20220531-rv-klapstraat-185-wonen-op-erf-van-lindner-bijlage-1-toelichting.pdf
Tekst van het document
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
Bestemmingsplan “Klapstraat 185, Wonen op het erf van Lindner” Ontwerp Grondwater Peilbuis 1 (2.3-3.3 m-mv) Het grondwater t.p.v. peilbuis 1 bevat een verhoogd gehalte barium (zware metalen) t.o.v. de streefwaarde, de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) wordt in deze gevallen niet overschreden zodat er uit milieuhygiënische overweging geen directe aanleiding is tot het instellen van aanvullend onderzoek. Verkennend onderzoek asbest in grond en puin bovengrond (0.0 max. 0.55 m-mv) Ter plaatse van de inspectiegaten G1 t/m G4 is in de uitgegraven bovengrond (bodemlaag tussen 0.0-0.5 mmv) in de fractie >20 mm zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Het totale gemiddeld indicatief gewogen gehalte asbest (fractie <20 mm + fractie >20 mm) in de bovengrond t.p.v. de inspectiegaten G1 t/m G4 is ter indicatie niet verhoogd t.o.v. het criterium voor nader onderzoek (> 50 mg/kg d.s.) of de interventiewaarde (100 mg/kg d.s) voor asbest. De bovengrond t.p.v. de inspectiegaten G1 t/m G4 is niet aantoonbaar verontreinigd met asbest. Ter plaatse van de inspectiegaten G5+G6+G9+G10+G13 is in de uitgegraven bovengrond (bodemlaag tussen 0.0-max 0.55 m-mv) in de fractie >20 mm zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Het totale gemiddeld indicatief gewogen gehalte asbest (fractie <20 mm + fractie >20 mm) in de bovengrond t.p.v.
de inspectiegaten G5+G6+G9+G10+G13 is ter indicatie niet verhoogd t.o.v. het criterium voor nader onderzoek (> 50 mg/kg d.s.) of de interventiewaarde (100 mg/kg d.s) voor asbest. De bovengrond t.p.v. de inspectiegaten G5+G6+G9+G10+G13 is niet aantoonbaar verontreinigd met asbest. Ter plaatse van de inspectiegaten G8+G11+G12 is in de uitgegraven bovengrond (bodemlaag tussen 0.0-0.5 mmv) in de fractie >20 mm zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Het totale gemiddeld indicatief gewogen gehalte asbest (fractie <20 mm + fractie >20 mm) in de bovengrond t.p.v. de inspectiegaten G8+G11+G12 is ter indicatie niet verhoogd t.o.v. het criterium voor nader onderzoek (> 50 mg/kg d.s.) of de interventiewaarde (100 mg/kg d.s) voor asbest. De bovengrond t.p.v. de inspectiegaten G8+G11+G12 is niet aantoonbaar verontreinigd met asbest. Ter plaatse van inspectiegat AG7 is in de uitgegraven bovengrond (bodemlaag tussen 0.0-0.4 m-mv) in de fractie >20 mm zintuiglijk asbestverdacht materiaal waargenomen. De verontreiniging betreft chrysotiel asbest dat in hechtgebonden vorm aanwezig is. Het berekende indicatieve gemiddelde gewogen asbestconcentratie in de fractie >20 mm van de uitgegraven bovengrond uit inspectiegat G7 bedraagt ca.
9.1 mg/kg d.s In het geanalyseerde bovengrondmonster M4 (zeeffractie < 20 mm) van inspectiegat G7 uit de bodemlaag tussen 0.0-0.4 m-mv) is een gemiddeld gewogen concentratie asbest gemeten van <0.5 mg / kg d.s. Het totale gemiddeld indicatief gewogen gehalte asbest (fractie <20 mm + fractie >20 mm) in de bovengrond (0.0-0.5 m-mv) t.p.v. inspectiegat G7 bedraagt 9.1 mg/kg d.s en is daarmee verhoogd t.o.v. de detectiegrens, het gemeten gehalte is niet verhoogd t.o.v. het criterium voor nader onderzoek (> 50 mg/kg d.s.) en de interventiewaarde (100 mg/kg d.s) voor asbest. De uitgegraven bovengrond uit inspectiegat G7 is verontreinigd met asbest onder de interventiewaarde. ondergrond (0.6-2.0 m-mv) fractie >20 mm Op basis van de uitgevoerde inspectie van het opgeboorde materiaal uit de inspectiegat G1, G7 en G12 zijn vanaf ca. 0.6 m-mv visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen. fractie <20 mm Van de ongeroerde ondergrond vanaf 0.6 m-mv zijn in deze fase van het onderzoek geen grondmonsters geanalyseerd op de fractie <20 mm. Plaatselijk zijn in de ondergrond tot ca. 1 m-mv nog bijmengingen met vn. Baksteendeeltjes waargenomen. Omdat in de ondergrond tot ca. 1 m-mv geen asbestverdacht materiaal (met
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Bestemmingsplan “Klapstraat 185, Wonen op het erf van Lindner” Ontwerp fractie >20 mm) in is aangetroffen is de verwachting dat er geen asbest met fractie < 20 mm in de ondergrond aanwezig is. puinmateriaal (0.0-max. 0.6 m-mv) Ter plaatse van de inspectiegaten G7, G14 en G15 is in de puinlaag (0.05-max. 0.6 m-mv) zintuiglijk geen asbesthoudend materiaal waargenomen. In het geanalyseerde puinmengmonster M5 (zeeffractie < 20 mm), van de inspectiegaten G7, G14 en G15 is een gemiddeld gewogen concentratie asbest gemeten van <0.5 mg/kg d.s. Het totale gemiddeld indicatief gewogen gehalte asbest (fractie <20 mm + fractie >20 mm) in de puinlaag t.p.v. de inspectiegaten G7, G14 en G15 is ter indicatie niet verhoogd t.o.v. het criterium voor nader onderzoek (> 50 mg/kg d.s.) of de interventiewaarde (100 mg/kg d.s) voor asbest. De aanwezige puinlaag t.p.v. de inspectiegaten G7, G14 en G15 is niet aantoonbaar verontreinigd met asbest. 5.1.3
Conclusie
Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
5.2
Geluid
5.2.1
Wettelijk kader
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.2.2
Situatie plangebied
De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten (woningen). Hierna wordt ingegaan op de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai als bedoeld in de Wgh. 5.2.2.1 Railverkeer- en industrielawaai In voorliggend geval zijn de aspecten railverkeerslawaai en industrielawaai niet van belang. Aangezien het plangebied niet is gelegen in of nabij een zone van een gezoneerd bedrijventerrein en tevens niet is gelegen in de nabijheid van een spoorlijn. Wat betreft de invloed van voorliggend initiatief op omliggende woningen wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). 5.2.2.2 Wegverkeerslawaai Algemeen In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken
Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m
Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m
De hiervoor genoemde zones gelden niet voor:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Bestemmingsplan “Klapstraat 185, Wonen op het erf van Lindner” Ontwerp • •
wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).
BJZ.nu heeft in voorliggend geval een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting. Resultaten Het plangebied ligt binnen de wettelijke zone van de Klapstraat en ’t Hoge Eind. De geluidsbelasting ten gevolge van de Klapstraat bedraagt hoogstens 42 dB. Met deze waarde wordt voor alle appartementen en woningen voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB en de aan de ambitiewaarde uit het gemeentelijk beleid van 43 dB. De geluidsbelasting ten gevolge van ’t Hoge Eind bedraagt hoogstens 45 dB. Hiermee wordt wel voldaan aan de voorkeurswaarde uit de wet geluidhinder. Voor de toetspunten 20, 21 en 23 (naar de straat gekeerde gevels van het appartementengebouw), geldt dat zij niet voldoen aan de ambitiewaarde uit het gemeentelijk beleid. Echter, de buitenruimtes en de gevels aan de voorkant van het appartementengebouw voldoen ruimschoots aan de ambitiewaarde van 43 dB. Om te toetsen of er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is ter plaatse van de te realiseren woningen is er in de berekening ook gekeken naar de cumulatieve geluidsbelasting waarbij ook de nabijgelegen 30 km/uur wegen zijn meegewogen. De maximale cumulatieve geluidsbelasting bedraagt op toetspunt 21 en 23 maximaal 54 dB.
Met deze waarde wordt niet automatisch voldaan aan een binnenwaarde van 33 dB uit het bouwbesluit. Er zullen extra maatregelen getroffen moeten worden om een geluidsreductie van minimaal 1 dB te bewerkstelligen om te voldoen aan het Bouwbesluit. Met het nemen van extra maatregelen zoals: Rockwool isolatie, HR++ glas of voorzetwanden, kan gemakkelijk een binnenniveau van 33 dB worden gerealiseerd. Met betrekking tot Bouwbesluit is er, met het nemen van extra maatregelen, dan ook sprake een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.2.3
Conclusie
Gelet op vorenstaande is er in het kader van de Wgh, het gemeentelijk geluidbeleid en het Bouwbesluit sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Bestemmingsplan “Klapstraat 185, Wonen op het erf van Lindner” Ontwerp In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit gevoelige bestemmingen is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2
Situatie plangebied
Externe werking van het plan Gelet op de aard en omvang van voorliggend initiatief, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in 5.3.1.1 wordt gesteld dat voorliggend initiatief ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Daarnaast wordt de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Interne werking van het plan Op basis van de "grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland", welke is gepubliceerd door het Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu, zijn op schaal van km² de gemiddelde achtergrondconcentraties van diverse luchtverontreinigende stoffen aangegeven. De gegevens voor het plangebied worden weergegeven in onderstaande tabel: Parameter
Achtergrondwaarde [μg/m²] 2020
Achtergrondwaarde [μg/m²] 2030
Grenswaarde [μg/m²]
Voldoet (ja/nee)
40
WHO advieswaarde [μg/m²] 40
Stikstofdioxide NO2 Zwevende deeltjes PM10 Zwevende deeltjes PM2,5
13,23
9,78
16,0
14,15
40
20
Ja
9,54
7,66
25
10
Ja
Ja
Uit de tabel blijkt dat aan de grenswaarden voor NO2 en PM10 en de blootstellingsconcentratieverplichting voor PM2,5 voldaan wordt. Ook aan de advieswaarden van de van de WHO voor de achtergrondconcentratie van alle parameters wordt voldaan. 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit initiatief.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan “Klapstraat 185, Wonen op het erf van Lindner” Ontwerp
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode marker) en de directe omgeving weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan “Klapstraat 185, Wonen op het erf van Lindner” Ontwerp
Afbeelding 5.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)
In voorliggend geval is door de Omgevingsdienst Regio Arnhem een advies inzake externe veiligheid opgesteld. Het volledige advies is opgenomen in bijlage 4 bij deze toelichting. Hierna wordt op het advies ingegaan. Rondom het plangebied zijn de volgende externe veiligheidsbronnen relevant: Risicobron Hogedruk aardgasleidingen (Bevb) Inrichtingen (Bevi) Transport gevaarlijke stoffen over de weg (Bevt) Transport gevaarlijke stoffen over het water (Bevt) Transport gevaarlijke stoffen over het spoor (Bevt)
Klapstraat 185-185a Westervoort Het plangebied is niet gelegen in het invloedsgebied van een aardgastransportleiding. Het plangebied ligt op ca. 3.050 meter van de inrichting Immori B.V. (Industriestraat 10 Arnhem). Het invloedsgebied (3400 meter) ligt over het plangebied. Het plangebied ligt op ca. 2.500 meter van de snelweg A12. Hierover vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied (4.000 meter) ligt over het plangebied. Het plangebied is gelegen op ca. 1.000 meter van de IJssel. Hierover vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied (35 meter) van deze vaarweg ligt niet over het plangebied. Het plangebied is niet gelegen in het invoedsgebied van een spoorlijn waar gevaarlijke stoffen overheen vervoerd worden.
De beoordeling van externe veiligheid wordt uitgevoerd voor twee risiconormen, namelijk het plaatsgebonden risico en groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een Bevi inrichting, transportroute en hogedruk aardgastransportleiding. Dit vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan “Klapstraat 185, Wonen op het erf van Lindner” Ontwerp Groepsrisico Het plangebied ligt in het invloedsgebied van de inrichting Immori B.V. en de snelweg A12. Daarmee hebben wijzigingen in het invloedsgebied van deze bronnen invloed op de hoogte van het groepsrisico. Voor Immori B.V. moet een uitgebreide verantwoording groepsrisico opgesteld worden. Doordat de afstand tussen het plan en de A12 groter dan 200 meter is, heeft de wetgever aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Hiervoor moeten de volgende werkzaamheden worden verricht: • • • •
De verandering van de hoogte van het groepsrisico moet in beeld gebracht worden voor de inrichting Immori B.V. Gezien de grote afstand kan dit kwalitatief; Conform de motivatie onderdelen van Bevi artikel 13 moet het groepsrisico uitgebreid verantwoord worden voor Immori B.V.; Conform de motivatie onderdelen van Bevt artikel 7 en 9 moet het groepsrisico beperkt verantwoord worden voor de snelweg A12; Er moet advies worden aangevraagd bij de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM).
Resumé Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een risicobron. Daarmee wordt geen grens- of richtwaarde overschreden en is er geen sprake van een directe of harde belemmering voor realisatie van het project. In het kader van het groepsrisico is een uitgebreide verantwoording groepsrisico nodig voor Immori B.V. Voor de snelweg A12 kan worden volstaan met een beperkte verantwoording groepsrisico. Dit vormt echter geen belemmering voor het plan. Deze verantwoording is een verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag waarin zij het restrisico accepteert. Verantwoording groepsrisico Na aanleiding van het advies van de Omgevingsdienst Regio Arnhem (zie bijlage 4), heeft de betreffende Omgevingsdienst tevens een groepsrisicoverantwoording opgesteld. De volledige groepsrisicoverantwoording is opgenomen in bijlage 5 van deze toelichting. Hierna volgt de conclusie. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan in het invloedsgebied van de inrichting Immori B.V. en de snelweg A12. Op basis van de beperkte verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico, dan wel op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het initiatief. 5.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het initiatief vanuit het oogpunt van externe veiligheid verantwoord is.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan “Klapstraat 185, Wonen op het erf van Lindner” Ontwerp functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), worden aangemerkt als ‘gemend gebied’. Bij ‘gemengde gebieden’ moet gedacht worden aan: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied.
Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Aangezien het plangebied in hoofdzaak is omgeven door woningen wordt in voorliggend geval uitgegaan van het gebiedstype ‘rustige woonwijk’.
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan “Klapstraat 185, Wonen op het erf van Lindner” Ontwerp 5.3 6
1.000 m 1.500 m
5.5.3
Situatie plangebied
700 m 1.000 m
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe milieugevoelige functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functies. In de nabijheid van het plangebied bevindt zich uitsluitend aan de Klapstraat 205 een milieubelastende functie. Ter plaatse is een (sport)basisschool gevestigd. Dit betreft een milieucategorie 2 functie, waarvoor een richtafstand van 30 meter geldt. Het plangebied bevindt zich op bijna 40 meter afstand van de (sport)basisschool (gemeten tussen het bestemmingsvlak van de basisschool en de plangrens van het plangebied). Er wordt voldaan aan de richtafstand, waardoor ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt verwacht.
Andersom vormt de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering voor de bedrijfsvoering van de (sport)basisschool. 5.5.4
Conclusie milieuzonering
Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit de bedrijven- en milieuzonering ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omliggende milieubelastende bedrijven worden als gevolg van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet in de bedrijfsvoering belemmerd. Het aspect milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.
5.6
Ecologie
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan “Klapstraat 185, Wonen op het erf van Lindner” Ontwerp 5.6.1
Gebiedsbescherming
5.6.1.1 Natura 2000-gebieden Nederland heeft de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Wet natuurbescherming verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 900 meter afstand van het plangebied. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is inzicht in de te verwachten effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden nodig. BJZ.nu is gevraagd om de te verwachten stikstofemissie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling en de eventuele gevolgen daarvan inzichtelijk te maken. De stikstofberekening is uitgevoerd met behulp van de voorgeschreven rekentool AERIUS Calculator 2020. In het AERIUS-rapport (opgenomen in bijlage 6) wordt een toelichting op de AERIUS berekening gegeven. Geconcludeerd wordt dat in de stikstofberekening voor de gebruiksfase is geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Gelet op het vorenstaande is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.
5.6.1.2 Gelders natuurnetwerk (GNN) Het Gelders Natuurnetwerk (GNN), is als onderdeel van het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het GNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als GNN is gelegen op circa 315 meter van het plangebied. Gezien de onderlinge afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling, wordt gesteld dat geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN. 5.6.2
Soortenbescherming
5.6.2.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet er worden bekeken of hier een vrijstelling voor geldt anders moet er een ontheffing worden gevraagd. 5.6.2.2 Beoordeling plangebied In voorliggend geval is door Viridis een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 7 bij deze toelichting. Hierna wordt op de bevindingen ingegaan. Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat de woning en aangrenzende schuur en stal geschikt zijn voor verblijfplaatsen van vleermuizen en voor nestplaatsen van huismus en gierzwaluw. De bomen in het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op geschikte holtes en loszittend schors. Er zijn enkele bomen aangetroffen waar (potentieel) geschikte holtes aanwezig zijn. Vleermuizen en hun verblijfplaatsen en nesten van huismus en gierzwaluw zijn jaarrond beschermd, er dient daarom een nader onderzoek naar deze soort(groep)en uitgevoerd te worden. De gebouwen, bomen en struiken zijn ook geschikt voor algemene broedvogels zoals merel, winterkoning en ekster.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan “Klapstraat 185, Wonen op het erf van Lindner” Ontwerp Om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen, dienen er mitigerende maatregelen te worden uitgevoerd. Door werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kunnen negatieve effecten op algemene broedvogels voorkomen worden. Negatieve effecten op vleermuizen, huismus en gierzwaluw zijn niet middels mitigatie geheel te ondervangen. 5.6.3
Bomenkap
Een belangrijk onderdeel van de planontwikkeling is om dit nieuwe woongebied groen op te zetten. Op deze manier wordt gerefereerd aan het oorspronkelijke boerenerf en wordt tevens de wens van de omwonenden vervuld om het terrein een groene enclave in de buurt te laten zijn. De bestaande houtwal rond het plangebied wordt zoveel mogelijk behouden en waar nodig zal er onderhoud gepleegd worden om zo de houtwal kwalitatief in stand te kunnen houden. Enkele bomen in de houtwal zullen indien nodig gekapt worden om bestaande bomen er naast meer ruimte te geven om uit te groeien. Met het onderhoud van de houtwal blijft ook op lange termijn de privacy van de huidige omwonende gewaarborgd door de beperking van inkijk vanaf het te ontwikkelen terrein. Op het terrein zullen ten behoeve van de nieuwe bebouwing enkele bomen gekapt worden. Deze kap is noodzakelijk om ruimte te maken voor de te realiseren bebouwing, danwel doordat bomen te dicht op de te realiseren bebouwing staan. Sommige bomen kunnen zonder vergunning gekapt worden, als dit niet het geval is, wordt een kapvergunning bij de gemeente Westervoort aangevraagd. 5.6.4
Conclusie
Ten aanzien van het onderdeel gebiedsbescherming zijn geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Voor het onderdeel soortenbescherming dient nader onderzoek te worden uitgevoerd en eventueel een ontheffing te worden aangevraagd. Indien ten minste voor de vergunningsfase nader onderzoek is uitgevoerd en eventueel een ontheffing is aangevraagd, vormt het onderdeel soortenbescherming geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.7
Archeologie & cultuurhistorie
5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied Archeologisch bureau- en veldonderzoek Doordat het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde kent, is in voorliggend geval door Laagland Archeologie een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport behorende bij dit onderzoek is in bijlage 8 van deze toelichting opgenomen. Hierna wordt op de bevindingen ingegaan. Op basis van het bureauonderzoek geldt een hoge verwachting voor de periode Vroege-Middeleeuwen tot Nieuwe tijd. Onder een afdekking van overslaggronden zijn mogelijk archeologische niveaus bewaard gebleven in oeverafzettingen afkomstig van de Gelderse IJssel stroomgordel. De oeverafzettingen van de Gelderse IJssel zijn afgezet vanaf ca. 600 na Chr. De hoge verwachting voor de perioden vanaf de Vroege-Middeleeuwen tot
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan “Klapstraat 185, Wonen op het erf van Lindner” Ontwerp en met de Nieuwe-tijd is gebaseerd op de bedijking vanaf ca. 1050 na Chr. Vanaf deze perioden is het aannemelijk dat onderzoeksgebied in gebruik is genomen en zijn archeologische resten binnen het plangebied te verwachten. Op 100 en 200 cm -mv liggen waarschijnlijk eolische afzettingen uit het Midden tot LaatWeichselien. De archeologische verwachting aan of dicht bij de pleistocene oppervlakte is middelhoog voor archeologische resten vanaf het Laat-Paleolithicum tot Vroeg-Neolithicum, laag vanaf het Midden-Neolithicum tot Late-Bronstijd vanwege veengroei en middelhoog voor de IJzertijd tot Vroege-Middeleeuwen. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans groot dat het plangebied archeologische sporen bevat. Binnen het plangebied zijn oude woongronden in oeverafzettingen al dan niet afgedekt door subrecente ophogingen. In de dikke A-horizont van de oude woongronden, direct daaronder in de oeverafzettingen vanaf 70 à 120 cm -mv (9,13 à 10,24 m +NAP) en in laklagen die vanaf 110 à 140 cm -mv voorkomen (8,93 à 9,20 m +NAP) zijn archeologische indicatoren aangetroffen. Verder is vanaf 60 tot 120 cm -mv (8,95 tot 9,55 m + NAP) een archeologisch spoor aangetroffen in boring 3. Mogelijke vindplaatsen dateren van na 600 na Chr. (VroegeMiddeleeuwen) tot Nieuwe tijd.
Archeologisch proefsleuvenonderzoek Doordat uit het archeologisch bureau- en veldonderzoek blijkt dat het plangebied mogelijk nog archeologische resten bevat, is een nader onderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport behorende bij dit onderzoek is in bijlage 9 van deze toelichting opgenomen. Hierna wordt op de bevindingen ingegaan. Op basis van het proefsleuvenonderzoek blijkt ter plaatse van het onderzochte gebied geen sprake te zijn van behoudenswaardige archeologisch vindplaatsen. Gezien de afwezigheid van een behoudenswaardige archeologische vindplaats en de verwachting dat er in het overige deel van het nieuwbouwvlak ook geen vindplaats aanwezig is, wordt geadviseerd om geen verder onderzoek te laten uitvoeren. Geadviseerd wordt om het plangebied, voor wat betreft het onderzochte (oostelijke) deel, vrij te geven ten aanzien van het omgevingsaspect ‘archeologische waarden’ en bij de vergunningverlening geen verdere voorwaarden te stellen ten aanzien van bodemroerende werken binnen het bouwvlak. Het westelijke, niet onderzochte deel van het plangebied, wordt niet vrijgegeven en daarvoor blijft het bestemmingsplan Archeologie en Cultuurhistorie van kracht. 5.7.2
Cultuurhistorie
5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie plangebied Er is geen sprake van monumentale bebouwing in en om het plangebied. De bestaande te splitsen woning/ boerderij is wel aangemerkt als karakteristiek pand. Hiermee is wel sprake van een cultuurhistorisch waardevol element in het plangebied. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt de uiterlijke verschijningsvorm van de betreffende bebouwing niet of nauwelijks aangepast. Met de woningsplitsing krijgt deze bebouwing een passende vervolgfunctie, wat de levensvatbaarheid van deze karakteristieke bebouwing ten goede komt.
Overigens wordt opgemerkt dat in de regels van voorliggend bestemmingsplan cultuurhistorische waarden worden gewaarborgd door middel van de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ en de aanduiding ‘karakteristiek’ afkomstig uit het bestemmingsplan “Archeologie en Cultuurhistorie”. Deze regels zijn namelijk onverkort van toepassing verklaard.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan “Klapstraat 185, Wonen op het erf van Lindner” Ontwerp Het aspect cultuurhistorie vormt daarmee geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 5.7.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het aspect archeologie geen belemmering vormt en er tevens geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
5.8
Besluit milieueffectrapportage
5.8.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • • •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.8.2
Situatie plangebied
5.8.2.1 Passende beoordeling Met dit bestemmingsplan wordt voorzien in het realiseren van 26 woningen met bijbehorende voorzieningen. Gelet op de ruime afstand tot Natura-2000 gebieden alsmede de resultaten uit het stikstofonderzoek (zie ook (5.6.1) wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van de aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8, lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk, aangezien er geen significante negatieve effecten zijn te verwachten. Er is dus geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan “Klapstraat 185, Wonen op het erf van Lindner” Ontwerp 5.8.2.2 Drempelwaarde Besluit m.e.r. Voor de ontwikkeling is een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. Uit deze aanmeldnotitie is gebleken dat ten gevolge van het plan geen significant negatieve effecten op de omgeving zullen optreden. Voor een uitgebreide beschrijving van de milieueffecten wordt verwezen naar de aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling, opgenomen in bijlage 10 van deze toelichting. 5.8.2.3 Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Er zijn eveneens geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan “Klapstraat 185, Wonen op het erf van Lindner” Ontwerp
HOOFDSTUK 6
WATERASPECTEN
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3
Provinciaal beleid
Het Provinciaal Waterplan Gelderland 2010-2015 is onderdeel van de Omgevingsvisie Gelderland en mede kader voor de wijze waarop omgegaan wordt met water in het plangebied. Het waterplan is beschreven aan de hand van een aantal thema’s zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Hierbij is rekening gehouden met de Europese kaderrichtlijn water en het beleid. 6.1.4
Beleid waterschap Rijn en IJssel
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta, Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Rijn en IJssel heeft een waterbeheerplan opgesteld voor de periode 2016-2021. Dit plan beschrijft het beleid voor alle taakgebieden van Waterschap Rijn en IJssel. Het plan geeft aan welke doelen het waterschap nastreeft en met welke aanpak we deze willen bereiken. Het plan gaat over het waterbeheer in het hele stroomgebied van Rijn en IJssel en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan “Klapstraat 185, Wonen op het erf van Lindner” Ontwerp
6.2
Waterparagraaf
6.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Watertoetsprocedure
Het waterschap Rijn en IJssel is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de normale procedure van de watertoets is toegepast. Vanwege de zogenaamde ‘normale procedure’ is in voorliggend geval overleg gevoerd met het waterschap Rijn en IJssel. Het waterschap heeft in het overleg aangegeven dat in ieder geval rekening moet worden gehouden met de afstand van obstakels ten opzichte van de watergangen gelegen aan de oost- en westzijde. Hier dient een afstand van circa 1,5 meter te worden aangehouden. Bij de uitwerking van de plannen wordt hier rekening mee gehouden. Tevens werd aandacht geschonken aan de waterbergingsopgave in relatie tot de toe te voegen verharding in het plangebied. Om de toe te voegen verharding te compenseren in waterberging, is initiatiefnemer enerzijds voornemens om de verharding die benodigd is, zoveel mogelijk uit te voeren als zijnde halfverharding. Tevens wordt onderzocht of het toepassen van infiltratiekratten (ter plaatse van het parkeerterrein) tot de mogelijkheden behoort. Benadrukt wordt dat de water infiltrerende/-compenserende maatregelen binnen het plangebied worden opgelost. Hierna wordt ingegaan op de overige waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied Algemeen Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Westervoort.
De locatie bevindt zich niet binnen een grondwaterbeschermings-, intrek- of waterwingebied. Grondwater Binnen het plangebied zijn geen gevallen van grondwateroverlast bekend. Oppervlaktewater In het plangebied wordt geen oppervlaktewater gerealiseerd. Zoals hiervoor benoemd, ligt het plangebied in de nabijheid van een watergang dat in beheer is van het waterschap. In een zone van circa 1,5 vanaf de watergang worden geen obstakels gerealiseerd. Het één en ander vormt daarom geen belemmering voor het onderhoud aan de watergang. Afvalwater Het afvalwater wordt afgevoerd naar de riolering. Het rioolstelsel wordt dusdanig uitgevoerd dat het afvalwater van het toekomstige aantal vervuilingseenheden kan worden afgevoerd. 6.2.3
Conclusie
Gelet op het vorenstaande, zijn er ten aanzien van het aspect ‘water’ geen belemmeringen te verwachten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan “Klapstraat 185, Wonen op het erf van Lindner” Ontwerp
HOOFDSTUK 7 7.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
•
Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • •
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, dakhelling, etc.);
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan “Klapstraat 185, Wonen op het erf van Lindner” Ontwerp • •
Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarden er mag worden afgeweken van de bouwregels; Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemming.
In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht. 7.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: • Anti-dubbeltelregel (Artikel 5) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. • Algemene bouwregels (Artikel 6) In dit artikel zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande afwijkingen. • Algemene gebruiksregels (Artikel 7) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Het hiermee strijdige gebruik is hier specifiek benoemd. • Algemene afwijkingsregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. • Algemene wijzigingsregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. • Overige regels (Artikel 10) In dit artikel worden overige regels, welke betrekking hebben op realisatie en behoud van voldoende parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden, gegeven.
Tevens worden de regels van het bestemmingsplan ‘Archeologie en Cultuurhistorie’ onverkort van toepassing verklaard. Zodoende zijn de regels afkomstig uit dat bestemmingsplan ook van toepassing op het plangebied. 7.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Tuin (Artikel 3) De gronden ter plaatse van de randen van het plangebied zijn voorzien van de bestemming ‘Tuin’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan “Klapstraat 185, Wonen op het erf van Lindner” Ontwerp Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor tuinen en erven met een oprit c.q. toegangspaden met bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en andere-werken. In de bouwregels is bepaald dat ter plaatse van deze bestemming geen gebouwen mogen worden gebouwd. Binnen deze bestemming mogen wel uitbouwen in de vorm van erkers behorende bij de aangrenzende hoofdgebouwen worden gebouwd. In de bouwregels zijn hier tevens maatvoeringseisen voor opgenomen. Wonen (Artikel 4) Nagenoeg het volledige plangebied is voorzien van de bestemming ‘Wonen’. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor woningen en aan huis verbonden beroepen. Bijbehorende voorzieningen zoals onder andere wegen, paden en parkeervoorzieningen zijn eveneens toegestaan. Door middel van bouwvlakken aanduidingen is bepaald waar wat gebouwd mag worden. Het bouwen van gebouwen is uitsluitend binnen de bouwvlakken toegestaan. Ter plaatse van de bestaande te splitsen boerderij is daarnaast de aanduiding ‘twee-aan-een’ opgenomen. Bij de grondgebonden woningen en de appartementen zijn respectievelijk de aanduidingen ‘aaneengebouwd’ en ‘gestapeld’ opgenomen. Door middel van deze aanduidingen is bepaald wat voor type woningen ter plaatse van de aanduidingen mogen worden gebouwd.
Ter plaatse van de te realiseren grondgebonden woningen, is door middel van een ‘gevellijn’ aangegeven aan welke zijde van het bouwvlak de voorgevels van de woningen moeten worden gebouwd. Deze gevellijn is opgenomen omdat het ter plaatse van deze woningen anders discutabel kan zijn wat als voorgevel kan worden aangemerkt. Daarnaast zijn in de bouwregels regels opgenomen voor het bouwen bij aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. Specifiek voor de bestaande schuur die wordt verbouwd en gebruikt als een gezamenlijk bijgebouw, is de aanduiding ‘bijgebouw’ opgenomen. Specifiek voor dit bijgebouw is bepaald dat de goothoogte maximaal 3 meter hoog mag zijn, met dien verstande dat aan één zijnde van het bijgebouw de goothoogte 6 meter mag bedragen. De bouwhoogte mag maximaal 10 meter hoog zijn.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan “Klapstraat 185, Wonen op het erf van Lindner” Ontwerp
HOOFDSTUK 8
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan of omgevingsvergunning geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico van planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Tevens zijn in de gemeentelijke kosten opgenomen in de overeenkomst, waardoor het kostenverhaal voor de gemeente volledig verzekerd is. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan “Klapstraat 185, Wonen op het erf van Lindner” Ontwerp
HOOFDSTUK 9 9.1
Vooroverleg
9.1.1
Rijk
VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit plan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2
Provincie Gelderland
Voorliggend bestemmingsplan wordt in het kader van het vooroverleg gedeeld met de provincie Gelderland. 9.1.3
Waterschap Rijn en IJssel
In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de normale procedure van de watertoets is toegepast. Doordat er sprake is van een ‘normale procedure’, is overleg geweest met het waterschap. Vanuit het waterschap zijn tips meegegeven omtrent de waterhuishouding ter plaatse van het plangebied. De ‘normale procedure’ had voornamelijk betrekking op het gegeven dat het plangebied binnen de beschermingszones (onderhoudszones) van de naastgelegen watergangen ligt. Indien deze gronden onbebouwd blijven, zijn er vanuit het waterschap geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling.
9.2
Inspraak
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Gelet op de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling wordt er geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.