CConstaterende datWestervoort
Koppel je AI →
Document · PDF

20220131-rv-fysieke-leefomgeving-bijlage-2-verordening.docx

Raadsvergadering 31 januari 2022, gemeente WestervoortBij agendapunt: Verordening fysieke leefomgeving Westervoort 202221.884 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Westervoort

Inhoudsopgave 1.

Algemene bepalingen .....................................................................................................................3

2.

Openbare ruimte ............................................................................................................................5 1.

Algemene bepalingen ..................................................................................................................5

2.

Openbare weg .............................................................................................................................5

3. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.............................................................................................................................................7 4. 3.

Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente.............................................11 Bomen ...........................................................................................................................................12

1.

Groene kaart en Verbodsstellingen ..........................................................................................12

2.

Omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand ...................................................13

3.

Overige bepalingen....................................................................................................................14

4.

Bouwen .........................................................................................................................................15

5.

Erfgoed ..........................................................................................................................................15

6.

Straf-, overgangs- en slotbepalingen ...........................................................................................21 1.

Toezicht- en strafbepalingen .....................................................................................................21

2.

Overgangs- en slotbepalingen ...................................................................................................22

7.

Bijlagen..........................................................................................................................................23 a.

Bijlage 1: Groene kaart .............................................................................................................23

Toelichting Verordening Fysieke Leefomgeving Westervoort ............................................................24

2

1. Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: Archeologisch monument: zie het begrip monument onder (2); APV: Algemeen plaatselijke verordening Westervoort 2019 of diens rechtsopvolger; bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; beperkingengebiedactiviteit: zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet; beschermd gemeentelijk cultuurgoed: roerende zaak die deel uitmaakt van het gemeentelijk cultureel erfgoed en als zodanig is aangewezen op grond van artikel 5:3, lid 1 van deze verordening; beschermde gemeentelijke verzameling: verzameling cultuurgoederen die uit cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar horen en die zijn aangewezen op grond van artikel 5:3, lid 2 van deze verordening; beschermd stads- en dorpsgezicht: een groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke en/of cultuurhistorische waarde, waarin zich al dan niet één of meer monumenten bevinden en welke groep ingevolge deze verordening is opgenomen in het gemeentelijke erfgoedregister; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aan vraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; boom: een houtig

opgaand gewas zowel levend als afgestorven met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 30 centimeter (omtrek 95 cm) op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam. In afwijking van deze minimale dwarsdoorsnede van 30 centimeter geldt geen minimale dwarsdoorsnede bij toepasbaarheid van artikelen 3:7, 3:9, 6:1 en 6:3 van deze verordening; boomwaarde: de monetaire waarde van een houtopstand zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen; Bomen Effect Analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor een houtopstand, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting; bospercelen: vlakvormige percelen met beplanting van houtopstanden die op de Groene Kaart zijn opgenomen; bomenstructuur: lijnvormige beplanting van houtopstanden die een functioneel geheel vormt en die op de Groene Kaart is opgenomen; bouwwerk: zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet; bouwactiviteit: zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet; bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westervoort;

cultuurgoed: roerende zaken die deel uitmaken van cultureel erfgoed. Een verzameling cultuurgoederen bestaat uit objecten die vanuit cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar horen; cultuurhistorisch onderzoek: een onderzoek resulterend in een schriftelijke rapportage naar de architectuurhistorische, bouwhistorische, interieurhistorische, kleurhistorische, tuin- of landschapshistorische, historisch-stedenbouwkundige, wetenschappelijke en/of cultuurhistorische ontwikkeling en waarde van een beschermd rijks- of gemeentelijk monument of groepen van onroerende zaken en/of terreinen; dunning: een velling uitsluitend bedoeld als verzorgingsmaatregel ter bevordering van groei van overblijvende houtopstand;

3

eigenaren: degenen die in de openbare registers als eigenaren en zakelijk gerechtigden van een onroerend monument zijn ingeschreven; erfgoedcommissie: de door het college ingestelde commissie als bedoeld in artikel 5:2; De erfgoedcommissie maakt als sub-commissie onderdeel uit van de ‘gemeentelijke adviescommissie’, die op grond van art. 17.9 Omgevingswet is ingesteld; gemeentelijk erfgoedregister: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument of beschermd gemeentelijk archeologisch monument aangewezen zaken; gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument, dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; gevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden aangemerkt als andere geluidsgevoelige gebouwen, met uitzondering van die gebouwen behorende bij de betreffende inrichting; gevoelige terreinen: terreinen die op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen, met uitzondering van die terreinen behorende bij de betreffende inrichting; groene Kaart: topografische kaart met daarop aangegeven monumentale en waardevolle groenelementen en houtopstanden, met eventueel bijbehorende lijst; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang

te dienen; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; houtopstand: zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; inrichting: locatie waar de bedrijfsactiviteiten plaatsvinden; kampeermiddel: een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; kerkelijk monument: onroerend monument, dat eigendom is van een kerkgenootschap, kerkelijke gemeente, parochie of van een kerkelijke instelling en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst. Hieronder worden ook begrepen de roerende zaken die kennelijk deel uitmaken van, of behoren tot het onroerende monument en die genoemd worden in de beschrijving als bedoeld in artikel 5:5, tweede lid; minister bedoeld in hoofdstuk 5: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; monument: (1) onroerende zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, zijn betekenis voor de wetenschap, zijn cultuurhistorische waarde of zijn archeologische waarde.

(2) terrein dat van algemeen belang is wegens ene daar aanwezige zaak als bedoeld onder 1; monumentaal groenelement: houtopstand die landelijk bij de Bomenstichting geregistreerd staat als monumentale boom of die door de gemeente is aangewezen als monumentaal; motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm; bevoegd gezag: dat wat daaronder wordt verstaan in de Woningwet; niet-openbare kabels en leidingen: kabels en leidingen (dan wel het netwerk waartoe deze behoren) die niet gebruikt worden om openbare diensten aan te bieden; omgevingsvergunning: voor het bouwen: dat wat daaronder wordt verstaan in de Omgevingswet; omgevingsplanactiviteit: zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet; omgevingsvergunning Omgevingswet: omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1 van de Omgevingswet; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; 4

parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; rijksmonument: onroerend monument, dat is ingeschreven in het Rijksmonumentenregister; selectiecriteria: door de raad vastgestelde criteria te hanteren bij procedures ter aanwijzing van een onroerend monument tot beschermd gemeentelijk monument of een terrein tot beschermd gemeentelijk archeologisch monument; standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel met uitzondering van een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet of een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene plaatselijke verordening Westervoort 2019; vellen: rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood, de ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben; voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan

in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; waardevol groenelement: houtopstand die door de gemeente is aangewezen als waardevol. weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet met inbegrip van de daarin gelegen kunstwerken en wat verder naar zijn aard daartoe behoort.

2. Openbare ruimte

1. Algemene bepalingen Artikel 2:1 weigeringsgronden 1. De vergunning of ontheffing op grond van dit hoofdstuk kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. 2. Openbare weg Paragraaf 2.1 Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel 2:2 Voorwerpen op de weg 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een openbare plaats of openbaar water anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:1 kan een vergunning worden geweigerd: a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; b. als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan de regels in het omgevingsplan over het uiterlijk van bouwwerken als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet ; of 5

c.

3.

4.

5.

6. 7. 8. 9. 10. 11. 12.

in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de APV; b. terrassen als bedoeld in 2:27 van de APV; c. standplaatsen als bedoeld in artikel 1:1; d. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning/ontheffing of andere toestemming voor het gebruik van de openbare plaats is verleend. Het verbod is niet van toepassing op voorwerpen door middel waarvan gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet, tenzij deze door hun omvang, vorm, constructie of bevestiging schade toebrengen aan de openbare plaats, gevaar kunnen veroorzaken voor de bruikbaarheid of het doelmatig of veilig gebruik daarvan of een belemmering kunnen vormen voor het doelmatig beheer of onderhoud van de openbare plaats. Het verbod is verder niet van toepassing op de volgende voorwerpen, mits wordt voldaan aan het bepaalde in de nadere regels als bedoeld in het zevende en achtste lid: a. bouwwerken; b. reclameobjecten; c. containers; d. spandoeken; e. nader door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen.

Het bevoegde bestuursorgaan kan in het belang van openbare orde, openbare veiligheid en woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor de categorieën genoemd in het zesde lid. Het bevoegde bestuursorgaan kan locaties aanwijzen voor het plaatsen van voorwerpen als bedoeld in het vijfde en zesde lid. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. Het verbod geldt niet als er door (of in opdracht van) een bestuursorgaan of openbaar lichaam publiekrechtelijke taken worden verricht. Het bevoegde bestuursorgaan verleent per contractperiode maximaal één vergunning, als bedoeld in het eerste lid, voor de reclameobjecten waarvoor met de gemeente over het gebruik van die objecten een overeenkomst is aangegaan. In dit artikel wordt onder bevoegd bestuursorgaan verstaan het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:3 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet of hoofdstuk drie van de APV. 6

4.

Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:4 Maken, veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:1 wordt de vergunning slechts geweigerd: a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3. Het college kan in het belang van de openbare orde, openbare veiligheid of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van een uitweg. 4. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. 3. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Paragraaf 3.1 Geluidhinder en verlichting Artikel 2:5 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.

De geluidsnormen bedoeld in artikelen 22.63 t/m 22.71 van het tijdelijk omgevingsplan (de bruidsschat) en artikel 2:7, gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 22.239, eerste lid van het tijdelijk omgevingsplan (de bruidsschat)gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer door het college aangewezen locaties of wijken. 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Op de dagen bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in artikelen 22.63 t/m 22.71 van het tijdelijk omgevingsplan (de bruidsschat)en artikel 2:7 - uiterlijk om 01.00 uur beëindigd. Artikel 2:6 Melding incidentele festiviteiten 1.

Het is een commerciële horeca-inrichting toegestaan op maximaal 4 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in artikelen 22.63 t/m 22.71 van het tijdelijk omgevingsplan (de bruidsschat) en artikel 2:7 niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 2. Het is een paracommerciële horeca-inrichting toegestaan op maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in artikelen 22.63 t/m 22.71 van het tijdelijk omgevingsplan (de bruidsschat)en artikel 2:7 niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 7

3.

4. 5. 6. 7. 8.

Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 22.239, eerste lid van het tijdelijk omgevingsplan (de bruidsschat) niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats die op dat formulier is vermeld. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in artikelen 22.63 t/m 22.71 van het tijdelijk omgevingsplan (de bruidsschat) artikel 2:7, uiterlijk om 01:00 uur beëindigd. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 2:7 Onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.24 van de Omgevingswet in samenhang met artikel 5.73 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 22.70 van het tijdelijk omgevingsplan (de bruidsschat) binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 3.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. 2. Tabel 7.00-19.00 19.00-23.00 23.00-7.00 uur uur uur LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen als gevolg van activiteiten

3.

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen als 35 dB(A) gevolg van activiteiten

30 dB(A)

25 dB(A)

LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen als gevolg van activiteiten

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen als gevolg van activiteiten

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

Voor de duur van twintig uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 8

4.

5.

Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit kwaliteit leefomgeving en de van toepassing zijnde regels uit het tijdelijk omgevingsplan (de bruidsschat)van toepassing. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 2:5 en 2:6.

Artikel 2:8 Overige geluidshinder 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening. Paragraaf 3.2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 2:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder oplevert voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. Artikel 2:10 Aanwijzing gebieden voor bijzondere regels Het college kan gebieden aanwijzen waar hij bijzondere regels kan stellen in het kader van de bescherming van het milieu. Paragraaf 3.3 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 2:11 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 1.

Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 1:1 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. Artikel 2:12 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit 9

activiteiten leefomgeving. Artikel 2:13 Vergunningplicht handelsreclame 1. Het is verboden zonder (omgevings)vergunning van het college op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren die vanaf de weg zichtbaar is. 2. Het verbod geldt niet voor onverlichte: a. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg; b. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid; c. opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op: - een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; - het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd; d. opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; e.

opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, als deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer. 3. Het verbod geldt niet voor opschriften of aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits: a. van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk kennisgeving is gedaan aan het college; b. het college niet binnen twee weken na ontvangst van die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken; c. deze opschriften of aankondigingen niet langer dan negen weken op de onroerende zaak aanwezig zijn. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:1 kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd: a. als de handelsreclame, op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan de regels in het omgevingsplan over het uiterlijk van bouwwerken als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet; b. in het belang van de verkeersveiligheid; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de provinciale landschapsverordening of de Omgevingswet. Voor het overige: a. de weigeringsgrond van het vierde lid onder a. geldt niet voor bouwwerken; b. de weigeringsgrond van het vierde lid onder b.

geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wegenverkeerswet 1994; c. de weigeringsgrond van het vierde lid onder c. geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door bij of krachtens de Omgevingswet. Paragraaf 3.4 Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 2:14 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is toegewezen of mede is toegewezen. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 10

3. 4.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:1 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of b. een stadsgezicht.

Artikel 2:15 Aanwijzing kampeerplaatsen 1. Artikel 2:14, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 2:14, vierde lid. 4. Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente Paragraaf 4.1 Standplaatsen Artikel 2:16 Standplaatsvergunning 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:1 kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan de regels in het omgevingsplan over het uiterlijk van bouwwerken als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet; b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4. Het college kan categorieën van standplaatsen aanwijzen waarvoor het verbod in het eerste lid niet geldt. In het belang van de openbare orde, openbare veiligheid en de woon- en leefomgeving kunnen ten aanzien van deze categorieën nadere regels worden gesteld. 5.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:17 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Artikel 2:18 Afbakeningsbepalingen 1. Artikel 2:16, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. 2. De weigeringsgrond van artikel 2:16, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken. Paragraaf 4.2 Openbaar water Artikel 2:19 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1. Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2.

Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4. Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van 11

5.

bekendmaking. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, bij of krachtens de Telecommunicatiewet of bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 2:20 Ligplaats vaartuigen 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, of het Binnenvaartpolitiereglement 4. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente. 5.

De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

3. Bomen

1. Groene kaart en Verbodsstellingen Artikel 3:1 Groene kaart 1. Burgemeester en wethouders stellen een Groene Kaart met houtopstand vast. De kaart met bijbehorend register wordt herzien, indien daartoe aanleiding is. De kaart en eventueel met bijbehorende lijst bevatten een samenhangend geheel van de volgende houtopstanden: a. bomenstructuren b. monumentale groenelementen c. waardevolle groenelementen 2. De eigenaar van een op de Groene Kaart staande houtopstand is verplicht het bevoegd gezag onmiddellijk schriftelijk mededeling te doen van: a. het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van de houtopstand, anders dan door velling op grond van een verleende ontheffing; b. de dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan. Artikel 3:2 Kapverbod Groene kaart 1. Het is verboden om een houtopstand te vellen of te doen vellen, die staat aangegeven op de Groene Kaart. 2. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 3. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt eveneens voor houtopstand die is aangelegd op basis van een herplant- en instandhoudingsplicht op grond van de artikelen 3:5 en 3:6 van deze verordening. 12

4.

5.

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt verder niet voor a. een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving van het bevoegd gezag, zulks onverminderd het bepaalde in de artikel 3:9 van deze verordening. b. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud. c. het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, vormbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud. d. het verrichten van snoeiwerkzaamheden aan houtopstand met aantoonbaar achterstallig onderhoud. e. dunning van de houtopstand ter uitvoering van het reguliere onderhoud en/of met het doel de overblijvende houtopstand te bevoordelen. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstand als bedoeld in artikel 11.117 en 11.119 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

2. Omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand Artikel 3:3 Aanvraag omgevingsvergunning 1. Op de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid zijn de bepalingen bij of krachtens de Omgevingswet van toepassing. 2. Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in het eerste lid kan slechts worden aangevraagd door of namens degene, die krachtens zakelijk recht gerechtigd is over de houtopstand te beschikken of die hiertoe bevoegd is krachtens een publiekrechtelijke bevoegdheid. 3. Bij de aanvraag van de vergunning wordt in ieder geval ook aangegeven/dient te worden bijgevoegd a. een verwijzing naar de betreffende beschermde houtopstand op de Groene Kaart, en; b. een compensatieplan en de volgens de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen berekende boomwaarde van de te vellen houtopstand. Artikel 3:4 Toetsingscriteria omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden kan slechts worden verleend indien: a. de houtopstand aantoonbaar onevenredige schade of overlast veroorzaakt of zal veroorzaken, of; b. de vergunning noodzakelijk is voor de realisering van een bouw- of civieltechnisch werk, of; c. een (ander) zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang opweegt tegen duurzaam behoud van de beschermde houtopstand. Artikel 3:5 Bijzondere voorschriften 1.

Het bevoegd gezag kan besluiten dat de omgevingsvergunning voor het vellen direct in werking treedt, indien een houtopstand direct gevaar oplevert, die noodkap noodzakelijk maakt. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk bekendgemaakt. 2. Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning de voorschriften verbinden dat de omgevingsvergunning pas rechtskracht verkrijgt: a. nadat de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden, of; b. nadat aan de omgevingsvergunning verbonden andere ontheffingen, vergunningen en/of toestemmingen onherroepelijk zijn geworden, of; c. indien de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende is gewaarborgd. 3. Tot de aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan ook behoren, het voorschrift, dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door bevoegd gezag te geven aanwijzingen, moet worden herplant. 13

4.

5.

Indien niet ter plaatse kan worden herplant, kan in de omgevingsvergunning het voorschrift worden gesteld dat voorafgaand aan het kappen een geldelijke bijdrage, op basis van de boomwaarde, gestort dient te worden in de gemeentelijke voorziening ‘Groot onderhoud groen’, of dat op een andere locatie herplant plaatsvindt. In het voorschrift als bedoeld in het tweede lid wordt telkens bepaald binnen welke termijn na de herplant, en op welke wijze, niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

3. Overige bepalingen Artikel 3:6 Herplant-/instandhoudingsplicht 1. Bij overtreding van het verbod, zoals bedoeld in artikel 3:2 van deze verordening, kan het bevoegd gezag aan: a. de zakelijk gerechtigde van de grond waarop de houtopstand zich bevond, en/of; b. degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen en binnen een door hen te stellen termijn. 2. Indien niet ter plaatse kan worden herplant wordt gezocht naar een geschikte locatie in de directe omgeving of dient een door het college vast te stellen financiële bijdrage gestort dient te worden in de gemeentelijke voorziening. 3. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen. 4. Indien een houtopstand, waarop het verbod tot vellen van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de personen, zoals genoemd in het eerste lid, de verplichting opleggen om: a. overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen; b. een Bomen Effect Analyse op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag. 5.

Degene aan wie de verplichting als bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. 6. Het voorgaande laat onverlet het bepaalde in artikel 6:3. Artikel 3:7 Schadevergoeding Burgemeester en wethouders beslissen op een verzoek om schadevergoeding, bij weigering van een ontheffing tot vellen op grond van afdeling 15.1 van de Omgevingswet. Artikel 3:8 Afstand van de erfgrenslijn De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek is vastgesteld op 0.5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen in privaat eigendom en op nihil voor bomen, heesters en heggen, staande op openbaar terrein. Artikel 3:9 Bestrijding van boomziekten 1. Indien zich op een terrein één of meer houtopstanden bevinden die naar het oordeel van Burgemeester en wethouders gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door Burgemeester en wethouders is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn: a. de houtopstand te vellen, en/of; b. conform richtlijnen van de gemeente de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.

14

2. 3.

Het is verboden zonder vergunning van Burgemeester en wethouders gevelde houtopstand of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden. Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van spoedeisende bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht.

4. Bouwen

1. Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem Artikel 4:1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en c. dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.

5. Erfgoed

1. Algemeen Artikel 5:1 Gemeentelijk erfgoedregister 1. Burgemeester en wethouders houden een door iedereen te raadplegen gemeentelijk register bij van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen gemeentelijk monument en/of archeologisch monument (gemeentelijk erfgoedregister). 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: a. gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed; b. gegevens over door burgemeester en wethouders van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet. 2. De Erfgoedcommissie Artikel 5:2 Taak Erfgoedcommissie 1. De Erfgoedcommissie adviseert het college op basis van artikel 17.9 Omgevingswet, artikel 9.1 Erfgoedwet, op verzoek en uit eigener beweging over de toepassing van de Erfgoedwet, bij of krachtens de Omgevingswet, hoofdstuk 5 van deze verordening, Subsidieverordening monumenten en het monumentenbeleid. 2. Voor instelling, samenstelling, taken en werkwijze van de Erfgoedcommissie wordt verwezen naar de Verordening op de Gemeentelijke Adviescommissie 2022. 3. Aanwijzing van beschermde gemeentelijke cultuurgoederen en verzamelingen Artikel 5:3 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling 1.

Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve of op verzoek besluiten een cultuurgoed aan te wijzen als beschermd gemeentelijk cultuurgoed. Dat geldt indien het cultuurgoed: - van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is; - als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit;

15

-

2.

3. 4.

5.

in eigendom is van de gemeente of dat dit aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd. Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve of op verzoek besluiten een verzameling aan te wijzen als beschermde gemeentelijk verzameling. Dat geldt indien de verzameling: - van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis is; - als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit; - in eigendom is van de gemeente of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd. Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd, is toestemming van de eigenaar vereist. Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een beschermd gemeentelijk cultuurgoed of een beschermde gemeentelijke verzameling, of over het afstand doen van de zorg daarvoor, vragen burgemeester en wethouders advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. Dit artikel is niet van toepassing op: a. beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en b.

cultuurgoederen die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

Artikel 5:4 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling 1. Burgemeester en wethouders kunnen een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 5:3, eerste of tweede lid, ambtshalve wijzigen of intrekken. Artikel 5:3, vierde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft, als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of b. beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 3. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. 4. De aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument en beschermd gemeentelijk archeologisch monument Artikel 5:5 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument en beschermd gemeentelijk archeologisch monument 1.

Het college kan, al dan niet op schriftelijke aanvraag van een belanghebbende, een onroerend monument of terrein aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument of beschermd gemeentelijk archeologisch monument. 2. Een besluit tot aanwijzing als gemeentelijk monument, als bedoeld in lid 1, wordt onderbouwd met een redengevende omschrijving. 3. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt hij advies aan de Erfgoedcommissie en zo nodig de regioarcheoloog. In spoedeisende gevallen kan het vragen

16

4. 5. 6.

van dit advies achterwege blijven. In dat geval wordt alsnog achteraf advies gevraagd aan de Erfgoedcommissie. Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een monument als beschermd monument bepalen, dat cultuurhistorisch onderzoek wordt verricht. De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van de Erfgoedwet of een provinciale Erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Het college geeft van zijn voornemen tot aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument of beschermd gemeentelijk archeologisch monument kennis aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. Tevens wordt aan degene die om aanwijzing heeft verzocht het voornemen kenbaar gemaakt. De kennisgeving geschiedt schriftelijk; in spoedeisende gevallen kan hiervan worden afgeweken.

Artikel 5:6 Zienswijze De zakelijke gerechtigden en degenen die om aanwijzing hebben verzocht, kunnen binnen zes weken na de dag van verzending van de kennisgeving bedoeld in artikel 5:8, tweede lid, schriftelijk hun zienswijze kenbaar maken bij het college. Artikel 5:7 Voorbescherming 1. De bescherming als bedoeld in paragraaf 5 van hoofdstuk 5 is van overeenkomstige toepassing van het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 5:5 is bekend gemaakt. 2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd. Artikel 5:8 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1. Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 20 weken na ontvangst van de aanvraag. 2. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijk monument, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijk monument. 3.

Het college maakt zijn besluit tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument of als beschermd gemeentelijk archeologisch monument binnen vier weken na de datum van het besluit schriftelijk bekend aan alle zakelijke gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 4. Mededeling van de bekendmaking als bedoeld in het vorige lid geschiedt in een lokaal dag-, nieuws- of huisaanhuis-blad. Artikel 5:9 Registratie in het gemeentelijke erfgoedregister Het gemeentelijke erfgoedregister bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding, de tenaamstelling en de redengevende beschrijving van het beschermde gemeentelijke monument en van het beschermde gemeentelijke archeologisch monument, waarbij zonodig die onderdelen worden genoemd waarop de bescherming met name is gericht.

Artikel 5:10 Wijzigen van de aanwijzing 1. Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten ambtshalve of op schriftelijk verzoek van een belanghebbende wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijke erfgoedregister. 17

2. 3. 4.

Voordat het college besluit over de wijziging van de aanwijzing vraagt hij de Erfgoedcommissie om advies. Artikelen 5:3, lid 4, 6, 7 en 8 zijn van overeenkomstige toepassing. Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft het gestelde in het derde lid achterwege.

Artikel 5:11 Intrekken van de aanwijzing 1. Het college kan de aanwijzing intrekken. 2. Voordat het college besluit tot intrekken van de aanwijzing, wordt de eigenaar gehoord en vraagt hij de Erfgoedcommissie om advies. Artikel 5:8, eerste lid is van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3. Het besluit tot intrekking wordt bekend gemaakt met toepassing van artikel 5:8, tweede en derde lid. De Erfgoedcommissie ontvangt een afschrift. 4. De aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. 5. De intrekking wordt in het gemeentelijke erfgoedregister aangetekend en wordt bekend gemaakt op de wijze bedoeld in artikel 5:8, tweede en derde lid. 5.

Instandhouding gemeentelijke monumenten Artikel 5:12 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een beschermd gemeentelijk monument en een beschermd gemeentelijk archeologisch monument te beschadigen, te vernielen of af te breken of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvoor noodzakelijk is. Artikel 5:13 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument of een gemeentelijk archeologisch monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal onderhoud, zoals bedoeld in artikel 1.1 sub c Erfgoedwet, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of b. inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is. 3. Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument.

Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid. 4. Het college kan van de aanvrager aanvullende gegevens verlangen, zoals de rapportage van een bouwhistorisch of archeologisch onderzoek. 5. Het college kan aan de vergunning slechts voorwaarden verbinden die strekken tot de bescherming van het belang waarvoor de vergunning is vereist. Artikel 5:14 Weigeringsgronden

18

1. 2.

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg en de archeologie zich daartegen niet verzet. De omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.

Artikel 5:15 Aanvraag en advies In het geval van een aanvraag om een omgevingsvergunning vraagt het bevoegd gezag advies aan de Erfgoedcommissie. Artikel 5:16 Kerkelijk monument Voor zover sprake is van een vergunningaanvraag, waarbij de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn, wordt de vergunning niet verleend dan in overeenstemming met de eigenaar. Artikel 5:17 Intrekken van de omgevingsvergunning 1. De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 5:13, kan door het college worden ingetrokken indien: a. blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; b. blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften die zijn verbonden aan de vergunning niet naleeft; c. de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen; d. binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning geen begin met de werkzaamheden is gemaakt, of tussen het begin en het einde van de werkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen; 2. Het college stelt de vergunninghouder van het voornemen tot intrekking van de omgevingsvergunning in kennis. 3. Een afschrift van het besluit tot intrekking wordt aan de Erfgoedcommissie gezonden. 6.

Beschermde rijksmonumenten Artikel 5:18 Vergunning voor beschermd rijksmonument 1. Het college zendt onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag omgevingsvergunning voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder b van de Omgevingswet voor advies aan de Erfgoedcommissie als bedoeld in artikel 5:2, lid 1. 2. De Erfgoedcommissie adviseert over de aanvraag binnen acht weken na de dag van verzending van het afschrift. 3. Ingeval het college na acht weken geen advies heeft ontvangen, wordt de Erfgoedcommissie geacht te hebben geadviseerd. 7. De bescherming van gemeentelijke stads- en dorpsgezichten Artikel 5:19 De aanwijzing 1. De gemeenteraad kan een gebied aanwijzen als beschermd stads- of dorpsgezicht. 2. Dit artikel is niet van toepassing op beschermde stads- en dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 5.4 van de Omgevingswet. 3. Voordat de gemeenteraad over de aanwijzing een besluit neemt, verzoekt hij het college advies te vragen aan de Erfgoedcommissie. Artikel 5:20 Bekendmaking en mededeling 19

Het college maakt het besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing tot beschermd stads- en dorpsgezicht binnen 4 weken na de datum van het besluit bekend. Artikel 5:8, tweede en derde lid is van overeenkomstige toepassing. Artikel 5:21 Registratie in het gemeentelijke erfgoedregister 1. Het college registreert het beschermde gemeentelijke stads- of dorpsgezicht in het gemeentelijke erfgoedregister. 2. De vermelding, zoals bedoeld in het eerste lid, bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van aanwijzing, de op een kaart aangegeven gebiedsbegrenzing en de redengevende beschrijving van het gebied. Artikel 5:22 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 5:19, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 5:19, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- en dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet, of b.

beschermd stads- en dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 5.4 van de Omgevingswet. 3. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 5:23 Beschermend omgevingsplan 1. De gemeenteraad stelt, ter bescherming van een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht, een omgevingsplan vast zoals bedoeld in de Omgevingswet. 2. Het college hoort de Erfgoedcommissie inzake een raadsvoorstel tot vaststelling van een bestemmingsplan bedoeld in het eerste lid. Artikel 5:24 Verbodsbepaling 1. Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4 van de Omgevingswet, een bouwwerk te slopen. 2. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college of in strijd met de bij de vergunning gestelde voorwaarden een bouwwerk in een beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht: a. te verstoren, te plaatsen, op te richten, geheel of gedeeltelijk af te breken, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of aan onderhoud te onttrekken; b. een bouwwerk te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het stads-en dorpsgezicht wordt ontsierd of in gevaar gebracht; c.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westervoort&id=ab34626e-b807-40bc-9055-8f99043e5c05