20220118-rv-fysieke-leefomgeving-bijlage-2-verordening.docx
Tekst van het document
Ook het toetsingscriterium, zoals genoemd onder a, dient slechts in evidente gevallen gehonoreerd te worden. Het gaat hier immers niet slechts om schade of overlast, maar om onevenredige overlast of schade. De rechtspraak laat zien dat dat niet snel wordt aangenomen. Schade als gevolg van de aanwezigheid van bomen behoort in het algemeen tot het normaal maatschappelijk risico. Slechts indien de overlast en/of schade het normaal maatschappelijk risico overstijgt, ligt vergunningverlening voor de hand. Overlast of schade door wortelopdruk, wandluis, bloesem, vruchten, bladval, vallende eikels, berkenpluizen en enige mate van schaduwwerking zal daarom normaliter geaccepteerd moeten worden en is geen reden voor vergunningverlening. In het hoofdstuk 7 van het Bomenbeheerplan is dit nader uitgewerkt, zodat het daar gestelde als beleidsregel heeft te gelden, zoals bedoeld in artikel 4:81 Awb. Verder is mede van belang of degene die zich beklaagt over hinder zich ter plaatse heeft gevestigd vóór dan wel ná het tijdstip waarop de hinder veroorzakende activiteiten een aanvang hebben genomen. In dat laatste geval zal hij een zekere mate van hinder eerder hebben te dulden. Om in aanmerking te komen voor een omgevingsvergunning op grond van sub b.
zal uit de aanvraag afdoende moeten blijken: I.Om welk bouw- of civieltechnische werken het gaat, en; II.Welke gevolgen deze werken hebben voor de houtopstand, en; III.Of in voldoende mate is onderzocht of de houtopstand behouden kan blijven door het nemen van (beschermende) maatregelen. Het genoemde in artikel 6, sub c is een restcategorie van gevallen, die niet onder de twee eerder genoemde criteria vallen, maar waarvan het redelijkerwijs evident is dat het algemeen maatschappelijk belang met zich mee brengt dat tot verlening van de vergunning zou moeten worden over gegaan. Er moet derhalve een groot draagvlak voor zijn. Gezien deze bepaling, dient met toepassing hiervan zeer terughoudend te worden omgegaan. Bijzondere voorschriften Lid 1. Indien een houtopstand direct gevaar oplevert kan het bevoegd gezag besluiten dat de omgevingsvergunning voor het vellen direct in werking treedt. Dit houdt in dat dan direct tot kap overgegaan kan worden. Belanghebbenden hebben dan wel nog steeds de mogelijkheid tot het indienen van bezwaar. Dit is van belang omdat aan de verleende omgevingsvergunning voorschriften kunnen zijn verbonden. Lid 2. Er mag pas gekapt worden, nadat de vergunning in werking is getreden (rechtskracht krijgt). Vanwege de onomkeerbaarheid is het in sommige gevallen wenselijk om de inwerkingtreding enige 39
tijd uit te stellen. Bijvoorbeeld indien het kappen verband houdt met bouwactiviteiten. Lid 2 voorziet hierin. Lid 3-5. In deze bepalingen is de herplantplicht opgenomen. Herplantvoorschriften zijn concreet en eenduidig en mogen zeer gedetailleerd soort, locatie en plantwijze voorschrijven, naar gelang passend is in de gegeven situatie. Uit de rechtspraak naar aanleiding van de herplantplicht blijkt dat beleidsmatige uitwerking van aard en omvang van de herplantplicht noodzakelijk is. Dit beleid staat hieronder uitgewerkt. Voor de afweging tot herplant zijn onderstaande categorieën onderscheiden: ●Compensatie vanwege groene argumenten. In deze situatie vindt compensatie (herplant) plaats wanneer sprake is van noodzakelijke vervanging van oude bomen c.q. bij uit te voeren groenreconstructies. ●Compensatie ongewenst in verband met groenkwaliteit.
In deze situatie kan van herplant worden afgeweken als daar, naar oordeel van het bevoegd gezag vanuit de groenfunctie redenen voor aan te voeren zijn, omdat: O de resterende boombeplanting door de kap meer ruimte krijgt om zich tot volwassen boom te kunnen ontwikkelen (dunning); O de herplant niet gewenst is vanwege natuur- en landschapswaarden, cultuurhistorische en/of recreatieve aspecten van het groen; dan wel dat herplant het doelmatige gebruik als tuin in de weg staat en voor zover de tuin onderdeel blijft van haar landschappelijke context. ●Compensatie bij functiewijziging. Als door bouw of aanleg, of bij een wijziging in het bestemmingsplan, beschermde bomen gekapt moeten worden, vindt er altijd herplant plaats. In deze gevallen dient in het vroegste stadium geïnventariseerd te worden welke bomen en groenstructuur gehandhaafd dient te blijven en of er bijzondere bomen staan. Alleen op basis van een grondige groeninventarisatie en een verantwoorde afweging kan een aanvraag om omgevingsvergunning worden beoordeeld. In volgorde van wenselijkheid vindt herplant volgens het “vier stappen principe” plaats: stap 1 – herplant op (nagenoeg) dezelfde plek; stap 2 – herplant op hetzelfde perceel; stap 3 – herplant in de directe omgeving; stap 4 – herplant door een financiële storting in het gemeentelijk bomenfonds.
Het gemeentelijk groenbeleid gaat uit van kwantitatieve en kwalitatieve compensatie. Voor iedere gekapte boom komt in principe een boom terug. Bij de herplant wordt zo mogelijk rekening gehouden met de grootte en de waarde die de gekapte boom had. In de praktijk is de herplant vrijwel altijd jonger / kleiner / minder waardevol dan de gekapte boom. Daarom kan in die gevallen om aanvullende financiële compensatie worden gevraagd. Financiële compensatie geschiedt op basis van de boomwaarde. De boomwaarde gaat uit van kwaliteit in plaats van kwantiteit. De boomwaarde wordt door of in opdracht van de initiatiefnemer tot vellen berekend. Herplant-/instandhoudingsplicht Bij kap zonder vergunning wordt een herplantplicht opgelegd. De herplantvoorschriften zijn concreet en eenduidig en mogen zeer gedetailleerd soort, locatie en plantwijze voorschrijven. Deze voorschriften moeten wel volgens het beleid zoals in de toelichting op artikel 8 is uitgeschreven passen. Artikel 5:18 Wabo biedt de mogelijkheid- indien sprake is van een herstel,- of instandhoudingssanctie van het velverbod- onder oplegging van last onder bestuursdwang of dwangsom, bij het besluit tot herplantverplichting tevens te bepalen dat de uitvoering van het besluit tevens geldt voor de rechtsopvolger.
De landelijke richtlijnen voor bouwen of aanleggen nabij (beschermde) bomen – ter voorkoming van overtreding van het verbod – zijn: 40
●Verplichting bescherming standplaats, wortels en stam. In beginsel plaatsing bouwhekken op de rand van de kroonprojectie; ●Geen(tijdelijke) bouwmaterialen en geen bouwkeet (enz.) onder de boom (kroonprojectie). ●een verstoring van het maaiveld; niet graven, ophogen of verdichten door zwarematerialen, voertuigen, enz. ●In beginsel geen bouwverkeer in de kroonprojectie. Indien dit onvermijdelijk is dan zijn deugdelijke rijplaten verplicht. ●Graven indien onvermijdelijk onder kroonprojectie uitsluitend met de hand. ●Kabels en leidingen niet dichter dan 2 meter van de stam van bomen of indien het onvermijdelijk is dient er op voldoende diepte geboord te worden. ●Verandering van grondwaterpeil is niet toegestaan. Indien peilverandering onvermijdelijk is, moet dagelijks voldoende water gegeven worden. ●Schadelijk stoffen zoals cement, olie, zout, zuren, kalk of andere chemicaliën nooit onder bomen laten uitvloeien. ●Snoeiwerk uitsluitend door deskundige boomverzorgers (European Tree workers of met aantoonbare ervaring) laten uitvoeren. ●Geen ondoordringbare (niet water- en zuurstofdoorlatende) lagen over boomwortels; dus geen beton, asfalt enz. De gemeentelijke financiële voorziening waarover in het tweede lid van dit artikel wordt gesproken is het zgn. ‘Bomenfonds’.
Schadevergoeding De Boswet schrijft in artikel 17 voor dat een gemeentelijke verordening dit artikel moet bevatten, hoewel uit de (gepubliceerde) rechtspraak geen enkel geval van een schade-uitkering op grond van dit artikel bekend is. Rechters lijken niet snel (onredelijk) nadeel aanwezig te achten indien een vergunning om te vellen geweigerd wordt. Afstand van de erfgrenslijn Lid 1 en lid 2 van artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek (BW) geeft het bekende verwijderingsrecht voor bomen, die staan binnen twee meter, en heesters en heggen, die staan binnen een halve meter vanaf de erfgrens. Maar in lid 2 van dit artikel 5:42 BW staat “tenzij ingevolge een verordening of gewoonte een kleinere afstand is toegelaten”. Om te voorkomen dat van bomen die op openbaar terrein staan, de verwijdering op grond van artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek gevorderd kan worden, is de afstand van de standplaats van deze bomen, heesters en heggen tot de erfgrens, op nihil gesteld. De reden hiervoor is dat deze bomen een groot algemeen belang dienen en dat hun standplaats gerechtvaardigd is. Bestrijding van boomziekten Dit artikel is bedoeld om de besmettelijke boomziekten, zoals de iepziekte adequaat te kunnen bestrijden. Belangrijk is dat verspreiding van potentieel broedhout en de besmetting wordt voorkomen.
In het derde lid is een bijzondere bestuursdwang bevoegdheid in aanvulling op de algemene gemeentelijke bestuursdwang bevoegdheid opgenomen, vanwege de ernst van de zaak en noodzaak snel te kunnen handelen, met name voor een “beherende” afdeling. Dit bestuursrechtelijke artikel laat onverlet de privaatrechtelijke verplichtingen, dus dat elke boomeigenaar ten alle tijde moet voldoen aan de zorgplicht voor de veiligheid van zijn houtopstand. In acute probleemsituaties door houtopstanden, (meestal in geval van gevaar voor zaken of personen), moet er meteen gehandeld kunnen worden. Een voorbeeld van een acute probleemsituatie is dat uit een waarneming of inspectie blijkt dat een boom dermate instabiel is dat er een groot risico is voor het afbreken van grote takken of het omvallen van de boom, of op andere wijze gevaar vormt, waarbij het risico op schade of letsel voor aanwonenden of passanten groot is. 41
Dit ter beoordeling door een deskundig medewerker van de gemeente Westervoort of in noodsituaties door politie of brandweer. Daarnaast kan de Burgemeester toestemming geven tot direct vellen, indien sprake is van acuut gevaar of vergelijkbaar spoedeisend belang van openbare orde of veiligheid, op grond van de artikel 175 van de Gemeentewet. Bouwen Verbod tot bouwen op verontreinigde grond Algemeen In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan. De indieningvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan in de Regeling omgevingsrecht. De structuur is als volgt: Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht.
Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden waarover het bevoegd gezag al beschikt, niet opnieuw behoeven te worden verstrekt. Dit geldt in beginsel ook voor gegevens die zijn verstrekt in de periode dat de Wabo nog niet in werking was getreden, en die als archiefbescheiden in bewaring worden gehouden als bedoeld in artikel 3 van de Archiefwet 1995. Uit het algemene bestuursrecht volgt dat het bevoegd gezag wel gehouden is de volledigheid en actualiteit te toetsen van de gegevens en bescheiden die de aanvrager niet bij de aanvraag verstrekt, omdat deze al in het bezit van het bevoegd gezag zijn. Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening, wordt de aanvrager in overeenstemming met artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het bevoegd gezag in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte aanduiding welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus de Regeling omgevingsrecht.
De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van de wet. Gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, kan de schade voor het milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat.
42
Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van belang. Deze wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw- en sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wabo. Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen De inhoud van dit artikel zal met de eerste wijziging (2013) van het Bouwbesluit 2012 in het Bouwbesluit worden opgenomen. Thans wordt bezien hoe het begrip ‘waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend personen zullen verblijven’ kan worden geconcretiseerd. Het doel van het artikel is en blijft: Het doel van de voorschriften is dat niet wordt gebouwd op een bodem die dusdanig verontreinigd is, dat hierdoor gevaar voor de gezondheid van personen ontstaat. Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij 'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag.
Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw. Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken van land- en tuinbouw producten evenals gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6) wordt naar aanleiding van Kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor een schuur of garage bij een woning.
Bouwwerken die de grond niet raken Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden geëist. Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreiniging Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag om te beslissen of bij niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten, die daartoe zijn aangewezen, zijn het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen saneringsmaatregelen, indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn. Bij Besluit aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wet bodembescherming (Besluit van 12 december 2000) zijn gemeenten aangewezen die voor de toepassing van delen van deze wet worden gelijk 43
gesteld met een provincie (art. 88, zevende lid Wet bodembescherming). Het gevolg is dat de provincie bevoegd gezag is en dat de vier grote steden op grond van de Wbb plus nog 25 aangewezen gemeenten bevoegd gezag zijn krachtens genoemd Besluit. Met de invoering van de Waterwet is het waterbodembeheer van de Wet bodembescherming overgegaan naar de Waterwet. Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet het bevoegd gezag beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren, zal echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder artikel 2.4.2 van MBV.
Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden getroffen. Erfgoed Cultureel erfgoed is overal aanwezig. In musea, in de bodem en in onze gebouwde omgeving. Het erfgoed maakt het verleden zichtbaar en is een bron van inspiratie voor nieuwe ontwikkelingen. Daarom is het belangrijk dat het cultureel erfgoed behouden blijft. Regels voor de omgang met ons erfgoed zijn vastgelegd in de Erfgoedwet. Samen met de Omgevingswet vormt de Erfgoedwet het fundament voor de bescherming van monumenten. De Erfgoedwet bevat algemene regels voor het behoud van cultureel erfgoed. In de Omgevingswet staan de meer specifieke regels over de instandhouding van monumenten, de omgang met de fysieke leefomgeving en de verlening van vergunningen. Deze verordening ziet in beginsel niet op archeologie.
Begripsbepalingen De wettelijke definities uit artikel 1.1 van de Erfgoedwet gelden onverkort voor de begrippen die gebruikt worden in deze verordening, nu deze verordening berust op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en daarom in samenhang met de Erfgoedwet moet worden gelezen. Deze verordening bevat daarom uitsluitend de begrippen waarvan de definitie moet worden omschreven of die kortheidshalve zijn gegeven en die niet reeds (in deze vorm) in artikel 1.1 van de Erfgoedwet zijn gegeven. Sub a. Registratie in het gemeentelijk erfgoedregister De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling, geen besluit. De bedoeling van het erfgoedregister is om een ieder snel inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen. Aanwijzing als beschermde gemeentelijke monument Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument. De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het 44
gebruik van het monument. Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet. Het college heeft beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument als beschermd gemeentelijk monument. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen daarom in voldoende mate worden onderzocht. Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie als bedoeld onder artikel 1, sub f. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. Het is aan het college om de taken en de werkwijze van de monumentencommissie vast te leggen. Monumenten die op grond van een aanwijzing door het rijk of de provincie al in een monumentenregister zijn opgenomen, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk monument in aanmerking. De ontvangst van de mededeling van het voornemen van een aanwijzing door het college is voor alle bij het monument betrokken zakelijk gerechtigden relevant. Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat het voornemen tot aanwijzing wordt bekendgemaakt aan de eigenaar van het monument of de aanvrager van de aanwijzing, omdat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat al bepaalt (afdeling 3.6 Awb).
Wijziging van de aanwijzing Met dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Intrekken van de aanwijzing Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van de monumentencommissie nodig, tenzij sprake is van bijzondere (spoedeisende) gevallen. Monumenten waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins volledig teloor zijn gegaan), worden door het college uit het register verwijderd. Daarnaast regelt lid 3 dat monumenten niet dubbel aangewezen en geregistreerd kunnen zijn als dat het object als rijksmonument of provinciaal monument wordt aangewezen en geregistreerd. In dat geval vervalt de gemeentelijke aanwijzing en registratie als gemeentelijke monument. Instandhoudingsbepaling Voor een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is van belang dat het verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15 Awb).
Wanneer duidelijk is wat het toetsingskader is voor grote (niet reguliere) wijzigingen aan een monument, kan ook dit toetsingskader in algemene regels worden opgenomen, zodat burgers nog minder administratieve lasten krijgen. In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma’s van eisen) kunnen de uitgangspunten, functionele toetsing en aanwijzingen in het kader van de monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale kwaliteit (behoud van het monument) voorop te staan. Voorts staat het voeren van (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden geleverd. Weigeringsgronden De omgevingsvergunning kan worden geweigerd. In het eerste lid ligt op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt tevens besloten dat rekening wordt gehouden met het 45
gebruik van het monument. In het tweede lid is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 3.2a van de Wabo. Intrekken van de omgevingsvergunning Dit artikel bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. Wanneer de omstandigheden bij de vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou bij een nieuwe belangenafweging, de belangen van het monument voor kunnen gaan. In dat geval moet het college mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken. Rijksmonumenten Bij de vergunning voor rijksmonumenten is de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van toepassing. Hierin verschilt de omgevingsvergunning voor rijksmonumenten van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten. Voor een vergunning als bedoeld in (gemeentelijk monument) dient namelijk de reguliere procedure gevolgd te worden. Door dit onderscheid in procedures is de beslistermijn voor beide omgevingsvergunningen niet gelijk. De monumentencommissie moet bij de aanvragen om vergunning voor rijksmonumenten worden ingeschakeld. Om te voorkomen dat dit wettelijke vereiste door het ontbreken van het advies van de monumentencommissie tot moeilijkheden leidt bij de afgifte van de vergunning, is bepaald dat de monumentencommissie geacht wordt te hebben geadviseerd na het verstrijken van de gestelde adviestermijn.
Gemeentelijke stads- en dorpsgezichten Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht. Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om gemeentelijke stads- en dorpsgezichten aan te wijzen. Schadevergoeding De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat een erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR 86,604). Het principe ‘de veroorzaker betaalt’, zoals dat in de memorie van toelichting van de Wet op de archeologische monumentenzorg is verwoord, staat bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt voor alle in dit artikel genoemde onderdelen (a t/m c). De gemeente zal zelf per geval moeten afwegen wat redelijk en billijk is. In deze verordening is gekozen voor een schadevergoedingsbepaling waarin de specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het college mogelijk een schadevergoeding aan een belanghebbende kan toekennen.
46