CConstaterende datWestervoort
Koppel je AI →
Document · PDF

20220531-rv-klapstraat-185-wonen-op-erf-van-lindner-bijlage-1-7 -natuurwaardenonderzoek.pdf

Commissie Ruimte en Financien 31 mei 2022, gemeente WestervoortBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Klapstraat 185, Wonen op het erf van Lindner10.262 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Projectnummer:

Januari 2021

Quickscan Wet natuurbescherming Herontwikkeling Klapstraat 185 te Westervoort

In opdracht van: Faunest Projectnummer: 2021-008

© 2021 Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, Culemborg Ecologisch Adviesbureau Viridis bv Randweg 30 4104 AC Culemborg T 0345 753 275 E info@bureau-viridis.nl W www.bureau-viridis.nl KvK 110 557 87

Btwnr

NL 820598215B01

IBAN

NL46 TRIO 0198 4486 00

Tekst: Veldonderzoek: Foto’s:

P. (Pascalle) Dekker P. (Pascalle) Dekker en D.C. (David) Broek P. (Pascalle) Dekker

Foto voorblad:

Achterzijde Klapstraat 185 te Westervoort

Projectnummer: Wijze van citeren:

2021-008 Dekker P., 2021. Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 te Westervoort. Ecologisch Adviesbureau Viridis, Culemborg, PRNR-2021-008.

In opdracht van: Contactpersoon:

Faunest B.V. J. (Jennifer) de Jonge

Datum: Ondertekening: Paraaf:

28-1-2021 D.C. (David) Broek

Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, fotokopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecologisch Adviesbureau Viridis is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden, kaartmateriaal (Basis Registratie Topografie Kadaster 2021, tenzij anders wordt vermeld) inclusief getoonde begrenzingen of andere gegevens verkregen van Ecologisch Adviesbureau Viridis. De opdrachtgever vrijwaart Ecologisch Adviesbureau Viridis voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Ecologisch Adviesbureau Viridis is mede om die redenen lid van het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van ecologische adviesbureaus.

Hierdoor zijn wij zo goed mogelijk op de hoogte van de nieuwste ontwikkeling op het gebied van ecologie en wetgeving. Door de inzet van conform de wet ter zake kundige ecologen, waarborgen wij onze onderzoekskwaliteit. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie.

P. (Pascalle) Dekker

Quickscan Wet natuurbescherming Herontwikkeling Klapstraat 185 te Westervoort

In opdracht van: Faunest

Inhoud

Samenvatting

5

1

7

2

3

4

Aanleiding

6.3

7

Conclusie

25

Nader onderzoek beschermde soorten

25

Kansen voor biodiversiteit

26

1.1

Situatie

7

1.2

Beschrijving van het plangebied

7

7.1

Inleiding

26

1.3

Probleemstelling

7

7.2

Dood hout

26

Onderzoeksmethode

12

7.3

Bestaande vegetatie

26

2.1

Literatuuronderzoek

12

7.4

Kruiden / bloemen en insecten

26

2.2

Veldonderzoek

12

7.5

Broedvogels

27

2.3

Analyse

12

7.6

Vleermuizen

27

Gebiedsbescherming

13

8

Bronnen

28

3.1

Natura 2000-gebieden

13

8.1

Literatuur

28

3.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

14

8.2

Websites

28

Soortbescherming

15

Wettelijk kader

29

4.1

Vaatplanten

15

Wet natuurbescherming

29

4.2

Grondgebonden zoogdieren

15

Zorgplicht (art. 1.11)

29

4.3

Vleermuizen

16

Natura 2000-gebieden

29

4.4

Vogels

20

Soortbescherming

29

4.5

Overige soorten

22

Vogelrichtlijn (artikel 3.1)

29 30

5

Houtopstanden

23

Habitatrichtlijn (artikel 3.5)

6

Conclusie en advies

24

Nationale beschermde soorten (artikel 3.10) 30

6.1.1

Gebiedsbescherming

24

Beschermde houtopstanden

31

6.1.2

Soortbescherming

24

Ontheffing, vergunning of vrijstelling

31

6.1.3

Houtopstanden

24

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

32

6.2

Mitigerende maatregelen

24

Overzicht algemene vrijstellingen

33

Samenvatting

Aanleiding City Developer-S en Hurenkamp Architecten & Adviseurs is voornemens om boerenerf Lindner te herontwikkelen. Het plangebied betreft een perceel aan de Klapstraat 185 te Westervoort. De herontwikkeling kan negatieve effecten veroorzaken op ter plaatse voorkomende beschermde soorten1. Mogelijk worden daarbij verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. Daarom heeft Faunest aan Bureau Viridis gevraagd om een Quickscan Wet natuurbescherming uit te voeren. Resultaten Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ ligt op een afstand van 900 meter van het plangebied. In de uitvoerende en gebruiksfase kan een toename in stikstofdepositie plaatsvinden. Het is noodzakelijk om een stikstofberekening uit te voren in het kader van het Natura 2000-gebied Rijntakken uit te voeren. Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat de woning en aangrenzende schuur en stal geschikt zijn voor verblijfplaatsen van vleermuizen en voor nestplaatsen van huismus en gierzwaluw. De bomen in het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op geschikte holtes en loszittend schors. Er zijn enkele bomen aangetroffen waar (potentieel) geschikte holtes aanwezig zijn. Vleermuizen en hun verblijfplaatsen en nesten van huismus en gierzwaluw zijn jaarrond beschermd, er dient daarom een nader onderzoek naar deze soort(groep)en uitgevoerd te worden.

De gebouwen, bomen en struiken zijn ook geschikt voor algemene broedvogels zoals merel, winterkoning en ekster. Tabel 1 | Samenvatting gebiedsbescherming met effecten en vervolgstappen Gebied Beschermingsregime Afstand tot gebied Rijntakken Natura 2000 900m

Effecten? Mogelijk

Vervolgstappen? Stikstofberekening

Tabel 2 | Samenvatting effecten en vervolgstappen per aangetroffen of verwachte soortgroep. Soortgroep Effecten? Vleermuizen Mogelijk Huismus Mogelijk Gierzwaluw Mogelijk Algemene broedvogels Mogelijk Grondgebonden zoogdieren Nee Overige soorten (amfibieën, reptielen, vissen, insecten en andere ongewervelden en Nee vaatplanten.

Vervolgstappen? Aanvullend onderzoek Aanvullend onderzoek Aanvullend onderzoek Mitigerende maatregels Geen Geen

Mitigatie Om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen, dienen er mitigerende maatregelen te worden uitgevoerd. Door werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kunnen negatieve effecten op algemene broedvogels voorkomen worden. Negatieve effecten op vleermuizen, huismus en gierzwaluw zijn niet middels mitigatie geheel te ondervangen.

1

Beschermde soorten: alle onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten in de provincie Gelderland .

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 5

Aanvullend onderzoek Een stikstofberekening dient uitgevoerd te worden, en daarnaast is nader onderzoek naar vleermuizen en broedvogels noodzakelijk uitgevoerd in specifieke periodes. Deze worden in onderstaande tabel weergegeven: Tabel 3 | Onderzoeksperiodes per soortgroep Aantal onderzoeken

Onderzoeksperiode

Minimale tussenperiode

4 bezoeken

15 mei t/m 15 juli

(10) 30

2 bezoeken

15 augustus t/m 1 okt

(10) 20

Huismus

2 bezoeken

1 april t/m 15 mei

10

Gierzwaluw

3 bezoeken

1 juni - 15 juli

10

Type Vleermuis – Zomer Vleermuis – najaar

apr

mei

jun

jul

aug

sep

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 6

okt

1 Aanleiding

1.1

Situatie

City Developer-S en Hurenkamp Architecten & Adviseurs is voornemens om boerenerf Lindner te herontwikkelen. Het plangebied betreft een perceel aan de Klapstraat 185, gelegen in een woonwijk in het centrum van Westervoort. De herontwikkeling kan negatieve effecten veroorzaken op ter plaatse voorkomende beschermde natuurwaarden2. Mogelijk worden daarbij verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. De Wet natuurbescherming heeft drie beschermingsregimes: • gebiedsbescherming,; • soortenbescherming; • beschermde houtopstanden. In Bijlage A vindt u meer informatie over de Wet natuurbescherming en overige relevante wetgeving. Voorafgaande aan de uitvoering van de werkzaamheden is een onderzoek uitgevoerd naar het mogelijke voorkomen van beschermde natuurwaarden middels een verkennend natuurwaardenonderzoek (Quickscan). Het doel van dit onderzoek is om te onderzoeken of er door het uitvoeren van de werkzaamheden een overtreding van de Wet natuurbescherming is te verwachten. En zo ja, wat zijn de benodigde vervolgstappen om de werkzaamheden in overeenstemming met de Wnb uit te voeren? In onderhavig rapport worden de kaders, uitvoering, resultaten en effectbeoordeling van deze toetsing beschreven.

1.2

Beschrijving van het plangebied

Het plangebied betreft een perceel aan de Klapstraat 185 in Westervoort. Het perceel is acht ha groot en bestaan uit twee opstallen en een tuin. De woning is een bakstenen gebouw met een puntdak. Het dak is bedekt met pannen en de muren hebben

een spouw. Tegen het woonhuis aan ligt een schuur. Deze schuur heeft een puntdak met dakpannen, zonder spouwmuur. Op het perceel is ook een losstaande schuur aanwezig. Deze is open aan de voorzijde en aan de achterzijde zijn stallen aanwezig. Het dak is niet meer volledig bedekt met dakpannen en begroeid met veel vegetatie. De tuin bestaat voor een groot deel uit gazon. Er zijn een aantal bomen aanwezig, waaronder walnoot, appel en paardenkastanje. Het perceel wordt omringd door bosschages met op enkele locaties een zeer beperkte takkenril. Het perceel ligt in een groene woonwijk, gesitueerd ten zuiden van het Emmerik Park en ten noordoosten van de Nederrijn. De Nederrijn is onderdeel van het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’. In Figuur 1.1 en Afbeelding 1.1 t/m 1.10 is een impressie van het plangebied en de directe omgeving te zien.

1.3

Probleemstelling

De werkzaamheden betreffen herontwikkeling van de bestaande opstal en realisatie van nieuwbouwwoningen (Figuur 1.2). In de huidige woning komen twee woningen, de stal wordt aangepast voor berging en parkeren. Daarnaast zullen er 8 woningen en 16 appartementen gerealiseerd worden. Rondom de woningen wordt een moestuin en boomgaard aangelegd. Op het moment van schrijven van deze raptportage is de planning en de exacte uitvoering van de herontwikkelingsplannen nog onbekend. Om goed voorbereid te zijn op eventueel noodzakelijke maatregelen of een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming geeft een

2 Beschermde soorten: alle onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten in de provincie Gelderland .

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 7

Quickscan Wet natuurbescherming antwoord op de volgende onderzoeksvragen:

•

Gebiedsbescherming • Zijn negatieve effecten op Natura 2000 gebieden te verwachten en is een Voortoets noodzakelijk? • Zijn significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland te verwachten en is een ‘Nee tenzij’ toets noodzakelijk?

•

Soortbescherming • Zijn in het plangebied beschermde soorten en/of verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig of te verwachten? • Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep en de benodigde werkzaamheden?

Voorliggend rapport geeft advies met betrekking tot de mogelijkheden om de geplande ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming met de Wet natuurbescherming uit te voeren. Uiteindelijk wordt daarmee de vraag beantwoord: • Wat zijn de benodigde vervolgstappen om de werkzaamheden in overeenstemming met de Wet natuurbescherming uit te voeren?

Is het mogelijk om optredende negatieve effecten op beschermde soorten te mitigeren? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden? Is het noodzakelijk aanvullend onderzoek uit te voeren?

Houtopstanden • Worden er houtopstanden geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn en is daardoor een meldings- en herplantingsplicht van toepassing?

Figuur 1.1 | Plangebied herontwikkeling Klapstraat 185 te Westervoort.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 8

Figuur 1.2 | Situatieschets nieuwbouw Klapstraat 185 te Westervoort. Op nr. 1, de voormalige boerderij, komen twee woningen, nr. 2 werkschuur bergingen en parkeerplaatsen, nr. 3 8 woningen en nr. 4 16 appartementen.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 9

Afbeelding 1.1 I Voorzijde en zijgevel woning.

Afbeelding 1.3 I Achterzijde woning.

Afbeelding 1.5 I Voorzijde stal.

Afbeelding 1.2 I Voorzijde woning.

Afbeelding 1.4 I Schuur langs woning.

Afbeelding 1.6 I Achterzijde stal.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 10

Afbeelding 1.7 I Tuin achter het woonhuis en de wagenstal.

Afbeelding 1.8 I Paardenkastanjes in de tuin.

Afbeelding 1.9 I Rommelhoekje in de tuin, naast de stal.

Afbeelding 1.10 I Bijenkasten tegen de stal.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 11

2 Onderzoeksmethode

Om antwoord te kunnen geven op de onderzoeksvragen is een toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Hiermee is de ecologische waarde van het plangebied door middel van een literatuuronderzoek en een veldinventarisatie onderzocht. Op deze manier wordt het voorkomen van beschermde soorten binnen de Wet natuurbescherming bepaald. De gebruikte onderzoeksmethoden worden hieronder beschreven.

terreingesteldheid en expert judgement beoordeeld of in en rond het plangebied beschermde soorten voorkomen.

2.1

2.3

Literatuuronderzoek

Voor het literatuuronderzoek is gebruik gemaakt van bekende verspreidingsgegevens van beschermde soorten uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), verspreidingsatlassen van relevante soorten, het archief van Bureau Viridis en vrij beschikbare verspreidingsgegevens. De resultaten van het literatuuronderzoek hebben uitgewezen welke beschermde soorten in de omgeving van het plangebied verwacht kunnen worden. Tijdens het veldbezoek is speciale aandacht besteed aan het mogelijke voorkomen van deze soorten.

2.2

Veldonderzoek

Er is eveneens beoordeeld of voor beschermde soorten geschikt leefgebied aanwezig is. Daarnaast is gekeken of soortgericht onderzoek noodzakelijk is om de aanwezigheid van beschermde soorten en effecten van de werkzaamheden te kunnen beoordelen.

Analyse

De uit het literatuuronderzoek en veldonderzoek verkregen verspreidingsgegevens van beschermde soorten zijn geanalyseerd om na te gaan of er bij de uitvoering van de werkzaamheden mogelijk verbodsbepalingen (art. 3.1, 3.5 of 3.10) van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Wanneer blijkt dat er mogelijk beschermde soorten voorkomen die negatieve effecten kunnen ondervinden van de plannen is dit beschreven. Wanneer mogelijk worden alternatieven aangeboden om negatieve effecten te voorkomen of te verzachten. Indien het voorkomen van de soorten en/of de negatieve effecten nader onderzoek behoeft, wordt dit aangeven in de toetsing.

Naast het literatuuronderzoek heeft Ecologisch Adviesbureau Viridis een veldbezoek uitgevoerd. Dit veldbezoek heeft plaatsgevonden op 12 januari 2021. Bij het veldbezoek is op basis van geografische ligging,

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 12

3 Gebiedsbescherming

De wetgeving met betrekking tot beschermde gebieden betreft Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Bescherming van Natura 2000 gebieden is vastgelegd in artikel 2 van de Wet Natuurbescherming. Vanuit de Provinciale Structuurvisie zijn een aantal gebieden aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) en daarmee provinciaal beschermd.

3.1

Natura 2000-gebieden

Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Hierbij zijn er specifieke instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd per gebied. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijk leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Wanneer het mogelijk is dat er effecten kunnen zijn dan dient er door middel van een Voortoets op voorhand getoetst te worden wat de effecten van een project, tijdens de uitvoerfase en gebruiksfase zijn op de ter plaatse aangewezen habitattypen en -soorten. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten is er sprake van een vergunningsplicht en moet een Habitattoets uitgevoerd worden. In een Habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de

instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ ligt op een afstand van 900 meter (Figuur 3.1). Effectbeoordeling Natura 2000 Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een Natura 2000 gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan beschermd natuurgebied is geen sprake. Het nabijgelegen Natura 2000-gebied ligt op voldoende ruime afstand dat geen negatieve invloed verwacht wordt van factoren die slechts een korte reikwijdte hebben, zoals bodemtrillingen, geluids- en lichtbelasting. De enige factor die op grotere afstand werkzaam is en op basis van zijn reikwijdte van invloed kan zijn, betreft stikstofdepositie. In de uitvoerende en gebruiksfase kan een verhoging van stikstofdepositie plaatsvinden ten gevolge van uitstoot van het bouwverkeer en machines die tijdens werkzaamheden gebruikt worden. Op voorhand is niet uit te sluiten dat de uitvoerings- en of gebruiksfase van dit project leidt tot een toename in de depositie van stikstof op het Natura 2000-gebied groter dan de drempelwaarde (0,005 mol/ha/jr). Daarom zijn significant negatieve effecten op het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ niet uit te sluiten.

Conclusie Natura 2000 Het is noodzakelijk om een stikstofberekening uit te voren in het kader van het Natura 2000-gebied Rijntakken uit te voeren.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 13

3.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het NNN vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden. Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Een ‘Nee, tenzij’-toets dient te worden uitgevoerd wanneer ruimtelijke ontwikkelingen geheel of gedeeltelijk binnen de begrenzing van

het NNN plaatsvinden en negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden en/of een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden als gevolg van de voorgenomen maatregelen. Conclusie NNN Voor dit project is het uitvoeren van een ‘Nee, Tenzij’toets niet nodig omdat het plangebied buiten de begrenzing van het NNN ligt (Figuur 3.1).

Figuur 3.1 | Plangebied t.o.v. Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ en NNN.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 14

4 Soortbescherming

Hierna worden de resultaten van het literatuuronderzoek en veldonderzoek per soortgroep besproken. Daarbij is per soortgroep een effectenbeoordeling opgenomen, waarin helder beschreven wordt of er negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten zijn en, indien van toepassing, of er mitigerende maatregelen mogelijk zijn om deze effecten te voorkomen.

4.1

Vaatplanten

Uit de literatuur zijn er geen waarnemingen bekend van beschermde soorten vaatplanten in de omgeving van het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn deze (voor zover in bloei/vegetatief) ook niet aangetroffen. Ook is de omgeving van het plangebied goed ontwaterd en wordt er regelmatig gemaaid. Beschermde plantensoorten worden op basis van bekende verspreidingsgegevens en de terreingesteldheid niet verwacht in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Effectbeoordeling Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde vaatplanten in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde vaatplanten.

4.2

Grondgebonden zoogdieren

Uit de literatuur is de steenmarter (Martes foina) in en rond het plangebied bekend. De steenmarter verblijft meestal in gebouwen. Tijdens het veldbezoek zijn geen geschikte nestplaatsen van de steenmarter waargenomen. Bovenop de zolder in de stal zijn mogelijke sporen (keutels) van de steenmarter gevonden, afbeelding 4.1. Het dak van de stal is niet meer volledig bedekt met dakpannen waardoor de stal heel open is en zeer vochtig en tochtig kan zijn. Er zijn daarnaast geen ruimtes gevonden die geschikt zijn als

verblijfplaats voor de steenmarter. De huidige bewoner van de woning gaf aan dat ze twee jaar geleden een steenmarter met jongen heeft waargenomen tussen de woning en de stal. De daarop volgende jaren heeft ze de steenmarter niet meer gezien. De bewoner gaf ook aan geen geur van steenmarter op de zolder/vliering van de woning of de schuur waar te nemen. Tevens zijn er geen voor steenmarter geschikte openingen die toegang geven tot het woonhuis. Lettende op de uitwerpselen is de verwachting dat steenmarter regelmatig rondloopt op deze zolder en in de stal, en hierbij zijn territorium afbakent. Gezien echter geen potentiële verblijfplaatsen hier aanwezig zijn, kan worden uitgesloten dat steenmarter hier ook zijn verblijfplaats heeft. In de straat naast het plangebied zijn veel huizen aanwezig waar zich mogelijk geschikte locaties bevinden in schuurtjes of op zolders. De bunzing (Mustela putorius) en wezel (M. nivalis) zijn echte roofdieren. Vanwege hun geringe formaat moeten ze geregeld eten en ze brengen dus een groot deel van de dag en nacht jagend door. Ze speuren daarbij kieren en holen af op zoek naar prooi. Vanwege hun langgerekte bouw en korte pootjes zijn ze in staat om hun prooi tot in het hol te achtervolgen. Kleine marterachtigen komen in allerlei landschapstypen voor.

De soorten lijken wel een voorkeur te hebben voor kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. In het plangebied is een zeer kleine takkenril aanwezig, gelegen langs een druk voetpad en weg (Afbeelding 2.2). Het plangebied is midden in een woonwijk gelegen en er is geen verbinding met ander geschikt habitat in de omgeving. Er zijn geen waarnemingen van de bunzing en wezel vastgesteld rondom het plangebied (NDFF, 2021). Vanwege de situering van het plangebied, ontbreken van verbindingen en de zeer beperkte omvang van enige structuurelementen is uit te sluiten dat het plangebied een functie vervult voor wezel of bunzing.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 15

Daarnaast kunnen ook algemene grondgebonden zoogdieren als egel (Erinaceus europaeus) en bosmuis (Apodemus sylvaticus) voorkomen in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Deze soorten staan op een lijst met soorten die in de Provincie Gelderland vrijgesteld zijn van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (Bijlage A). Andere beschermde grondgebonden zoogdieren worden op basis van bekende verspreidingsgegevens en de terreingesteldheid niet verwacht in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden.

immers ruim voldoende alternatief territorium c.q. foerageergebied aanwezig. Daarom is het uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op deze soort. Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: • Negatieve effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren uitgesloten zijn. • Er rekening gehouden moet worden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming).

4.3

Vleermuizen

Op basis van het literatuuronderzoek is het bekend dat in de directe omgeving van het plangebied vleermuizen voorkomen, zoals de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en de ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) (NDFF, 2021). Bij het gebruik van het landschap door vleermuizen wordt onderscheid gemaakt in vaste verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied.

Afbeelding 4.1 I Mogelijk uitwerpselen van de steenmarter.

Afbeelding 4.2 I Beperkte takkenril zijkant plangebied.

Effectbeoordeling Op basis van het bureau- en veldonderzoek is het te verwachten dat steenmarter regelmatig voorkomt in het plangebied of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. De woning, schuur en stal zijn echter niet geschikt als verblijfplaats van de steenmarter. Ook is het plangebied niet te kwalificeren als zijnde essentieel voor de steenmarter. In de omgeving is

Vaste verblijfplaatsen Vleermuizen zijn globaal te verdelen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten zoals rosse vleermuis (Nyctalus noctula) en watervleermuis (Myotis daubentonii). Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (in spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten zoals de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten. Gebouwbewonende vleermuissoorten Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats onder andere achter gevelbetimmering, in de spouwmuren, achter de dakgoot, achter dakbeschot en in schoorstenen. In het plangebied zijn er verschillende openingen aangetroffen die voor vleermuizen als verblijfplaats kunnen dienen. Deze worden hieronder per gebouw beschreven. Massawinterverblijfplaatsen of paarverblijfplaatsen kunnen uitgesloten worden omdat de bebouwing niet voldoet aan de eisen voor een massawinterverblijfplaats met betrekking tot hoogte en omvang.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 16

Woning In de woning is een spouwmuur aanwezig. Via de kantpannen is de spouwmuur toegankelijk voor vleermuizen en kan deze dienen als verblijfplaats (Afbeelding 4.3). Daarnaast zijn er aan de achterzijde van de woning opstaande dakpannen aanwezig die kunnen dienen als invliegopening (Afbeelding 4.4). Schuur De schuur naast de woning is potentieel geschikt voor vleermuizen. Er is geen spouw aanwezig, maar tussen

de dakpannen en de gevel is ruimte aanwezig waar vleermuizen kunnen invliegen (Afbeelding 4.5). Stal Het dak van de stal is niet meer volledig bedekt met dakpannen waardoor deze zeer vochtig en tochtig kan zijn (Afbeelding 4.6). Er is ruimte aanwezig tussen de balken en de dakpannen, waardoor de stal alleen als zomerverblijfplaats geschikt is.

Afbeelding 4.3 I Spouwmuur aanwezig in woning.

Afbeelding 4.5 I Ruimte tussen dakpannen en gevel van de schuur.

Afbeelding 4.4 I Losliggende dakpannen geschikt als invliegopening voor vleermuizen.

Afbeelding 4.6 I Stal is potentieel geschikt als zomerverblijfplaats.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 17

Boombewonende vleermuissoorten Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors. In het plangebied zijn verschillende bomen aanwezig. Deze zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op geschikte holtes en loszittend schors. Er zijn enkele bomen aangetroffen waar mogelijk geschikte holtes aanwezig zijn. Boombewonende vleermuizen zijn daarom niet uit te sluiten in het plangebied. In figuur 4.1 zijn de locaties van de geschikte bomen weergegeven en hieronder worden deze bomen beschreven. 1. Treurwilg, in een zijtak zit een spechtenholte die potentieel geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen. Het was niet mogelijk deze met een ladder te inspecteren (Afbeelding 4.7). 2. Drie bomen begroeid met klimop. Het was niet mogelijk om deze bomen volledig te inspecteren door de klimop. Daarom is het niet mogelijk om te

bepalen of er geschikte holtes aanwezig zijn (Afbeelding 4.8). 3. Walnotenboom begroeid met klimop. Het was niet mogelijk om te bepalen of er geschikte holtes aanwezig zijn vanwege de volledige bedekking met klimop (Afbeelding 4.9). 4. Op het gazon staat een oude boom begroeid met klimop. In een zijtak is een holte aanwezig. Bij inspectie blijkt deze holte ver naar boven door te lopen in de tak, waardoor deze geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen (Afbeelding 4.10). 5. Italiaanse populieren, van de zeven bomen hebben minimaal vier bomen spechtenholtes die mogelijk geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Het was niet mogelijk deze met een ladder te inspecteren (Afbeelding 4.11).

Afbeelding 4.7 I 1. Treurwilg met spechtenholte in zijtak.

Afbeelding 4.9 I 3. Walnotenboom begroeid met klimop.

Afbeelding 4.8 I 2. Drie bomen begroeid met klimop.

Afbeelding 4.10 I 4. Boom met holte die doorloopt in de zijtak.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 18

Afbeelding 4.11 I 5. Italiaanse populier met spechtenholte.

1

3 2 4

5

Figuur 4.1 | Aanwezige bomen met (mogelijk) geschikte holtes in het plangebied.

Vliegroutes Om zich van verblijfplaats naar foerageergebied te verplaatsen wordt door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. De gewone dwergvleermuis gebruikt bijvoorbeeld vaak bomenrijen om zich te oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te

komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een significant negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben. Daarom zijn dergelijke vliegroutes beschermd.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 19

In de plangebieden is geen sprake van doorlopende lijnvormige elementen. Essentiële vliegroutes zijn daarom niet in de plangebieden te verwachten. Foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is strikt beschermd. Het is niet te verwachten dat er essentieel foerageergebied aanwezig is in de plangebieden. In de omgeving is voldoende alternatief foerageergebied aanwezig andere tuinen en nabijgelegen parken en natuurgebieden. Effectbeoordeling De woning, schuur en stal hebben verschillende openingen die geschikt kunnen zijn als paar- en zomerverblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Er zijn ook geschikte verblijfplaatsen gevonden voor boombewonende vleermuizen in het plangebied.

Negatieve effecten op vaste rust en/of verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet uit te sluiten door de werkzaamheden. Er is dan sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming Art 3.5. Nader onderzoek naar vleermuizen (volgens het Vleermuisprotocol 2021) is nodig om de aan- of afwezigheid van deze soorten in het plangebied vast te stellen. Mogelijk is het nodig een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen. Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: • Het niet uitgesloten is dat in het plangebied verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten aanwezig zijn. Met uitzondering van massawinterverblijfplaatsen en tweekleurige vleermuis paarverblijfplaatsen.

• Negatieve effecten op verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten kunnen niet uitgesloten worden; • Er geen essentiële vliegroutes aanwezig zijn in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden; • Het plangebied als foerageergebied door vleermuizen gebruikt kan worden, echter niet als essentieel foerageergebied.

4.4

Vogels

Vanuit de literatuur- en verspreidingsgegevens is bekend dat er meerdere vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in de omgeving van het plangebied voorkomen. Het gaat om de roek (Corvus frugilegus), gierzwaluw (Apus apus) en huismus (Passer domesticus) (NDFF, 2021). Daarnaast komen er ook algemene broedvogels zoals de ekster (Pica pica) en merel (Turdus merula) voor. Gierzwaluw Gierzwaluwen broeden vaak in holtes van daken waar ze bij voorkeur van onderaf in en uit kunnen vliegen. Er zijn ook gevallen bekend van broedende gierzwaluwen tussen kieren van muren of dakdelen. De holte dient aanwezig te zijn op een hoogte vanaf minimaal drie meter, zodat voldoende ruimte is om uit te vliegen. Aan de achterzijde van de woning zijn opstaande dakpannen aanwezig (Afbeelding 4.12) die toegang kunnen verschaffen tot geschikte broedholtes onder het dak. Bij de schuur is er ruimte tussen de dakpannen en de gevel waardoor ook een geschikte broedholtes aanwezig is. Huismus Huismussen broeden in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (ronde) dakpannen. Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van een geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken.

De huismus moet voldoende oppervlakte aan vegetatie hebben in de omgeving van zijn nestplaats: struiken en bomen voor de beschutting en grazige plekken voor het foerageren. Voornamelijk plekken waar bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen herbergen hoge dichtheden aan huismussen. De huidige bewoner van de woning gaf aan dat elk jaar meerdere huismussen onder het dak van de woning broeden. De

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 20

woning biedt veel mogelijkheden voor nestlocaties. De vogels kunnen boven de dakgoot en aan de kopse kanten invliegen. De schuur en de stal bieden ook potentiële nestlocaties tussen de gevel en het dak (Afbeelding 4.13 en 4.14). Bovendien is er in de omgeving voldoende leefgebied aanwezig. De vegetatie rondom de stal kan bijvoorbeeld als beschutting dienen (Afbeelding 4.15). Roek Vanuit de NDFF zijn er waarnemingen bekend van de roek rondom het plangebied. Deze soort leeft in kolonies en maakt nesten in bomen. Een roekenkolonie is daardoor herkenbaar door een groot aantal nesten, vaak in hogere bomen zoals bijvoorbeeld populieren.

Afbeelding 4.12 I Opstaande dakpannen geschikt als potentiele broedplaats voor gierzwaluw.

Afbeelding 4.13 I Geschikt ruimte voor huismus en gierzwaluw tussen gevel en dakpannen.

Binnen het plangebied zijn geen (potentiële) locaties van kolonies van de roek aangetroffen. In de aanwezige bomen zijn geen nesten van roek waargenomen. Algemene broedvogels Het is niet uit te sluiten dat er algemene broedvogels onder de dakpannen, in de struiken en bomen langs de woningen, schuur en in de tuin tot broeden komen. In de bomen binnen het plangebied werden bijvoorbeeld nesten van ekster waargenomen (Afbeelding 4.16). De nesten van deze soorten zijn beschermd zolang deze in gebruik zijn.

Afbeelding 4.14 I Geschikt ruimte voor huismus tussen gevel en dakpannen.

Afbeelding 4.15 I Geschikte vegetatie die als beschutting kan dienen voor huismussen.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 21

Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: • Negatieve effecten op huismus en gierzwaluw met jaarrond beschermde nesten niet zijn uitgesloten; • Er binnen het plangebied daarnaast algemene broedvogels tot broeden kunnen komen waarvan het vernietigen van de nesten indien zij in gebruik zijn leidt tot een overtreding; • Dit is een overtreding van de verbodsbepalingen genoemd in artikel 3.1, lid 1 en 2; Afbeelding 4.16 I Eksternest in bomen in bossage.

Effectbeoordeling Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is te verwachten dat jaarrond beschermde nesten van huismus en gierzwaluw aanwezig zijn in het plangebied. Het is niet uit te sluiten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op jaarrond beschermde nesten en een overtreding van Art 3.1 te voorkomen is. Nader onderzoek naar huismus en gierzwaluw dient uitgevoerd te worden. Daarnaast dient er rekening worden gehouden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). Door het verwijderen van groen en renovatie van de gebouwen zullen nesten van algemene broedvogels vernietigd worden. Wanneer in gebruik zijnde nesten van algemene broedvogels worden vernietigd is dit een overtreding van artikel 3.1, lid 2 van de Wet natuurbescherming.

4.5

Overige soorten

In het gebied zijn geen beschermde amfibieën, reptielen ongewervelden of vissen te verwachten. Amfibieën, libellen en vissen zijn erg afhankelijk van water. Dit is niet aanwezig in de omgeving van het plangebied. De sleedoornpage (Thecla betulae) is waargenomen in de omgeving van het plangebied (NDFF 2021). In het plangebied is geen sleedoorn aanwezig. Het is daarom niet te verwachten dat beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn. Effectbeoordeling Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde amfibieën, ongewervelden of vissen in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde ongewervelden. Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: • In het plangebied zijn geen overige beschermde soorten aanwezig.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 22

5 Houtopstanden

In de Wet natuurbescherming is in hoofdstuk 4 de bescherming van houtopstanden opgenomen. Voor bepaalde houtopstanden buiten de bebouwde kom Wet natuurbescherming geldt een meldings- en herplantingsplicht. Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen, op fruitbomen, op windschermen om boomgaarden, op naaldbomen bedoeld om te dienen als kerstbomen, op kweekgoed, op bepaalde beplantingen van wilgen of populieren, op bepaalde beplantingen bedoeld voor de productie van houtige biomassa en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet. De provincie kan regels stellen ten aanzien van de meldingsplicht en de plicht tot herbeplanting. Alle

provincies hebben verordeningen vastgesteld waarin is geregeld hoe een kapmelding moet worden ingediend, waaraan herbeplanting moet voldoen en wanneer ontheffing van de herbeplantingsplicht kan worden verleend. Sommige provincies hebben ook beleidsregels vastgesteld waarin bijvoorbeeld is aangegeven wanneer een kapverbod wordt opgelegd. De Wet natuurbescherming beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwde kom. Waar de grens van de ‘bebouwde kom Wet natuurbescherming’ ligt wordt bepaald door de gemeenteraad. Dit valt vaak min of meer gelijk met de ‘bebouwde kom Verkeerswet’, maar kan afwijken. Binnen de bebouwde kom geldt meestal een kapverbod op grond van de algemene plaatselijke verordening (APV) of een gemeentelijke bomenverordening. Daarnaast kunnen gemeenten ook regels stellen voor bomen buiten de bebouwde kom, bijvoorbeeld in een bestemmingsplan. Conclusie houtopstanden Er worden geen houtopstanden geveld waar de regels van de Wet natuurbescherming op van toepassing zijn. Aangezien het plangebied binnen de door de gemeente Westervoort vastgestelde begrenzing bebouwde kom Wet natuurbescherming ligt geldt hier de APV. Er geldt mogelijk een kapverbod, waarvoor een vergunning aangevraagd dient te worden bij de gemeente. De opdrachtgever dient hier zelf zorg voor te dragen.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 23

6 Conclusie en advies

Beantwoording onderzoeksvragen Om na te gaan of door de geplande ingrepen in het plangebied verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming al dan niet overtreden worden, worden de onderzoeksvragen onderstaand beantwoord.

6.1.1 Gebiedsbescherming • Zijn negatieve effecten op Natura 200 gebieden te verwachten en is daardoor een Voortoets noodzakelijk? Het is niet noodzakelijk om een Voortoets t.b.v. een Habitattoets in het kader van Natura 2000 uit te voeren. Het is wel noodzakelijk om een stikstofberekening uit te voren in het kader van het Natura 2000-gebied Rijntakken uit te voeren. •

Zijn significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk te verwachten en is daardoor een ‘Nee tenzij’ toets noodzakelijk? Nee, het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Een toetsing in dit kader is daarom niet nodig. 6.1.2 Soortbescherming • Zijn in het plangebied beschermde soorten en/of verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig of te verwachten? Ja, er zijn beschermde soorten te verwachten binnen de begrenzing van het plangebied. Het plangebied kan dienen als verblijfplaats voor verschillende vleermuissoorten en als nestplaats voor de huismus en gierzwaluw. Daarnaast kunnen algemene broedvogels tot broeden komen in het plangebied. •

Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep en de benodigde werkzaamheden? Ja, de herontwikkeling kan tot gevolg hebben dat de verblijfplaatsen van diverse vleermuissoorten, huismus en gierzwaluw verdwijnen. Indien algemeen voorkomende vogels tot broeden komen kunnen bij

de werkzaamheden verbodsbepalingen van de Wnb overtreden worden. •

Is het mogelijk om optredende negatieve effecten op beschermde soorten te mitigeren? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden? Nee, het is niet mogelijk om voor beschermde soorten geheel te mitigeren zodat geen verbodsbepalingen worden overtreden. Door het nemen van de juiste mitigerende maatregelen zijn negatieve effecten op eventueel aanwezige algemene broedvogels te voorkomen. •

Is het noodzakelijk aanvullend onderzoek uit te voeren? Ja, het is noodzakelijk om voor vleermuissoorten, huismus en gierzwaluw nader onderzoek uit te voeren. 6.1.3 Houtopstanden • Worden er houtopstanden geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn en is daardoor een meldings- en herplantingsplicht van toepassing? Er worden geen houtopstanden geveld waar de regels van de Wet natuurbescherming op van toepassing zijn. Aangezien het plangebied binnen de door de gemeente Westervoort vastgestelde begrenzing bebouwde kom Wet natuurbescherming ligt geldt hier de APV. Er geldt mogelijk een kapverbod, waarvoor een vergunning aangevraagd dient te worden bij de gemeente. De opdrachtgever dient hier zelf zorg voor te dragen.

6.2

Mitigerende maatregelen

Algemene maatregelen In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 de algemene zorgverplichting opgenomen. In dit artikel is beschreven dat iedereen verplicht is om voldoende zorg in acht te nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. De algemene zorgverplichting geldt te allen tijde

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 24

tijdens het uitvoeren van werkzaamheden, ongeacht of deze te typeren zijn als zijnde ruimtelijke ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud en ongeacht of er beschermde soorten aanwezig zijn. Dit laatste wil dus zeggen dat ook als er geen beschermde soorten voorkomen, de algemene zorgverplichting ten aanzien van alle soorten in acht genomen dient te worden. Bij de werkzaamheden dienen daarom algemene mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden. Deze al- gemene mitigerende maatregelen zijn onderstaand beschreven. • De werkzaamheden dienen door een ter zake kundige ecoloog begeleid te worden. Hierdoor wordt gewaarborgd dat de mitigerende maatregelen op een juiste manier uitgevoerd worden en zo wordt er tevens invulling gegeven aan de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). • Er moet per uitvoeringsproject een ecologisch werkprotocol opgesteld worden waarin alle te nemen mitigerende maatregelen, worden vastgelegd. Dit ecologisch werkprotocol moet op de werklocatie aanwezig zijn en bij alle betrokken partijen bekend zijn. • Werkzaamheden moeten aantoonbaar conform dit protocol worden uitgevoerd. Mochten er zich gedurende de werkzaamheden ten aanzien van beschermde soorten onvoorziene omstandigheden voordoen, wordt direct contact opgenomen met de ter zake deskundige ecoloog.

Voorkomen van doden In lid 1 van de artikelen 3.1 en 3.5 van de Wet natuurbescherming staat beschreven dat het verboden is om beschermde dieren opzettelijk te doden. Het uitvoeren van werkzaamheden en ruimtelijke ingrepen

waarbij aanwezige dieren verwond of zelfs gedood kunnen worden, houdt een overtreding van deze artikelen in. Het is daarom noodzakelijk om mitigerende maatregelen te nemen om dit zo veel als mogelijk te voorkomen en uit te sluiten. Algemene broedvogels Met betrekking tot algemene vogels dienen de volgende algemene maatregelen uitgevoerd te worden: • Uitvoering buiten het broedseizoen. Indien de werkzaamheden (deels) uitgevoerd dient te worden in het broedseizoen (half maart – eind augustus) dienen delen waar algemene broedvogels verwacht kunnen worden (zoals de vegetatie op het staldak) vooraf ongeschikt gemaakt te worden. • Ook buiten het broedseizoen zijn broedgevallen mogelijk, indien tijdens het uitvoeren van werkzaamheden een broedgeval aangetroffen wordt dienen de werkzaamheden onmiddellijk stilgelegd te worden en dient er contact opgenomen te worden met een ter zake kundige.

6.3

Conclusie

Met inachtneming van de beschreven mitigerende maatregelen, zijn negatieve effecten van de voorgenomen herontwikkeling van de Klapstraat 185 op beschermde soorten niet uit te sluiten. Er is aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. Nader onderzoek beschermde soorten Het nader onderzoek naar vleermuizen, huismus en gierzwaluw dient volgens protocol uitgevoerd te worden. Het aantal bezoeken, onderzoeksperiode en tussenperiode staat in onderstaande tabel weergegeven per diersoort.

Tabel 4.1 | Onderzoeksperiodes per soortgroep Type Vleermuis – Zomer Vleermuis – najaar Huismus Gierzwaluw

Minimaal Onderzoeksperiaantal onode derzoeken

Tussenperiode

4 bezoeken 2 bezoeken 2 bezoeken 3 bezoeken

(10) 30 dagen (10) 20 dagen 10 dagen 10 dagen

15 mei t/m 15 juli 15 augustus t/m 1 okt 1 april t/m 15 mei 1 juni - 15 juli

mrt

apr

mei

jun

jul

aug

sep

okt

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 25

7 Kansen voor biodiversiteit

7.1 Inleiding Biodiversiteit en ruimte voor ecologisch waardevolle elementen staan hoog op de agenda in het gebiedsconcept. Ten opzichte van de huidige situatie zijn er verschillende kansen die zullen worden benut om het gebied natuurinclusiever te laten worden. De voornaamste kansen zijn: • vergroten van de hoeveelheid dood hout; • bestaande vegetatie behouden; • aanleg van bloemen- en kruidenrijk habitat voor insecten; • nestgelegenheid bieden aan vogels; • creëren van verblijfplaatsen voor vleermuizen. In dit hoofdstuk worden deze maatregelen toegelicht.

7.2

Dood hout

In een omgeving waar een hoge biodiversiteit wenselijk is, is het van groot belang om ervoor te zorgen dat er voldoende dood hout aanwezig is. De helft van de totale bosfauna is van dood hout afhankelijk, bijvoorbeeld als voedselbron of als rust- en voorplantingsplaats. Ook zijn enkele duizenden soorten schimmels gebonden aan dood hout. In de huidige situatie is er al een grote hoeveelheid dood hout aanwezig, wenselijk is om deze terug te laten komen in het nieuwe ontwerp. Ondanks de waarde voor biodiversiteit kunnen forse dode takken aan bomen vanwege kans op afbreken in een bewoond gebied inderdaad voor verhoogde veiligheidsrisico’s zorgen. Plaatselijk zal er dus mogelijk dood hout moeten worden verwijderd uit bomen, maar dit materiaal kan elders als erfafscheiding teruggebracht worden om aldaar meer variatie in (micro)habitat te creëren. Dit biedt leefruimte aan een groter scala aan organismen ten opzichte van de huidige situatie. Hetzelfde principe van hergebruik geldt voor bomen die moeten worden gerooid. Hierbij geldt dat hoe meer

variatie er binnen het dood hout wordt aangebracht (dunne én dikkere stammen, naaldhout én loofhout, en dood hout in verschillende stadia van ontbinding, dus ook nog staand / aan een levende boom vastzittend), hoe hoger de biodiversiteit kan worden. Snoeiafval (tot en met formaat van een jonge boom) kan eventueel ook worden gebruikt om een takkenril mee te maken. Takkenrillen zijn interessant voor amfibieën als overwinterlocatie, maar bieden ook schuilgelegenheid aan kleine zoogdieren als egels, of broedgelegenheid voor vogels als winterkoning of roodborst. Een zeer beperkte takkenril is al aanwezig in het plangebied. Deze kan behouden worden en eventueel uitgebreid worden.

7.3

Bestaande vegetatie

Binnen het plangebied zijn diverse bomen aanwezig, onder andere appelbomen, paardenkastanje en walnootbomen. Voor de biodiversiteit zou het goed zijn zo veel mogelijk van deze bomen te behouden. Bij voorkeur zo veel mogelijk verschillende soorten. Rondom het plangebied staan bomen en struiken. Deze vegetatie is waardevol voor vogels en andere diersoorten, de voorkeur gaat uit om zo veel mogelijk van deze bosschages te behouden.

7.4

Kruiden / bloemen en insecten

Het huidige terrein bevat een gazon die een lage natuurwaarde heeft. De natuurwaarde zou verhoogd kunnen worden door ruimte te maken voor een bloemrijke vegetatiezoom, en deze aan te leggen tegen de bosschage aan. Indien keuze gemaakt wordt voor woningen met platte daken biedt dit ook mogelijkheden. Een samenstelling van kruiden en grassen als groene dakbedekking op het totale dakoppervlak resulteert in een

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 26

aanzienlijke vergroting van geschikt habitat voor insecten als vlinders. Als extra toevoeging voor insecten kunnen op het terrein één of meerdere insectenhotels geplaatst. Deze kunnen bijvoorbeeld worden vervaardigd uit hout dat afkomstig is van te kappen bomen en biedt insecten een beschutte plek waar kan worden overwinterd of waar voortplanting door bijvoorbeeld solitaire bijen kan plaatsvinden. Insectenhotels dienen op zonbeschenen plekken, zoals op de platte daken of in de openbare ruimte te worden geplaatst.

7.5

Broedvogels

In de huidige situatie is voor algemene vogels broedgelegenheid in de bebouwing, bomen en struiken op het terrein. In de nieuw te realiseren woonlocatie is het in ieder geval mogelijk om specifiek voor huismussen broedgelegenheid te creëren door mussenflats (grote nestkasten met meerdere nestplekken) te plaatsen. De groene structuren die de nieuwe woonwijk zal bieden, creëren de nodige schuilplekken in de omgeving. Idealiter zijn er ook (kleine) waterpartijen aanwezig die voor drinkwater zorgen en zandige delen zodat ze stofbaden kunnen nemen. Voor de gierzwaluw is het plaatsen van nestkasten voldoende, omdat foerageerlocaties op grote afstand van de nestplekken kunnen liggen. De nestkasten dienen op minimaal drie meter hoogte te worden geplaatst

en voldoende vrije ruimte te hebben om in- en uit te kunnen vliegen. De bebouwing met meer dan twee bouwlagen leent zich hier het beste voor. Daarnaast heeft het aantrekken van meer insecten (in verbeterde bosranden en bloemenvelden) een positief effect op de voedseldichtheid voor insectenetende vogels, waardoor er in het gebied een groter aantal broedpaartjes kan leven.

7.6

Vleermuizen

Het huidige plangebied is potentieel geschikt als verblijfplaats voor gebouw- en boombewonende vleermuissoorten. In de nieuwe situatie kunnen ook verblijfplaatsen gerealiseerd worden in de bebouwing. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van (duurzame) inbouwkasten, het openlaten van holle delen van muren waartoe een invliegopening leidt, of het plaatsen van structuren als boeiboorden waar ruimte achter openblijft. Naast voorzieningen voor vastgestelde soorten in het plangebied, kunnen ook duurzame vleermuiskasten van houtbeton worden geplaatst aan bomen. Deze bieden plek voor o.a. ruige dwergvleermuizen en rosse vleermuizen.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 27

8 Bronnen

8.1

Literatuur

Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & Eis Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden.

Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). - Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.

Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea. – Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.

Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2021) Vleermuisprotocol 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl.

Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. – Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.

SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.

Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2011. Vleermuizen Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Vertaling en bewerking PHC Lina. De Fontein/Tirion Uitgevers BV, Utrecht. Kleukers, R.M.J.C., E.J. van Nieukerken, B. Odé, L.P.M. Willemse & W.K.R.E. van Wingerden, 1997. De sprinkhanen en krekels van Nederland (Orthoptera). - Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.

Netwerk Groene Bureaus, 2017. Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017).

8.2

Websites

Verspreidingsatlas planten Via www.verspreidingsatlas.nl/planten Nationale Databank Flora en Fauna Via www.ndff-ecogrid.nl/

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 28

Wettelijk kader

De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming heeft als doel bescherming, herstel en ontwikkeling van natuur zonder stijging van de lasten voor bedrijven en burgers. Het bevoegd gezag is gedecentraliseerd naar de Provincies. Deze decentralisatie houdt in dat de provincies nu o.a. verantwoordelijk zijn voor het toetsen van ontheffingsaanvragen. RVO blijft wel het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffing of vrijstellingen voor activiteiten en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het rijk. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland, waarvoor de provincies beleid maken.

Natura 2000-gebieden De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten of activiteiten in en/of in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden.

Wet natuurbescherming Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden als afzonderlijke hoofdstukken opgenomen, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Zorgplicht (art. 1.11) Voor alle Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten (mét en zonder beschermstatus) is de zorgplicht van kracht (artikel 1.11). De zorgplichtbepaling houdt in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt aan Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurmonumenten en in het wild levende planten en dieren, evenals voor hun directe leefomgeving dergelijke handelingen achterwege laat, mitigerende maatregelen neemt of compenserende maatregelen neemt.

Soortbescherming Het hoofdstuk ‘Soortbescherming’ uit de Wet natuurbescherming bestaat uit drie aparte beschermingsregimes, ook wel de passieve soortbescherming genoemd: 1) de Vogelrichtlijn; 2) de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en; 3) nationaal beschermde soorten. Voor deze drie beschermingsregimes gelden verschillende verboden en wettelijke belangen voor een ontheffingsaanvraag. Vogelrichtlijn (artikel 3.1) Voor van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen: 1. opzettelijk doden en vangen van vogels; 2. opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren; 3. eieren rapen en onder zich hebben; 4. opzettelijk verstoren van vogels; 5. het verbod onder 4) is niet van toepassing indien de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding van de populatie.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling Klapstraat 185 29

Een ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen van artikel 3.1 kan alleen verleend worden als voldaan wordt aan de criteria van de ontheffingsaanvraag (zie paragraaf 2.3) en één of meer van de onderstaande wettelijke belangen uit artikel 3.3, lid 4: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora en fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten; 6. het selectief vangen, onder zich hebben of verstandig gebruik van bepaalde vogels. Vogellijst Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd in het kader van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1). De nesten van vogels zijn beschermd als ze door de vogels in gebruik zijn, zowel in als buiten de gangbare broedperiode (15 maart tot 15 juli). De meeste vogels maken elk jaar een nieuw nest of zijn in staat een nieuw nest te maken. Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. De nesten van deze vogelsoorten zijn jaarrond beschermd waardoor de verbodsbepalingen van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming het gehele jaar van toepassing zijn (zie Kader A.1).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westervoort&id=2924d37c-c0a6-4b3e-8ffe-e9f1376a6814