CConstaterende datWestervoort
Koppel je AI →
Document · PDF

20230403-rv-verordening-jeugdhulp-2023-bijlage-1-verordening-jeugdhulp-2023.docx

Commissie Samenleving en Bestuur 3 april 2023, gemeente WestervoortBij agendapunt: Verordening Jeugdhulp24.510 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Bij groep van 8 (gemiddelde groepsgrootte) is dat 115 uur per week. Artikel 3.25. Criteria verblijf groep middel begeleidingsintensiteit 1. In leef- en behandelgroepen krijgen cliënten met psychosociale- of gedragsproblemen hulp en begeleiding. Zij kunnen de hele dag en nacht bij de instelling verblijven. De instelling is dan de (tijdelijke) vaste woon- en verblijfplaats. Cliënten verblijven doorgaans 24-uur bij de instelling, maar kunnen wel verlof krijgen (bijv. enkele weekenden). De term leefgroep wordt vaak gebruikt wanneer de hulp gericht is op opvoeden en opgroeien. In behandelgroepen is de hulp vaak gericht op de behandeling van specifieke problemen, bijvoorbeeld gedragsproblemen. In deze categorie betreft het voornamelijk behandelgroepen. 2. Verblijf groep middel begeleidingsintensiteit is bedoeld voor de cliënt met een redelijk serieuze (middel-) opvoedvraag of behandelvraag die niet in een pleeggezin, gezinshuis of eigen netwerk terecht kan. Cliënt is niet in staat in een gezinsstructuur te functioneren. Cliënt kan problematiek hebben op het gebied van gedrag, psychosociaal of een (licht) verstandelijke beperking. Cliënt is niet goed in staat om zelfstandig te functioneren, gaat wel o.a. naar school, en verblijf is gericht op het zelfstandig wonen of terugkeer naar een gezinssysteem. Ondersteuning is gericht op de ouder(s) en cliënt. 3.

Begeleiding of ondersteuning via pedagogisch medewerker(s) ten behoeve van het pedagogische klimaat in de groep. Bij groep van 8 (gemiddelde groepsgrootte) is dat 165 uur per week. 4. Binnen de groep beschikt tenminste één pedagogisch medewerker/ hulpverlener over een relevante BIG-, SKJ-kwalificatie en een relevante hbo-opleiding/wo-opleiding. Er kunnen ook medewerkers met een relevante mbo-opleiding werken op de groep. 5. Er is gedragswetenschappelijke expertise beschikbaar voor de groep. Deze gedragswetenschapper/gedragsdeskundige/hoofdbehandelaar is minimaal woopgeleid. Artikel 3.26. Criteria Verblijf Groep middel- zware begeleidingsintensiteit 1. In leef- en behandelgroepen krijgen cliënten met psychosociale- of gedragsproblemen hulp en begeleiding. Zij kunnen de hele dag en nacht bij de

instelling verblijven. De instelling is dan de (tijdelijke) vaste woon- en verblijfplaats. Cliënten verblijven doorgaans 24-uur bij de instelling, maar kunnen wel verlof krijgen. In deze categorie betreft het uitsluitend behandelgroepen, vanwege de zwaarte van de problematiek. 2. Verblijf groep middel-zware begeleidingsintensiteit is bedoeld voor de cliënt met een (redelijk) zware opvoed- of behandelvraag die niet in een pleeggezin, gezinshuis of eigen netwerk terecht kan. Cliënt is niet in staat in een gezinsstructuur te functioneren. Cliënt kan problematiek hebben op het gebied van gedrag, psychosociaal of een (licht) verstandelijke beperking. Cliënt is niet goed in staat om zelfstandig te functioneren, gaat wel o.a. naar school, en verblijf is gericht op het zelfstandig wonen of terugkeer naar een gezinssysteem. Ondersteuning is gericht op de ouder(s) en cliënt. 3. Begeleiding of ondersteuning via pedagogisch medewerker(s) ten behoeve van het pedagogische klimaat in de groep. Bij groep van 8 (gemiddelde groepsgrootte) is dat 185 uur per week. 4. Binnen de groep beschikt tenminste één pedagogisch medewerker/ hulpverlener over een relevante BIG-, SKJ-kwalificatie en een relevante hbo-opleiding/wo-opleiding. Er kunnen ook medewerkers met een relevante mbo-opleiding werken op de groep. Er is gedragswetenschappelijke expertise beschikbaar voor de groep.

Deze gedragswetenschapper/gedragsdeskundige/hoofdbehandelaar is minimaal woopgeleid. Artikel 3.27. Criteria verblijfscategorie F Jeugd GGZ 1. Het betreft een (korte) klinische opname voor cliënten, als onderdeel van hun GGZbehandeling. VOV-personeel is permanent beschikbaar. 2. De zelfredzaamheid van de patiënten is laag. Een gedeeltelijk overname van zorg en permanent (opvoedkundig) toezicht door VOV-personeel is noodzakelijk. Er is sprake van gedragsproblemen/agressie, dan wel verstoringen in het functioneren. In het algemeen is sprake van intensieve dagelijkse begeleiding en dagstructurering. d. De deelprestatie verblijf F is bedoeld voor cliënten met GGZ problematiek met een intensieve verstoring in het psychiatrisch ziektebeeld (psychisch, sociaal en somatisch functioneren), waardoor er een noodzaak tot opname is om de geneeskundige zorg te leveren. Ondersteuning is gericht op de ouder(s) en cliënt. e. Inzet VOV+ begeleiding personeel: gemiddeld 1,3 fte op de groep per cliënt. Vrijheid beperkende maatregelen zijn op een groot gedeelte van de cliënten van toepassing. Zij verblijven voor een belangrijk deel ineen gesloten setting, beschermend en beveiligd, waarbij het grootste deel van hen zich niet aan het toezicht kan onttrekken. Er is een slapende of wakende dienst op de groep. f.

Binnen de groep beschikken meerdere hulpverlener over een BIG-/SKJ kwalificatie en een relevante hbo-opleiding/wo-opleiding. Er is 24 uurs-aanwezigheid van minimaal één hbo-/wo-, en SKJ- of BIG geregistreerde professional op de groep. Artikel 3.28. Criteria verblijfscategorie G Jeugd 1. Het betreft een (korte) klinische opname voor cliënten, als onderdeel van hun GGZbehandeling. VOV-personeel is permanent beschikbaar met een dubbele bezetting. De nadruk ligt op het opleggen van oplossingen. Wat betreft de zelfstandigheid is er permanente en dubbele begeleiding nodig. De zelfredzaamheid van de patiënten is zeer laag. Er is volledige overname van zorg en permanent toezicht door het VOVpersoneel noodzakelijk. Er is sprake van ernstige gedragsproblemen/agressie, dan wel ernstige verstoringen in het psychosociale functioneren. In het algemeen is sprake van intensieve dagelijkse begeleiding en dagstructurering, met continu individueel (opvoedkundig) toezicht.

2. Deze deelprestatie verblijf is bedoeld voor cliënten met GGZ problematiek met een zeer intensieve verstoring in het psychiatrisch ziektebeeld (psychisch, sociaal en somatisch functioneren), waardoor er een noodzaak tot opname is om geneeskundige zorg te leveren. Ondersteuning is gericht op de ouder(s) en cliënt. 3. Inzet VOV + begeleiding personeel: gem. 1,7 fte op de groep per cliënt. Het betreft een gesloten setting, zwaar beveiligd, waarbij het grootste deel van de cliënten de setting niet mag verlaten en waar het grootste deel van de hen zich niet aan het toezicht kan onttrekken. Er is een wakende dienst op de groep. Artikel 3.29. Criteria Verblijf terrein groep middel-zware begeleidingsintensiteit 1. Het betreft verblijf met overnachting op een behandelgroep gesitueerd op een terrein. Op het terrein bevinden zich naast behandelgroepen, een school en diverse vrije tijdsmogelijkheden. Er zijn mogelijkheden voor de inzet van therapie op het terrein. Er is dus een hoge mate van toezicht, veiligheid en voorspelbaarheid binnen de drie leefsferen (wonen, onderwijs en vrije tijd: ofwel een drie milieu voorziening). 2. De primaire doelgroep betreft hier cliënten met ernstige gedragsproblemen of een (licht) verstandelijke handicap, die (nog) niet in een gezinscontext of in de wijk kunnen opgroeien.

Of cliënten die een bedreiging in de ontwikkeling hebben, zodanig dat het gedragsrepertoire en schoolgang dermate verstoord zijn, dat dit naar verwachting toekomstige maatschappelijke participatie in de weg staat. Doorgaans hebben zij complexe problematiek en vaak al meerdere mislukte hulppogingen gehad. Ondersteuning is gericht op de ouder(s) en cliënt. 3. Er is een multidisciplinair behandelteam bestaande uit een teammanager, behandelcoördinator en gezinsbehandelaar en pedagogisch medewerker met daaraan verbonden een medewerker vanuit school. 4. Begeleiding of ondersteuning via pedagogisch medewerker(s) ten behoeve van het pedagogische klimaat in de groep. Bij groep van 8 (gemiddelde groepsgrootte) is dat 185 uur per week. 5. Binnen de groep beschikken meerdere hulpverleners over een BIG-/SKJ kwalificatie en een relevante hbo-opleiding/wo-opleiding. Indien mbo geschoolde professionals werkzaam zijn, staan zij onder supervisie van de hbo’ers/wo’ers. Er is 24 uursaanwezigheid van minimaal één hbo-/wo-, en SKJ- of BIG geregistreerde professional op de groep. Er is gedragswetenschappelijke expertise beschikbaar voor de groep. Deze gedragswetenschapper/gedragsdeskundige/hoofdbehandelaar is minimaal wo-opgeleid. Artikel 3.30. Verblijf terrein Groep zware begeleidingsintensiteit 1. Het betreft verblijf met overnachting op een behandelgroep gesitueerd op een terrein.

Op het terrein bevinden zich naast behandelgroepen, een school en diverse vrije tijdsmogelijkheden. Er zijn mogelijkheden voor de inzet van therapie op het terrein. Er is dus een hoge mate van toezicht, veiligheid en voorspelbaarheid binnen de drie leefsferen (wonen, onderwijs en vrije tijd: ofwel een drie milieu voorziening). 2. Deze verblijfzorg voorziet in een therapeutische context bestaande uit een stabiele ontwikkelings- en opvoedingsomgeving. Naast deze therapeutische context ontvangen jongeren individuele behandeling, en indien nodig zorg voor de ouders en de verdere familiecontext. 3. Er is een multidisciplinair behandelteam bestaande uit een teammanager, behandelcoördinator en gezinsbehandelaar en pedagogisch medewerker met daaraan verbonden een medewerker vanuit school. 4. Begeleiding of ondersteuning via pedagogisch medewerker(s) ten behoeve van het pedagogische klimaat in de groep. Bij groep van 8 (gemiddelde groepsgrootte) is dat 200 uur per week. 5. Binnen de groep beschikken meerdere hulpverleners over een BIG-/SKJ kwalificatie en een relevante hbo-opleiding/wo-opleiding. Indien mbo geschoolde professionals

werkzaam zijn, staan zij onder supervisie van de hbo’ers/wo’ers. Er is 24 uursaanwezigheid van minimaal één hbo-/wo-, en SKJ- of BIG geregistreerde professional op de groep. Er is gedragswetenschappelijke expertise beschikbaar voor de groep. Deze gedragswetenschapper/gedragsdeskundige/hoofdbehandelaar is minimaal wo-opgeleid. Artikel 3.31. JeugdzorgPlus 1. JeugdzorgPlus betreft verblijfzorg van een cliënt op een driemilieuvoorziening, maar onderscheidt zich van andere vormen van jeugdhulp doordat er beperkende maatregelen (vasthouden) kunnen worden toegepast. Deze maatregelen kunnen worden ingezet o.b.v. een machtiging van de rechter. De behandeling in de instelling voor gesloten jeugdhulp is erop gericht om de impact van de beperkende maatregelen zo passend mogelijk te laten zijn, en de cliënt voor te bereiden op een tijd waarin er geen noodzaak meer is voor beperkende maatregelen. 2. JeugdzorgPlus is hulp voor jongeren met ernstige gedrag- en opvoedingsproblemen die van de rechter gesloten behandeld moeten worden om te voorkomen dat zij zich aan de zorg onttrekken of onttrokken worden (onttrekkingsgevaar). Zonder behandeling vormen zij een risico voor zichzelf of hun omgeving. 3. Begeleiding of ondersteuning via pedagogisch medewerker(s) ten behoeve van het pedagogische klimaat in de groep. Bij een groep van 8 (gemiddelde groepsgrootte) is dat 252 uur per week. 4.

Er is 24 uur per dag een psychiater en een arts bereikbaar. 5. De groepsleiding bestaat uit hoofdzakelijk hbo-geschoolde professionals en minstens 30% wo-geschoolde professionals. Deze zijn SKJ geregistreerd. Indien mbogeschoolde professionals werkzaam zijn, staan zij onder supervisie van de hbo-ers. Artikel 3.32. Vervoer 1. Ouders zijn verantwoordelijk voor het vervoer van hun kind. Indien zij geen mogelijkheden hebben kunnen zij het sociale netwerk of hulp van vrijwilligers inroepen. 2. In het specifieke geval dat er geen oplossing kan worden gevonden voor het vervoer, kan een jeugdige in aanmerking komen voor vervoer naar een dichtstbijzijnde passende voorziening voor jeugdhulp indien; a. Er sprake is van een medische noodzaak; b. de jeugdige en/of zijn ouder(s) problemen ondervindt/ondervinden in de zelfredzaamheid; c. de jeugdhulp niet geboden kan worden in de woonomgeving van de jeugdige. 3. Indien vervoer naar de dichtstbijzijnde locatie voor passende jeugdhulp meer kosten met zich meebrengt dan een verder weg gelegen locatie voor passende jeugdhulp kan gekozen worden voor de verder weg gelegen locatie indien dit ook in het belang van de jeugdige is. 4. Als begeleiding van een jeugdige tijdens het vervoer noodzakelijk is, wordt deze aangeboden door de ouder(s).

Wanneer het onmogelijk is voor de ouder(s) om te begeleiden is het aan de ouder(s) om op andere wijze de begeleiding te (laten) organiseren. 5. Wanneer het voor een ouder onmogelijk is, of wanneer het leidt tot ernstige benadeling van de jeugdige, om de begeleiding in het vervoer op een andere wijze te organiseren kan de ouder het college, op basis van redenen en met aantoonbare en onderbouwende argumenten, vragen om de begeleiding in het vervoer te organiseren. 6. Als begeleiding in het vervoer vereist is, worden geen andere kosten vergoed dan de vervoerskosten die verbonden zijn aan de begeleiding van de jeugdige in het vervoer.

Hoofdstuk 4: Kwaliteitseisen zorgaanbieders Artikel 4.1. Kwaliteitseisen 1. Het college draagt er zorg voor dat minimaal de uitvoering van de wettelijke kwaliteitseisen worden opgenomen in de contracten en subsidieafspraken met de aanbieders. 2. Voor zover er sprake is van een keurmerk voor de branche waarbinnen de aanbieder in het kader van een overeenkomst met de gemeente opereert, draagt het college er zorg voor dat het alleen aanbieders contracteert die beschikken over dit keurmerk of vergelijkbare kwaliteitseisen. 3. De zorgaanbieder is bekwaam en gekwalificeerd en/of beschikt over aantoonbaar bekwame en gekwalificeerde medewerkers voor het uitvoeren van de gevraagde dienstverlening, zet gekwalificeerde medewerkers in en dient dit op ieder moment aan het college te kunnen aantonen. In hoofdstuk 3 is per individuele voorziening omschreven welk opleidingsniveau minimaal is vereist. 4. Bestuurders (conform uittreksel KvK) en alle hulpverleners (alle medewerkers, inclusief uitzendkrachten, zzp’ers, stagiaires en vrijwilligers), die direct contact hebben met cliënten zijn in het bezit van een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG), met screeningsprofiel 45 ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’, die bij indiensttreding niet ouder is dan 3 maanden en bij het inzetten op de gecontracteerde zorg, niet ouder dan 3 jaar. 5.

Het college draagt er zorg voor dat indien een aanbieder gebruik maakt van een onderaannemer, deze er als hoofdaanbieder verantwoordelijk voor is dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt. 6. De voorzieningen worden afgestemd op andere vormen van zorg en welzijn. 7. De aanbieder stemt voorzieningen af op de persoonlijke situatie van de cliënt; 8. De aanbieder ziet er bij het leveren van voorzieningen op toe dat beroepskrachten handelen in overeenstemming met de professionele standaard. 9. De aanbieder legt de afspraken met de cliënt concreet vast in een ondersteuningsplan. In het ondersteuningsplan wordt in ieder geval opgenomen: a. De kansen/mogelijkheden en ondersteuningsbehoeften van de cliënt en welke hulp/ondersteuning wordt geboden. b. Welke doelafspraken cliënt en opdrachtnemer maken en hoe zij deze gaan bereiken. c. Binnen welk tijdsbestek deze doelen moeten worden behaald en hoeveel uur daarvoor nodig is. d. Binnen welk tijdsbestek er kan worden afgeschaald naar minder uren en/of een eenvoudigere ondersteuningsinzet. e. Hoe opdrachtnemer de nazorg vormgeeft en de eventuele overdracht naar andere zorgvormen. f. Wanneer geëvalueerd wordt (datum vastgelegd). g. De inzet van en afstemming met algemene voorzieningen (indien van toepassing). h.

In het plan staat de naam van de eerstverantwoordelijke (medewerker van de opdrachtnemer) vermeld. De eerstverantwoordelijke of diens vervanger is goed bereikbaar. i. In het plan staat vermeld wie de casusregisseur of coördinator is (in het geval van meervoudige, complexe problematiek dient een regisseur te zijn aangewezen. j. De inbreng van een multidisciplinair team (indien van toepassing) is beschreven in het ondersteuningsplan. k. De afstemming tussen dagbesteding, werk en wonen (indien van toepassing), is beschreven in het ondersteuningsplan.

l.

De afstemming op andere vormen van geboden hulp en zorg is beschreven in het ondersteuningsplan. 10. De aanbieder werkt aan zelfregie van zorg waar dit mogelijk is. Er wordt verwacht van de aanbieder dat hij aantoonbaar de zelfredzaamheid van de cliënten verbetert en/of verslechtering voorkomt of de zelfredzaamheid stabiel houdt. Ook zal de aanbieder aantoonbaar investeren in het innoveren en eventueel afbouwen van jeugdhulp, dat wil zeggen het verkorten van de zorgduur en het verminderen van het aantal begeleidingsuren. De aanbieder werkt waar mogelijk aan het afbouwen van de jeugdhulp, naar lichtere vormen van individuele voorzieningen en/of naar voorliggende wettelijke voorzieningen en/of naar de inzet van het sociaal netwerk, bij voorkeur met behulp van sociale netwerkstrategieёn. 11. De aanbieder evalueert tenminste 6 weken voor afloop van de indicatie, het ondersteunings- of behandelplan en de uitvoering daarvan. Wanneer het traject langer duurt dan een jaar vinden er in overleg meerdere evaluaties plaats. Elke evaluatie wordt besproken met de cliënt en er wordt een verslag gemaakt, dat ondertekend is door de cliënt en/of wettelijke vertegenwoordiger, zodat helder is dat deze evaluatie is besproken met de desbetreffende cliënt. De datum van de eerstvolgende evaluatie staat in het plan genoteerd. 12.

In geval van meervoudige, complexe problematiek is één regisseur of coördinator aangewezen die de nodige samenhang en continuïteit bewaakt. 13. De aanbieder waarborgt de veiligheid van de cliënt door het tijdig signaleren van risico’s. Ook houdt de aanbieder zich aan de veiligheidseisen, neemt daarvoor de benodigde acties en handelt daar naar. 14. De aanbieder houdt zich bij de verlening van hulp/ondersteuning aan de toepassing van de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. 15. De aanbieder maakt, indien van toepassing, gebruik van de verwijsindex risicojongeren (VIR) en onderneemt de benodigde acties. 16. De aanbieder werk met zoveel mogelijk vaste medewerkers en zorgt voor passende vervanging bij afwezigheid van de vaste medeweker. 17. De aanbieder verleent de hulp/ondersteuning met respect en in achtneming van de rechten van de cliënt. 18. De aanbieder verwerkt in het kader van de uitvoering van de hulp of ondersteuning persoonsgegevens in overeenstemming met de geldende privacywetgeving (AVG). Artikel 4.2. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.11 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a.

een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: i. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en ii. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel i. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, onderdeel a, van de wet, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid onderdeel b, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht conform de geldende Cao; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

d. reis- en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; en f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. Hoofdstuk 5: Afstemming andere voorzieningen Artikel 5.1. Afstemming met gezondheidszorg 1. Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en de zorgverzekeraars over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6 eerste lid, onderdeel g van de wet en artikel 2.4 van deze verordening, plaatsvindt. 2.

Het college maakt afspraken met de zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) hoe de continuïteit van zorg te garanderen voor jeugdigen die jeugdhulp ontvangen en de leeftijd van 18 jaar bereiken en daarmee onder de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg komen te vallen, en hoe te voorkomen dat jeugdigen tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijke kader. 3. Het college draagt zorg dat de jeugdige en/of zijn ouders ondersteund worden richting het CIZ, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van onafhankelijke cliëntondersteuning. Artikel 5.2. Afstemming met gecertificeerde instellingen 1. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over de aansluiting tussen de algemene voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 2 en de gecertificeerde instellingen. 2. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over: a. het overleg over de aangewezen jeugdhulp in het kader van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, zoals bedoeld in artikel 3.5 lid 1 van de wet, b. het overleg over de eventueel gewenste jeugdhulp na beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering; c.

de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de gecertificeerde instelling en hoe het college daarvan op de hoogte gesteld wordt, d. wanneer en onder welke voorwaarden de gecertificeerde instelling budgethouder van een persoonsgebonden budget kan zijn namens de jeugdige en zijn ouders, e. hoe te handelen wanneer de gecertificeerde instelling meent dat niet gecontracteerde jeugdhulp ingezet dient te worden. 3. Het college en de gecertificeerde instelling leggen de afspraken als bedoeld in het tweede lid vast in een protocol als bedoeld in artikel 3.5 lid 3 lid van de wet. Artikel 5.3. Afstemming met het justitiedomein 1. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en Justitiële Jeugdinrichtingen over het overleg over de inzet van

jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering als bedoeld in artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de wet. 2. Het college en de betrokken instellingen nemen de afspraken zoals bedoeld in het eerste lid op in het protocol zoals bedoeld in artikel 3.1 lid 5 van de wet. Artikel 5.4. Afstemming met voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht 1. Het college zorgt ervoor dat alle locaties voor kinderopvang, primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs een contactpersoon hebben bij het toegangsteam van de gemeente. 2. Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de in lid 1 genoemde contactpersonen en de leerplichtambtenaren. 3. Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen, onderwijszorg en leerplichtzaken worden vastgelegd in het gespreksverslag van de jeugdige en/of zijn ouders. Artikel 5.5. Afstemming met Veilig Thuis Het college maakt afspraken met Veilig Thuis over de toegang naar algemene en individuele voorzieningen. Artikel 5.6. Afstemming met Wmo‐voorzieningen 1. Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen dan wel ouders op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 2.

Het college draagt zorg voor de continuïteit van zorg onder zijn verantwoordelijkheid wanneer de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt. Artikel 5.7. Afstemming met voorzieningen werk en inkomen Het college draagt zorg dat het toegangsteam, jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en waar nodig jeugdigen en hun ouders helpen de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen –zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, reintegratievoorzieningen en armoedevoorzieningen - te krijgen om deze belemmeringen weg te nemen. Hoofdstuk 6: Pgb beleid Artikel 6.1. Voorwaarden pgb 1. Het uitgangspunt is dat jeugdigen en ouders een voorziening in natura krijgen. Als een cliënt in aanmerking komt voor een individuele voorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, dan kan dat alleen als een voorziening in natura niet passend is. 2. Het college beoordeelt of de cliënt, eventueel met behulp van zijn pgb-beheerder, in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen en het uitvoeren van de aan een pgb verbonden taken. De cliënt dient in ieder geval: a. Een goed overzicht van zijn situatie te hebben; b. Weten welke regels horen bij een pgb; c. Een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden; d.

Zelf de communicatie met de gemeente, de zorgverzekeraar of zorgkantoor, de Sociale verzekeringsbank (Svb) en zorgverleners te doen; e. Zelfstandig te handelen en zelf zorgverleners te kiezen; f. Zelf afspraken te maken en deze afspraken bij de houden en zich hieraan houden; g. Te beoordelen of een pgb bij hem past;

h. Zelf de zorg te regelen met 1 of meerdere zorgverleners; i. Te fungeren als werkgever of opdrachtgever voor de zorgverlener. 3. De kwaliteit van de met het pgb ingekochte professionele ondersteuning is naar het oordeel van het college veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is en voldoet minimaal aan de eisen die de gemeente stelt aan de gecontracteerde zorgaanbieders, zoals genoemd in artikel 4.1 van deze verordening. Bij de aanvraag van een pgb beoordeeld het college in ieder geval of de pgb-aanbieder voldoet aan de volgende criteria: a. De jeugdhulpaanbieder is zelf bekwaam en gekwalificeerd en/of beschikt over aantoonbaar bekwame en gekwalificeerde medewerkers voor het uitvoeren van de gevraagde dienstverlening, zet gekwalificeerde medewerkers in en dient dit op ieder moment aan de gemeente te kunnen aantonen; b. Bestuurders (conform uittreksel KvK) en alle jeugdhulpverleners (alle medewerkers, inclusief uitzendkrachten, zzp’ers, stagiaires en vrijwilligers), die direct contact hebben met cliënten zijn in het bezit van een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die bij indiensttreding niet ouder is dan 3 maanden en bij het inzetten op de jeugdhulp, niet ouder dan 3 jaar. Voor alle medewerkers met direct cliëntcontact geldt screeningsprofiel “Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier”; c.

De aanbieder legt de afspraken met de cliënt concreet vast in een ondersteuningsplan. In het ondersteuningsplan wordt in ieder geval opgenomen: i. De kansen/mogelijkheden en ondersteuningsbehoeften van de cliënt en welke hulp/ondersteuning wordt geboden. ii. Welke doelafspraken cliënt en opdrachtnemer maken en hoe zij deze gaan bereiken. iii. Binnen welk tijdsbestek deze doelen moeten worden behaald en hoeveel uur daarvoor nodig is. iv. Binnen welk tijdsbestek er kan worden afgeschaald naar minder uren en/of een eenvoudigere ondersteuningsinzet. v. Hoe de aanbieder de nazorg vormgeeft en de eventuele overdracht naar andere zorgvormen. vi. Wanneer geëvalueerd wordt (datum vastgelegd). vii. De inzet van en afstemming met algemene voorzieningen (indien van toepassing). viii. In het plan staat de naam van de eerstverantwoordelijke (medewerker van de opdrachtnemer) vermeld. De eerstverantwoordelijke of diens vervanger is goed bereikbaar. ix. In het plan staat vermeld wie de casusregisseur of coördinator is (in het geval van meervoudige, complexe problematiek dient een regisseur te zijn aangewezen. x. De inbreng van een multidisciplinair team (indien van toepassing) is beschreven in het ondersteuningsplan. xi. De afstemming tussen dagbesteding, werk en wonen (indien van toepassing), is beschreven in het ondersteuningsplan. xii.

De afstemming op andere vormen van geboden hulp en zorg is beschreven in het ondersteuningsplan. Artikel 6.2. Pgb voor ondersteuning door een informele aanbieder 1. Een cliënt heeft de mogelijkheid om dienstverlening te betrekken van een persoon of organisatie behorende tot het sociale netwerk (waaronder bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad): a. als de cliënt een gelijkwaardig of beter resultaat kan behalen als iemand uit het sociale netwerk de zorg verleent en;

b. als dit leidt tot volwaardige dienstverlening die passend is aan de hulpvraag van de cliënt; c. als er voldoende draagkracht, tijd en bekwaamheid is voor de inzet van een pgb. 2. Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is er altijd sprake van informele hulp. Artikel 6.3. Beheren van het pgb 1. Het beheren van het pgb kan door zowel de cliënt als door een pgb-beheerder worden uitgevoerd. Indien de pgb-beheerder het pgb gaat beheren, dan zijn de regels over het pgb beheer waar cliënt wordt genoemd van overeenkomstige toepassing op de pgb-beheerder. 2. Het college acht een persoon niet in staat de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien bij hem sprake is van een of meerdere van de volgende omstandigheden: a. problematische schuldenproblematiek; b. ernstige verslavingsproblematiek; c. aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; d. een aanmerkelijke verstandelijke beperking; e. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; f. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; g. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; 3. Een pgb-beheerder wordt geacht de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren indien: a. hij door de rechtbank is aangesteld als mentor, curator of bewindvoerder; b.

hij niet tevens uitvoerder is van de jeugdhulp die met het pgb wordt ingekocht; c. er geen sprake is van een (financiële) relatie tussen de pgb-beheerder en de pgb-aanbieder; d. er sprake is van voldoende nabijheid in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd; 4. Een cliënt krijgt maximaal twee keer de mogelijkheid om een pgb-beheerder aan te dragen. Indien geen geschikte pgb-beheerder wordt aangedragen, zal de aanvraag voor jeugdhulp in de vorm van een pgb worden afgewezen. Artikel 6.4. Pgb wordt niet verstrekt 1. Het college verstrekt geen pgb als er sprake is van jeugdhulp in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.6, dan wel hulp die ambtshalve wordt verleend in de situatie als bedoeld in artikel 2.6, vierde lid. 2. Het college verstrekt geen pgb indien deze is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij er toestemming is gegeven door de toegang op basis van behoefte in lijn met de reguliere ondersteuning. 3. Het college verstrekt geen pgb voor jeugdhulp van een pgb-aanbieder die fraude heeft gepleegd in de 4 jaren voorafgaand aan de aanvraag. 4. Het college verstrekt geen pgb voor hulp van een pgb-aanbieder indien er twijfels zijn over de integriteit van de pgb-aanbieder, wat zich in ieder geval voordoet indien de pgb-aanbieder: a.

betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de ondersteuning in gevaar brengen b. verdacht is geweest van strafbare feiten dan wel daarvoor veroordeeld is geweest; c. bestuursrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke boetes opgelegd heeft gekregen; d. bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen opgelegd heeft gekregen in de vorm van een last onder bestuursdwang en/of dwangsom;

e. er sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de pgb-aanbieder en/of zijn directie en/of de aan hen gelieerde vennootschappen een zakelijk samenwerkingsverband onderhouden met derden die in relatie staan tot strafbare feiten of daarvan verdacht worden; f. zich niet professioneel gedraagt. Hiervan is onder andere sprake indien de pgb-aanbieder zich intimiderend opstelt, geen voorbeeldfunctie toont of incidenten hebben plaatsgevonden binnen de uitvoering van zijn functie; Artikel 6.5. Hoogte van het pgb 1. De hoogte van een Pgb: a. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare individuele voorziening in natura; b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede jeugdhulp in te kopen. 2. Bij de vaststelling van de hoogte van het pgb voor dienstverlening wordt onderscheid gemaakt tussen: a. Professionele aanbieder: tot deze groep behoren personen die: • werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het handelsregister en voldoen aan de voorwaarden zoals omschreven in artikel 6.1 lid 4 en 5.

• aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het handelsregister en voldoen aan de voorwaarden zoals omschreven in artikel 6.1 lid 4 en 5. b. Informele aanbieder sociaal netwerk: tot deze groep behoren personen die tot het sociale netwerk behoren, zoals familie, vrienden, kennissen met uitzondering van een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad. c. Informele aanbieder bloed- of aanverwant: tot deze groep behoren kinderen, kleinkinderen, ouders, grootouders, broers, zussen, schoonouders, schoonzussen en zwagers ongeacht of zij voldoen aan de voorwaarden voor een professionele aanbieder. 3. De hoogte van het pgb voor dienstverlening door een professionele aanbieder bedraagt 80% van het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura, tenzij passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. 4. De hoogte van het pgb voor dienstverlening door een informele aanbieder sociaal netwerk bedraagt: a. € 20,- per uur, tenzij passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht; of b.

de maximale hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand voor een hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 8ab van de Regeling Jeugdwet, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt kan worden volstaan met een lagere tegemoetkoming of; c. de tegemoetkoming per kalendermaand voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten zoals bedoeld in artikel 8ab van de Regeling Jeugdwet. De tegemoetkoming wordt berekend aan de hand van de door het college vastgestelde vergoedingenlijst die waar mogelijk gebaseerd is op richtbedragen van het Nibud. 5. De hoogte van het pgb voor dienstverlening door een informele aanbieder bloed- of aanverwant bedraagt: a. het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of

2. 3. 4.

5.

ouder met een 36-urige werkweek. Dit tarief is ongeacht de diploma’s en werkervaring van de informele-aanbieder; of a. de maximale hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand voor een hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 8ab van de Regeling Jeugdwet, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt kan worden volstaan met een lagere tegemoetkoming of; b. de tegemoetkoming per kalendermaand voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten zoals bedoeld in artikel 8ab van de Regeling Jeugdwet. De tegemoetkoming wordt berekend aan de hand van de door het college vastgestelde vergoedingenlijst die waar mogelijk gebaseerd is op richtbedragen van het Nibud. Het pgb wordt uitbetaald op basis van declaratie van het aantal geleverde uren of dagdelen. Uitbetaling in de vorm van een maandloon is niet toegestaan, tenzij de voorziening als een maand- of jaarbudget wordt verstrekt. Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel. De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb: a. kosten voor bemiddeling; b. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; c. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; d. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; e.

kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; Het college kan de Svb gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als het vermoeden bestaat dat de cliënt het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten.

Artikel 6.6. Pgb weigeren en afwijzen 1. Het college kan een pgb weigeren als: a. er eerder een pgb is ingetrokken of beëindigd door de gemeente vanwege het handelen door de cliënt; b. voor het deel dat de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten voor de ZINvoorziening (voor een vergelijkbaar product); 2. Het college kan een pgb afwijzen als: a. als de client en/of diens vertegenwoordiger niet voldoende Pgb-vaardig zijn; b. als de kwaliteit van de jeugdhulp onvoldoende is geborgd of de zorgverlener niet aan de kwaliteitseisen voldoet; c. er sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 6.4 van deze verordening. Hoofdstuk 7 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet Artikel 7.1. Bestrijding misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet 1. Het college treft de nodige maatregelen om misbruik of het oneigenlijk gebruik van individuele voorzieningen tegen te gaan. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval: a. het college zoekt waar mogelijk samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en misbruik op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen; b. het college wijst toezichthouders aan die toezicht houden op de rechtmatigheid en doelmatigheid van de verstrekte voorzieningen. c.

het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturingen, accountantscontrole en productieverantwoordingen zodat declaraties en uitbetalingen in

overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties; d. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van individuele voorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan. e. het college beperkt de looptijd van de indicaties of voert periodiek controles uit bij langlopende indicaties; f. het college voert een grondige toets aan de voorkant uit bij de verstrekking van een Pgb op: i. de regiemogelijkheden van de cliënt of degene die de cliënt als vertegenwoordiger wenst in te schakelen conform artikel 6.1 lid 2. ii. de kwaliteit van de invulling van het door de cliënt en de pgbaanbieder te overleggen ondersteuningsplan mede met het oog op de te bereiken resultaten conform artikel 6.1 lid 3; iii. het college monitort het gebruik van het pgb en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen. Artikel 7.2. Aanwijzen toezichthouder 1. Het college wijst toezichthoudende ambtenaren aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet. 2. De toezichthouder functioneert onafhankelijk. 3. De aangewezen toezichthouder is belast met: a. de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen; b. de bevoegdheid om de (cliënten)administratie te vorderen bij de zorgverlener; c.

de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de cliënt of de Pgbbeheerder; d. vorderen van identificatie; e. inzage van documenten en toegang tot gegevens; f. het betreden van plaatsen (met uitzondering van woningen); g. controleren of de zorgverlener de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of de raamovereenkomst of uitvoeringsovereenkomst met het college naleeft; h. ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de cliënt of de Pgb-beheerder heeft gesloten; voldoen deze aan bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie; i. controleren of de voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt uitgevoerd. 4. Een ieder is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder. 5. De toezichthouder maakt zijn onderzoeksrapport actief openbaar en neemt daarbij de regels uit de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in acht. Artikel 7.3. Rechtmatig- en doelmatigheidsonderzoek 1. Een toezichthouder kan een rechtmatigheids- en doelmatigheidsonderzoek uitvoeren welke bestaat uit een formele controle, materiele controle, detailcontrole en een fraude-onderzoek. 2. Het college stelt een algemeen materieel controleplan vast; 3. Een toezichthouder kan het rechtmatig- en doelmatigheidsonderzoek proactief en reactief uitvoeren. 4.

Bij een proactief rechtmatigheidsonderzoek wordt op basis van objectieve criteria prioriteiten, thema’s of risicoprofielen opgesteld. Deze risicoprofielen mogen niet leiden tot een verboden onderscheid. 5. Bij een reactief rechtmatigheidsonderzoek wordt na aanleiding van een signaal een onderzoek uitgevoerd.

6. Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van rechtmatigheidsonderzoek.

Artikel 7.4. Melden nieuwe feiten en omstandigheden 1. Het college informeert de cliënt of zijn vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of PGB zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Degene aan wie krachtens deze verordening een individuele voorziening is verstrekt, is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening. Artikel 7.5. Beëindiging 1. Het college kan een toegekende aanspraak op een individuele voorziening geheel of gedeeltelijk beëindigen, indien uit onderzoek blijkt dat: a. niet wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de wet of de verordening; b. de inwoner zich niet houdt aan de verplichtingen van het gebruik, verantwoording en administratie van de voorziening; c. de inwoner geen ingezetene meer is van de gemeente; d. de inwoner is overleden. Artikel 7.6. Herziening en intrekking 1. Het college kan, onverminderd artikel 8.1.4 van de wet, een besluit tot toekenning van een aanspraak op een individuele voorziening geheel of gedeeltelijk herzien of intrekken indien: a.

niet is voldaan aan hetgeen is gesteld bij of krachtens de wet of deze verordening; b. de inwoner de individuele voorziening binnen zes maanden na toekenning niet heeft aangewend voor het resultaat waarvoor de individuele voorziening is getroffen; 2. Het college kan een beslissing tot verlening van een pgb intrekken indien blijkt dat de inwoner het pgb binnen zes maanden na toekenning niet heeft ingezet. Artikel 7.7. Terugvordering 1. Het college kan, onverminderd artikel 8.1.4 van de wet, indien de aanspraak op een voorziening is herzien of ingetrokken: a. het ten onrechte genoten betaalde PGB terugvorderen b. de geldwaarde van de ten onrechte genoten índividuele voorziening in natura terugvorderen. Hoofdstuk 8 Beleidsparticipatie Artikel 8.1. Vertrouwenspersoon 1. Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 2. Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

Artikel 8.2. Inspraak en medezeggenschap 1. Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. Hoofdstuk 9 Slotbepalingen Artikel 9.1. Overgangsbepaling De rechten en verplichtingen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening gelden met betrekking tot een individuele voorziening waarvoor op grond van de Verordening Jeugdhulp Westervoort 2018 een besluit is afgegeven, blijven gelden gedurende de looptijd van het besluit, dan wel tot het moment dat er op basis van een gewijzigde ondersteuningsbehoefte na inwerkingtreding van deze verordening een nieuw besluit wordt genomen op grond van deze verordening. Artikel 9.2. Hardheidsclausule 1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. 2.

Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze verordening. 3. Het college is bevoegd, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar zijn oordeel tot een bijzondere en onvoorziene hardheid leidt, ten gunste van de jeugdige en/of zijn ouders af te wijken van deze verordening, indien daar zeer dringende redenen voor zijn. Er is sprake van bijzondere of onvoorziene hardheid als de toepassing van de verordening tot een onredelijk gevolg leidt en dat dat gevolg niet de bedoeling van de verordening kan zijn geweest. Of sprake is van een onredelijk gevolg zal per geval beoordeeld worden. Artikel 9.3. Evaluatie Het college zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening en de nadere regels in de praktijk. Artikel 9.4. Intrekking oude verordening De Verordening Jeugdhulp Westervoort 2018 wordt ingetrokken. Artikel 9.5. Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 juni 2023. Artikel 9.6. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp Westervoort 2023

Juridisch kader Jeugdwet Artikel 1.1 Veilig Thuis: Veilig Thuis-organisatie als bedoeld in artikel 4.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Artikel 2.2 1. De gemeenteraad stelt periodiek een plan vast dat richting geeft aan de door de gemeenteraad en het college te nemen beslissingen betreffende preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. 2. Het plan bevat de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren beleid betreffende preventie, jeugdhulp, de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering en geeft daarbij in ieder geval aan: a. wat de gemeentelijke visie en doelstellingen zijn van dit beleid; b. hoe dit beleid zal worden uitgevoerd in samenhang met de verantwoordelijkheid van het college inzake Veilig Thuis en welke acties in de door het plan bestreken periode zullen worden ondernomen; c. welke resultaten de gemeente in de door het plan bestreken periode wenst te behalen, hoe gemeten zal worden of deze resultaten zijn behaald en welke outcomecriteria gehanteerd worden ten aanzien van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen; d.

hoe het college uitvoering zal geven aan artikel 2.7, tweede lid, en hoe wordt gewaarborgd dat de jeugdhulpaanbieder voldoet aan de eisen inzake de verantwoordelijkheidstoedeling, gesteld bij of krachtens artikel 4.1.1, tweede lid, juncto 4.1.5, eerste lid; e. op welke wijze de gemeenteraad en het college zich hebben vergewist van de behoeften van kleine doelgroepen, en f. hoe het college uitvoering zal geven aan het op 13 december 2006 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (Trb. 2007, 169). 3. Het plan wordt, voor zover het de afstemming van en effectieve samenwerking met het onderwijs betreft, niet vastgesteld dan nadat over een concept van het plan op overeenstemming gericht overleg heeft plaatsgevonden met het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs en het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs 2020. Het overleg met deze samenwerkingsverbanden vindt plaats overeenkomstig een procedure, vastgesteld door het samenwerkingsverband en het college van de gemeente of gemeenten. De procedure bevat een voorziening voor het beslechten van geschillen. Artikel 2.3 1.

Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld: a. gezond en veilig op te groeien b. te groeien naar zelfstandigheid, en

2.

3.

4.

5. 6.

c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp omvatten voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. Indien een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, aangewezen is op permanent toezicht en die jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1, onder 2° of 3°, of verpleging als bedoeld bij of krachtens artikel 11 van de Zorgverzekeringswet ontvangt, treft het college indien naar zijn oordeel noodzakelijk, voorzieningen die de ouders in staat stellen hun rol als verzorgers en opvoeders te blijven vervullen. Het college houdt bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp redelijkerwijs rekening met: a. behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders, en b. de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders. Voor zover redelijkerwijs mogelijk, wordt de jeugdige en zijn ouders keuzevrijheid geboden met betrekking tot de activiteiten van jeugdhulp.

Het college draagt er zorg voor dat de jeugdige in het geval van een uithuisplaatsing, indien redelijkerwijs mogelijk, bij een pleegouder of in een gezinshuis wordt geplaatst, tenzij dit aantoonbaar niet in het belang is van de jeugdige.

Artikel 2.4 lid 2 Het college is ten behoeve van een jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente verantwoordelijk voor de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen, van de jeugdreclassering en van de jeugdhulp die voortvloeit uit een strafrechtelijke beslissing, hetgeen in ieder geval inhoudt dat het college: a. voorziet in een toereikend aanbod van gecertificeerde instellingen, en b. de jeugdhulp inzet die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of die noodzakelijk is in verband met de tenuitvoerlegging van een machtiging tot uithuisplaatsing als bedoeld in artikel 265b van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede de jeugdhulp inzet die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. Artikel 2.6 1. Het college is er in ieder geval verantwoordelijk voor dat: a. er een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod is om aan de taken als bedoeld in de artikelen 2.2, 2.3 en 2.4, tweede lid, onderdeel b, te kunnen voldoen; b.

jeugdhulp op een laagdrempelige en herkenbare manier wordt aangeboden en te allen tijde bereikbaar en beschikbaar is in situaties waar onmiddellijke uitvoering van taken is geboden; c. degenen die beroepsmatig met jeugdigen werken deskundig advies kunnen krijgen over vragen en problemen met betrekking tot opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; d. wordt voorzien in maatregelen om kindermishandeling te bestrijden, en e. jeugdhulp ook toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, onverminderd de daarbij te hanteren professionele standaard als bedoeld in artikel 453 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. 2. Hetgeen in artikel 4.1.6, eerste, tweede, derde lid en vijfde lid, is bepaald ten aanzien van de jeugdhulpaanbieder is van overeenkomstige toepassing op het college, voor

zover het betreft personen die onder verantwoordelijkheid van het college werkzaamheden verrichten met betrekking tot de toeleiding naar, advisering over, de bepaling en het inzetten van de aangewezen voorziening. Artikel 2.7 lid 2 Op het college zijn de eisen inzake de verantwoordelijkheidstoedeling gesteld bij of krachtens artikel 4.1.1, tweede lid, juncto 4.1.5, eerste lid, van overeenkomstige toepassing ten aanzien van personen die onder verantwoordelijkheid van het college werkzaamheden verrichten met betrekking tot de toeleiding naar, advisering over en de bepaling van de aangewezen voorziening en ten aanzien van personen die door het college worden ingezet om jeugdhulp te verlenen. Artikel 2.9 1. De gemeenteraad stelt bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet in ieder geval regels: a. over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; b. over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; c. de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 wordt vastgesteld, en d.

voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Artikel 2.11 1. Het college kan de uitvoering van deze wet door derden laten verrichten. 2. Indien het eerste lid wordt toegepast, worden bij verordening regels gesteld ter waarborging van: a. een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van diensten door derden en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan, waarbij rekening wordt gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden, en b. de continuïteit van de jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering. 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het in het tweede lid bepaalde. 4. De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Artikel 2.12 1. Indien werkzaamheden als bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, worden aanbesteed en artikel 2.114 van de Aanbestedingswet 2012 niet van toepassing is, wordt: a. in de aanbestedingsprocedure rekening gehouden met de te leveren kwaliteit van de werkzaamheden, en b. niet louter op de laagste prijs gegund. 2.

Indien artikel 2.114 van de Aanbestedingswet 2012 op een aanbesteding van toepassing is, wordt geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, om te gunnen op basis van de laagste prijs. Artikel 3.5

1. De gecertificeerde instelling bepaalt of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Zij overlegt hiertoe met het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft. 2. Artikel 2.3, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. 3. De gecertificeerde instelling en het college leggen de wijze van overleggen vast in een protocol. 4. Het eerste lid blijft buiten toepassing indien de verplichting tot het bieden van jeugdhulp rechtstreeks voortvloeit uit een strafrechtelijke beslissing. Artikel 4.1.1 1. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling verlenen verantwoorde hulp, waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder. 2. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling organiseren zich op zodanige wijze, voorzien zich kwalitatief en kwantitatief zodanig van personeel en materieel en dragen zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde hulp. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling betrekken hierbij de resultaten van overleg tussen jeugdhulpaanbieders, het college en cliëntenorganisaties.

Voor zover het betreft jeugdhulp die verblijf van een jeugdige of ouder in een accommodatie gedurende ten minste een etmaal met zich brengt, draagt de jeugdhulpaanbieder er tevens zorg voor dat in de accommodatie geestelijke verzorging beschikbaar is, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de jeugdige of ouder. 3. De hulpverlener neemt bij zijn werkzaamheden de zorg van een goede hulpverlener in acht en handelt daarbij in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor die hulpverlener geldende professionele standaard. Artikel 8.1.1 1. Indien de jeugdige of zijn ouders dit wensen, verstrekt het college hun een persoonsgebonden budget dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken. 2. Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien: a. de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp, in staat zijn de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; b.

de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten; en c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is. 3. Bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. 4. Het college kan een persoonsgebonden budget weigeren: a. voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening, of b. indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 8.1.4, eerste lid, onderdeel a, d of e.

Artikel 8.1.4 1. Het college kan een beslissing aangaande een persoonsgebonden budget herzien dan wel intrekken, indien het college vaststelt dat: a. de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, b. de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget zijn aangewezen, c. de individuele voorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget niet meer toereikend is te achten, d. de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het persoonsgebonden budget, of e. de jeugdige of zijn ouders het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is. 2. Het college bepaalt in de beslissing als bedoeld in het eerste lid het tijdstip waarop de beslissing in werking treedt. 3. Indien het college een beslissing aangaande een persoonsgebonden budget met toepassing van het eerste lid, onderdeel a, heeft herzien dan wel ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten persoonsgebonden budget invorderen. Regeling Jeugdwet 1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westervoort&id=fb891dd4-112c-4048-aa7c-621d329afa34