CConstaterende datWestervoort
Koppel je AI →
Document · PDF

20210330-rv-beleidsambities-deltaplan-klimaatadaptatie-de-liemers-bijlage-2-liemerse-stresstest.pdf

Commissie Ruimte en Financien 30 maart 2021, gemeente WestervoortBij agendapunt: Beleidsambitities Deltaplan Klimaatadaptatie de Liemers13.882 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

De Liemerse Stresstest Klimaateffecten en kwetsbaarheden in de gemeente Duiven, Westervoort, Zevenaar en het beheergebied van Waterschap Rijn en IJssel

Ha

1

Inhoudsopgave 1

DE LIEMERSE STRESSTEST; VIA “WETEN” NAAR “WILLEN” .............................................. 1

1.1

De “harde” en de “zachte” kant....................................................................................... 1

1.2

Uitwerking ...................................................................................................................... 1

2

DE ORGANISATIES .......................................................................................................... 2

2.1

De organisatiescan .......................................................................................................... 2

2.2

De brede bijeenkomst ..................................................................................................... 2

3

DE KAARTBEELDEN ......................................................................................................... 5

3.1

Wateroverlast ................................................................................................................. 5

3.2

Hitte ............................................................................................................................... 9

3.3

Droogte......................................................................................................................... 11

3.4

Waterveiligheid............................................................................................................. 14

3.5

Waterkwaliteit .............................................................................................................. 15

4

ROUTEKAART VOOR HET VERVOLG .............................................................................. 16

4.1

De bestuurlijke tafel en het klimaatatelier ..................................................................... 16

4.2

Ambities en doelstellingen voor het vervolg .................................................................. 17

4.3

Routekaart voor klimaatadaptatie in de Liemers ............................................................ 17

1

DE LIEMERSE STRESSTEST; VIA “WETEN” NAAR “WILLEN”

De Liemerse klimaatstresstest brengt kwetsbaarheden in beeld. Dit gebeurt op de vier klimaatthema’s, wateroverlast, hitte, droogte en waterveiligheid, uit het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA). Deze stresstest is de eerste stap in de 7 ambities die in het DPRA (figuur 1) zijn geformuleerd; het in beeld brengen van de kwetsbaarheden. Het is daarmee de opstap van gemeenten en waterschap om samen met (private) partijen en met een passende mate van burgerparticipatie vorm te gaan geven aan volgende fases van klimaatadaptatie; van weten (in beeld brengen van de kwetsbaarheden) naar willen (een gedragen perspectief van de opgave) en vervolgens werken (opstellen van een adaptatiestrategie, figuur 2). 1.1

De “harde” en de “zachte” kant

Om tot de stresstest te komen is een spoor gevolgd over de ”harde” en de ”zachte” kant. De “harde” kant gaat daarbij over het verzamelen en presenteren van de feiten. Deels is dit het opbouwen of aanpassen van (bestaande) modellen, maar deels ook het verzamelen en uitleggen van de gevolgen van al eerder uitgevoerd werk. De “zachte” kant gaat veel meer over een zinvolle uitleg van de feiten en het creëren van een gevoel van urgentie bij de juiste partijen. Er zijn gesprekken gevoerd met betrokkenen binnen de ambtelijke organisaties, en daaruit is een organisatiescan gemaakt. Weerman Gerrit Hiemstra heeft op een brede bijeenkomst inzicht gegeven in wat er op Nederland af komt door klimaatverandering en waarom het belangrijk is om hier (nu!) mee aan de slag te gaan. Het laatste kenmerkende onderdeel van de zachte kant is het ’klimaatatelier’. In het klimaatatelier wordt met betrokkenen besproken wat de impact van klimaatverandering en de kwetsbaarheden is en hoe daarop in de toekomst wordt ingespeeld. Het klimaatatelier wordt voorafgegaan door een bestuurlijke tafel. De bestuurlijke tafel en het klimaatatelier vormen de opmaat naar de volgende stap in klimaatadaptatie in de Liemers, namelijk de risicodialoog. 1.2

Figuur 1; De 7 ambities uit het DPRA

Uitwerking

De rest van dit document volgt de verschillende gevolgde werkstappen. In het volgende hoofdstuk volgt een kernachtige weergave van de verkenning binnen de organisaties en de brede bijeenkomst die op 17 januari 2019 is gehouden. Hoofdstuk drie behandelt de uitkomsten van het rekenwerk; welke kwetsbaarheden komen naar boven vanuit de modellen. Hoofdstuk vier bevat de routekaart voor het vervolg; hoe vormen de resultaten van de brede bijeenkomst, het rekenwerk en het klimaatatelier input voor de risicodialogen en hoe wordt dat vervolgens vertaald in adaptatiestrategieën.

Figuur 2; Weten, Willen, Werken

In de bijlagen zijn de uitwerking van de organisatiescan, de verslaglegging van de brede sessie, de losse kaartbeelden en de presentatie en uitkomsten van de toprisico’s van het klimaatatelier opgenomen.

1

2

DE ORGANISATIES

2.1

De organisatiescan

Met de klimaatstresstest maken de gemeenten in de Liemers en waterschap Rijn en IJssel een eerste duidelijke stap in het proces naar een klimaatbestendige inrichting en een organisatie waarin klimaatadaptatie onderdeel is van beleid en handelen. Naast technische analyses wordt ook naar meer organisatorische aspecten gekeken. Vaak liggen belemmeringen voor klimaatadaptatie niet in de techniek - technisch is veel mogelijk - maar juist in de organisatorische randvoorwaarden. Om hier meer zicht op te krijgen zijn gesprekken gevoerd, waarmee we een organisatiescan hebben opgesteld. Deze scan is erop gericht om in beeld te brengen hoe ‘mainstream’ klimaatadaptatie al is binnen betrokken organisaties. Dus op welke vlakken is klimaatadaptatie al verankerd, waar liggen sterke punten van organisaties en waar is nog winst te boeken. Voor het uitvoeren van de organisatiescan maken we gebruik van een governance model dat uitgaat van 5 planningscapaciteiten benodigd voor het mainstreamen van klimaatadaptatie binnen organisaties (zie figuur 3).

Figuur 3; Planningscapaciteiten voor het mainstreamen van klimaatadaptatie (Spatial Planning responses to Climate Change, Grotholt, 2017)

Binnen elk van de organisaties van 1-Stroom (de ambtelijke samenwerkingsorganisatie van de gemeente Westervoort en Duiven), gemeente Zevenaar en waterschap Rijn en IJssel is een dagdeel lang interviews gehouden. Hierin zijn de 5 planningscapaciteiten (wetgeving, institutioneel, sociaal, resources en leren) als leidraad gebruikt. Per organisatie hebben we tussen de 9 en 12 mensen gesproken die, in ieder geval vanuit het eigen werkveld, een betrokkenheid met klimaatadaptatie (zouden moeten) hebben. In de notitie in bijlage 1 worden de resultaten van deze scan per organisatie en per planningscapaciteit gerapporteerd. Op hoofdlijnen is per planningscapaciteit het volgende te concluderen. 2.1.1 Wetgevingscapaciteit Zowel bij 1-Stroom als in Zevenaar ontbreekt een duidelijk beleidsmatig kader met betrekking tot klimaatadaptatie. Handboeken openbare ruimte en watertakenplannen zijn vaak nog traditioneel ingestoken. Er wordt meestal van project tot project gewerkt. Bij het waterschap is een klimaatstrategie en een position paper opgesteld. Het waterschap weegt per ontwikkeling af of ze probleemeigenaar, partner of adviseur is in klimaatadaptatie. Diverse programma’s en (onderhouds)plannen van waterschap Rijn en IJssel krijgen bij actualisatie een duidelijke ‘klimaatadaptatie-insteek’.

2.1.2 Institutionele capaciteit Het aantal collega’s dat rechtstreeks actief aan klimaatadaptatie werkt is bij het waterschap beperkt. Uiteraard raakt het werk van veel wel aan (gevolgen van) klimaatverandering. Calamiteiten (zoals ook de droogte van 2018 is behandeld), zijn door middel van een calamiteitenorganisatie wel goed ondervangen. Bij de gemeenten is het iets uitgesprokener dat met name de vakdisciplines direct invloed uitoefenen op de openbare ruimte, en dus, de mate van klimaatadaptatie. Bij de afdelingen Ruimtelijke Ordening kan nog veel gewonnen worden; al in bestemmingsplannen wordt al dan niet voorgesorteerd op een klimaatrobuuste inrichting van de ruimte. Communicatie vanuit de gemeenten en het waterschap (afdelingen communicatie) kan meer gestructureerd om een duidelijker uitstraling neer te zetten.

2.1.3 Sociale capaciteit Binnen 1-Stroom lopen diverse trajecten om stakeholders mee te laten denken en mee te laten beslissen. In pilots worden bewoners zelfs zeer vrij gelaten over hoe zij de eigen wijk in willen richten (burgerparticipatie). De contacten met bedrijven en bedrijventerreinen verlopen goed en dat biedt mogelijkheden om (verder) samen op te trekken. In Zevenaar zijn bewoners/dorps-/wijkraden betrokken bij het (her-)inrichten van wijken/dorpen. Via basisscholen worden toekomstige generaties aangesproken over klimaat- en ruimtelijke adaptatie. Waterschap Rijn en IJssel sluit landelijk aan bij verschillende kennisnetwerken. Daarnaast heeft ze zitting in de afvalwaterteams in het hele gebied. Gebiedsbeheer vindt voor de dagelijkse gang van zaken plaats voor en met stakeholders. Specifiek in het kader van klimaatverandering is die samenwerking minder. Het waterschap wil haar kennis hierover bundelen en verspreiden via haar website weetvanwater.nl. Uitkomsten van de stresstest worden ontsloten via de klimaat-effectatlas. 2.1.4 Resource capaciteit Er is behoefte aan flexibiliteit, met name bij de beheertaken. Veranderingen en de fysieke omgeving (al dan niet door klimaatverandering) vragen per situatie soms een net andere aanpak. Dat wordt niet gefaciliteerd door bijvoorbeeld handboeken die te streng aan standaarden vasthouden.

Vaak is bij ingrepen binnen de gemeenten een integrale aanpak (groen, bomen, waterpartijen en hoe wordt een weg en omliggende ruimte ingericht) beter om klimaatrobuust in te richten. Kennis bij mensen ‘tussen de oren’ is een risicofactor bij de overheidspartijen. Mensen met gebiedskennis worden ouder en daarmee dus ook de vanzelfsprekendheid van goed gebiedsbeheer. Het is belangrijk om management en politiek voldoende mee te nemen; ambtelijk wordt (soms onbewust) vaak al veel aan klimaatadaptatie gedaan. Ook de samenwerking met stakeholders kan ervoor zorgen dat nieuwe manieren van werken in projecten van de grond komen en kennis en resources beter kunnen worden benut. 2.1.5 Leer capaciteit De gemeenten geven te kennen dat kennis- en informatiedeling binnen de afdelingen beter kan. De afdelingen Realisatie en beheer bezitten een schat aan informatie over de buitenruimte, waar afdelingen Ruimte, maar ook het Sociaal Domein in de combinatie veel aan kunnen hebben. Afstemming over werkzaamheden, inzet van intranet en bredere bijeenkomsten worden genoemd als instrumenten om van elkaar te leren en samen (integraal) op te trekken. Een belangrijke stok achter de deur kan zijn het opnemen van een standaard ‘ruimtelijke adaptatie’-check voordat stukken naar de Raad gaan. Voor het waterschap is het belangrijk om ‘leren in het veld’ tussen de verschillende stroomgebieden te faciliteren.

In Arnhem en Lichtenvoorde wordt gevoelsmatig al langer en meer gedaan op het gebied van klimaatadaptatie. Het waterschap ziet een duidelijke rol in het stroomlijnen en beschikbaar stellen van informatie uit bijvoorbeeld stresstesten. Het omgaan met ‘nieuwe’ soorten en verschijnselen vraagt nog wel inspanning (bijvoorbeeld hoe om te gaan met bevers die waterkeringen beschadigen of het bestrijden van nieuwe invasieve plantensoorten). 2.2

De brede bijeenkomst

Op 17 januari 2019 hebben we een brede sessie georganiseerd. Het programma stond in het teken van een brede aftrap van klimaatadaptatie in de regio. Er waren bezoekers van vooral de gemeenten en het waterschap. Maar ook enkele buurtschappen, wijkraden en nuts-beheerders waren van de partij. De onderdelen van de bijeenkomst waren als volgt: • • • •

Peilingen Mentimeter. Klimaat en het Weer (Gerrit Hiemstra). Bestuurspodium. Klimaatadaptatie in de Liemers na vandaag.

2.2.1 Peilingen Mentimeter Het programma is afgetrapt met het ‘peilen van het sentiment’. Daarvoor is het online platform ‘Mentimeter’ gebruikt. Door middel van een wordcloud (zie figuur 4) zijn de kenmerkende steekwoorden opgehaald bij de aanwezigen. In bijlage 2 zijn alle behandelde vragen en antwoorden opgenomen.

2

Gerrit: ”de 2 graden norm die in Parijs gesteld is, is een wereldwijd gemiddelde. Bij ons zal de temperatuur dus minder hard stijgen dan op de polen. Maar er zijn natuurlijk ook landelijke temperatuurstijgings-voorspellingen waar we rekening mee houden wanneer we de effecten van klimaatverandering beschouwen” Over dat rivieren veranderen van gletsjer rivieren naar regenrivieren, verder uitslijpen en dieper worden zegt Gerrit gekscherend: “Als de rivier maar snel genoeg zakt, dan hoeven we niks meer aan de dijken te doen”. Door zeespiegelstijging neemt wel het verval af. Daardoor kunnen de grote rivieren minder goed hun water afvoeren. Stroomopwaarts kun je dan problemen krijgen met de waterveiligheid. Dat zijn wel degelijk onderwerpen waar Oost Nederland mee te maken krijgt. Enkele uitspraken van Gerrit Hiemstra die leiden tot nadenken: “Per graad opwarming heb je een verhoging van de intensiteit van neerslag van 14%”. “De buien zullen dus omvangrijker worden, en intenser” In relatie tot de hittestresskaart: “Bijzonder is dat je de industriegebieden er goed uit kunt halen” “Eigenlijk is het heel simpel: waar je veel verharding hebt, en weinig groen, heb je meer last van hitte en droogte” Conclusie op het gebied van bomen: de groei van bomen vreet energie.

Hoe meer bomen, hoe meer water er verdampt en hoe minder er overblijft om de lucht op te warmen; dit is erg positief voor problemen als hittestress. “Het is niet altijd maar wijzen naar de gemeente en overheid, maar er is ook veel dat je zelf kan doen” Figuur 4; Wordcloud Mentimeter

“In Italië hebben ze dikke muren en dat is niet voor niks, daar komt de warmte niet doorheen” “Mijn pleidooi is zo vroeg mogelijk in het proces aandacht te besteden aan klimaatadaptatie”

Droogte is het meest genoemd: door 17 van de 45 respondenten. Water gerelateerde problemen worden hierna het vaakst genoemd. Ook veel antwoorden zijn gerelateerd aan klimaatadaptatie (oplossingen) en niet persé klimaatverandering (oorzaak).

“Beste gemeenten: plaats meer laadpalen! We zullen op korte termijn van die fossiele brandstoffen af moeten”.

Figuur 6; ”Wanneer werd jij getriggerd om echt met klimaatadaptatie aan het werk te gaan?” Figuur 5; Impressie van de brede bijeenkomst

2.2.2 Klimaat en het Weer Wanneer werd iemand als Gerrit Hiemstra nou getriggered om echt met klimaatadaptatie aan het werk te gaan? “Kijk het punt is dat ik met het verschijnsel zelf al langer mee bezig, misschien al sinds een jaar of 10. De laatste twee jaar heb ik me daar actiever mee gemoeid. Uiteindelijk moet de hele maatschappij veranderen, maar dat kan pas als je zelf mentaal de knop hebt omgezet. Ik heb zelf gemerkt, als je dat doet, dan kijk je zelf ook anders tegen de wereld aan” Gerrit legt uit dat de temperatuur op de polen bovengemiddeld snel stijgt. Vraag vanuit het publiek die volgt is: ”valt de temperatuurstijging dan bij ons lager uit? Is het beeld rooskleuriger?”.

3

2.2.3 Bestuurderspodium De volgende bestuurders waren op de bijeenkomst aanwezig. We hebben hen een aantal vragen en stellingen voorgelegd: • • • 1.

Berend Jan Bussink Hans Sluiter Gemma Tiedink

Waterschap Rijn en Ijssel Gemeente Westervoort Gemeente Duiven

maken; als je het verhaal goed weet te vertellen, dan weet de Raad wel geld vrij te maken. Vervolgens, bij alles wat je doet moet je even nadenken, is dit nou handig in verband met het klimaat. Ik krijg wekelijks de vraag of er meer parkeervakken bij kunnen komen. We vinden die auto toch nog ongelofelijk belangrijk; da’s niet handig met het oog op klimaatadaptatie” Gerrit Hiemstra: “De oudere generatie kwam aan bod, maar ik zou zeggen, betrek ook de jongere generatie. De jongere generatie moet het er nog het langst mee doen. De jongere generatie kijkt op een hele andere manier aan tegen deze problematiek”

Wat is, denkt u, de grootste uitdaging die op de gemeenten en het waterschap afkomt als u het verhaal van Gerrit zojuist heeft gehoord?

Berend Jan: “Je wordt in de discussie heel erg gestuurd door het moment zelf. Toen het weer groen werd, dacht iedereen dat de droogte voorbij was. In de ondergrond was er nog een groot watertekort” Hans over de presentatie van Gerrit: “Op de eerste plaats voel ik me ongemakkelijk, want het zijn verhalen die me bang maken. Ik zou het mooi vinden als we een verhaal konden verzinnen waar we allemaal blij van kunnen worden” Gemma: “Duurzaamheid en klimaatadaptatie/energietransitie/circulaire economie. Landelijk wordt de druk opgevoerd. Ik ben heel blij met de informatie vandaag over klimaatadaptatie, want daar moeten we met zijn allen keihard mee aan de slag” De grootste uitdaging: “ik zie de belangrijkste uitdagingen in de droogte. We zijn als Nederland erg bezig geweest met het water, om dat af te voeren” 2.

Waar ziet u nu de grootste opgave bij het klimaatbestendig maken van de Liemers?

Berend Jan: “Je wordt in de discussie heel erg gestuurd door het moment zelf. En je moet gebruik maken van die momenten” Hans: “Je moet voordenken, niet nadenken, want dan ben je te laat” 3.

Wat is uw droom? Wat ziet u voor zich bij een klimaatbestendig Liemers?

Gemma: “Ik zou het mooi vinden als we deze opgave gebruiken om tegelijkertijd de biodiversiteit ook een boost te kunnen geven; de bij-vriendelijkste regio van Nederland wordt De Liemers” 4.

Welke voordelen ziet u in de samenwerking tussen de gemeenten Zevenaar, Duiven en Westervoort op dit vlak? En met het waterschap?

Hans: “We werken samen in de Liemers, onder andere op dit niveau. Het heeft ook een mooie schaal, ons kent ons, goed om resultaten te halen; op hogere schaal komt meer kennis en kapitaal samen”

Figuur 7; Bestuurders aan het woord

2.2.4 Klimaatadaptatie in de Liemers na vandaag Afsluitend zijn de eerste inzichten van de stresstest gedeeld met de aanwezigen. Het vervolg van de aanpak is behandeld. Iedereen is naar huis gestuurd met een lekkernij en een overpeinzing. Enkele kreten uit de afsluiting: ”Klimaatverandering zorgt voor een groot aantal gevolgen die risico’s met zich meebrengen. Niet elk risico kun je wat tegen doen. Wat zijn aanvaardbare risico’s en wat niet?” “We gaan bij de klimaattafels bespreken welke risico’s we wel en niet accepteren”

Gemma: “De samenwerking die ingezet is met de Liemerse gemeenten en het waterschap is echt een hele goede stap”

“Bij de klimaatstresstest proberen van kwaad naar erger te simuleren”

5.

“De drie gemeenten meten aan het grondwater, hoe diep zit het grondwater? Wat is dan de verwachting als er minder water komt, hoe het grondwater daarop gaat reageren?” “Hoe tolerant zijn de gewassen, plant- en boomvakken tegenover een dalend grondwaterpeil?”

Hoe kijkt u aan tegen de rol van de gemeente(n) en andere partijen en bewoners waar het gaat om klimaatadaptatie?

Berend Jan: “De burger kan zelf heel veel doen, maar de burger is daar helemaal niet van op de hoogte; het waterschap heeft een voorbeeldfunctie, maar wordt op calamiteiten afgerekend. Wij kennen het gebied, als regio weet je waar je staat, wat iedereen moet doen. Er is zoveel kennis al aanwezig en we moeten een maatschappelijke noemer vinden om kennis te delen met burgers” Hans: “Als je de inwoners mee wil krijgen, dan moet je dat (klimaatadaptatie) heel goed uitleggen” Gemma: “Als gemeente moeten we een voorbeeldrol nemen en met burgers en bedrijven klimaatadaptatie samen aanpakken” 6.

Wat wilt u de zaal nog meegeven zo bij de start van dit proces?

Berend Jan: “We moeten heel veel investeren in kennisoverdracht” Op het gebied van windmolens: “Wen er maar vast aan, want ze komen er te staan” Hans: “We zijn een bedrijventerrein aan het afkoppelen, dat pakken we integraal aan. In het Coalitieakkoord staat in dat we moeten vergroenen. Vergroenen maakt je dorp mooier en leefbaarder. Van klimaatadaptatie moeten we een positief verhaal

“Als er maar een beperkte waterdiepte in de sloot staat, dan kan blauwalg zijn gang gaan” “Er zijn heel veel neveneffecten te koppelen aan klimaatverandering, die allemaal de beleving van de openbare ruimte aantasten” “Wat zijn de gebieden waar je wel en niet overstromingen zou toelaten (met het oog op bijvoorbeeld gevaarlijke bedrijven)?” “Bij herhalingstijd van ééns in de 1000 jaar hebben we zelfs instromend water vanuit achter de dijken van Duitsland” 4

3

DE KAARTBEELDEN

Uit verschillende bronnen is materiaal gebruikt om kaartbeelden te produceren waar, thematisch, klimaateffecten zijn verbeeld. De thema’s van de klimaatstresstest zijn wateroverlast, hitte, droogte, waterveiligheid. Aanvullend is naar het thema waterkwaliteit gekeken. Dit hoofdstuk behandelt per thema de belangrijkste uitgangspunten en de (meest opvallende) uitkomsten. De opbrengsten van het reken-, modelleer- en visualiseerwerk worden gebruikt om het klimaatatelier vorm te geven. Van daaruit volgt het gesprek met belanghebbenden in de risicodialogen. In bijlage 3 zijn de gedetailleerde kaartbeelden opgenomen. De scope van de analyses die werden uitgevoerd, is als volgt: • De analyses en berekeningen zijn bedoeld om zwakke plekken in het watersysteem in kaart te brengen bij extreme neerslaggebeurtenissen. • Deze analyses geven inzichten in boven-normatieve omstandigheden. Ze zijn bedoeld als input voor het klimaatatelier, en, later, voor de risicodialoog; ze zijn absoluut niet normatief, noch bedoeld om maatregelen op te stellen. • De modellen die gebruikt worden, zullen worden beoordeeld en opgebouwd volgens keuzen die horen bij bovennormatieve omstandigheden. Indien er na deze stresstesten verfijndere berekeningen nodig zijn, of het doorrekenen van maatregelen wordt nodig, dan zal opnieuw moeten worden beoordeeld of de gebruikte modellen voldoen of moeten worden verfijnd. 3.1

Wateroverlast

3.1.1 Uitgangspunten De analyses van wateroverlast voor de stresstest zijn uitgevoerd op basis van bestaande gegevens: 1. De standaard neerslaggebeurtenissen voor de stresstest (zie internet). 2. Het bestaande Sobek model (inclusief RR paved en unpaved) voor het landelijk en stedelijk gebied van de Liemers. 3. Een afwateringsgebieden kaart, behorend bij het Sobek model landelijk gebied. 4. Het bestaande Sobek model van de riolering van Zevenaar. Basisinformatie van de riolering van Duiven en Westervoort (in Kikker) bevat teveel hiaten, in overleg met de gemeente is besloten om hier in dit project niet aan te rekenen; 5. Het rekenconcept van Tygron voor analyses van stroming van water op maaiveld (zie internet). In de notitie ‘standaardisatie neerslaggebeurtenissen stresstest wateroverlast’ wordt een aantal buien en een aantal beginsituaties voorgesteld om te gebruiken in de stresstest. De buien met de grootste meerwaarde om door te rekenen voor de Liemers zijn: • lokaal T=100 van 70 mm in 1 uur; en • lokaal T=1000 van 160 mm in 2 uren. Beide met de GHG als begintoestand van het stroomgebied. Deze buien geven een goed beeld van de bandbreedte qua inundatie van de set aan buien genoemd in de notitie. Beide buien zijn geschikt om toe te passen om de kwetsbaarheid van het hele stroomgebied van de Liemers, zowel stedelijk als landelijk gebied, door te rekenen.

De volgende berekeningen zijn vervolgens uitgevoerd: a. Sobek landelijk en stedelijk gebied: voor het in beeld brengen van inundatie vanuit de watergangen bij extreme gebeurtenissen (stroomgebiedsschaal, landelijk, meerdere dagen doorrekenen). b. Sobek rioleringssystemen Zevenaar: voor het toetsen van de afvoercapaciteit van de riolering en in beeld brengen water op straat. c. Tygron: voor het in beeld brengen van stroming over maaiveld als gevolg van kortdurende heftige neerslaggebeurtenissen voor zowel landelijk als stedelijk gebied.

5

3.1.2 Wat zegt de expert ervan Figuur 8 verbeeldt de panden die door water op het maaiveld al dan niet last (kunnen) krijgen van wateroverlast. Panden gebouwd na 2010 zijn zwartgekleurd. Dit omdat deze panden zeer waarschijnlijk, volgens nieuwe bouwbesluiten, met een hoger vloerpeil zijn gebouwd, waardoor de berekende waterhoogte tegen het pand, ten opzichte van maaiveldhoogten op basis van de AHN niet realistisch zijn; deze panden maken een kleinere kans op wateroverlast dan panden die daarvoor zijn gebouwd.

3.1.3

Resultaten

Figuur 9 laat zien waar welke wegen onder water staan. Figuur 10 laat voor het hele gebied zien hoe oppervlaktewater inundeert en op die wijze zorgt voor wateroverlast. Wat opvalt is dat oude wegen (rondom de kernen) en uitvalswegen in en uit het gebied hoger zijn aangelegd. Bij extreme neerslag valt daardoor op dat uitvalswegen begaanbaar blijven. Verder valt op dat grote, aaneengesloten vlakken verharding tot afstroming komen. Hier is daardoor sprake van wateroverlast en veelal zijn de panden rondom dergelijke gebieden gevoelig voor wateroverlast. Bij inrichting van het terrein is het daardoor van belang dat er ruimtes komen waar het water niet tot problemen leidt. Het gaat er niet om tegen water te vechten, maar de ruimte zo in te richten dat het ergens naartoe kan. Er is sprake van wateroverlast bij extreme situaties (~70 mm in 1 uur, en ~160 mm in 2 uur). Logischerwijs zijn plekken die kwetsbaar zijn, nog zwaarder beïnvloed bij verergering van de neerslag.

Figuur 8; Water tegen panden (laag risico (grijs), reëel risico (oranje), hoog risico (rood), links T=100, rechts T=1000)

6

Figuur 9; Water op straat (laag risico (grijs), reëel risico (lichtblauw), hoog risico (donkerblauw), links T=100, rechts T=1000)

7

Figuur 10; Inundatie vanuit oppervlaktewater, links T=100, rechts T=1000)

8

3.2

Hitte

3.2.1 Uitgangspunten De Sweco-hittestresskaart is uit meerdere componenten opgebouwd die een rol spelen in het stedelijk klimaat. Hittestress wordt naast psychische factoren vooral bepaald door de gevoelstemperatuur. Deze is opgebouwd uit de onderstaande factoren (figuur 11) waarbij luchttemperatuur en straling het belangrijkste zijn in het stedelijk gebied. De luchtvochtigheid is verwaarloosbaar door de kleine verschillen op de schaal van het stedelijk gebied. Voor de wind geldt dat deze variabel is van richting en kracht, maar juist op de warmste dagen vaak afwezig is.

Figuur 11; Factoren van invloed op de gevoelstemperatuur (Jendritzky, 2000)

Als basislaag zijn satellietbeelden van Landsat 8 gebruikt waarmee de oppervlaktetemperatuur van het gebied is bepaald. Deze bestaan uit verschillende banden/signalen waarvan bij de temperatuurbepaling de red band, near infrared band en de thermal infrared band worden gebruikt en bewerkt. Vervolgens zijn verschillende lagen met een koelende factor toegevoegd om de vertaling naar gevoelstemperatuur en hittestress te kunnen maken. Om een lagere gevoelstemperatuur te realiseren is schaduw erg effectief zoals blijkt uit onder andere onderzoek van Martinelli et al. (2015). Er is gekozen om het tijdstip 1 juli 15.00 als uitgangspunt te nemen in de berekening van de schaduw. Het gaat om de zonnestand op een zomerse dag, op een moment waar straling en temperatuur hoog zijn. En daarmee de impact op de omgeving en aanwezigen. De berekening voor de schaduw wordt op basis van de AHN 2 gemaakt. Omdat in deze berekening alleen de schaduw naast objecten wordt bepaald, zijn de locaties van de bomen zelf apart berekend. Schaduw is in het geval van bomen namelijk zowel onder als ernaast aanwezig. Naast schaduw van gebouwen en bomen zijn ook het overig groen en water toegevoegd. Het overig groen als plantsoenen en grasstroken hebben een lager koelend effect op de omgeving en gevoelstemperatuur dan schaduw van bomen of gebouwen en hebben daarom een lagere factor gekregen.

Water heeft gedurende de dag slechts een licht koelend effect zoals blijkt uit onder andere eigen onderzoek (Nieuweboer, 2018). Zie figuur 12 voor een overzicht van de meegenomen factoren.

Figuur 12; Methode opstellen hittestresskaart

9

3.2.2 Wat zegt de expert ervan Op diverse plekken in de Liemers komen hotspots voor.

3.2.3

Resultaten

Wat opvalt zijn de grotere bedrijventerreinen. Grote aaneengesloten vlakken verharding en weinig groen zorgen ervoor dat deze terreinen heet worden. Op verschillende plekken in de kernen (Westervoort, Duiven, Zevenaar) valt ook op dat grotere verharde oppervlakken opwarmen (vooral de bebouwing en parkeerterreinen rondom de gemeentehuizen en winkelcentra). Stroken met groen vallen juist op door de verkoeling. Groepen die kwetsbaar zijn voor hittestress overdag zijn vooral kinderen, ouderen en zieken. Deze hebben een hoger risico op gezondheidsklachten, bij ouderen en ernstig zieken is er een verhoogd risico op vroegtijdig sterven. Deze laatste twee groepen zijn ook kwetsbaar voor nachtelijke hittestress. Locaties/gebouwen met kwetsbare groepen zijn onder andere basisscholen, kinderopvang, verpleeghuizen en ziekenhuizen. De hittestresskaart kan helpen om te zien of deze locaties in een ‘hotspot’ liggen. Overige kwetsbare locaties zijn sport en recreatie- en evenementen-/ winkelterreinen met weinig schaduw en daarmee weinig mogelijkheden om verkoeling te zoeken. Een directere economische factor is het verlies van arbeidsproductiviteit op bijvoorbeeld bedrijven-/industrieterreinen. Op het moment dat deze terreinen onaangenaam opwarmen, vermindert de productiviteit.

Wat verder opvalt is dat de grote verharde oppervlakken waar hittestress een wezenlijke rol speelt, op veel plekken overeenkomen met de plekken waar wateroverlast optreedt. Het blijkt dat deze grote oppervlakken evengoed zorgen voor opwarming als voor het afstromen van (veel) regenwater.

Figuur 13; Hittestresskaart de Liemers

10

3.3

Droogte

3.3.1 Uitgangspunten De droogtestresstest wijst uit wat het effect van langdurige droogte is in het gebied van de Liemers. Dit is gebaseerd op een aantal datasets en aannames. Grofweg bestaat de analyse uit twee delen: een landelijk en een stedelijk deel. Landelijke droogtestresstest Het droogtemechanisme dat voor de grootschalige droogstestresstest is onderzocht is droogtestress door het zakken van grondwater. Data is ingelezen in het grondwatermodel Menyanthes. De data is gevalideerd; onjuiste gegevens zijn verwijderd dan wel aangepast. Regen- en verdampingsdata is geïmporteerd vanuit het KNMI. Op basis van de peilbuisreeksen die geïmporteerd zijn uit Menyanthes en de verklarende klimaatreeksen voor de corresponderende periode wordt per peilbuis een model opgesteld. Deze modellen worden vervolgens gebruikt om grondwaterstanden in de toekomst te voorspellen De getransponeerde klimaatreeksen zorgen ervoor dat de grondwaterstanden veranderen. Als er bijvoorbeeld minder regen en meer verdamping wordt voorspeld, zal de grondwaterstand (hoogstwaarschijnlijk) zakken. Dit effect wordt per peilbuis, per dagelijkse tijdsstap gemodelleerd. De verschillende klimaatreeksen worden apart meegenomen. Het resultaat van de modellering zijn de parameters in de grondwaterdynamiek voor elke verklarende klimaatreeks.

Vervolgens worden de uitkomsten in GIS weergegeven en vertaald naar gevoeligheid; hoever zakt het grondwater in een toekomstig klimaatscenario, en wat is de gevoeligheid bij diverse soorten landgebruik. Stedelijke droogtestresstest Gezien de problematiek in 2018 is gefocust op de kwetsbaarheid van woningen gefundeerd op staal en daarvoor is voor de stedelijke droogtestresstest voor de Liemers een nieuwe aanpak ontwikkeld. De analyse voor groen en infra is op de alontwikkelde manier uitgevoerd. De analyse voor woningen is aangepast om de specifieke eigenschappen in de Liemers te reflecteren. Openbaar groen Om gevoelig groen te classificeren, wordt eerst gekeken naar de bodemopbouw. Hierbij worden bodemgegevens uit het Dinoloket gebruikt. Waar de bodem voornamelijk uit zand bestaat, zoals blijkt uit gegevens van Dinoloket, zal er minder capillaire nalevering vanuit de diepe grondwaterstand zijn naar wortels van planten. Groen dat zich op zandgronden bevindt wordt dus gevoeliger geacht. Verder wordt gekeken naar de invloed van oppervlaktewater op het groen. Vervolgens wordt aan de hand van de variatie in de gemiddelde grondwaterstand en de GLG bepaald hoe gevoelig het groen is voor lange perioden van droogte. Infrastructuur Voor gevoelige infrastructuur wordt in eerste instantie vooral gekeken naar wegen die op een bepaalde zettingscategorie liggen.

Deze categorieën worden bepaald aan de hand van de zettingskaart gemaakt door Deltares. Categorie ‘matig zettend’ is 0,3-0,5; ‘zeer zettend’ zijn waarden boven 0,5 zakking. Deze stap is doorlopen, echter blijkt uit de analyseresultaten dat er in de Liemers weinig problemen worden verwacht met infrastructuur in het geval van droogte. Panden Mechanismen rondom inklinking van de in de grond aanwezige kleilagen zijn eerder onderzocht door een consortium van onder andere de TU Delft en Deltares. Hieruit blijkt dat de mechanismen in een zeer droge zomer een samenkomst van omstandigheden zijn. Om een zomer te classificeren als ‘zeer droog’, moet er niet alleen weinig neerslag en hoge verdamping zijn, maar moeten de waterstanden in de Rijn ook nog zeer laag zijn. Deze extreem droge zomers vormen het uitgangspunt, en gekeken wordt naar de grondlagen in de Liemers die onder de toekomstige gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) liggen. De grond modellen in Dinoloket zijn per meter opgebouwd, en de drie grondlagen onder GLG worden beschouwd om de kans op zakking te voorspellen. Huizen die op klei- en veenlagen staan worden vervolgens geëxporteerd. Hoe dikker de klei- of veenlaag onder een gebouw, hoe hoger de kans op zetting. Vervolgens worden oudere woningen geëxporteerd.

Specifiek in Zevenaar is er in 1975 een bouwbesluit geweest waarbij is vastgelegd dat woningen onderheid moeten worden. Woningen die voor dit jaar zijn gebouwd, hebben dus een verhoogde kans op zettingsschade, aangezien de kans groter is dat deze woningen niet zijn onderheid. Dit geeft een gebiedsdekkend beeld van locaties waar een hogere kans is op schade door zettingen. Voor een gedetailleerd beeld van deze kans is een vervolgonderzoek nodig met een hoger detailniveau. .

11

3.3.2 Wat zegt de expert ervan De kaarten laten de effecten van klimaatverandering zien. Figuur 14 laat de droogval, opgetreden in watergangen in 2018, zien. Droogvallende watergangen zijn een belangrijke factor in de beleving van bewoners. De watervoerende watergangen in Duiven worden gevoed door diepe bronnen. Dit geeft dus voor zomer 2018 een vertekend beeld.

3.3.3

Resultaten

De huidige grondwaterspiegel heeft natuurlijke schommelingen tussen zomer en winter niveau. Wat we zien uit de modellering is dat de schommelingen groter zullen worden. Dit betekent dat het grondwater in de winter hoger zal staan, en in de zomer lager dan de gemiddelde waarden die nu gelden. Om de effecten van langdurige droogte in de Liemers te voorspellen, zijn er ook analyses gedaan voor openbaar groen, bomen, infrastructuur en panden. De zomer van 2018 was extreem droog. Dit kwam door een combinatie van hoge verdamping en weinig neerslag. Ook was de aanvoer van rivierwater zeer laag. Hierdoor is de grondwaterstand in grote delen van het land veel gezakt. De grondwaterstand van specifiek 2018 is niet terug te zien in de resultaten van deze modellering, omdat we hier rekenen met gemiddelden en modellen die rekening houden met algemene trends. Wat we wel zien is dat het gemiddelde verschil tussen de hoogste en laagste grondwaterstanden (GLG en GHG) groter wordt. Dit wordt weergegeven als de dynamiek. Dit volgt de voorspelling voor het toekomstige klimaat: de extremen worden extremer. Als zich dus een situatie voordoet zoals afgelopen zomer, waarbij er een meteorologische droogte is, zullen de effecten hiervan groter zijn. Dit komt omdat het startpunt (de GLG) al lager is dan in de huidige situatie. Een effect dat in de modellering niet is meegenomen zijn de rivierstanden.

Afgelopen zomer hebben we onder andere de effecten van lage rivierstanden gezien. Er kwam weinig water uit Duitsland en de Alpen, dit zorgde voor de extreme droogte en een groot watertekort. Naar het effect van de lage rivierstanden en hoe hier mee omgegaan kan worden in de Liemers moet meer onderzoek gedaan worden. De kans is reëel dat de situatie van afgelopen zomer zich opnieuw voor gaat doen doordat weersextremen zich vaker voor zullen doen. De combinatie van droogvallende waterpartijen en sterfte onder vissen en andere fauna (paragraaf 3.5), heeft in 2018 tot erg veel meldingen, en, dus, een druk op de beherende organisaties geleid. Panden Ondergrondse klei- en veenlagen die droog komen te staan, doordat de grondwaterstand zakt, zullen inklinken. Het is afhankelijk van de samenstelling van de klei- en veenlagen en of er (grote) werken in de buurt plaatsvinden hoe veel de grond inklinkt. Het kan zijn dat ondergrondse lagen werken als een soort spons, dus dat de grond weer uitzet wanneer de grondwaterstand stijgt. De panden die in de zomer van 2018 schade hebben ondervonden door inklinkende grondlagen hebben deze schade waarschijnlijk geleden doordat het grondwater dieper zakte dan kwetsbare klei-of veenlagen. Het is aannemelijk dat het grondwater in de zomer van 2018 dieper is gezakt dan in het verleden, waardoor diepere kwetsbare lagen droog zijn gevallen.

Hierdoor is de grond gaan inklinken. De grond kan weer uitzetten wanneer het grondwater weer stijgt. Wanneer de grondwaterstand in de toekomst dus weer zakt, zal er waarschijnlijk weer inklinking plaatsvinden. De bodemopbouw in de Liemers is enorm heterogeen (zie figuur 15), daardoor is het belangrijk om bij problemen lokaal te onderzoeken wat de opbouw, en dus, de oorzaak van de problemen ter plekke is. Figuur 14; Droogval (rood), verminderde afvoer/deels droogval (oranje) en afvoerende watergangen (blauw) in de droge zomer van 2018

12

Figuur 15; Kwetsbare bodemlagen in combinatie met panden die waarschijnlijk op staal zijn gefundeerd (panden van vóór 1975)

13

3.4

Waterveiligheid

3.4.3

Resultaten

3.4.1 Uitgangspunten Voor overstromingen (waterveiligheid) maken we gebruik van de reeds beschikbare kaarten van het Landelijke Informatiesysteem Water en Overstromingen (LIWO; www.basisinformatie.nl/liwo/) bestaande uit de volgende lagen: • Maximale overstromingsdiepte Nederland. • Beschikbare droge verdiepingen per gebouw. Voor de totstandkoming van de beschikbare kaarten zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd (bron: www.basisinformatie.nl/liwo/). Maximale overstromingsdiepte Nederland: • De maximale waterdiepte is de resultante van alle overstromingsscenario’s opgenomen in de database van LIWO. Beschikbare droge verdiepingen per gebouw: • Er is gerekend met de maximale waterstanden als gevolg van primaire dijkdoorbraken in Nederland. In de Liemers is overstroming vanuit Duitsland ook een risico. De informatie bevat daarom ook overstromingen in/vanuit Duitsland. • Er is berekend of bestaande bebouwing minstens 1 droge verdieping heeft. • Uitgegaan is van informatie uit het AHN. • Voor objecten die na inmeten AHN zijn gebouwd is gebruik gemaakt van Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG). Voor alle gebouwen is aangenomen dat een verdieping 2,65 meter hoog is. 3.4.2 Wat zegt de expert ervan De kaart ‘waterveiligheid’ geeft inzicht in de maximale overstromingsdiepte en bij deze overstromingsdiepte horende beschikbaarheid van droge verdiepingen per gebouw.

De overstromingsdiepte is bepaald op basis van alle overstromingsscenario’s in de database van het Landelijk Informatiesysteem Water en Overstromingen (LIWO). De kans dat deze scenario’s werkelijkheid worden is klein, maar het is goed om er rekening mee te houden zodat de negatieve gevolgen hiervan beperkt kunnen worden. De Liemers, gelegen aan de Rijn en IJssel, is kwetsbaar voor overstromingen. Op de kaart is te zien dat in de kernen van Westervoort, Duiven en Zevenaar bij hoogwater of dijkdoorbraken een waterdiepte van tussen de 2 en 3 meter kan voorkomen. Belangrijke vluchtroutes zoals de A12 en het spoor naar Arnhem of Doetinchem komen grotendeels onder water te staan, met een waterdiepte van 1 tot 3 meter. Het landelijk gebied ten noorden van de A12 en het gebied van de voormalige gemeente Rijnwaarden is een zeer kwetsbaar gebied met mogelijke waterdieptes groter dan 3 meter. Voor het hele gebied geldt dat er veel gebouwen zijn waar geen droge verdiepingen zijn wanneer het gebied overstroomt. Toch zijn er vrijwel altijd gebouwen in de buurt waar wel een beschikbare droge verdieping is.

Figuur 16; Waterveiligheid; gebouwen met droge verdiepingen uitgezet tegen overstromingsdiepte

14

3.5

Waterkwaliteit

3.5.3

Resultaten

3.5.1 Uitgangspunten Waterschap Rijn en IJssel heeft een website waarop meldingen gedaan kunnen worden in verband met de waterkwaliteit. De meldingen, constateringen en onderzochte locaties waar blauwalg, botulisme, kroos en overmatige plantengroei op zijn getreden in 2018 zijn in beeld gebracht. 3.5.2 Wat zegt de expert ervan De kaart waterkwaliteit is een doorsnede door het jaar 2018 waarin de meldingen met betrekking tot de waterkwaliteit zijn vastgelegd. Te zien is overmatige plantengroei (groen), botulisme (rood) en blauwalg (blauw). De doorsnede van 1 jaar (waarin het extreem droog is geweest) duidt ‘stress’ wanneer extreme situaties zich voor doen. Wat deze beelden interessanter maakt is het opbouwen een langjarig inzicht. Komen bepaalde klachten op bepaalde plekken vaak voor. En de combinatie met andere klimaateffecten. Heeft het opdrogen van waterpartijen invloed op deze factoren, en zo ja, hoe. Wat in dit kaartbeeld niet is gedocumenteerd, maar wel degelijk is ervaren is de hoeveelheid van meldingen van dode en naar lucht happende vissen. De combinatie zit hier nadrukkelijk in het droogvallen van watergangen (paragraaf 3.3, figuur 14). In 2018 waren de beherende organisaties (waterschap, gemeenten, maar ook visverenigingen, en bewoners) erg druk met het ruimen van deze dode vissen of het verplaatsen naar waterpartijen waar nog wel water in zat.

De buurt heeft de ogen van de (openbare) ruimte in dit geval; en het blijkt dat dode en naar lucht happende vissen in de buurt erg ongewenst is.

Figuur 17; Waterkwaliteit, knelpunten 2018

15

4

ROUTEKAART VOOR HET VERVOLG

4.1

De bestuurlijke tafel en het klimaatatelier

Bestuurlijke tafel De klimaateffecten zijn in hoofdstuk 3 naar voren gebracht, aan de hand van de belangrijkste klimaatthema’s: - Wateroverlast. - Hitte. - Droogte. - Waterveiligheid, en - Waterkwaliteit. De uitkomsten van de berekeningen zijn aan de bestuurlijke tafel besproken. Heemraad en wethouders zijn hierin bijgepraat over de stand van zaken van de Liemerse Stresstest, en wat de uitkomsten voor het vervolg (moeten) betekenen voor de Liemers. Het belangrijkste is dat de gemeenten en het waterschap erkennen en herkennen dat op sommige vlakken het klimaat in de toekomst wel iets voor de Liemers gaat betekenen. Klimaatatelier Wat dit specifiek is, is aan de belanghebbenden; dat is niet alleen aan de overheden, maar juist ook aan burgers, bedrijven, wijken en wijkraden, verenigingen, et cetera. De belangrijkste klimaatthema’s zijn nu in beeld. Wat voor risico’s dit betekent, wordt bepaald door de kans van optreden maal het effect. Om de neuzen binnen de gemeenten en het waterschap dezelfde kant op te krijgen, zijn de klimaatrisico’s in de Liemers besproken in het klimaatatelier. Hierin zijn betrokkenen uitgedaagd om samen na te denken over wat klimaatverandering en ruimtelijke adaptatie voor eenieder in haar of zijn werkveld betekent; hoe raakt klimaatverandering mij.

Hiertoe zijn ‘gelijkwerkenden’, dus ambtenaren die aan gelijkwaardige taken werken, met elkaar in gesprek gegaan over de belangrijkste klimaatrisico’s. De sectoren uit de Nationale Adaptatie Strategie zijn hierbij grofweg verdeeld in 4 discussietafels: - Binnen de bebouwde kom (bebouwde omgeving, infra en stedelijk water). - Buiten de bebouwde kom (natuur, recreatie, landbouw en oppervlaktewater). - Gezondheid en veiligheid (calamiteitenzorg, veiligheid, ouderenzorg, gezondheidszorg). - Bedrijf en perceel (beleving op bedrijfs- en perceelsniveau). In de eerste ronde discussies is besproken welke risico’s we vanuit de klimaatthema’s op de sectoren af zien komen. In de tweede ronde is gewisseld van bezetting (iedereen koos een tweede tafel), en is vooral aangevuld op de eerste ronde en zijn de prioriteiten bepaald. Deze prioriteiten zijn plenair teruggekoppeld.

Figuur 18; Het klimaatatelier; welke risico’s zijn voor welke sectoren belangrijk

De belangrijkste risico’s voor de Liemers zijn, per klimaatthema, de volgende: Kletsnat (wateroverlast) - (on-) Bereikbaarheid van voorzieningen; - Neerslag op bedrijven terreinen en (dorps-)centra. Dit heeft een enorme impact en schade is direct zichtbaar. - Onderschatting van bestaande kwaliteiten en waarden (hoe vroegere en huidige inrichting te ‘lezen’ en het gebiedsDNA onderschat worden bij ingrepen); - Onderwaardering van belangen (het draait niet alleen om de centen). Kurkdroog (droogte) - Afhankelijk van het gebied: verzakkingen in Zevenaar, waterkwaliteit in Duiven en Westervoort; - Verzakkingen en gevoeligheid rondom grote projecten (onttrekkingen versterken verdroging); - Onderschatting van bestaande kwaliteiten en waarden (hoe vroegere en huidige inrichting te ‘lezen’ en het gebiedsDNA onderschat worden bij ingrepen); - Onderwaardering van belangen (het draait niet alleen om de centen). Snikheet (hitte) - Gezondheid (ouderen) en financiële gevolgen (winkelcentra); - Hitte op bedrijventerreinen en bij de centra. Hier is het niet prettig vertoeven. De vraag is wel of we er echt last van hebben. - Onderschatting van bestaande kwaliteiten en waarden (hoe vroegere en huidige inrichting te ‘lezen’ en het gebiedsDNA onderschat worden bij ingrepen); - Onderwaardering van belangen (het draait niet alleen om de centen).

Hoog water (overstromingen) - Overstromingen en het risico op overstroming van achter de dijken (hoog water uit Duitsland); - Onderschatting van bestaande kwaliteiten en waarden (hoe vroegere en huidige inrichting te ‘lezen’ en het gebiedsDNA onderschat worden bij ingrepen); - Onderwaardering van belangen (het draait niet alleen om de centen). Naast de risico’s is aan een aantal tafels ook gesproken over aandachtspunten en oplossingsrichtingen: - Inzicht/bewustwording vergroten; - “gewoon” Dóen; - Communicatie met belanghebbenden; - Versterk bestaande kwaliteiten (maak het telkens iets mooier/beter); - Trek samen op (mn overheden); - Samenwerking/partnerschappen (afhankelijk van de schaal hoe en met wie). De oogst van de rondetafeldiscussies en de sheets van het klimaatatelier zijn opgenomen in bijlage 4.

Figuur 19; Het werd tijdens het klimaatatelier op 25 juni 2019 in Zevenaar meer dan 35 graden; weer voor ijs tegen de hittestress!

16

4.2

Ambities en doelstellingen voor het vervolg

De Liemers onderscheidt zich ten opzichte van de omliggende regio’s door een polderlandschap met relatief veel stedelijk gebied. Door de ligging tussen de Nederrijn, de IJssel en de Oude IJssel is het gebied in de loop van de tijd steeds onderhevig geweest aan waterinvloeden. Ook nu nog is een belangrijk onderdeel het zoeken naar de balans daarin. Daarbij komt dat ook in de laatste jaren en in de komende jaren diverse grootschalige infraprojecten worden uitgevoerd met gevolgen voor bodem, waterbeheer, et cetera. De regio heeft daarnaast de laatste jaren zwaar te verduren gehad onder droogte en onder zware regenval door ligging en bodemgesteldheid. De gevolgen zijn groot en leiden tot grote problemen en overlast. Het onderwerp staat dan ook bovenaan de politieke agenda. Klimaatadaptatie is dus een urgent thema in de regio en het is nu dus ook tijd om vervolgstappen te zetten samen met alle partijen in het gebied. De Liemers bestaat uit 3 gemeenten (Westervoort, Duiven, Zevenaar) en beheergebied van het waterschap Rijn en IJssel. Dit is een samenstelling waarbij partijen elkaar goed kunnen vinden, overzicht hebben en ook slagvaardig en zelfstandig kunnen opereren. In de laatste jaren is in de regio hard gewerkt om de samenwerking nog verder te verbeteren. Op het gebied van kostenbesparing zijn al veel successen geboekt en dat geldt ook voor het verbeteren van de kwaliteit.

Kwetsbaarheid blijft een aandachtspunt binnen de gemeenten. Door alle ontwikkelingen die spelen staat de capaciteit nog steeds onder druk. Dit zal ook voor klimaatadaptatie de grootste uitdaging zijn waarbij wel wordt opgemerkt dat de urgentie wel gevoeld wordt. Ambtelijk en bestuurlijk wordt het DPRA proces gedragen en staan de neuzen dezelfde kant op.

4.2.5 Duidelijke kaders worden bepaald wanneer sprake is van een probleem of overlast In het traject dat volgt zal duidelijk moeten worden wat de kaders en afbakeningen zijn binnen de verschillende onderdelen op klimaatgebied. Dit geeft voor alle betrokkenen duidelijkheid en geeft ook aan waar prioriteiten en urgenties liggen. 4.2.6 Een goed doorlopen proces met een gedragen resultaat Als laatste kijken partijen positief terug op een goed proces waarbij de ‘maatschappij’ of maatschappelijke partijen tevreden en trots zijn op het bereikte resultaat. Het doel is ook bereikt als er consensus is over de planning, wie waar verantwoordelijk voor is en wie wat betaalt. 4.3

Routekaart voor klimaatadaptatie in de Liemers

Specifiek vertaalt zich dat in de onderstaande stappen voor klimaatadaptatie in de Liemers (figuur 20). Na het uitvoeren van de stresstest wordt gestart met de risicodialoog. Consensus over hoe en wie er aan de slag gaat, leidt vervolgens tot actie door middel van de uitvoeringsagenda.

Belangrijk is dat de regio steeds meer samenwerkt met buurregio’s. Sinds een aantal jaren is de samenwerking met de Achterhoek geïntensiveerd op zowel ambtelijk als bestuurlijk niveau. Dit helpt de Liemers om in te spelen op - en op de hoogte te blijven van - de ontwikkelingen in de regio, het land en daarnaast ook op nog meer onderdelen samen te werken. Voor de stresstest hebben de drie gemeenten en het waterschap samen opgetrokken. Deze samenwerking zal worden gecontinueerd en geïntensiveerd. Met het voltooien van deze stap wordt de regionale stresstest opgeleverd en bestuurlijk geaccordeerd. Daaropvolgend start de regio met de risicodialogen. Het doel is om dit na de zomer van 2019 op te starten. Na de zomer van 2020, is het doel, zal de uitvoeringsagenda worden afgerond. In de uitwerking heeft de regio de volgende ambities en doelstellingen geformuleerd. 4.2.1 Samen met maatschappelijke partners Gemeenten en waterschap willen de koers bepalen in gezamenlijkheid met maatschappelijke partners. Zij zijn zich terdege bewust van het feit dat een groot deel van het grondgebied en de objecten binnen de regio in private handen is. Door de belangen die op diverse niveaus in de maatschappij aanwezig zijn juist in te zetten, wordt de betrokkenheid en verantwoordelijk vergroot binnen dit project.

4.2.2 Brede duurzaamheidsaanpak Dit traject wordt in de volle breedte van de duurzaamheidsgedachte opgepakt. In zeer nauwe afstemming met het programma circulaire economie worden deze maatschappelijke opgaven besproken, afgestemd, ingevuld, gecoördineerd, geparticipeerd en gecommuniceerd. Binnen de gemeenten Duiven en Westervoort wordt gelijktijdig met de risicodialogen een soortgelijk proces doorlopen voor de energietransitie. Door de krachten te bundelen worden de relevante actoren efficiënt en volledig benaderd. 4.2.3 Aansluiten bij de ontwikkeling omgevingsvisie In dit proces wordt de ontwikkeling van de omgevingsvisie nauw betrokken. Input van de risicodialogen zullen partijen spiegelen aan het proces rondom het opstellen van de omgevingsvisie. 4.2.4 Aanjagen en faciliteren van ontwikkelingen en initiatieven Overheden treden op als aanjager van ontwikkelingen en (burger)initiatieven. Vanwege haar unieke positie is de overheid een neutrale speler in dit veld. De bestuurlijke ambitie is om ontwikkelingen, die bijdragen aan de klimaat robuuste opgave, die inspanning vragen van de overheid te faciliteren. Denk daarbij aan het verlenen van vergunningen, het aanpassen van de voorwaarden of het vereenvoudigen van (ruimtelijke) procedures.

Figuur 20; Routekaart voor klimaatadaptatie in de Liemers

Met het afronden van deze Liemerse Stresstest bevindt de regio zich in het breedst van de ‘wieber’ waarom aan de slag; de kwetsbaarheden door klimaatverandering zijn in beeld. De bestuurlijke tafel en het klimaatatelier brengen de focus terug om vast te stellen wat de opgave wordt. Samen met betrokkenen, wordt in het ‘hoe & met wie’ segment bepaald wat de strategieën worden. Door eerst de volle breedte van mogelijkheden te bespreken (divergeren), ontstaat een breed inzicht in de mogelijkheden om aan te zetten tot actie. Samen met betrokkenen wordt vervolgens een pakket aan strategieën geselecteerd (convergeren). Als alle neuzen dezelfde kant op staan kan vervolgens worden bepaald wie wat gaat doen en wanneer. Dit segment leidt tot de uitvoeringsagenda klimaatadaptatie die Liemers. Wederom leidt divergeren tot de mogelijkheid om optimalisaties en alternatieven te vinden. Convergeren en gezamenlijk selecteren van oplossingen resulteert in de noodzakelijke focus om aan de slag te gaan.

17

Notitie Onderwerp: Organisatiescan klimaatstresstest de Liemers Projectnummer: P362479 Datum: 23-11-2018

1

Inleiding

Met de klimaatstresstest maken de gemeenten in de Liemers en waterschap Rijn en IJssel een stap in het proces naar een klimaatbestendige inrichting en een organisatie waarin klimaatadaptatie onderdeel is van beleid en handelen. Dit conform de afspraken die daarover rond het deltaprogramma ruimtelijke adaptatie zijn gemaakt. Naast de technische analyses die in de stresstest worden uitgevoerd, wordt ook naar meer organisatorische aspecten gekeken zodat het verdere proces van de stresstest effectief kan worden vormgegeven. Vaak liggen belemmeringen voor klimaatadaptatie niet in de techniek, technisch is veel mogelijk, maar juist in de organisatorische randvoorwaarden. Een eerste stap om hier meer zicht op te krijgen is het uitvoeren van een organisatiescan. Deze scan is erop gericht om in beeld te brengen hoe ‘mainstream’ klimaatadaptatie al is binnen betrokken organisaties. Dus op welke vlakken is klimaatadaptatie al verankerd, waar liggen sterke punten van organisaties en waar is nog winst te boeken. Voor het uitvoeren van de organisatiescan maken we gebruik van een governance model dat uitgaat van 5 planningscapaciteiten benodigd voor het mainstreamen van klimaatadaptatie binnen organisaties (zie figuur 1).

Figuur 1 Planningscapaciteiten voor het mainstreamen van klimaatadaptatie (Spatial Planning responses to Climate Change, Grotholt, 2017) Binnen elk van de organisaties van 1-Stroom, gemeente Zevenaar en waterschap Rijn en IJssel is een dagdeel lang interviews gehouden waarin de 5 planningscapaciteiten als leidraad zijn gebruikt. Per organisatie hebben we tussen de 9 en 12 mensen gesproken. In deze notitie worden de resultaten van deze scan per organisatie en per planningscapaciteit gerapporteerd.

2

1-Stroom

2.1

Wetgevingscapaciteit

Beleidsinstrumenten • De afdeling beheer werkt vooral vanuit ervaring en kennisuitwisseling tussen projectleiders. Er bestaat een technisch handboek gerelateerd aan IBOR maar de praktijk loopt hier ver op vooruit. • Voor participatie met bewoners zijn wel kaders nodig op vlak van klimaatadaptatie. Anders kiezen bewoners voor andere maatregelen ‘auto voor de deur i.p.v. boom’. • Voor hoogwater is een rampenplan aanwezig. Voor droogte is dit niet het geval. • Meerlaagsveiligheid wordt in de ruimtelijke ordening eigenlijk niet meegenomen. Interessant voor de stresstest is de analyse die K+V heeft gemaakt over MLV. • In de Structuurvisie 2015 wordt vrijwel geen aandacht besteed aan ruimtelijke adaptatie. Daarmee ontbreekt voor ruimtelijke projecten dus een kader op dit vlak terwijl doelstellingen tegenstrijdig kunnen zijn: denk bijvoorbeeld aan de doelstelling inbreiding t.o.v. ruimte voor groen en water in stedelijk gebied.

•

2.2

Binnen ruimtelijke plannen komt water voorbij in de watertoets, dit is echter geen klimaattoets. In bestemmingsplannen staat eigenlijk nooit iets over klimaatadaptatie.

Institutionele capaciteit

Verantwoordelijkheid • De afdeling Ruimtelijke Ordening voelt nog weinig verantwoordelijkheid t.a.v. ruimtelijke adaptatie: moet er nog weinig mee. Organisatiestructuren • Binnen de organisatie is een programma circulair opgezet bestaande uit de onderdelen energie, grondstoffen en klimaatadaptatie. Hiermee wordt door de afdelingen heen samengewerkt aan deze thema´s. • Verbinding tussen de afdeling Ruimtelijke Ordening en de afdeling Realisatie en Beheer op vlak van Ruimtelijke adaptatie wordt als gering ervaren en kan ‘een zetje gebruiken’. • Milieuvergunningen worden uitbesteed aan de ODRA; weinig relatie met klimaat.

2.3

Sociale capaciteit

Netwerkverbondenheid • Contacten met kennisinstellingen en netwerkorganisaties op vlak van klimaat worden niet genoemd. Stakeholder betrokkenheid • Vanuit Realisatie en Beheer zijn er contacten met de wijkverenigingen/dorpsraden. • Woningbouwvereniging Vivare is vaak een partner in ruimtelijke trajecten. Vanuit afdeling Ruimte zijn er goede contacten met bijvoorbeeld Jeroen van den Molengraaf. • I.r.t. bedrijven werkt de gemeente met bedrijfscontactfunctionarissen vanuit team Binnenstebuiten. Dit zijn goede aanspreekpunten voor organisatie contact met bedrijfsleven. Ondernemersverenigingen Lindus kijkt echt verder. • Op vlak van wonen en woningbouwopgave vindt regionale afstemming plaats. • Rond klimaatpark IJsselpoort (vooral buitendijks) vindt regionale afstemming plaats. Gemeenschap betrokkenheid • Vanuit Realisatie en Beheer wordt bij herinrichting van straten contact met bewoners gezocht. In pilots wordt bewoners zelfs zeggenschap gegeven over de te realiseren inrichting. Ervaring is dat klimaatadaptatie dan niet bovenaan de wensenlijst staat. • Kranten en sociale media zijn de belangrijkste communicatiemiddelen die de gemeente inzet. Lokale krant ‘de Duivenpost’ wordt ingezet voor communicatie naar bewoners. • Doen mee aan actie steenbreek: tegel eruit – plant erin. • Communicatie wordt vanuit het programma CE opgepakt: o Circulair wordt vooral campagnematig opgezet.

o Energie communicatie richt zich op participatie o Adaptatie wordt nog weinig over gecommuniceerd. Inzet is om met een positieve boodschap te komen.

2.4

Resource capaciteit

Technische middelen • Binnen de organisatie is brede interesse in technische mogelijkheden en wordt ook regelmatig geëxperimenteerd met nieuwe oplossingen. Menselijke kennis • Collega´s binnen de afdeling Realisatie en beheer zijn bovengemiddeld geïnteresseerd in thema klimaat. Er is al behoorlijk wat ervaring met toepassen van water gerelateerde maatregelen in de openbare ruimte. Afkoppelen i.r.t parkeerplaatsen is vaak een discussie. • Er is veel aandacht voor afkoppelen bij de beheerders. Ook veel kennis aanwezig, bijvoorbeeld ook i.r.t. diepte-infiltratie. • Binnen Westervoort was men iets behoudender met afkoppel maatregelen, door samenwerking wordt nu een stap gezet. • Ook hitte heeft de aandacht heeft aandacht binnen realisatie en Beheer. Wel minder dan water. • Binnen de afdeling Ruimtelijke Ordening leeft het thema ruimtelijke adaptatie niet. Energie is veel belangrijker. Mark Smits is contactpersoon vanuit ruimte op vlak van duurzaamheid en wordt door zijn collega’s bevraagd op deze aspecten. Hij is vooral met energie en circulair bezig. Wel wordt opgemerkt dat het alleen werkt als iedereen RA tussen de oren heeft in plaats van dit bij 1 persoon onder te brengen. Financiële middelen • Binnen de ruimtelijke ordening ligt de focus ook op geld, waarmee maatregelen voor klimaatadaptatie van ondergeschikt belang worden.

• Voor het programma Circulaire Economie is € 200.000,- programma geld geregeld om zaken te organiseren. • Gevoel bij verschillende geïnterviewden is dat er vaak wel ambities worden uitgesproken maar dat er geen geld is deze te realiseren. Gekoppeld aan vrijblijvendheid in beleid zet dit een rem op de mogelijkheden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westervoort&id=ffb273a0-832e-40ea-b7d7-2a1972475166