CConstaterende datWestervoort
Koppel je AI →
Document · PDF

20211019-transitievisie-warmte-westervoort-bijlage-1-transitievisie-warmte..docx

Commissie Ruimte en Financien 19 oktober 2021, gemeente WestervoortBij agendapunt: Transitievisie warmte - raadsvoorstel20.439 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Subsidies Als de besparing op de energielasten niet voldoende is om een investering binnen een redelijke termijn terug te verdienen, spreken we van een ‘onrendabele top’. Subsidies zijn er met name om de onrendabele top af te dekken, en soms ter stimulering van een nieuwe techniek. Het Rijk biedt hier verschillende subsidies voor: - voor particulieren: voor isolatiemaatregelen of aanschaf van installaties (Investeringssubsidie Duurzame Energie). - voor woningcorporaties, institutionele beleggers en particuliere verhuurders: de Stimuleringsregeling Aardgasvrije Huurwoningen voor het aardgasvrij maken van huurwoningen met warmtenetten en de Renovatieversneller om corporatiebezit innovatief te verduurzamen.

54

- voor energieproducenten: voor het produceren van duurzame energie (Subsidie Duurzame Energie++). De beschikbare subsidies en bijbehorende bedragen wijzigen vaak jaarlijks. Duurzaamheidsleningen Duurzaamheidsleningen maken het mogelijk om duurzame maatregelen te treffen, zonder dat iemand daarvoor veel eigen geld hoeft te gebruiken. Een maatregel kan namelijk een voordelige keus zijn, maar niet direct te financieren met eigen middelen (zoals spaargeld). Een duurzaamheidslening moet worden terugbetaald, maar kent meestal een lage rente. Er zijn verschillende duurzaamheidsleningen, waaronder: - Het Nationaal Warmtefonds voor particulieren en VvE’s (nationaal) - Zakelijke Duurzaamheidslening via SVn en BNG duurzaamheidsfonds (nationaal) - Gemeentelijke duurzaamheidslening Op dit moment (2021) heeft de gemeente Westervoort een duurzaamheidslening ter beschikking staan ter stimulering van duurzaamheidsmaatregelen voor particuliere woningen. De looptijd van deze duurzaamheidslening loopt af en wordt dit jaar nog geëvalueerd. Rekenvoorbeeld Investeringsruimte Stel: Een bewoner kan 650 euro per jaar op de energierekening besparen door te isoleren en een warmtepomp te nemen, maar hij of zij heeft geen eigen geld om de investering te doen.

Hoe kan een financieringsconstructie dit oplossen? De besparing van 650 euro per jaar, komt over een looptijd van 30 jaar (na rentelasten) neer op circa 18.000 euro. Dit noem je de investeringsruimte. Een goede financieringsconstructie maakt dit bedrag vooraf beschikbaar, waarbij de maandlasten van bewoners gelijk blijven. De investering en de rentelast worden dan dankzij de lagere energierekening in 30 jaar terugbetaald. Via diverse subsidies kan een aanvullende bijdrage van circa 5.000,- euro per woning aangevraagd worden. In dit rekenvoorbeeld is het daarom mogelijk om ongeveer 23.000 euro in de woning te investeren, waarbij de maandlasten van bewoners gelijk blijven. Voorwaarden voor de haalbaarheid van de transitie voor gemeente Westervoort De regierol van de gemeente Westervoort in de warmtetransitie vraagt extra tijd en inzet van ambtenaren en politici. Communicatie en participatie, projectmanagement en technische analyse zijn noodzakelijke onderdelen van de vervolgstappen richting het wijkuitvoeringsplan. De gemeentelijke opgave en hiermee gepaarde uitgaven kunnen niet zonder extra financiële steun van het Rijk worden gerealiseerd. De mate waarin het Rijk voornemens is met extra middelen de gemeenten te ondersteunen is echter nog onduidelijk.

Naar verwachting neemt het kabinet daarover op zijn vroegst in 2022 een besluit, na gesprekken en onderhandelingen tussen de VNG en het Rijk.” Daarnaast willen we graag benadrukken dat de warmtetransitie komende jaren veel uitvoeringscapaciteiten kunde gaat vragen. De beschikbaarheid in de (arbeids)markt van bijvoorbeeld installatietechnici, bouwers & aannemers, adviseurs en participatiedeskundigen zal mede bepalen hoe snel we stappen kunnen zetten richting een aardgasvrije gemeente.

7.8 Doorontwikkeling Transitievisie Warmte De Transitievisie Warmte is een levend document en een startpunt voor het gesprek met alle instellingen, bedrijven en bewoners van onze gemeente. De warmtetransitie is een langdurig proces, dat doorloopt tot 2050. Nieuwe ontwikkelingen en inzichten zullen ervoor zorgen dat we de visie gaandeweg willen bijstellen en concreter kunnen maken. Zo zal er meer inzicht ontstaan in de haalbaarheid van nieuwe warmtebronnen en warmteoplossingen in specifieke wijken. Ook zullen we willen inspelen op nieuwe

55

technologieën en ontwikkelingen in de prijsstelling van de verschillende warmteoplossingen en installaties. Door in gesprek te gaan met alle betrokkenen in onze gemeenten kunnen we de visie sterker maken en in samenspraak concrete plannen opstellen. Zo zullen we steeds meer ervaring opdoen met het transitiegereed maken van gebouwen, buurten en wijken. Nieuwe inzichten en ontwikkelingen nemen we mee door de Transitievisie iedere 5 jaar te actualiseren.

56

Bijlage A Bouwjaren en energielabels De bouwjaren van de panden in gemeente Westervoort zijn te zien in onderstaande figuur.

Figuur 17 Bouwjaren panden in gemeente Westervoort

57

De energielabels van de panden in gemeente Westervoort zijn te zien in onderstaande figuur.

Figuur 18 Energielabels panden in gemeente Westervoort

58

Bijlage B Toelichting technische analyse In Hoofstuk 4 is een voorspelling gegeven van de energiebesparing voor 2050. In deze bijlage wordt de achterliggende analyse toelicht. De huidige energielabels zijn gebaseerd op meerdere (landelijke) bronnen. Wanneer aanwezig zijn geregistreerde of voorlopige energielabels van het RVO overgenomen. Wanneer deze data niet beschikbaar zijn, is er een inschatting gemaakt op basis van het bouwjaar van de woning.

Figuur 19. Herkomst energielabels woningen en utiliteiten in gemeente Westervoort Vervolgens wordt door middel van de energielabels de warmtevraag van de woningen ingeschat. De kentallen zijn weergegeven in Tabel 2. De waardes zijn gebaseerd op literatuur en een analyse van de warmtevraag in Nederland.

Voorspelling toekomstig energielabel Aan de hand van de huidige energielabels voorspellen we een toekomstig energielabel. Voor elk huidig energielabel gaan we uit van een labelstap die als economisch rendabel wordt beschouwd. Deze labelstappen zijn gebaseerd op basis van expertise van De WarmteTransitieMakers en praktijkervaring. Een voorbeeld: slecht geïsoleerde woningen, met energielabel G of F of een bouwjaar voor 1940, hebben een beperkt aantal betaalbare isolatiemogelijkheden. Dit komt doordat er vaak geen spouwmuur aanwezig is en een deel van de woningen een beschermd aangezicht of monumentenstatus heeft. Als alleen economisch rendabele isolatiemaatregelen worden uitgevoerd, blijft de verbetering van het energielabel steken op label D of C. De voorspelde energielabels bij de huidige energielabels zijn weergegeven in Tabel 2. De labelsprongen in Tabel 2 zijn enigszins conservatief ten opzichte van de labelsprongen die RVO geeft in het rapport over voorbeeldwoningen. Dit is met name voor labels G en F het geval door de eerder benoemde beperkingen. Vervolgens wordt de besparing ingeschat door de huidige en toekomstige warmtevraag te vergelijken.

Toekenning temperatuurniveau Tot slot wordt het verwachte temperatuurniveau bepaald dat nodig is voor de afgifte. Verwacht wordt dat woningen die nu energielabel A hebben geschikt zijn voor een lage temperatuurafgifte. Er zal hiervoor wel aanpassing nodig zijn aan het afgiftesysteem. Woningen met energielabel B t/m E zullen naar verwachting goed met midden temperatuur te verwarmen zijn en met de nodige investering ook in sommige gevallen met een lage temperatuur verwarmd kunnen worden. Label F en G zijn moeilijker te isoleren en zullen naar verwachting midden tot hoge temperatuur warmteafgifte nodig hebben.

59

Tabel 2. Voorspelde energiebesparing en verbetering van het energielabel door isolatie. We gaan uit van de isolatie die economisch rendabel is. De mogelijke besparing is berekend door de warmtevraag van het huidige en het toekomstige energielabel te vergelijken.

Bedrijfspanden Door de diversiteit in functies en soorten gebouwen is er bij bedrijfspanden een grotere onzekerheid over de huidige en toekomstige warmtevraag. Daarnaast gelden er andere energie-eisen voor utiliteitsbouw dan voor woningbouw. In de warmteanalyse wordt voor alle bedrijfspanden een besparing van 30% geschat. Voor bestaande kantoorpanden gelden vanaf 2023 strengere energie-eisen. Label C is vanaf dan minimaal vereist voor grotere kantoren (>100 m2). Voor kleinere bedrijfsgebouwen gelden deze regels niet.14 De verwachting is dat de eisen voor utiliteitsbouw en kantoren binnen de EU en binnen Nederland verder aangescherpt zullen worden. De verwachting is daarmee dat het merendeel van de kantoren in 2050 geschikt zal zijn voor lagere of middelhoge temperatuur warmte (zie Tabel 3). Bij andere bedrijfspanden hangt de warmtevraag sterk af van de functie van een gebouw. Zo is het vaak niet nodig om een opslagloods tot 20°C te verwarmen. Voor bedrijfspanden moet meer op individueel niveau gekeken worden welke warmtevoorziening volstaat. Industriepanden gebruiken afhankelijk van de precieze functie ook warmte in processen. Hiervoor is vaak zeer hoge temperatuur warmte nodig.

Tabel 3. Voorspelde warmteprofielen bedrijven (exclusief industrie). Omdat voor kantoorpanden strengere regelgeving geldt, is de verwachting dat veel oudere kantoren grondig gerenoveerd (of nieuw gebouwd) gaan worden. Daardoor is een groot deel van de kantoorpanden in de toekomst geschikt voor lagetemperatuurverwarming.

14

https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-en-regels/bestaande-

bouw/energielabel-c-kantoren

60

Ondanks dat er meer onzekerheid is bij het inschatten van de warmtevraag in bedrijfspanden, zijn er wel kentallen beschikbaar die een indicatie geven voor de warmtevraag op basis van landelijke gemiddeldes.15 Dat betekent dat er op lokaal niveau wel grote foutmarges kunnen optreden. Zo vallen loodsen onder ‘industriefunctie’, maar een kas of een bakker ook. Daarnaast hebben veel bedrijfspanden meerdere functies, waardoor er ook onzekerheden zitten in het toekennen van de juiste kentallen. In Tabel 4 staan de kentallen weergegeven.

Tabel 4 Kentallen warmtevraag voor verschillen type gebruiksfuncties utiliteit. Gebruiksfunctie Bijeenkomstfunctie Celfunctie Gezondheidszorgfunctie Industriefunctie Kantoorfunctie Logiesfunctie Onderwijsfunctie Overige gebruiksfunctie Sportfunctie Winkelfunctie

15

Warmtevraag [GJ/m2/jaar] 0,53 0,65 0,55 0,30 0,40 0,56 0,39 0,17 0,47 0,35

Bron: Greenvis, Innax en CBS

61

Bijlage C Niet of beperkt aanwezige warmtebronnen Niet of zeer beperkt aanwezig Biomassa (houtachtig), Collectief Biomassa is de verzamelnaam voor diverse soorten organische materiaal, zoals voedselresten, snoeihout, meststromen en productiebossen. Er zijn vele vormen van biomassa, maar de inzet van biomassa voor het verwarmen van woningen zal naar verwachting gering blijven. Dit heeft te maken met de beperkte beschikbaarheid van duurzaam beschikbare biomassa én de andere toepassingsmogelijkheden die biomassa heeft. Biomassa kan meegestookt worden in grote energiecentrales en op kleinere schaal ingezet worden met pelletkachels. De potentie voor de productie van warmte uit resthout op het grondgebied van de gemeente Duiven en Westervoort is geschat op 40 TJ per jaar16.

16

Bron: Warmteatlas

62

Bijlage D Toelichting Startanalyse Leidraad In Hoofdstuk 5 hebben we de Visie Warmtevoorziening voor gemeente Westervoort gepresenteerd. Op deze kaart is te zien welk type warmtevoorziening kansrijk is als alternatief voor aardgas. Er zijn ook andere landelijke en lokale modellen die in beeld brengen welke warmtevoorziening kansrijk is en de laagste nationale kosten met zich mee brengt. In deze bijlage geven we een overzicht van de modellen die iets zeggen over de mogelijke toekomstige warmtevoorziening in gemeente Westervoort. We vergelijken de uitkomsten van de Startanalyse van PBL en de buurtanalyse van netbeheerder Liander met onze eigen Visie Warmtevoorziening en lichten de overeenkomsten en verschillen toe. Elk model is een andere versimpelde weergave van de werkelijkheid. Het is belangrijk om de gemaakte aannames en interpretaties in acht te nemen en niet alleen op basis van de resultaten conclusies te trekken.

De Startanalyse van de Leidraad – versie september 2020 De Startanalyse van de Leidraad is een analyse die de kosten van verschillende strategieën voor de toekomstige warmtevoorziening in kaart brengt. Er zijn in totaal vijf strategieën: -

S1: Individuele elektrische warmtepomp (paars) S2: Warmtenet met midden- en hogetemperatuurbron (licht rood) S3: warmtenet met lagetemperatuurbron (blauw) S4: Groengas (groen) S5: Waterstof (geel)

Per CBS-buurt wordt de strategie met de laagste nationale kosten weergegeven op de kaart in Figuur 20.17 De kleuren van bovenstaande strategieën corresponderen met de kleuren uit onderstaande figuur.

17

Voor deze analyse is gebruikt gemaakt van de Vesta MAIS software, waarin het Planbureau voor de Leefomgeving

een model heeft gemaakt dat per CBS-buurt in Nederland de strategie met de laagste nationale kosten kan berekenen. Nationale kosten zijn inclusief de kosten en baten van energiebesparing en alle kosten en investeringen voor de opwek en distributie van stroom en warmte, maar exclusief belastingen, heffingen en subsidies. Het is een open-source model en alle aannames en gebruikte methodieken zijn online in te zien: https://github.com/RuudvandenWijngaart/VestaDV/wiki/F%29-Vesta-MAIS-in-de-Leidraad Meer informatie over De Startanalyse en hoe de resultaten geïnterpreteerd kunnen worden, is onder andere door De Warmtetransitiemakers uitgelegd in een webinar die online terug te zien is: https://vimeo.com/470550595

63

Figuur 20. Weergave van de scenario's met de laagste nationale kosten per gereduceerde ton CO2-uitstoot volgens de Leidraad Startanalyse voor gemeente Westervoort. Legenda: S1: Individuele elektrische warmtepomp (paars) S2: Warmtenet met midden- en hogetemperatuurbron (licht rood) S3: warmtenet met lagetemperatuurbron (blauw) S4: Groengas (groen) S5: Waterstof (geel)

Interpretatie van de resultaten De Startanalyse van de Leidraad verschilt in methodiek met de analyse in Hoofdstuk 5 waarin de Visie Warmtevoorziening gepresenteerd is. Hier bespreken we de belangrijkste aandachtspunten bij het interpreteren van de resultaten in Figuur 20. CBS-buurten in plaats van logische clusters De kostenberekening van een techniek uit de Leidraad Startanalyse gaat per CBS-buurt. Omdat binnen een CBS-buurt verschillende type woningen staan, kan het resultaat een vertekend beeld geven dat niet representatief is voor de verschillende gebieden in de CBS-buurt. De gehele buurt wordt zogezegd over een kam geschoren. Beschikbare warmtebronnen in Strategieën 2 t/m 5 De nationale kosten in Strategieën 2 en 3 worden berekend op basis van de beschikbare warmtebronnen die bij het PBL bekend zijn. Doordat de Startanalyse rekent met de algemene openbare data, komen er ook warmtebronnen voor in de Startanalyse die in praktijk niet (meer) beschikbaar zijn. Andersom geldt dat relevante warmtebronnen niet meegenomen zijn of is niet de juiste data over de bron bekend.

64

Voor Strategie 3 geldt dat vaak niet de hele CBS-buurt aangesloten wordt op het warmtenet met een lage temperatuur bron. Dit maakt het interpreteren van Strategie 3 lastig: de kaart in Figuur 20 20 laat niet zien welk deel van de buurt daadwerkelijk aangesloten wordt op het warmtenet. Daarnaast zijn de kosten voor het aansluiten van de hele buurt niet inzichtelijk, wat een vergelijking met andere strategieën of andere buurten moeilijker maakt. Strategie 4 geeft de nationale kosten wanneer groengas wordt ingezet. Bij groengas wordt geen rekening gehouden met de beperkte beschikbaarheid maar wordt alleen weergegeven wanneer de strategie zorgt voor de laagste nationale kosten. De kaart van de Startanalyse laat geen verschillen met de alternatieven zien Op de kaart in Figuur 20 is niet te zien hoe groot het verschil in nationale kosten is met het goedkoopste alternatief. In Figuur 21 is te zien dat het wel relevant is om het verschil in acht te nemen en zien we hoeveel duurder of goedkoper Strategie 2 is ten opzichte van Strategie 1.

Verschillen tussen de Startanalyse en de Visie Warmtevoorziening Het eindbeeld van de Startanalyse is niet per buurt één-op-één te vergelijken met de Visie Warmtevoorziening, met name vanwege de genoemde verschillen in methodiek. Voor gemeente Westervoort geldt dat géén van de CBS-buurten in zijn geheel homogeen gebouwd is. Dat betekent dat er per buurt veel nuances te maken zijn, die niet terugkomen in de resultaten van de Startanalyse. Dit maakt de resultaten van de Startanalyse moeilijk te interpreteren. Bij de Visie Warmtevoorziening in hoofdstuk 5 wordt geen rekening gehouden met buurtgrenzen. De optimale warmtevoorziening is bepaald aan de hand van de warmtevraagdichtheid, locatie en het type gebouw (bouwjaar, energielabel). Per buurt kunnen er dus meer warmtevoorzieningen mogelijk zijn waardoor er meer nuance is aangebracht. Tijdens het maken van deze TVW zijn alle potentiële energiebronnen in kaart gebracht. De warmtebronnen met de meeste potentie zijn verder onderzocht en is het gesprek aangegaan met de desbetreffende partijen. Zo wordt een actueel beeld verkregen van de soort en capaciteit van alternatieve energiebronnen in de gemeente. Totaaloverzicht startanalyse Figuur 21 laat zien dat voor de meeste buurten de extra nationale kosten per ton gereduceerde CO2 ten opzichte van de aardgasreferentie voor de verschillende strategieën dicht bij elkaar liggen.

Behalve voor Verspreide huizen Westervoort, deze ligt nog bijna een factor 4 hoger dan in de grafiek te zien is. Dit komt omdat hier een warmtenet een extra kostbare optie is vanwege de erg lage warmtevraagdichtheid. Ten behoeve van de leesbaarheid van de grafiek is deze ingekort. In de PBL analyse zijn alle buurten meegenomen, maar hieronder zijn alleen de buurten weergegeven waar nog op gas wordt gestookt en geen warmtenet ligt. Te zien is dat een warmtenetconcept meestal de hogere extra kosten met zich meebrengt. Een individuele oplossing met een warmtepomp of groengas in de meeste gevallen het minst. Bij de afweging voor een warmtenet selecteert de PBL analyse voor elke buurt een aparte nieuwe warmtebron. Deze bron ligt volgens de gebruikte database meestal ver van de desbetreffende buurt; dit is een van de verklaringen waarom een warmtenet in de PBL analyse relatief slechter scoort. Daarnaast wordt er geen rekening gehouden met al bestaande warmtenetten die in de buurt liggen. In de TVW wordt wel rekening gehouden met de huidige warmtenetten en met bronnen die op zich op een logische afstand bevinden. Dit verklaart waarom in bepaalde buurten in de TVW is gekozen voor een warmtenet waarbij dat niet overeenkomt met de PBL startanalyse.

65

Figuur 21. De extra nationale kosten van strategie 1, 2, 3 en 4 in de Startanalyse van de Leidraad voor gemeente Westervoort.

Buurt analyse Liander Liander heeft onder andere voor de gemeente Westervoort een buurtanalyse tool beschikbaar gesteld. Hierin is per buurt de meest passende warmteoplossing inzichtelijk gemaakt. Er zijn vier warmteoplossingen die met elkaar vergeleken worden: 1. Hoge temperatuur warmtenet 2. Lage temperatuur warmtenet 3. All-Electric 4. Hybride warmtepomp De keuze van het meest passende scenario hangt hoofdzakelijk af van de investeringskosten en of er een geschikte bron in de buurt is. Per buurt worden de uitkomsten uiteengezet in overzicht zoals hieronder is weergegeven voor de buurt Westervoort in de gemeente Westervoort. Hierin is bijvoorbeeld te zien dat een hoog temperatuur warmtenet redelijk goed scoort (lage investeringskosten) omdat er een hoge temperatuur warmtebron in de buurt zou zijn. Deze scoort vergelijkbaar met de hybride warmtepomp, deze heeft iets lagere investeringskosten maar weer iets hogere maandlasten. De lage temperatuur warmtebron of all-electric oplossing scoren slechter.

66

67

Methodiek beoordeling warmteoplossingen buurtanalyse tool Hieronder wordt de methodiek van Liander beschreven voor het beoordelen van een warmteoplossing voor een buurt. Deze wordt daarna vergeleken met de methodiek gebruikt in de TVW. In principe is de manier waarop Liander op deze uitkomsten komt vergelijkbaar op een aantal belangrijke verschillen na. Een uitgebreide beschrijving van de methodiek is te vinden op de website van Liander18. Hoog temperatuur warmtenet Geschiktheid panden:

Afstand tot HT bron:

Hierbij wordt gekeken naar het aantal panden met een hoog gasverbruik; hoe meer panden met een hoog gasverbruik, hoe geschikter de buurt is voor een warmtenet. Hierbij wordt gekeken naar hoogbouw (zeer geschikt), buitenwijken (minder geschikt) of landelijk gebied (niet geschikt). Hoe dichterbij een geschikte bron hoe beter.

Potentie Geothermie:

Hierbij wordt gekeken naar de potentie van geothermie in een gebied

Geschiktheid buurttype:

Laag temperatuur warmtenet Geschiktheid panden:

Hierbij wordt gekeken naar het aantal panden waarvan het huidig energielabel A of B is. Geschiktheid buurttype: Hierbij wordt gekeken naar hoogbouw (zeer geschikt), buitenwijken (minder geschikt) of landelijk gebied (niet geschikt). Aansluitingen per meter gasleiding: Hiermee wordt de warmtevraagdichtheid bepaald door te kijken naar het aantal gasaansluitingen in een gebied. Afstand tot LT bron: Hoe dichterbij een geschikte bron hoe beter. All-electric Geschiktheid panden: Geschiktheid LS net: Geschiktheid MS net: Geschiktheid buurttype:

Hybride warmtepomp Geschiktheid panden:

Hierbij wordt gekeken naar het aantal panden waarvan het huidig energielabel A of B is. Mate van geschiktheid huidige laagspanningsnet; mate van vereiste netverzwaring. Mate van geschiktheid huidige middenspanningsnet; mate van vereiste netverzwaring. Hierbij wordt gekeken naar hoogbouw (zeer geschikt), buitenwijken (minder geschikt) of landelijk gebied (niet geschikt).

Status gasnet:

Hierbij wordt gekeken naar het aantal panden waarvan het huidig energielabel C, D of E is. Mate waarin komende jaren vervanging van het gasnet nodig is

Afstand tot geschikte bron:

Hoe dichterbij een geschikte bron hoe beter.

Biogaspotentie:

Als er een biogasbron in de buurt is, komt dit een hybride warmtepompsysteem ten goede.

Verschillen tussen de buurtanalyse tool en de Visie Warmtevoorziening Zoals al aangegeven is de methode van de buurtanalyse tool vergelijkbaar met de methode uit deze TVW. Hieronder worden de belangrijkste verschillen aangegeven. In de buurtanalyse wordt gekeken naar het aantal panden met een bepaald energielabel in een gebied, afhankelijk daarvan wordt voor de toekomst een warmteoplossing gekozen. In de TVW wordt niet alleen rekening gehouden met de huidige energielabels maar ook de verwachte energielabels in de toekomst. Een uitgebreide uitleg hiervan is te vinden in bijlage D. Zo wordt er verder 18

https://www.buurtanalysetool.nl/

68

gekeken dan de huidige situatie en wordt de geschiktheid van een warmteoplossing toegespitst op de toekomst. In de buurtanalyse wordt de warmtevraagdichtheid bepaald door te kijken naar het aantal grote gasaansluitingen in een gebied. Zo kan het zijn dat in een woonwijk alleen maar laagbouwwoningen (lage warmtevraagdichtheid) worden aangemerkt als geschikt als er maar een paar panden met een hoog gasverbruik in staan. In de TVW wordt gekeken naar de absolute warmtevraagdichtheid in de huidige situatie en de verwachte warmtevraagdichtheid in toekomst na energiebesparingsmaatregelen. Deze warmtevraagdichtheid is afhankelijk van de warmtevraag van de panden en de oppervlakte van het gebied. Tot slot wordt in de TVW de geschiktheid van de bron getoetst met de benodigde aanvoertemperatuur van de panden in een gebied. Deze aanvoertemperatuur is weer afhankelijk van de bouwjaren en energielabels. Zo zal er bijvoorbeeld geen laag temperatuur warmtebron worden gekozen in een gebied waar in de toekomst een hoge aanvoertemperatuur nodig wordt verwacht.

69

Bijlage E Infographic Individuele oplossingen Zie meegeleverde bijlage.

70

Bijlage F Participatiestrategie Circulaire Economie Zie meegeleverde bijlage.

71

Bijlage G Planning Integraal Beheer Openbare Ruimte Zie meegeleverde bijlage

72

Bijlage H Communicatie- en participatieplan Transitievisie Warmte Zie meegeleverde bijlage

73

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westervoort&id=9875d372-2412-49fb-a363-d86823a3d8ee