig op te groeien; ii. te groeien naar zelfstandigheid; iii. voldoende zelfredzaam te zijn en iv. mee te doen aan het maatschappelijk verkeer. En: b.

voor zover zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, waaronder in ieder wordt verstaan: i. gebruikelijke hulp van ouders en hulp van andere personen uit het sociale netwerk; ii. het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten. c. door gebruik te maken van een algemene voorziening, of; d. door gebruik te maken van een voorliggende (wettelijke) voorziening. 2. Indien de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige of ouder voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, verstrekt de gemeente hier geen vergoeding voor. 3. Recht op een individuele voorziening bestaat slechts voor zover deze als goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt. Artikel 3.3. Criteria begeleiding basis jeugd 1. Begeleiding basis jeugd is gericht op: a. Bij cliënt activeren en aanbrengen van dagelijkse structuur. b. Bij cliënt stabiliseren (op orde brengen) of handhaven van de situatie. c. Oefenen en inslijpen/toepassen van vaardigheden samen met de cliënt. d. Ondersteunen bij het regelen/overnemen van dagelijks/praktische bezigheden (dagstructuur, participatie, sociale contacten, gezondheid en dergelijke).

Commentaar [MdG|AZ4]: Een nadere toelichting op het begrip 'gebruikelijke hulp' is wenselijk.

e. Ondersteuning van mantelzorg, ouders, verzorgers en voogd. 2. Begeleiding basis jeugd heeft als doel zelfstandig functioneren en participatie vergroten of behouden met behulp van het eigen netwerk (vergroting samenredzaamheid), bijvoorbeeld aan de hand van concrete doelen op één of meer leefgebieden uit de ZRM in het ondersteuningsplan. De begeleiding is met name bedoeld om een positieve verandering tot stand te helpen brengen; te ondersteunen bij het vinden van het hanteerbaar krijgen van gedrag opdat de cliënt weer mee kan doen, er weer bij kan horen. 3. Uitvoering door een professional met een afgeronde mbo-3 niveau richting Zorg en Welzijn1 , waarbij de inhoud en opzet van de opleiding aansluiten bij de hulpverlening die de professional levert binnen het product. Deze professional met mbo-3 niveau werkt onder aansturing van een professional met minimaal een afgeronde mbo-4 opleiding richting Zorg en Welzijn, waarbij de inhoud en opzet van de opleiding aansluiten bij de hulpverlening die de professional levert binnen het product. 4. Het opstellen van een ondersteuningsplan wordt uitgevoerd door een professional met minimaal een afgeronde opleiding op mbo4/beginnend hbo niveau opleiding richting Zorg en Welzijn, waarbij de inhoud en opzet van de opleiding aansluiten bij de hulpverlening die de professional levert binnen het product. Artikel 3.4.

Criteria begeleiding specialistisch jeugd 1. Begeleiding specialistisch jeugd is bedoel voor cliënten die: a. als gevolg van psychiatrische problematiek beperkingen ondervinden in het zelfstandig functioneren, wonen en participeren. b. Cliënten (incl. het gezin) met ernstig regieverlies en passiviteit, grote complexiteit en geen/beperkt ziekte-inzicht. c. Cliënten met een licht verstandelijke handicap (VG) die gepaard gaat met ernstig probleemgedrag. De cliënt is meestal jonger dan 16 jaar. De ouder(s)/verzorger(s) en hun omgeving ervaren opvoedingsproblemen. 2. De begeleiding is gericht op: a. Activering en aanbrengen van dagstructuur. b. Methodisch trainen van vaardigheden en leren omgaan met medicatie. Voorwaarde is dat altijd systeemgericht wordt gewerkt op alle leefgebieden. Voor het bepalen van concrete doelen op één of meer leefgebieden wordt gebruik gemaakt van de Zelfredzaamheidmatrix of een verglijkbare systematiek. 3. Begeleiding specialistisch heeft als doel: a. Het aanleren van nieuwe vaardigheden en gedrag waardoor bij de cliënt toekomstige verergering van de beperking en mogelijke uithuisplaatsing kan worden voorkomen. b.

Zelfstandig functioneren en participatie behouden of vergroten, of het voorkomen/vertragen van achteruitgang met behulp van het eigen netwerk (vergroting samenredzaamheid), bijvoorbeeld aan de hand van concrete doelen op één of meer leefgebieden uit de ZRM in het begeleidingsplan. 4. Uitvoering door een SKJ-geregistreerde professional met een afgeronde hbo-opleiding richting Zorg en Welzijn, waarbij de inhoud en opzet van de opleiding aansluiten bij de hulpverlening die de professional levert binnen het product. Artikel 3.5. Criteria groepsbegeleiding jeugd 1. Het bieden van activiteiten gericht op bevordering, het behoud of de compensatie van de zelfredzaamheid, die strekken tot voorkoming van verwaarlozing of opname in een instelling. De begeleiding is gericht op de ontwikkelmogelijkheden van de cliënt, met zo mogelijk plaatsing en integratie naar een reguliere setting (bijvoorbeeld onderwijs of kinderopvang).

Commentaar [MdG|AZ5]: Jargon, nergens verduidelijkt

2. Groepsbegeleiding jeugd is bedoeld voor cliënten (0-18 jaar) met psychiatrische, verstandelijke en/of lichamelijke beperkingen. Vanaf de leeftijd van 16 jaar wordt eerst gekeken of Activerend werk passend is. 3. Minimaal 50% van de begeleiding wordt uitgevoerd door een SKJ geregistreerde professional met een afgeronde hbo-opleiding richting Zorg en Welzijn, waarbij de inhoud en de opzet van de opleiding aansluiten bij de hulpverlening die de professional levert binnen het product. 4. De SKJ-geregistreerde professional begeleidt de resultaten (ontwikkeldoelen en methodisch trainen van vaardigheden). De overige begeleiding wordt uitgevoerd door een medewerker professional met minimaal een afgeronde mbo-3 opleiding richting Zorg en Welzijn, waarbij de inhoud en de opzet van de opleiding aansluiten bij de hulpverlening die de professional levert binnen het product Artikel 3.6. Criteria behandeling A 1. Behandeling A omvat behandeling van de client met lichte ontwikkelings en/of gedragsproblemen (conform de Jeugdwet) die zich afspeelt binnen het gezin en het netwerk. 2. Er is sprake van problematiek waarbij de vraag veelal één of twee leefgebieden betreft. 3.

Individuele behandeling is gericht op het opheffen, het verminderen of het accepteren van de problematiek, om terugval of hernieuwde klachten zo veel mogelijk te voorkomen en om de veerkracht van kind en ouders/verzorgers te herstellen en eventueel over te gaan naar een lichtere vorm van zorg (bijv. begeleiding). 4. Professionals die behandelen hebben minimaal een relevante opleiding op hbo-niveau (zie norm van verantwoorde werktoedeling). 5. Voor de begeleiding binnen de behandeling, geldt dat ook professionals met een relevante mbo-niveau 4 opleiding onder verantwoordelijkheid van de hbo’er kunnen worden ingezet. 6. Er is minimaal één wo-opgeleide gedragswetenschapper bij de behandeling betrokken. Artikel 3.7. Criteria behandeling B 1. Behandeling B omvat de behandeling van cliënt met matige ontwikkelings- of gedragsproblemen die zich afspeelt binnen het gezin en het netwerk. Hierbij is veelal sprake van problematiek waarbij de vraag veelal twee of drie leefgebieden betreft. 2. Behandeling is gericht op de ontwikkeling van de cliënt en het verbeteren van zijn gedrag of oplossen van psychische problemen. Mogelijk kan de ondersteuning overgaan in een lichtere zorgvorm zoals Begeleiding. 3. Professionals die behandelen hebben minimaal een relevante opleiding op post-hbo-niveau of wo-niveau (zie norm van verantwoorde werktoedeling). 4.

Voor de begeleiding binnen de behandeling, geldt dat professionals met een relevante hboopleiding worden ingezet. 5. Er is minimaal één wo-opgeleide gedragswetenschapper bij de behandeling betrokken. 6. Naast de direct betrokken gedragswetenschapper is een tweede gedragswetenschapper voor consultatie en multidisciplinair overleg beschikbaar en hier wordt periodiek casusgericht overleg mee gevoerd. Hiermee wordt voldaan aan het vier-ogen-principe. Artikel 3.8. Criteria behandeling C 1. Behandeling C omvat de behandeling van cliënten met complexe ontwikkelings- of gedragsproblemen. Dit product wordt ingezet als er sprake is of een vermoeden van een stoornis of een probleem of vraag met een hoge mate van complexiteit en/of gemiddeld risico. 2. Onder complexiteit wordt verstaan het samengaan van problemen op minimaal drie leefgebieden binnen het gezin of netwerk van de cliënt en verschillende vraagstukken of

stoornissen (co-morbiditeit), zoals psychiatrische problematiek in relatie tot een lichamelijke ziekte, verslaving, persoonlijkheid etc. 3. De behandelaar levert een wezenlijke bijdrage aan het verkleinen van de psychosociale problematiek en gedragsproblemen van de cliënt en het stimuleren van een bepaalde ontwikkeling van de cliënt. 4. De professional die werkzaam is binnen dit product dient te voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen van het opleidingsniveau wo+ of wo++. Indien een aanbieder heeft gekozen voor de productcode van de j-ggz dan dient de inzet van de professional met het opleidingsniveau WO+ of WO++ een significant onderdeel uitmaken van de behandeling. Artikel 3.9. Criteria behandeling D 1. Dit product omvat de behandeling van cliënten ten gevolge van psychiatrische problematiek of stoornis en/of gedragsproblematiek in combinatie met de behoefte aan ondersteuning vanuit de ouders ten gevolge van opgroei- en opvoednood. De cliënten hebben zonder uitzondering een ontwikkelingsachterstand. Veelal is er al een achterstand ontstaan in de neurologische ontwikkeling van het brein met daardoor achterstand op sociaal en emotioneel gebied. 2.

Het betreft altijd een (zeer) intensieve behandeling, die multidisciplinair ingebed is, gericht op herstel, het zorgen voor gedragsverandering, het organiseren van perspectief, het versterken van opvoedvaardigheden van het netwerk en leefsysteem, het leren omgaan met gedrag van de cliënten hierop toezicht houden, het geven van sturing en het organiseren van terugvalpreventie. 3. De aanbieder dient minimaal te voldoen aan één van de onderstaande eisen: a. Het uitvoeren van een crisisfunctie JGGZ binnen regio centraal Gelderland. b. Meer dan 75% van de cliënten komt bij deze aanbieder vanwege de 3 e -lijnsfunctie die de aanbieder heeft voor een specifieke doelgroep of vanwege een bepaalde expertise. c. Het uitvoeren van de academische functie zoals bedoeld onder het Landelijke transitiearrangement (LTA). Daarnaast dient de Ams-functie (tariefgroep 6) bij de aanbieder voor minimaal 8% deel uit te maken van de personeelsbezetting. Artikel 3.10. Criteria Dyslexie diagnose 1. Het stellen van een diagnose omvat alle activiteiten gericht op verduidelijking van de klachten en van de zorgvraag en wordt afgerond met een advies, eventueel in de vorm van een behandelplan. Het diagnostisch proces omvat in ieder geval intake & screening, het verwerven van informatie van eerdere behandelaars en schoolanamnese. 2.

Bij aanvang diagnose zijn er vermoedens bij een cliënt van Ernstige Dyslexie Ernstig wil zeggen dat de school al extra intensieve hulp geboden heeft, maar nauwelijks verbetering in de lees- en spellingproblemen bij de cliënt zichtbaar zijn. 3. Het diagnostisch proces heeft als doel om te komen tot een oordeel of een cliënt ernstige dyslexie heeft. Artikel 3.11. Criteria Dyslexie behandeling a. Het doel van een dyslexiebehandeling is het behalen van een voldoende niveau van technisch lezen en spellen uitgedrukt in gangbare eisen en criteria passend bij de leeftijd, schoolniveau en/of beroepsperspectief van de cliënt en een voor de cliënt acceptabel niveau van zelfredzaamheid. b. Aanbieders sluiten in de uitvoering van hun werkzaamheden aan bij vigerende protocollen en werkwijzen.

c. De cliënt met ernstige verstoring in de verwerking van taal specifieke informatie moet op het moment van behandeling staan ingeschreven bij een basisschool. Artikel 3.12. Criteria Consultatie A 1. Bij consultatie gaat het om advies of kortdurende inzet van een aanbieder op basis van een concreet vermoeden of een duidelijk omschreven vraag van een behandelaar van een andere aanbieder of van het lokale team. 2. Consultatie heeft als doel betere inzichten te verschaffen in de problematiek of vraagstelling van de cliënt en/of het gezin zonder dat (behandel)verantwoordelijkheid wordt overgedragen of gedeeld. 3. De consultatiefunctie richt zich op het snel en flexibel inzetten van kortdurende (specialistische) ondersteuning en specifieke expertise om zo een traject of een behandeling van een cliënt voort te zetten zodat deze niet over gaat naar andere aanbieder en/of zwaardere zorg. 4. Doel van de inzet van dit project is: a. Overdracht van de cliënt naar een andere aanbieder voorkomen. b. Voorkomen dat een cliënt op een wachtlijst bij een andere aanbieder komt. c. Een cliënt op tijd overdragen wanneer een andere aanbieder qua specialisme beter aansluit bij de hulpvraag van de cliënt en dit de samenwerking bevordert. 5.

Dit product kan alleen ingezet worden ter ondersteuning van een bestaand(e) traject/behandeling van een cliënt bij een andere aanbieder of rechtstreeks vanuit het lokale team. 6. De professional die werkzaam is binnen dit product dient te voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen van het opleidingsniveau hbo+. Artikel 3.13. Criteria Consultatie B 1. Complexere problematiek bij cliënten kan de behoefte doen ontstaan collega’s van andere aanbieders te consulteren. De consultaties hebben dan tot doel betere inzichten te verschaffen over de benodigde (behandel) aanpak. Hiermee stijgt de kwaliteit en effectiviteit van de zorg. 2. De consultatiefunctie richt zich op het snel en flexibel inzetten van kortdurende (specialistische) ondersteuning en specifieke expertise om zo een traject of een behandeling van een cliënt voort te zetten zodat deze niet over gaat naar een andere aanbieder of zwaardere zorg. 3. Met de inzet van dit product moet overdracht van de cliënt naar een andere aanbieder worden voorkomen, wordt voorkomen dat een cliënt op een wachtlijst bij een andere aanbieder komt, op tijd worden overgedragen wanneer een andere aanbieder qua specialisme beter aansluit bij de hulpvraag van de cliënt en samenwerking bevordert. 4. De professional die werkzaam is binnen dit product dient te voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen van het opleidingsniveau wo. Artikel 3.14.

Criteria Consultatie C 1. Complexere problematiek bij cliënten kan de behoefte doen ontstaan collega’s van andere aanbieders te consulteren. De consultaties hebben dan tot doel betere inzichten te verschaffen over de benodigde (behandel)aanpak. Hiermee stijgt de kwaliteit en effectiviteit van de zorg. 2. De consultatiefunctie richt zich op het snel en flexibel inzetten van kortdurende (specialistische) ondersteuning en specifieke expertise om zo een traject of een behandeling van een cliënt voort te zetten zodat deze niet over gaat naar een andere aanbieder of zwaardere zorg.

3. Met de inzet van dit product moet overdracht van de cliënt naar een andere aanbieder worden voorkomen, wordt voorkomen dat een cliënt op een wachtlijst bij een andere aanbieder komt, op tijd worden overgedragen wanneer een andere aanbieder qua specialisme beter aansluit bij de hulpvraag van de cliënt en samenwerking bevordert. 4. Dit product kan ook worden ingezet gedurende het eerste jaar na afsluiting van het behandeltraject (nazorg). Het betreft laagintensieve ondersteuning bedoeld om de cliënt te volgen en tijdig problemen te signaleren. 5. De professional die werkzaam is binnen dit product dient te voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen van het opleidingsniveau wo+ of wo++. Artikel 3.15. Criteria Consultatie D 1. Bij consultatie gaat om advies of kortdurende inzet van (een specialist bij) een aanbieder op basis van een concreet vermoeden of een duidelijk omschreven vraag van een andere aanbieder of dat het lokale team expertise van een aanbieder nodig heeft. 2. Consultatie heeft als doel betere inzichten te verschaffen in de problematiek van de cliënt en/of het gezin zonder dat behandelverantwoordelijkheid wordt overgedragen of gedeeld. 3.

De consultatiefunctie richt zich op het snel en flexibel inzetten van kortdurende (specialistische) ondersteuning en specifieke expertise om zo een traject of een behandeling van een cliënt voort te zetten zodat deze niet over gaat naar een andere aanbieder of zwaardere zorg. 4. Met de inzet van dit product moet overdracht van de cliënt naar een andere aanbieder worden voorkomen, wordt voorkomen dat een cliënt op een wachtlijst bij een andere aanbieder komt, op tijd worden overgedragen wanneer een andere aanbieder qua specialisme beter aansluit bij de hulpvraag van de cliënt en samenwerking bevordert. 5. Er moet sprake zijn van medicatiebeoordeling of een vermoeden van psychiatrisch gedrag. 6. Opdracht wordt uitgevoerd door het inzetten van deskundige met een Amsopleidingsniveau of door een verpleegkundig specialist die werkzaam is in een GGZ-instelling. Artikel 3.16. Criteria BSO+: 1. Voor cliënten van 4 tot 12 jaar die naast de reguliere naschoolse opvang een extra hulpvraag voor ondersteuning hebben. De cliënt heeft ondersteuning nodig voor het behouden van regie, of versterken van de regie of regieverlies tegen te gaan. 2. Onder BSO+ kan zowel begeleiding als lichtere vormen van behandeling geleverd worden. 3. Het doel van BSO+ is: a.

Het bieden van activiteiten gericht op bevordering, het behoud of compensatie van de zelfredzaamheid, die strekken tot voorkoming van opname in een instelling of verwaarlozing. b. Ondersteunen bij beperkingen op het vlak van zelfregie over het dagelijks leven, waaronder begeleiding bij tekortschietende vaardigheden in zelfregelend vermogen. c. Begeleiden bij het toepassen en inslijpen van aangeleerde vaardigheden en gedrag in het dagelijks leven door herhaling en methodische interventie. d. Het leren van elkaar in groepsverband: omgaan met andere kinderen, leren spelen, leren omgaan met gedragsregels. e. Het is belangrijk om in het ontwikkelingsplan van iedere cliënt de doelen expliciet te beschrijven. 4. Per 4 kinderen op de groep staat minimaal één hbo-begeleider met SKJ registratie. Deze voert de zorg uit, maar hij/zij kan ondersteund worden door een mbo’er of hbo-stagiair. De norm verantwoorde werktoedeling is van toepassing om te bepalen welke werkzaamheden door een hbo’er uitgevoerd moeten worden en welke ook door een mbo’er uitgevoerd kunnen worden. Er is een gedragswetenschapper op de achtergrond betrokken.

Artikel 3.17. Criteria Kindergeneeskunde licht 1. Dit product betreft consulten voor diagnose en behandeling van ADHD en eventuele medicijncontrole uitvoeren. 2. Opleidingsniveau: a. Uitvoering door gekwalificeerd kinderarts (BIG-geregistreerd Kinderarts, in het register aangeduid als beroepsgroep Artsen met specialisme Kindergeneeskunde (kinderarts)). b. Professional werkt volgens de richtlijnen en kwaliteitseisen voor de kindergeneeskundige zorg van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK). c. De professional werkt binnen een netwerk van professionals en organiseert daar waar nodig een multidisciplinair overleg. d. Nauwe samenwerking met relevante betrokkenen in het netwerk van cliënt. Artikel 3.18. Criteria Kindergeneeskunde midden 1. Consulten voor de diagnostiek en behandeling van specifiek psychiatrische stoornissen (waaronder autisme en depressie) en eventuele medicijncontrole. Onderzoek naar mogelijk lichamelijke oorzaken bij psychiatrische stoornissen. Uitsluiten van lichamelijke oorzaken. 2. De behandeling of het onderzoek is kortdurend omdat het dient te worden gezien als het voortraject van onder andere een behandeling door een psychiater of een doorverwijzing naar het lokale team. 3. Opleidingsniveau: a.

Uitvoering door gekwalificeerd kinderarts (BIG-geregistreerd Kinderarts, in het register aangeduid als beroepsgroep Artsen met specialisme Kindergeneeskunde (kinderarts)). b. Professional werkt volgens de richtlijnen en kwaliteitseisen voor de kindergeneeskundige zorg van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK). c. De professional werkt binnen een netwerk van professionals en organiseert daar waar nodig een multidisciplinair overleg. d. Nauwe samenwerking met relevante betrokkenen in het netwerk van cliënt. Artikel 3.19. Criteria Pleegzorg 1. Pleegzorg is voor jeugdigen van 0-21 jaar die zich in de eigen gezinssituatie niet veilig kunnen ontwikkelen en/of gezond kunnen opgroeien. In het pleeggezin staat het 'zo gewoon mogelijk opgroeien' voorop. 2. Pleegzorg is gericht op terugkeer naar het eigen gezin. Er wordt zoveel mogelijk samen gewerkt met de biologische ouders. De duur van de pleegzorg varieert mede afhankelijk van het perspectief. 3. Er is bij pleegzorg sprake van vier varianten a. Hulpverleningsvariant (gericht op terugkeer naar huis, intensief traject met (biologische) ouders). b. Opvoedingsvariant (vervangend opvoedmilieu, terugkeer naar huis niet of voorlopig niet mogelijk). c. Deeltijdvariant (versterken van gezin/ter ontlasting van gezin, zodat de cliënt thuis kan blijven wonen, minimaal één etmaal met overnachting). d.

Crisispleegzorg (acute zorg, uitlopend op één van hierboven genoemde varianten).

4. Pleegzorgwerkers/begeleiders zijn hbo-opgeleid. De werker heeft een opleiding Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH) of een vergelijkbare opleiding genoten. • De Pleegzorgwerkers/begeleiders hebben een geldende SKJ-registratie. Artikel 3.20. Criteria Gezinshuis lichte begeleidingsintensiteit 1. Een gezinshuis biedt een vervangende gezinssituatie en biedt een stabiele opvoed- en opgroeiomgeving, waar nodig aangevuld met professionele behandeling. 2. Gezinshuis lichte begeleidingsintensiteit is bedoeld voor cliënten met een opvoed- of behandelvraag die niet in een pleeggezin of eigen netwerk terecht kan. Cliënten hebben vaak complexe problemen. Cliënten worden (in principe) in staat geacht in een gezinsstructuur te functioneren. 3. Plaatsing in een gezinshuis is altijd gericht op perspectief, zo snel mogelijke terugkeer naar de biologische ouders of zelfstandig wonen, indien mogelijk. Dan kan ook naar andere vormen van hulp worden toegeleid. Dit wordt samen met de cliënt/ouders of wettelijk vertegenwoordiger bepaald. 4. Binnen het gezinshuis beschikt tenminste één gezinshuisouder bij voorkeur over een relevante hbo-opleiding en bij voorkeur over een SKJ-registratie, conform de nieuwe landelijke Kwaliteitscriteria Gezinshuizen (niet verplicht). 5.

Aanvullende begeleiding of ondersteuning van de gezinshuisouders kan worden geboden via pedagogisch medewerker(s) ten behoeve van het pedagogische klimaat in het gezinshuis, tot een totale formatie van 0,44 fte per cliënt. Het betreft de gezinshuisouder, (eventueel) aanvullende begeleiding en inzet van de gedragswetenschapper/gedragsdeskundige/hoofdbehandelaar Artikel 3.21. Gezinshuis middel begeleidingsintensiteit 1. Een gezinshuis biedt een vervangende gezinssituatie en biedt een stabiele opvoed- en opgroeiomgeving, waar nodig aangevuld met professionele behandeling. 2. Gezinshuis lichte begeleidingsintensiteit is bedoeld voor cliënten met een opvoed- of behandelvraag die niet in een pleeggezin of eigen netwerk terecht kan. Cliënten hebben vaak complexe problemen. Cliënten worden (in principe) in staat geacht in een gezinsstructuur te functioneren. 3. Plaatsing in een gezinshuis is altijd gericht op perspectief, zo snel mogelijke terugkeer naar de biologische ouders of zelfstandig wonen, indien mogelijk. Dan kan ook naar andere vormen van hulp worden toegeleid. Dit wordt samen met de cliënt/ouders of wettelijk vertegenwoordiger bepaald. 4. Binnen het gezinshuis beschikt tenminste één gezinshuisouder bij voorkeur over een relevante hbo-opleiding en bij voorkeur over een SKJ-registratie, conform de nieuwe landelijke Kwaliteitscriteria Gezinshuizen (niet verplicht). 5.

Aanvullende begeleiding of ondersteuning van de gezinshuisouders kan worden geboden via pedagogisch medewerker(s) ten behoeve van het pedagogische klimaat in het gezinshuis, tot een totale formatie van 0,5 fte per cliënt. Het betreft de gezinshuisouder, (eventueel) aanvullende begeleiding en inzet van de gedragswetenschapper/ gedragsdeskundige/ hoofdbehandelaar. Artikel 3.22. Gezinshuis zware begeleidingsintensiteit 1. Een gezinshuis biedt een vervangende gezinssituatie en biedt een stabiele opvoed- en opgroeiomgeving, waar nodig aangevuld met professionele behandeling. 2. Gezinshuis lichte begeleidingsintensiteit is bedoeld voor cliënten met een opvoed- of behandelvraag die niet in een pleeggezin of eigen netwerk terecht kan. Cliënten hebben vaak

Commentaar [MdG|AZ6]: Naar mijn weten geldt er een verplichte registratie voor jeugdzorgwerkers. Gezinshuisouders kunnen zich registreren bij het SKJ of het Registerplein.

complexe problemen. Cliënten worden (in principe) in staat geacht in een gezinsstructuur te functioneren. 3. Plaatsing in een gezinshuis is altijd gericht op perspectief, zo snel mogelijke terugkeer naar de biologische ouders of zelfstandig wonen, indien mogelijk. Dan kan ook naar andere vormen van hulp worden toegeleid. Dit wordt samen met de cliënt/ouders of wettelijk vertegenwoordiger bepaald. 4. Binnen het gezinshuis beschikt tenminste één gezinshuisouder bij voorkeur over een relevante hbo-opleiding en bij voorkeur over een SKJ-registratie, conform de nieuwe landelijke Kwaliteitscriteria Gezinshuizen (niet verplicht). 5. Aanvullende begeleiding of ondersteuning van de gezinshuisouders kan geboden worden via pedagogisch medewerker(s) ten behoeve van het pedagogische klimaat in het gezinshuis, tot een totale formatie van 0,6 fte per cliënt. Het betreft de gezinshuisouder, (eventueel) aanvullende begeleiding en inzet van de gedragswetenschapper/ gedragsdeskundige/ hoofdbehandelaar. Artikel 3.23. Criteria verblijf groep lichte begeleidingsintensiteit 1. In leef- en behandelgroepen krijgen cliënten met psychosociale- of gedragsproblemen hulp en begeleiding. Zij kunnen de hele dag en nacht bij de instelling verblijven. De instelling is dan de (tijdelijke) vaste woon- en verblijfplaats. 2.

Verblijf groep met een lichte begeleidingsintensiteit is bedoeld voor de cliënt met een lichte opvoed- of opgroeivraag die niet in een pleeggezin, gezinshuis of eigen netwerk terecht kan. Cliënt is niet in staat in een gezinsstructuur te functioneren. Cliënt kan problematiek hebben op het gebied van gedrag, psycho-sociaal of een (licht) verstandelijke beperking. Cliënt is in staat om (redelijk) zelfstandig te functioneren, gaat o.a. naar school, en verblijf is gericht op het zelfstandig wonen of terugkeer naar een gezinssysteem. Ondersteuning is gericht op de ouder(s) en cliënt. 3. Begeleiding of ondersteuning via pedagogisch medewerker(s) ten behoeve van het pedagogische klimaat in de groep. Bij groep van 8 (gemiddelde groepsgrootte) is dat 56 uur per week. 4. Binnen de groep beschikt tenminste één pedagogisch medewerker/ hulpverlener over een relevante BIG-, SKJ-kwalificatie en een relevante hbo opleiding/wo-opleiding. Er kunnen ook medewerkers met een relevante mbo-opleiding werken op de groep. 5. Er is gedragswetenschappelijke expertise beschikbaar voor de groep. Deze gedragswetenschapper/gedragsdeskundige/hoofdbehandelaar is minimaal wo-opgeleid. 6. Er is 24 uur bereikbaarheid en snelle inzetbaarheid van gekwalificeerde medewerkers, waarbij gegarandeerd kan worden dat gekwalificeerde medewerker binnen 15-20 minuten aanwezig kan zijn.

Artikel 3.24. Criteria verblijf groep licht-middel begeleidingsintensiteit 1. In leef- en behandelgroepen krijgen cliënten met psychosociale- of gedragsproblemen hulp en begeleiding. Zij kunnen de hele dag en nacht bij de instelling verblijven. De instelling is dan de (tijdelijke) vaste woon- en verblijfplaats. 2. Verblijf groep met een licht-middel begeleidingsintensiteit is bedoeld voor de Cliënt met een licht-middel opvoed- of behandelvraag die niet in een pleeggezin, gezinshuis of eigen netwerk terecht kan. Cliënt is niet in staat in een gezinsstructuur te functioneren. Cliënt kan problematiek hebben op het gebied van gedrag, psycho-sociaal of een (licht) verstandelijke beperking. Cliënt is in staat om (redelijk) zelfstandig te functioneren, gaat o.a. naar school, en

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westervoort&id=2d54a7ba-d1d5-483d-891c-c6ba14756c3b