Vlakendijk 2 Dwingeloo - Toelichting
Tekst van het document
direct naar inhoud van Toelichting
Partiële herziening, Vlakendijk 2 Dwingeloo Toelichting Plan:
Partiële herziening, Vlakendijk 2 Dwingeloo
Status:
ontwerp
Plantype: bestemmingsplan IMRO-idn: NL.IMRO.1701.509PHZVlakendk2DWG-0001 • • • •
Toelichting Bijlagen toelichting Regels Bijlagen bij de regels
• • • •
Begin Vorige Volgende Omhoog
Toelichting • Hoofdstuk 1 Inleiding • 1.1 Aanleiding • 1.2 Principebesluit • 1.3 Ligging plangebied • 1.4 Vigerende regeling • 1.5 Leeswijzer • Hoofdstuk 2 Huidige situatie en planvoornemen • 2.1 Landschappelijke context • 2.2 Huidige situatie • 2.3 Voorgenomen ontwikkeling • 2.4 Landschappelijk inpassingsplan • Hoofdstuk 3 Beleidskader • 3.1 Rijksbeleid • 3.2 Provinciaal beleid • 3.3 Gemeentelijk beleid • Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten • 4.1 Bedrijven en milieuzonering • 4.2 Archeologie
• 4.3 Cultuurhistorie en landschap • 4.4 Bodem • 4.5 Water • 4.6 Geluid (wegverkeerslawaai) • 4.7 Verkeer en parkeren • 4.8 Luchtkwaliteit • 4.9 Ecologie • 4.10 Externe veiligheid • 4.11 Kabels en leidingen • 4.12 Vormvrije mer-beoordeling • Hoofdstuk 5 Planbeschrijving • 5.1 Algemeen • 5.2 Toelichting op de bestemmingen • Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid • 6.1 Economische uitvoerbaarheid • 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Op het perceel Vlakendijk 2 te Dwingeloo, ook wel bekend als Landgoed Rostwijk, staat een woning uit 1937. Het plan is om de woning te gaan restaureren en vervolgens te gaan gebruiken als recreatiewoning. Verder is het plan om een nieuwe woning inclusief schuur te realiseren. Tot slot blijft het bosgebied verder behouden en worden gedeeltes van het landgoed opengesteld voor publiek. De ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied'. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch te kunnen regelen is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor deze locatie noodzakelijk. 1.2 Principebesluit In april 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders met betrekking tot dit initiatief een positief principebesluit afgegeven. 1.3 Ligging plangebied Het plangebied betreft het gehele landgoed Rostwijk, gelegen aan de Vlakendijk 2 te Dwingeloo. Het plangebied ligt in het buitengebied ten westen van Dwingeloo. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1 Ligging van het plangebied 1.4 Vigerende regeling Op dit moment geldt het bestemmingsplan Buitengebied Westerveld, vastgesteld op 5 juli 2012 en deels onherroepelijk in werking. Het plangebied heeft hierin de bestemming 'Bos -1' én 'Wonen'. Bos-1 De bestemming 'Bos-1' ziet toe op: • bosbeheer en houtproductie; • het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische, natuurlijke en de landschappelijke waarden van de bosgebieden en de structuurbepalende boombeplanting; • beken, plassen, poelen, vennen, sloten en/of andere watergangen en/of -partijen al dan niet mede bestemd voor waterberging. Verder is in ondergeschikte mate toegestaan: • het extensief dagrecreatief medegebruik en educatief medegebruik van bestaande infrastructuur en voorzieningen; • wegen en paden; • parkeervoorzieningen; • nutsvoorzieningen; • kleinschalige duurzame energiewinning Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. De bouwhoogte van overige bouwwerken ten behoeve van natuurobservatie of de jacht zal ten hoogste 15,00 m bedragen en de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 2,00 m bedragen. Binnen de bestemming 'Bos-1' zijn woonhuizen niet toegestaan. Aangezien het beoogde plan voorziet in een nieuw woonhuis binnen de bestemming 'Bos-1' is de ontwikkeling in strijd met het geldende bestemmingsplan.
Wonen De bestemming 'Wonen' ziet toe op: • woonhuizen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, al dan niet in combinatie met ruimten voor een aan-huis-verbonden beroep, een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit en/of kinderopvang, zoals genoemd in bijlage 6 van de regels. Verder is in ondergeschikte mate toegestaan: • kleinschalige duurzame energiewinning; • wegen en paden; • water. Binnen het bestemmingsvlak 'Wonen' is één woonhuis toegestaan. De oppervlakte van een hoofdgebouw zal ten hoogste 150 m² bedragen, tenzij de bestaande oppervlakte van een hoofdgebouw meer bedraagt dan 150 m², in welk geval de bestaande oppervlakte van het hoofdgebouw als maximum geldt. De goot -en bouwhoogte bedraagt respectievelijk maximaal 3,5 -en 9 meter. De gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, de bijgebouwen en de overkappingen bij een hoofdgebouw zal ten hoogste 75% van de oppervlakte van het hoofdgebouw bedragen, tenzij en voor zover de oppervlakte van het hoofdgebouw de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen
gezamenlijk niet groter wordt dan 250 m2. Het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden is niet toegestaan. Wel is hiervoor een afwijkingsmogelijkheid opgenomen. Recreatieve bewoning in de vorm van bed and breakfast is toegestaan, mits: • de logiesverstrekking plaatsvindt binnen het woonhuis, een aan- of uitbouw of een aangebouwd bijgebouw. Er wordt uitgegaan van een bestaande entree (deur); • de gebruiksoppervlakte ten hoogste 100 m² en ten hoogste 1/3 deel van het woonhuis, inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen, zal bedragen; • er maximaal drie kamers met in totaal 10 slaapplaatsen gerealiseerd worden; • er geen keukenblok in de kamers wordt gemaakt; • er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt; • de gezamenlijke oppervlakte die bij een woonhuis wordt gebruikt ten behoeve van nevenfuncties ten hoogste 100 m² bedraagt; • geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. In dit geval wordt de bestaande woning omgebouwd tot een recreatiewoning. Het gebruik van de bestaande woning is in strijd met het geldende bestemmingsplan.
Het toepassen van de afwijkingsmogelijkheid is ook niet mogelijk, omdat er in de gewenste situatie sprake is van een losstaand gebouw. Waarde- archeologie 3 en Waarde - Landschap 2 Ook is de dubbelbestemming 'Waarde- archeologie 3' én 'Waarde - Landschap 2' van toepassing. De dubbelbestemming 'Waarde- archeologie 3' ziet toe op het beschermen van de archeologische waarden van het gebied. Paragraaf 4.2 gaat hier verder op in. De dubbelbestemming 'Waarde - Landschap 2' ziet toe op het behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijk en waterhuishoudkundig waardevolle beekdalen. Paragraaf 4.3 gaat hier verder op in.
Figuur 1.2 Ligging van het plangebied met geldende bestemmingsplannen 1.5 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het initiatief nader beschreven. Daarbij komt de huidige situatie aan bod en wordt vervolgens ingegaan op de toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 schetst het relevante beleidskader voor het plan. Daarbij wordt ingegaan op het relevante rijks-, provinciaal, en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 worden de omgevingsaspecten behandeld, waaraan de beoogde ontwikkeling wordt getoetst. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische aspecten van het plan. In hoofdstuk 6 worden de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan toegelicht.
Hoofdstuk 2 Huidige situatie en planvoornemen 2.1 Landschappelijke context Het landschap van Westerveld representeert een grote cultuurlandschappelijke waarde en is bovendien erg divers. Er zijn 31 verschillende landschapstypen onderscheiden, variërend van de essen en bouwlandkampen tot diverse beekdal- en heideontginningslandschappen. Daarnaast is er sprake van een groot aantal cultuurhistorisch waardevolle elementen, variërend van historische wegen en waterlopen tot strubbenbossen, monumentale gebouwen, structuren die verband houden met de Drentse Hoofdvaart,
markegrenzen en sporen van de Tweede Wereldoorlog. De gemeente Westerveld ligt in het zuidwestelijk deel van de provincie Drenthe, op de overgang van het Drents Plateau naar de veengebieden van het Drents-Friese Wold. De verschillende onderdelen van het Westerveldse cultuurlandschap hebben elk hun eigen, bijzondere kenmerken. Het landschapstype waar het plangebied van het bestemmingsplan toe wordt gerekend is het 'Beekdalenlandschap'. De beekdalen werden gebruikt als hooi- en weilanden. Kenmerkend voor de oudste ontginningen in de bredere beekdalen is het onregelmatige verkavelingspatroon. De opstrekkende verkaveling van de beekdalranden is van latere datum. De beekdalen werden gescheiden van het veld door grenswallen. Bij de latere individuele ingebruikname werden loodrecht op de stroomrichting van de beek dwarswallen aangelegd. In de nattere delen, waar men kon volstaan met het graven van veekerende sloten, werden geen wallen opgeworpen. Door de wallen verkregen de beekdalen een heel karakteristieke ruimtelijke opbouw. In de beekdalen binnen de gemeente Westerveld is deze karakteristieke ruimtelijke bouw nog gedeeltelijk aanwezig. In de Veldhuizerlanden en de Zuid Wapserlanden zijn op verschillende plaatsen grenswallen en dwarswallen aanwezig. Het fijnmazige patroon is nog goed te zien ten oosten van Park Midzomer.
Daar waar de aangrenzende heide bij het beekdal werd gevoegd om zo over voldoende hoge en droge grond voor het vee te kunnen beschikken, werd achter de oude grenswal een tweede, nieuwe grenswal aangebracht. De kernkwaliteiten van het beekdallandschap: • • • • • •
openheid; verdichting door houtwallen evenwijdig aan en dwars op de beekdalranden; voornamelijk in gebruik als grasland; opstrekkende verkaveling; reliëf; nauwelijks bebouwing.
Figuur 2.1: fragment uit Beeldkwaliteitsdplan 2.2 Huidige situatie 2.2.1 Algemeen
De locatie Rostwijk te Dwingeloo, is gelegen op korte afstand van het dorp Dwingeloo. Nabijde Dwingelerstroom, op een hoger gelegen zandkop. Omstreeks begin 1700 is door een Franse hovenier, een wandelbos ontworpen. Dit bos was toen bedoeld voor de dames van de havenzaten. Zij konden daar “droog” wandelen. De Franse hovenier, waarschijnlijk woonachtig geweest in een van de "Franse huisjes", gelegen in het centrum van Dwingeloo, heeft zich ongetwijfeld laten inspireren op het Franse tuin ontwerp bij de havezate Oldengaerde. De opzet van de locatie kenmerkt zich door een langgerekte laan. Vanaf de entree/poort loopt deze laan als een “rechte ader” naar het noorden. Destijds besloeg de locatie ca. 12 ha, momenteel is het ruim 8 ha. groot. Pas in 1937 werd er op de locatie, in het open midden gebied, de eerste bebouwing gerealiseerd, een huis voor de familie. Tot op heden staat het huis daar op het open middengebied, vrijwel nog geheel in originele staat. Het huis staat op de gemeentelijke monumentenlijst. Het huis was “zelfvoorzienend”. M.a.w. er waren geen aansluitingen op de openbare nutsvoorzieningen. De originele bouwtekening is nog voorhanden en kan dienen voor de restauratie. Het behoud van dit huis is dan ook de leidraad geweest voor het nieuwe plan. Een tijdslijn overzicht van de situatie uit 1850 tot 2020 is weergeven in de navolgende figuren.
Dit geeft een goed beeld van de geschiedenis van het plangebied.
Figuur 2.2 Tijdlijn plangebied vanaf 1850 tot 2000
Figuur 2.3 Aanzicht monumentale woning in het plangebied
Figuur 2.4 Ligging plangebied en de luchtfoto van de huidige situatie 2.3 Voorgenomen ontwikkeling Het plan is om de woning te gaan restaureren en vervolgens te gaan gebruiken als recreatiewoning. Verder is het plan om een nieuwe woning inclusief schuur te realiseren. De toekomstige woning inclusief bijbehorende bouwwerken krijgt een oppervlakte van circa 325 m2 en de schuur een oppervlakte van circa 238 m2. Tot slot blijft het bosgebied verder behouden en worden gedeeltes van het landgoed opengesteld voor publiek. Concreet is sprake van drie deelprojecten. Deze worden hierna verder beschreven. Verder heeft de welstandscommissie inmiddels een positief welstandsadvies afgegeven. De commissie concludeert dat het ingediende plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van monumentale waarden, en tevens niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Voor het vergeten landgoed Rostwijk, een nieuw leven!
Om inhoud te kunnen geven aan het beoogde nieuwe leven van landgoed Rostwijk, is in eerste instantie gewerkt vanuit een totaalvisie, waarbij er gezocht is naar de samenhang van de gebouwen in het landschap, en de daarbij benodigde hoeveelheid m2's. Normaal gesproken wordt in het bestemmingsplan buitengebied maximaal 250 m2 bebouwd oppervlakte toegestaan. Omdat hier sprake is van een nieuw bestemmingsplan,met als doel het herstel van de historische locatie, is gewerkt vanuit vraagzijde: • Voor het behoud en het functioneel maken van het monumentje,de toevoeging van de serre, waarbij de bestaande ontsierende uitbouw komt te vervallen: ca 40m2. • Voor het kunnen realiseren van zelfvoorzienigheid zijn, om er o.m. te kunnen wonen, de noodzakelijke eco schuren met zonnepanelen, regenwater buffer, warmtehuishouding/bos, berging auto's etc, noodzakelijk, Daarnaast zijn enkele paardenboxen meegenomen en opslagruimte, totaal ca.238m2 NB. De oude schuurtjes worden verwijderd ,daarmee wordt verrommeling tegengegaan, totaal ca 40m2). • Voor het woonhuis,speciaal ontworpen voor deze locatie en onderdeel uitmakende van het totale landschappelijke ensemble, is een oppervlakte van 252 m2 footprint (met aftrek van de baander doorgang) getekend.
Deelproject 1. Nieuwbouw hoofdwoning en ecoschuur. Haaks op de oprijlaan komt een rietgedekte in boerderij vorm gebouwde hoofdwoning. De woning krijgt een afmeting van 30,6 bij 10,6 meter. Het hoogste punt van de woning is ongeveer 10 meter. De woning wordt ‘over de laan’ gebouwd, met daarbij de voorgevel richting Dwingeloo. Ter hoogte van de laan komt op de begane grond een onderdoorgang. Boven de onderdoorgang komt een brug, van circa 10 m2, die beide delen van het gebouw met elkaar verbinden. Waardoor de oprij functie van de laan en de zichtlijn behouden blijft en versterkt wordt. De ecoschuur komt in de noordelijke hoek van de centrale open plek te liggen. De exacte ligging moet nog bepaald worden. De schuur krijgt een afmeting van 18 bij 13,6 meter. De schuur is onder andere bedoeld als opslagschuur in verband met het onderhoud van het landgoed.
Figuur 2.5 Oppervlakte toekomstige woning
Figuur 2.6 Oppervlakte toekomstige schuur
Deelproject 2: restauratie bestaande woning het “gemeentelijke monument” De bestaande woning wordt gerestaureerd, de bestaande aanbouw en 3 losliggende schuren worden gesloopt. Daarnaast komt er een nieuwe aanbouw van circa 6,2 bij 6,70 meter. Het bestaande monumentale gebouw wordt gerestaureerd en aangepast aan de hedendaagse eisen qua comfort en isolatie. De uitbreiding wordt verder ondergeschikt vormgegeven ten opzichte van het bestaande monument.
Figuur 2.7 Oppervlakte toekomstige recreatiewoning
Deelproject 3: erfinrichting en directe omgeving De nieuwe erfinrichting is gebaseerd op verschillende zones. De zone ten noorden van de woning – tussen de woning en de ecoschuur en het monument wordt het intensiefst gebruikt. Hier zal een terras, toegangsweg, paden en een tuin om het monumentje worden aangelegd, die ook intensief gebruikt zullen worden. De Oostelijke zone (grotendeels ten oosten van de laan) zal intensiever gebruikt worden dan de westelijke zone. Het zuidoostelijke deel van de tuin zal een beeld van een grasland krijgen. Maar waar niet dagelijks gebruik van wordt gemaakt. Het westelijke deel wordt een natuurlijk grasland, al dan niet met fruit- of notenbomen. In de centrale open ruimte wordt een greppel en een laagte gegraven ten behoeve van opvang en afvoer van overtollig hemelwater. Op de zuidoostelijk hoek komt een verhoging in het terrein. De houtwal ten oosten van de woning is nu, door verruiging deels breder dan de oorspronkelijke houtwal. De uit voornamelijk ratelpopulier (5 a 10 cm dbh.) bestaande ruigte zone (1,5 are) wordt gekapt en aan het naastgelegen grasland toegevoegd. De houtwal wordt binnen de kaders van het toekomstige beheerplan in actief beheer genomen. Het middelste deel van de houtwal, daar waar vanuit de nieuwe woonhuis uitzicht richting Dwingeloo is, wordt het struweel regelmatig afgezet.
Mogelijk krijgt de struiklaag in de houtwal hier de vorm van een vlechtheg. De huidige overstaanders blijven behouden echter wordt van deze bomen wel het waterlot verwijderd. De randzone van circa 10 meter van de noordelijke en zuidelijke bosrand wordt intensiever beheert. Hier wordt een laagdunning uitgevoerd door enkele dunnere bomen te verwijderen. De dikkere bomen, met holten, worden gespaard. Door de ingreep ontstaat er een rustiger en parkachtig bosbeeld met grote vrijgestelde bomen. Er wordt gestuurd naar een struiklaag van lijsterbes, vuilboom, krent en hulst. De Amerikaanse vogelkers en ratelpopulier wordt hier afgezet en eventueel met stronk en al verwijderd. Het streven is naar een kruidlaag van gras, varens en stinzeplanten. De huidige ruigtebegroeiing is deels ontstaan door het in het verleden deponeren van stobben, grond en organisch materiaal. Deze oorzaken van de verruiging worden verwijderd. Vanuit het erf bezien wordt de overgang tussen het bewoonde centrale gebied en de rest -wat meer natuurlijker deel- van het landgoed benadrukt. Zo neemt staat van onderhoud/ netheid af naarmate de bosrand gepasseerd is. Op de overgang van het parkbos en de rest van het bos komt een takkenril te liggen. Op de overgang van het toekomstige natuurlijke grasland met boomgaard/notengaard wordt een heg op een aarde steilrand geplant.
Dit is de harde grens tussen dit grasland en de struweel zone die daarachter is gelegen.
Verder van de woning gelegen worden wandelpaden door het bos aangelegd. Waar de wandelpaden sloten kruisen, komen met hout afkomstig van het landgoed vervaardigde, bruggen. De paden worden gerealiseerd door het wegschrapen van de humuslaag en het aanbrengen van zand of houtsnippers. Het noordelijk grasland wordt voor een belangrijk deel beplant met inheemse struweel soorten. Het verlengde van de laan (de centrale zichtas) en de grens met de omliggende houtwal blijven onbeplant. Op deze locatie vindt de beplanting van de 35 are herplantplicht plaats. 2.4 Landschappelijk inpassingsplan Ten behoeve van dit bestemmingsplan is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Met het landschappelijk inpassingsplan wordt het vastleggen van- en een kwaliteitsimpuls voor de onderscheidende landschappelijke kwaliteiten beoogd. Het landschapsplan krijgt een doorvertaling in de regels. Het landschapsplan is als bijlage 3 bij het bestemmingsplan opgenomen. Omdat het landschapsplan voorziet in de aanleg van nieuwe groenelementen is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen ter borging van het landschapsplan. Met de uitwerking van dit bestemmingsplan wordt beoogd om landgoed Rostwijk, en het gebied behorende bij het landgoed, te herstellen en een nieuw leven te geven.
Een deel van het eigendom wordt opgesteld voor publiek waardoor het landgoed "weer" een meer maatschappelijke functie krijgt. Een dergelijk landgoed vraagt op volume. In dit geval is gekozen voor volume in een moderne stijl, maar door de verschijningsvorm, kleurstelling en materiaalgebruik is de vormgeving van het landgoed passend bij in het landschap. Dit is reeds bekrachtigd door de welstandscommissie.
Hoofdstuk 3 Beleidskader Aan nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen ligt beleid ten grondslag. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op relevante beleidsuitgangspunten op Rijksniveau, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. De planuitgangspunten en vervolgens de bestemmingsregeling zijn hierop afgesteld. 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale omgevingsvisie
De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook 1 Rijksvisie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) naar de Tweede Kamer gestuurd. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. Dit betreft onder meer: • • • • •
de bouw van ongeveer 1 miljoen nieuwe woningen; meer duurzame energie gebruiken; aanpassen aan klimaatverandering; de ontwikkeling van een circulaire economie; omschakeling naar kringlooplandbouw.
Bij de opgaven wordt altijd rekening gehouden met een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. De Nationale Omgevingsvisie schets een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Op het niveau van dit bestemmingsplan biedt de NOVI geen concrete aandachtspunten. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels voor 14 aangewezen nationale belangen De voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied raakt geen rijksbelangen zoals deze genoemd zijn
in het Barro. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren is in het Besluit ruimtelijke ordening de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen (artikel 3.1.6 lid 2). Voor een stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied moet worden gemotiveerd waarom deze niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd en moet worden aangetoond of er behoefte is. De ontwikkeling betreft een herbestemming van een burgerwoning naar een recreatiewoning en het bouwen van een nieuwe burgerwoning. Volgens jurisprudentie wordt een dergelijke ontwikkeling niet gezien als een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet noodzakelijk. 3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Drenthe 2022
In 2022 is een actualisatie van de Omgevingsvisie Provincie Drenthe vastgesteld. Met de Omgevingsvisie Drenthe 2022 geeft de rpovincie invulling aan de verplichte strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving op grond van de Omgevingswet. De Omgevingsvisie gaat in op de samenhang tussen landbouw, natuur, water, wonen, werklocaties, verkeer en vervoer, landschap en cultureel-, aardkundig- en archeologisch erfgoed. De visie beschrijft de provinciale belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing, beschrijft het beleid en schetst de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van Drenthe richting 2030. De missie van de visie is als volgt verwoord: "‘Het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe, passend bij deze kernkwaliteiten.’ Onder de Drentse kernkwaliteiten worden landschap, cultuurhistorische waarden, archeologische waarden, aardkundig erfgoed, natuur, stilte en duisternis verstaan. De missie draagt uit dat de provincie bij nieuwe ontwikkelingen bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de provincie. Onder ‘bruisend Drenthe’ verstaat de provincie waar het goed wonen en werken is en waar voor jong en oud veel te beleven valt. Een provincie waar ondernemerschap, cultuur en sport floreren. Het initiatief waarborgt de kernkwaliteiten van landschap en cultuurhistorische waarden.
De provinciale belangen zijn juridisch geborgd in de provinciale omgevingsverordening. 3.2.2 Provinciale Verordening Drenthe
Gekoppeld aan de Omgevingsvisie heeft de provincie een Omgevingsverordening opgesteld. De 'Provinciale Omgevingsverordening Drenthe 2018' is in 2022 geactualiseerd. In de Omgevingsverordening worden regels gesteld ten aanzien van het provinciaal belang. Hieronder worden de regels weergegeven die betrekking hebben op dit project. Artikel 2.17 lid 3 Woningbouw In uitzonderlijke gevallen kan een ruimtelijk plan buiten het bestaand stedelijk gebied voorzien in de realisatie van bijzondere woonmilieus, mits • a. deze kleinschalig zijn; • b. deze gericht zijn op woonwensen en leefstijlen van kleine specifieke doelgroepen; • c. het uitgangspunt bij de ontwikkeling van deze woonmilieus een landschappelijk kader is dat aansluit bij de kernkwaliteiten van het gebied, en; • d. het woonmilieu alleen kan worden ontwikkeld samen met het verbeteren van andere functies, zoals het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit, het vergroten van het cultuurhistorische karakter, het verbeteren van voorzieningen, het realiseren van de water- en natuuropgave en het versterken van de recreatie.
Het initiatief sluit aan op Artikel 2.17 lid 3 uit de Omgevingsverordening. Er is sprake van een kleinschalige ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2. Hiermee wordt voldaan aan lid a. Er is hierbij verder sprake van een bijzonder woonwens van de initiatiefnemer om op het landgoed Rostwijk te gaan wonen. in de huidige situatie is de woonfunctie al toegestaan. Echter voldoet de huidige bebouwing niet meer aan de huidige wensen en eisen van deze tijd. Derhalve is een nieuw plan ontwikkeld waardoor het landgoed een nieuw leven krijgt. Voor een uitgebreide beschrijving wordt verwezen naar hoofdstuk 2. Hiermee wordt voldaan aan lid b. De ontwikkeling voegt zich binnen de huidige landschappelijke kaders van het gebied en draagt hier eveneens aan bij. Er is specifiek een landschappelijk inpassingsplan opgesteld met daarin specifieke maatregelen om te komen tot een goede landschappelijk inpassing. Met het landschappelijk inpassingsplan wordt het vastleggen van- en een kwaliteitsimpuls voor de onderscheidende landschappelijke kwaliteiten beoogd. Het landschapsplan krijgt een doorvertaling in de regels. Het landschapsplan is als bijlage 3 bij het bestemmingsplan opgenomen. Omdat het landschapsplan voorziet in de aanleg van nieuwe groenelementen is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen ter borging van het landschapsplan. Hiermee wordt voldaan aan lid c.
Met de uitwerking van dit bestemmingsplan wordt beoogd om landgoed Rostwijk, en het gebied behorende bij het landgoed, te herstellen en een nieuw leven te geven. Een deel van het eigendom wordt opgesteld voor publiek waardoor het landgoed "weer" een meer maatschappelijke functie krijgt. Een dergelijk landgoed vraagt op volume. In dit geval is gekozen voor volume in een moderne stijl, maar door de verschijningsvorm, kleurstelling en materiaalgebruik is de vormgeving van het landgoed passend bij in het landschap. Dit is reeds bekrachtigd door de welstandscommissie. Hiermee wordt voldaan aan lid d. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de regels van de Provinciale Verordening Drenthe. Artikel 2.6 Werken met kernkwaliteiten In de Omgevingsverordening zijn de kernkwaliteiten van de provincie juridisch geborgd en doorvertaald als archeologie, aardkundige waarden, cultuurhistorie, landschap, rust, en natuur. Als bij een ruimtelijk plan kernkwaliteiten betrokken zijn wordt in het ruimtelijk plan uiteengezet hoe het desbetreffende plan zich verhoudt tot het behoud en de ontwikkeling van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten conform het provinciaal beleid, en de strategische opgaven en de sturingsniveaus zoals die zijn verwoord in de omgevingsvisie.
Een ruimtelijk plan kan in principe geen nieuwe activiteiten toestaan die kernkwaliteiten significant aantasten. In relatie tot het plangebied zijn de kernkwaliteiten 'Aardkundige waarden', 'Cultuurhistorie', en 'Landschap' van toepassing. De ontwikkeling is niet van invloed op deze kernkwaliteiten. Aardkundige waarden De identiteit van Drenthe en het Drentse landschap wordt sterk bepaald door het natuurlijke bodem- en grondwatersysteem. Dat systeem wordt ook wel aardkundig landschap genoemd en is en wordt gevormd in een samenspel tussen klimaat, natuur en mens. Daar waar we onder de kernkwaliteit ‘Landschap’ het waarneembare deel van de aarde verstaan, bepaald door natuur en cultuur, gaat het bij het aardkundige landschap ook en vooral om de natuurlijke ondergrond, zowel zichtbaar (reliëf, vormen) als onzichtbaar (ondergrond, bodemopbouw). Voor het plangebied geldt een generiek beschermingsniveau. Dit bestemmingsplan voorziet niet in directe ingrepen die eventuele aardkundige elementen verstoren. Er is geen sprake van grootschalige bodemingrepen die ervoor zorgen dat de bodemlagen en/of het reliëf worden aangetast. Cultuurhistorie Het plangebied ligt volgens de Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2022 in het deelgebied De velden in centraal Drenthe.
De structuur van dit gebied wordt gedomineerd door de twee grote bos- en heidegebieden van het Dwingelderveld en bij Hooghalen, en door de beekdalen van de Elperstroom en de
Westerborkerstroom met de daarbij gelegen esdorpen die al in de middeleeuwen zijn ontstaan. De twee bos- en heidegebieden zijn aangelegd met de karakteristieke padenstructuur van boswachterijen en stuifzandbossen. Maar ze bevatten ook vele sporen van de tijd ervoor en erna, zoals (pre-)historische routes en grenzen en jongere ingrepen uit en na de Tweede Wereldoorlog, zoals de radiotelescoop van Dwingeloo en de sporen van Kamp Westerbork. Bijzonder is de ligging van het (Nationaal Park) Dwingelderveld als oude gemeenschapsgrond te midden van een krans van esdorpen. De smalle en soms duidelijk begrensde beekdalen van de Elper- en Westerborkerstroom hebben een sterke ruimtelijke relatie met de ernaast gelegen dorpen. Het projectgebied zelf voorziet niet rechtstreeks in een door de provincie aangewezen cultuurhistorische waarden. Wel kan het landschap als cultuurhistorisch worden aangemerkt. De cultuurhistorische context van het landschap van het plangebied is beschreven in paragraaf 2.1 en bijlage 3. De ontwikkeling is niet van invloed op de aanwezige cultuurhistorische waarden. Het aspect 'Cultuurhistorie vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Landschap Het plangebied ligt volgens de Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2022 binnen het Esdorpenlandschap. Het Drents Plateau bestaat voornamelijk uit esdorpenlandschap.
Dit landschapstype bevat enkele telkens terugkerende onderdelen: het dorp, de es, het beekdal en de velden/bossen/heide.Van provinciaal belang zijn: • de essen: deze voor het esdorpenlandschap kenmerkende open ruimtes zijn veelal omgeven met esrandbeplanting; • de beekdalen: onbebouwd gebied met kleinschalige beplantingstructuren en beekdal(rand) beplanting. Het provinciaal beleid is gericht op: • behoud van de open ruimte en het versterken van esrandbeplanting; • behoud van het onbebouwde karakter en het versterken van karakteristieke beekdal(rand) beplanting. Er is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Met de uitwerking hiervan wordt het bosgebied herstel en krijgt het weer een nieuw leven. Het bestemmingsplan voorziet daarnaast in een dubbelbestemming ter bescherming van de landschappelijke - en cultuurhistorische waarden. Ook is een dubbelbestemming opgenomen ter bescherming van de archeologische waarden. Het initiatief wordt eveneens versterkt door de ontwikkeling van Ootmaanlanden en Koningsschut. Om Meppel in de toekomst voor wateroverlast bij hoogwatersituaties te beschermen, is bestuurlijk afgesproken ('Samenwerkingsovereenkomst klimaatbuffer Anserveld-Leisloot-Ootmaanlanden', d.d. 17 juli 2012) dat er 400.000 m³ water vanuit de Oude Vaart geborgen moet kunnen worden. Het gebied Ootmaanlanden is destijds aangewezen als retentiegebied.
Om dit gebied te kunnen inzetten, wordt water van de Oude Vaart via de Drentse Hoofdvaart naar gebied Ootmaanlanden geleid. Koningsschut is in een later stadium aangewezen als tweede bergingsgebied om te kunnen voldoen aan de bergingsbehoefte van 400.000 m³. De waterbergingsopgave kan over deze twee gebieden worden verdeeld.
Daarnaast is het van belang de verdroging in de Ootmaanlanden en daarmee in het Holtingerveld tegen te gaan. Ook hierover zijn bestuurlijke afspraken (natuurdoelstellingen vanuit Natura2000 en NNN) gemaakt. De verdroging zal worden tegengegaan door gebiedseigen water vast te houden in de Ootmaanlanden. Verwachting is dat door het vasthouden van het gebiedseigen water de grondwaterstanden in de Ootmaanlanden hoger zullen worden, waardoor de gradiëntsituaties met (lokale) kwel in de Ootmaanlanden kunnen herstellen en de daarbij behorende natuurdoelen NNN en Natura 2000 zich kunnen ontwikkelen. De benodigde maatregelen passen niet binnen de vigerende bestemmingsplannen. Om die reden is er een nieuw ruimtelijk plan, nodig deze is momenteel in procedure. Het gebied Koningsschut bevindt zich ten noorden van het plangebied. Koningsschut is in bezit van Natuurmonumenten (ca. 8 ha) en Staatsbosbeheer (ca. 3,8 ha). De percelen van Staatsbosbeheer bestaan uit een vochtig bos, grenzend aan de Oude Vaart. Dit deel van Koningsschut maakt onderdeel uit van het NNN. De percelen van Natuurmonumenten bestaan uit vrij intensief beheerd grasland. Het perceel ten zuiden van de zandweg is ingericht met ruigte en struweel. Hier zijn plannen om de gronden toegankelijk te maken voor bezoekers en de cultuurhistorische - en natuurwaarden weer terugbrengen.
De uitwerking van dit bestemmingsplan het bestemmingsplan Ootmaanlanden en Koningsschut vullen elkaar in die zin goed aan. Het gebied Koningsschut uit dit project sluit fysiek aan bij de gronden behorend bij Landgoed Rostwijck aan Vlakendijk 2. Er is afgetast of er samenwerking tussen partijen bewerkstelligd kan worden. Vooralsnog is recreatief medegebruik voor dit project Koningsschut ondergeschikt aan de waterbergingsopgave maar er zijn wellicht toekomstige kansen voor koppelingen. Conclusie Uit de voorliggende toelichting blijkt dat het initiatief voldoet aan de Omgevingsverordening. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de regels van de Provinciale Verordening Drenthe. De ontwikkeling is niet van invloed op deze kernkwaliteiten. Er wordt een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. In de regels van dit bestemmingsplan worden daarnaast aanvullende regelingen opgenomen om de kernkwaliteiten, die in het plangebied aanwezig zijn, te beschermen. Het gaat om de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' en 'Waarde - Landschap'. Geconcludeerd wordt dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de verschillende kernkwaliteiten en dat deze in voldoende mate worden beschermd. 3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Westerveld
De Omgevingsvisie bevat het toekomstbeeld van en voor de gemeente Westerveld. De omgevingsvisie is de integrale langetermijnvisie op de ontwikkeling van de gemeente en gaat over de hele fysieke leefomgeving. Het streven is gericht op een actieve, gastvrije en saamhorige samenleving, gekenmerkt door sociale veerkracht en leefbaarheid. Dit wil de gemeente bereiken door te kiezen voor een meer faciliterende rol en minder een regievoerende. Dat betekent ook dat de gemeente meebeweegt met maatschappelijke ontwikkelingen, en als partner optrekt met de samenleving. Geen overheid dus die vooral controleert en stuurt, maar een overheid die samenwerkt en faciliteert. Daarbij past ook deregulering en het kiezen voor maatwerk. De gemeente wil een herkenbaar en toekomstgericht Westerveld zijn. Erfgoed en cultuurhistorie ziet de gemeente als ontwikkelkans. De gemeente geeft daarom ruimte aan behoud door ontwikkeling: de herinvulling van erfgoed als dat ten dienste staat van het behoud ervan. Daarbij denkt de gemeente mee in kansen. Voorgaand intiatief is een dergelijke ontwikkeling
waarbij er een kans wordt benut om het landgoed een nieuw elan te geven en te kunnen behouden voor de toekomst. De ontwikkeling is daarmee in lijn met de Omgevingsvisie Westerveld.
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten Voor de beoogde ontwikkeling is het van belang dat tijdens de uitvoering en in de nieuwe situatie sprake is van een goede omgevingssituatie. Deze omgevingstoets gaat in op de relevante milieuaspecten (bodem, water, milieuzonering en externe veiligheid) en om andere sectorale regelgeving (bijvoorbeeld archeologie, cultuurhistorie en ecologie). 4.1 Bedrijven en milieuzonering 4.1.1 Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. De lijst maakt snel inzichtelijk welke milieuaspecten van belang zijn en in welke milieucategorie een bedrijf ingedeeld zou kunnen worden. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven, op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de milieu-indeling op van 1 t/m 6, met bijbehorende richtafstanden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieu-hinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten.
In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een 'rustige woonwijk', maar van een 'gemengd gebied'. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een lint in een dorpskern waar meerdere functies naast elkaar zitten. Of bij een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg ligt. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met 1 afstandsstap verkleind worden. Uitzondering hierop is de richtafstand voor externe veiligheid. Deze wordt niet verkleind. Het voordeel van het instrument is, dat het een integrale benadering geeft. Er is per bedrijf in beeld gebracht welke richtafstand aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid. De milieucategorie wordt bepaald op de maatgevende (grootste) afstand.
Figuur: richtafstandentabel (bron: VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009)) 4.1.2 Onderzoek en conclusies
Op grond van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' kan de omgeving rond het plangebied tot het omgevingstype 'rustig buitengebied' worden gerekend. Binnen afstand van 800 meter komen geen bedrijfsfuncties voor. In de nabijheid van het plangebied komen geen functies voor, waaruit hinder voor de woonfunctie zou kunnen ontstaan. Het aspect 'Milieuzonering' vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan. 4.2 Archeologie Toetsingskader Rijk en provincie stellen zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologisch erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Doelstelling van het Verdrag van Valetta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. Per 1 juli 2016 is Erfgoedwet in werking getreden, waarbij de Monumentenwet 1988 is komen te vervallen.
Een deel van het bepaalde in de Monumentenwet is overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet
mogelijk is, is opgraving (onder voorwaarden) mogelijk. Onderzoek Op basis van het geldende bestemmingsplan kent het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde archeologie 3'. Ter bescherming hiervan is bij ingrepen dieper dan 30 centimeter en groter dan respectievelijk 1.000 m2 archeologisch onderzoek nodig. Ook in het voorliggende plan krijgt het plangebied deze dubbelbestemming opnieuw toegekend. Bij eventuele bouwactiviteiten blijven deze regels van toepassing. Gezien de beperkte bouw- en verhardingsmogelijkheden op grond van de hoofdbestemmingen en de oppervlakte waarbij onderzoek nodig is, wordt niet snel verwacht dat nader onderzoek noodzakelijk is. Het aspect 'Archeologie' vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan. 4.3 Cultuurhistorie en landschap 4.3.1 Toetsingskader
De regering heeft in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vastgelegd dat gemeenten vanaf 1 januari 2012 in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Een bestemmingsplan moet een beschrijving bevatten van de wijze waarop er rekening is gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige monumenten. Er is sprake van cultuurhistorische waarden wanneer er een positieve waardering van sporen, objecten, patronen en structuren zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving. Gemeenten moeten aan de hand van deze beschrijving een analyse verrichten van de cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplangebied. Hieruit moeten conclusies voortvloeien die in het bestemmingsplan terecht komen. Op deze manier wordt er waarde toegekend aan het belang van cultuurhistorie via het proces van ruimtelijke ordening. 4.3.2 Onderzoek en conclusie
In opdracht van de gemeente Westerveld heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in de periode julinovember 2011 een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Westerveld opgesteld. De cultuurhistorische waardenkaart vormt de basis voor toekomstig cultuurhistorisch beleid (waarderings- en beleidskaarten), recreatie, erfgoededucatie en PR-marketingstrategieën of ruimtelijk ontwerp (inrichting en beheer). De cultuurhistorische context van het landschap van het plangebied is beschreven in paragraaf 2.1. De ontwikkeling is niet van invloed op de aanwezige cultuurhistorische waarden. Er wordt landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het aspect 'Cultuurhistorie en Landschap' vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan. 4.4 Bodem 4.4.1 Toetsingskader
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient er in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat als de bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig gesaneerd wordt, dat het kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen worden bij voorkeur op schone grond gerealiseerd. Verdachte plekken met betrekking tot de kwaliteit van de bodem dienen in het kader van de Wet bodembescherming bij ruimtelijke plannen en projecten te worden gesignaleerd vanuit een goede ruimtelijke ordening. 4.4.2 Onderzoek en conclusie
Bij het aspect 'bodem' staat de vraag centraal of de bodemkwaliteit toereikend is voor het nieuwe gebruik.
De bodem kan door eerdere (bedrijfs)activiteiten verontreinigd zijn. Voor de ruimtelijke procedure is het van het belang dat verdachte locaties worden gesignaleerd. Het plangebied wordt momenteel als gebruikt als woonperceel inclusief bosgebied. Het wordt al lange tijd voor deze functie gebruikt. Het is niet aannemelijk dat als gevolg van deze functie bodemverontreinigingen zijn ontstaan. Ook zijn geen verdachte activiteiten uit het verleden bekend. In het kader van dit bestemmingsplan is een bodemonderzoek dan ook nog niet nodig. Het aspect 'Bodem' staat de transformatie naar de bestemming 'Wonen'niet in de weg. 4.5 Water Deze 'waterparagraaf' gaat in op de watertoets. Hierin wordt beoordeeld wat de effecten van het bestemmingsplan op de waterhuishouding zijn en of er waterschapsbelangen spelen. De belangrijkste thema's zijn waterveiligheid, de afvoer van schoon hemelwater en afvalwater en de waterkwaliteit. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het waterschap Drents Overijsselse Delta. Het plan is, op 67-2022, via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap. Het toetsresultaat is opgenomen in bijlage 4. Vervolgens heeft het waterschap op 9 januari een uitgangspuntenotitie opgesteld. Deze is als bijlage 5 toegevoegd.
Het doel van de uitgangspuntennotitie is om in de initiatieffase van een plan bruikbare informatie aan te leveren voor de waterhuishouding in en rond het plangebied. Hierna worden de relevante aspecten beschreven. Relevant beleid Het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het waterbeheerplan 20162021. Specifiek voor het stedelijke gebied heeft het waterschap het beleid geformuleerd in 'Water Raakt!'. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Bestaande waterhuishouding Het plan ligt in het stroomgebied Oude Vaart. Het peilgebied heeft een maximumpeil van NAP 5,1 - 5,6 m. Dit peil is de instelhoogte van het kunstwerk. Lokaal kunnen er verschillen optreden in het peil afhankelijk van de afstand tot de instelhoogte.
Figuur 4.1 Kaartbeeld bestaande waterhuishouding rond het plangebied. • De hoogte van het maaiveld ligt gemiddeld op ongeveer NAP +7,8 m. • De bodem (deklaag) bestaat voornamelijk uit Podzolgroden. Er kunnen, door de aanwezigheid van slecht doorlatende lagen, schijngrondwaterstanden tot dicht onder het maaiveld voorkomen. • De maximale grondwaterstand ligt op 0-20 cm (GHG) onder het maaiveld. • Bij extreme neerslag wordt geen wateroverlast in of nabij het plangebied verwacht (zie Klimaatatlas WDODelta). Watersysteem Aan- en afvoer van voldoende water, waarborg van de waterkwaliteit en ruimte voor water. Voor het dempen, verleggen of graven van wateren (ook die niet in beheer zijn bij het waterschap) dient altijd een Watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Voor het dempen van watergangen (of greppels dieper dan 40 cm) dient gecompenseerd te worden. Vooroverleg voor het aanvragen van een vergunning wordt geadviseerd. Het waterschap neemt nieuwe primaire Awatergangen in beheer en onderhoud, nadat is vastgesteld of deze nieuwe watergangen voldoen aan de daarvoor geldende criteria. Met de uitwerking van dit bestemmingsplan is geen sprake van het dempen van water. Met betrekking tot het graven is dat dan alleen nodig voor de vijver. Aan de hand van, de nog nader te berekenen totale
bergings capaciteit, zal er een voorstel voor de oppervlakte en diepte van de vijver worden gedaan. De opzet en het plan zullen bij de aanvraag voor de watervergunning worden gevoegd. Wateroverlast Bij kortstondige buien van geringe of enige intensiteit mag hemelwater dat niet lokaal kan worden verwerkt worden afgevoerd, zonder dat dit leidt tot water-op-straat of wateroverlast benedenstrooms van het plangebied. Bij extreme kortstondige buien, verblijft water voor korte tijd op het maaiveld, zonder dat dit tot overlast leidt. De ontwikkelaar houdt rekening met de randvoorwaarden die zowel het waterschap als de gemeente stelt aan het voorkomen van wateroverlast. Er wordt rekening gehouden met de randvoorwaarden die gemeenten stellen aan: • het benutten, lokaal verwerken of vertraagd afvoer van hemelwater op percelen en in de openbare ruimte; • het gescheiden houden van hemelwater; • de capaciteitseisen voor de afvoer van hemelwater; • de eisen die aan woningen, andere kwetsbare functies en openbare ruimte worden gesteld ter voorkoming van wateroverlast. Compensatie nieuwbouw kleine plannen Voor kleine plannen geldt als regel dat 10% van het verharde oppervlak wordt ingezet voor berging ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater. In het plan wordt een verhard oppervlak van circa 563 m2 gerealiseerd.
Dit houdt in dat een waterbergend oppervlak van circa 56,3 m2 wordt aangelegd waarin maximaal 30 cm peilstijging is toegestaan. Geadviseerd wordt om de waterberging te ontwerpen op basis van een bij voorkeur vertraagde afvoer anders infiltratiesituatie. Bij de uitwerking van de plannen wordt hier rekening mee gehouden. Door de landschapsarchitect zal, passende binnen het landschapsplan, een locatie op het perceel worden aangegeven, waar het compensatie oppervlakte kan worden gerealiseerd. Dit kan door middel van een vijver, die tevens gevoed wordt met het hemelwater dat van de gebouwen afkomstig is. Locatiekeuze gevoelige gebieden voor wateroverlast Beekdalen: bouwen in het beekdal is niet gewenst. Het waterschap staat achter het beleid van de provincie Drenthe om kapitaalintensieve functies in het beekdal te weren om zo voldoende ruimte voor water te behouden. De beekdalen zijn van nature de laagste plekken in het watersysteem. Bij extreme neerslag zijn deze gebieden het meest kwetsbaar voor wateroverlast. Gezien de functie dient het vloerpeil op een hoogte van NAP + 0,80m te worden aangelegd. Wanneer voor ophoging wordt gekozen (i.p.v. bouwen op bijvoorbeeld palen) zal het verlies aan ruimte voor water gecompenseerd moeten worden. Bij de uitwerking van de plannen wordt hier rekening mee gehouden.
Waterkwaliteit Het watersysteem wordt zo ontworpen dat het geen risico's voor de volksgezondheid creëert en voldoende schoon is voor mensen, planten en dieren. Afvoer hemelwater • 1. Kwaliteit afvoer hemelwater: Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afstromende hemelwater te garanderen. Licht vervuild hemelwater (bijvoorbeeld van een woonstraat) wordt via een bodempassage geloosd op het oppervlaktewater. Bij aanleg van bedrijventerreinen, wegen met een hoge verkeersbelasting, parkeerterreinen, marktpleinen, winkelstraten en tunnels dient de mogelijkheid voor lozing van hemelwater op open water met het waterschap te worden afgestemd.
Bij de uitwerking van de plannen wordt hier rekening mee gehouden. Het hemelwater van het rieten dak van het hoofdgebouw komt in een grindbak met drainage, deze zal rondom het huis wordt aangebracht. En vervolgens wordt de drainage aangesloten op een leiding richting vijver. Voor de beide bijgebouwen wordt het hemelwater via goten en hemelwater afvoeren, met leidingen aangesloten op de vijver. Verontreiniging • 2. Microverontreiniging: Er worden geen uitloogbare materialen gebruikt die tot een verontreiniging van het oppervlaktewater kunnen leiden. • 3. Schoonmaakmiddelen en waterkwaliteit: Alle toegelaten schoonmaakmiddelen zijn milieuvriendelijk, maar mogen niet zonder meer rechtstreeks in oppervlaktewater worden geloosd. Formeel is daar een vergunning op basis van Art. 6.2 lid 1 van de Waterwet (het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam) voor nodig. Een watervergunning wordt niet verleend wanneer een riolering in de buurt aanwezig is. De voorkeursvolgorde voor afvalwaterstromen is als volgt: • a. Indien aanwezig moet de afvalwaterstoom van reinigingswater met schoonmaakmiddel op de riolering worden geloosd; • b. Het opvangen van het afvalwater en de afvoer per as naar een riolering; • c. Lozing op het oppervlaktewater en/of infiltratie in de bodem via een bodempassage. Bij de uitwerking van de plannen wordt hier rekening mee gehouden.
Er worden geen bedrijfsmatige activiteiten uitgevoerd die mogelijk leiden tot schadelijke lozingen op het oppervlaktewater. Er is slechts sprake van lozing van niet-verontreinigd hemelwater. Verder moet het bedrijf zich houden aan de voorwaarden voor lozingen uit het Activiteitenbesluit, om te voorkomen dat bijvoorbeeld meststoffen in het water terecht komen. Indien uitlogende bouwmaterialen, zoals zink, worden toegepast, wordt dit voorzien van een coating. In het plan wordt gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. Schoon hemelwater wordt afgevoerd op de watergangen in de omgeving. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. Riolering Optimaliseren aanvoeren afvalwater naar de rioolwaterzuivering. Verminderen van hydraulische belasting van de rioolwaterzuivering en beperken van riooloverstorten op het oppervlaktewater. Beleid en regelgeving • 4. Gemeentelijk rioleringsbeleid: de gemeente heeft een zorgplicht voor doelmatige verwerking en afvoer van hemelwater, afvalwater en grondwater. In het plan wordt rekening gehouden met het gemeentelijke rioleringsbeleid. Afvalwater en hemelwater worden op de perceelgrens gescheiden aangeboden. • 5.
Voorkeursvolgorde afvoer hemelwater: Bij de afvoer van overtollig hemelwater is het landelijk beleid dat het afstromend hemelwater ter plaatse in het milieu worden teruggebracht (afkoppelen). Dat kan door infiltratie in de bodem of door berging in het oppervlaktewater. Het waterschap heeft de voorkeur om daar waar mogelijk, het hemelwater oppervlakkig af te voeren en te infiltreren in de bodem. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. • 6. Lozing afvalwater: Voor de lozing van afvalwater (al het water waarvan de initiatiefnemer zich moet ontdoen) op oppervlaktewater vanuit een woning of een (agrarisch) bedrijf gelden de volgende regels: • a. Voor lozingen van huishoudelijk afvalwater vanuit woningen geldt het “Besluit lozing
afvalwater huishoudens” (Blah). Uitgangspunt is dat het huishoudelijk afvalwater op een gemeentelijk rioolstelsel wordt geloosd. Indien niet mogelijk is, moet een voorziening worden aangelegd die een gelijkwaardig milieubeschermingsniveau biedt. • b. Voor lozingen van afvalwater van een (agrarisch) bedrijf geldt het “Activiteitenbesluit”. Voor lozingen vanuit niet-inrichtingen geldt het “Besluit lozen buiten inrichtingen” (Blbi). Rioolcapaciteit • 7. Rioolcapaciteit: De capaciteit van het huidige rioolstelsel kan een aandachtspunt vormen. Bij uitbreiding van het rioolstelsel wordt rekening gehouden met de capaciteit van het bestaande stelsel en de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Voor het afval water wordt naast de al aanwezige IBA, nog een extra IBA geplaatst. Voor zover nodig, zal het water, met voor het milieu afbreekbare middelen worden behandeld. Externe werking ruimtelijk plan Beschermen en handhaven grond- en oppervlaktewatersysteem om nadelige gevolgen op de omgeving te voorkomen. • 8. Relatie oppervlaktewater en grondwater: In nieuw te ontwikkelen gebied worden de waterstanden binnen het in te richten gebied tijdens of na het bouwrijp maken niet structureel verlaagd. Voor tijdelijke of structurele grondwateronttrekking is op grond van de Waterwet een melding of vergunning van het waterschap nodig. • 9.
Grondwaterstanden veengebieden: In zettingsgevoelige gebieden wordt rekening gehouden met de bodemgesteldheid en de relatief hoge grondwaterstanden. Bestaand grondwaterpeil wordt gehandhaafd en de bouwwijze wordt hierop aangepast. • 10. Peilbeheer grasland: Het plan ligt in een agrarisch gebied met grasland. Het peilbeheer in graslanden kent hogere waterstanden dan bij akkerbouw. In extreme neerslagsituaties kan op grasland/maïsland groter dan 1/10 jaar wateroverlast optreden en op akkerbouwgebieden groter dan 1/25 jaar wateroverlast optreden. Het peilbeheer is hierop aangepast, dus houd rekening met deze hogere waterstanden. • 11. Verdroging / vernatting: Het waterschap gaat bij het plan uit van het bestaande grond- en oppervlaktewaterregime. Indien bij ontwikkelingen van grasland naar bebouwd gebied het waterpeil wordt gewijzigd is op grond van de Waterwet een vergunning van het waterschap nodig. Oppervlaktewater Er wordt rekening gehouden met de wijze van onderhoud en de daarbij geldende voorwaarden. Voor werkzaamheden binnen de aangegeven zones van het waterschap is een vergunning op grond van de Waterwet noodzakelijk. Aan de noordzijde van het perceel ligt een watergang van het waterschap. De beschermingszone behorende bij deze watergang bedraagt hier 5 meter gerekend vanuit de insteek van de watergang.
Wetgeving lozen in oppervlaktewater In het plan vindt een lozing plaats van water in oppervlaktewater. Hemelwater van schone oppervlakken (zoals daken en tuinen) mag rechtstreeks geloosd worden. Hemelwater dat van een parkeerterrein afstroomt of anderszins vervuild raakt, dient via een bodempassage af te wateren. Indien er sprake is van het onttrekken van grondwater tijdens de aanleg, gelden specifieke regels voor het lozen in oppervlaktewater. Wanneer hier sprake van is, moet nader advies bij het waterschap worden ingewonnen. Watervergunningen
Voor de ingrepen in het watersysteem is een watervergunning nodig. Watertoetsproces Het waterschap is geïnformeerd over het plan. Dit bestemmingsplan wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg voorgelegd aan het waterschap voor een definitief wateradvies. 4.6 Geluid (wegverkeerslawaai) Toetsingskader Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. Indien niet aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, kan het bevoegd gezag - in de meeste gevallen de gemeente - hogere grenswaarden vaststellen. Hiervoor geldt een bepaald maximum, de uiterste grenswaarde genoemd. Bij de vaststelling van hogere grenswaarden moet worden afgewogen of bronmaatregelen of maatregelen in de overdrachtssfeer kunnen worden getroffen. Onderzoek en conclusies De woning komt op circa 250 meter afstand tot de Vlakendijk en op meer dan 500 meter tot de N371. Het plangebied van dit bestemmingsplan ligt daarmee niet binnen een wettelijke zone (Wet geluidhinder, Wgh). Akoestisch onderzoek is daarom niet nodig.
Gezien de grote afstand tot deze wegen kan op voorhand gesteld worden dat er sprake is van een goed leefklimaat ten opzichte van het aspect wegverkeerslawaai. Het aspect 'Geluid (wegverkeerslawaai' staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg. 4.7 Verkeer en parkeren Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Verkeersafwikkeling Het plangebied wordt voor autoverkeer ontsloten via de Vlakendijk. Deze weg heeft voldoende capaciteit om de verkeersgeneratie van de woning en de recreatiewoning op te vangen. De ontwikkeling leidt dan ook niet tot verkeersproblemen. Parkeren Voor het parkeren geldt als uitgangspunt dat er binnen het plangebied voldoende ruimte moet zijn voor het opvangen van de parkeerbehoefte. De gemeente heeft zijn parkeerbeleid vastgelegd in het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan 2020-2030 (GVVP). 22 december 2020.