CConstaterende datWesterveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Vergunning Wet Natuurbescherming

Politieke avond Westerveld 26 oktober 2021, gemeente WesterveldBij agendapunt: Voorstel bestemmingsplan partiële herziening woningbouw Vledderveen 20217.502 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

V

provinciehuis Westerbrink i, Assen postadres Postbus 122, 9400 ac Assen

provinciePrenthe

www.drenthe.nl 0592-36 55 55

Aan: Gemeente Westerveld Postbus 50 7970 AB HAVELTE

INGEKOMEN 12 MEI 2021

Assen, 11 mei 2021 Ons kenmerk 202001118-00937571 Behandeld door Onderwerp: Aanbiedingsbrief - Jodenweg ong in Vledderveen - woningbouw

Geacht college,

Hierbij zenden wij u de beschikking volgens artikel 2.7, lid 2, van de Wet natuurbescherming (Wnb). Ook is een bekendmaking bijgevoegd. De bekendmaking zullen wij plaatsen in een huis-aan-huisblad en op onze eigen website. Kortheidshalve verwijzen wij u naar de inhoud van bijgevoegde stukken.

Inwerkingtreding en beroep De bijgevoegde definitieve beschikking treedt in werking een dag na de publicatie in het huis-aanhuisblad. Tegen de definitieve beschikking kan binnen zes weken na de publicatiedatum beroep worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland.

Overige wet- en regelgeving Dit besluit is een vergunning op basis van de Wnb voor alleen het onderdeel gebiedsbescherming. Het is mogelijk dat er voor uw plan of project op grond van andere wet- en regelgeving nog andere vergunningen of meldingen noodzakelijk zijn. Wij adviseren u om (in uw eigen belang) daarover navraag te doen bij andere overheidsorganen, bijvoorbeeld bij uw gemeente of waterschap. In die zin wijzen wij u er ook nadrukkelijk op na te gaan of uw plan of project past binnen het van toepassing zijnde planologisch kader (bestemmingsplan of beheerverordening gemeente).

Mocht u nog vragen hebben, dan kunt u contact opnemen met ons Klant Contact Centrum,

Bij correspondentie verzoeken wij u het zaaknummer 202001118 te vermelden

2

telefoonnummer (0592) 36 55 55.

Hoogachtend Gedeputeerde Staten van Drenthe namens dezen,

Teammanager Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving

Afschrift aan: het College van Gedeputeerde Staten van Fryslan (digitaal)

Assen, 11 mei 2021 Ons kenmerk 202001118-00937570

BESLUIT VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN DRENTHE INZAKE VERGUNNING OP BASIS VAN ARTIKEL 2.7, LID 2, VAN DE WET NATUURBESCHERMING (Wnb)

Vergunninghouder Bouwlocatie Activiteit

Gemeente Westerveld Nieuwbouwlocatie Vledderveen het oprichten en gebruiken van de woningbouwlocatie op het voormalige voetbalveld aan de Jodenweg in Vledderveen

Aangevraagde situatie Het voorgenomen project betreft de ontwikkeling van een woningbouwlocatie op het terrein van de voormalige voetbalvereniging van Vledderveen. De locatie ligt aan de Jodenweg in Vledderveen, ten zuiden van de dorpskern. In totaal worden maximaal 21 gasloze woningen gerealiseerd.

Besluit Gedeputeerde Staten van Drenthe hebben besloten op basis van bijgevoegde motivering (bijlage 1) de AERIUS-berekeningen en de SSRS-claim bevestiging, een Wnb-vergunning voor het onderdeel Natura 2000 te verlenen en depositieruimte als bedoeld in artikel 2.5 Regeling natuurbescherming (Rnb) toe te delen voor bovengenoemde woningbouwlocatie onder de volgende voorschriften: A. Op de hierboven vermelde woningbouwlocatie dient het voornemen te worden uitgevoerd zoals in deze beschikking en de bijbehorende stukken staat aangegeven. B. De houder van deze beschikking dient binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van dit besluit het project te hebben gerealiseerd. Zienswijze Dit besluit wordt voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Van 27 augustus 2020 tot en met 7 oktober 2020 heeft het ontwerpbesluit ter inzage gelegen. Op 7 oktober 2020 is een pro-forma zienswijze binnengekomen, deze is op 13 oktober 2020 van gronden voorzien. De zienswijze heeft niet geleid tot aanpassingen van dit besluit. Wel is de onderbouwing van de aanvraag op delen aangepast. Zie paragraaf 8 van bijlage 1 voor inhoud en beantwoording van de zienswijze.

Gedeputeerde Staten voornoemd, namens dezen,

A. Venekamp, Teammanager Vergunningverlening, Toezichten Handhaving

Bij correspondentie verzoeken wij u het zaaknummer 202001118 te vermelden

2

Afschrift aan: het College van Gedeputeerde Staten van Fryslan (digitaal) Natuurbeschermingswacht Meppel en omstreken

Beroep Belanghebbenden die het niet eens zijn met dit besluit kunnen binnen zes weken na publicatie van deze beschikking beroep indienen bij Rechtbank Noord-Nederland. Voor meer informatie over de beroepsprocedure zie http://provincie.drenthe.nl/loket/bezwaarschriften/.

3

BIJLAGE 1: MOTIVERING BIJ BESLUIT

1. Aanvraag en procesverloop Wij hebben de aanvraag ontvangen op 31 maart 2020. De aanvraag maakt onderdeel uit van deze vergunning. Op 23 en 25 juni 2020 en op 26 maart 2021 hebben we aanvullende documenten ontvangen. De volgende documenten zijn onlosmakelijk met de aanvraag verbonden: Aanvraagformulier natuurvergunning gebiedsbescherming (binnengekomen op 31 maart 2020); Formulier ondertekening aanvraag d.d. 31 maart 2020 (binnengekomen op 31 maart 2020); Bestemmingsplankaart d.d. 17 februari 2020 (binnengekomen op 31 maart 2020); Briefrapport van Milieuadviesbureau Eco-Reest, berekening stikstofdepositie bestemmingsplan nieuwbouw t.p.v. Jodenweg, Vledderveen (Dr.) d.d. 31 januari 2020 met kenmerk 192639 (binnengekomen op 31 maart 2020); Briefrapport van Milieuadviesbureau Eco-Reest, aanvulling aanvraag SSRS woningbouw Vledderveen (Dr.) d.d. 12 juni 2020 met kenmerk 200832, inclusief ecologische voortoets en TNO rapport (binnengekomen op 23 juni 2020); Briefrapport van Milieuadviesbureau Eco-Reest, Reactie zienswijze en actualisatie stikstofdepositie nieuwbouw t.p.v. Jodenweg te Vledderveen (Dr.) d.d. 26 maart 2021 met kenmerk 202114 (v2.2) (binnengekomen op 26 maart 2021); AERIUS berekening worstcase aanleg- en gebruiksfase 2021 d.d. 26 maart 2021 met kenmerk RagiW7K5HEyt (binnengekomen op 26 maart 2021); AERIUS berekening gebruiksfase 2030 d.d.

26 maart 2021 met kenmerk RXFEYdqmLsa2 (binnengekomen op 26 maart 2021); Bevestiging SSRS-claim van BUI2 (binnengekomen op 16 april 2021); AERIUS berekening aanlegfase 2021 d.d. 26 maart 2021 met kenmerk RkXsrZBml kJ9 (binnengekomen op 26 maart 2021); AERIUS berekening gebruiksfase 2022 d.d. 26 maart 2021 met kenmerk RQZVDvY4ePaz (binnengekomen op 26 maart 2021). 2. Wettelijke bepalingen Voor elk project dat zonder toestemming op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb wordt gerealiseerd en niet is vrijgesteld van de vergunningplicht (artikel 2.9 Wnb), moet het bevoegd gezag beoordelen of toestemming kan worden verleend op grond van artikel 2.7, tweede lid jo. artikel 2.8, van de Wnb. Op grond van artikel 1.10, lid 3 Wnb dienen wij bij het afgeven van een vergunning op grond van de Wnb rekening te houden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en de regionale en lokale bijzonderheden. In dit geval zien wij, deze belangen in acht genomen, geen reden om de vergunning anders vorm te geven.

In artikel 5.5a, derde lid, Wnb is bepaald dat depositieruimte kan worden toegedeeld in een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid Wnb. Op 13 maart 2020 heeft minister van LNV de Rnb gewijzigd Daarin is het stikstofregistratiesysteem toegevoegd. In paragraaf 6 van deze toelichting gaan wij hier nader op in. 3. Bevoegd gezag In de Wnb is vastgelegd dat er voor besluiten met effecten op Natura 2000-gebieden altijd sprake is van één bevoegd gezag (1.3 Wnb). Dit zijn de Gedeputeerde Staten van de provincie waar de handeling (in hoofdzaak) wordt verricht. Omdat de handeling in dit geval plaatsvindt op het grondgebied van de provincie Drenthe zijn wij bevoegd te beslissen. Bij ons besluit nemen wij ook de

4

gevolgen voor Natura 2000-gebieden mee die buiten onze provinciegrens liggen. In een dergelijk geval besluiten wij in overeenstemming met Gedeputeerde Staten van die andere provincie (1.3, derde lid, Wnb).

Er is in interprovinciaal overleg afgesproken dat, als er vier weken na het nemen van het ontwerpbesluit geen inspraak geleverd is door deze betreffende provincies, er stilzwijgende instemming verleend wordt voor het verlenen van deze vergunning. Bij deze vergunning is geen sprake van overige effecten of het toepassen van de hardheidsclausule. Wij hebben geen bericht ontvangen van overige provincies, waardoor er sprake is van een automatische instemming met dit besluit.

4. Bepalen vergunningplicht Op basis van de aangeleverde AERIUS-berekeningen hebben wij vastgesteld dat de aangevraagde situatie meer dan 0,00 mol/ha/jr stikstofdepositie veroorzaakt op het Drents-Friese Wold en Leggelderveld (Natura 2000). Daarnaast is er sprake van mogelijke overige effecten op het Natura 2000 gebied, het Drents-Friese Wold en Leggelderveld. Zodoende is er sprake van een project dat een significant effect kan hebben op een Natura 2000-gebied. Gelet hierop is er sprake van een vergunningplicht op basis van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. 5. Uitgangssituatie (referentiesituatie) Het voornemen betreft een nieuwe activiteit en heeft zodoende geen referentiesituatie. Op grond van de beleidsregels intern en extern salderen zoals vastgelegd in de “beleidsregels Wet natuurbescherming provincie Drenthe’’ kan het project niet worden uitgevoerd middels intern salderen. In de bij de aanvraag behorende AERIUS-berekeningen is zodoende geen vergelijking gemaakt met een referentiesituatie. De aanvraag doet een beroep op het stikstofregistratiesysteem (SSRS). 6. Stikstofregistratiesysteem In deze paragraaf leggen wij de werking van het SSRS uit. Verder gaan wij in op de wettelijke basis van dit systeem en de gereserveerde depositieruimte.

Het SSRS registreert de positieve effecten van maatregelen in de vorm van een reductie van de stikstofdepositie voor elke locatie (per hexagoon met een oppervlakte van een hectare) van voor stikstof gevoelige habitats (typen natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten) in Natura 2000gebieden waar de positieve effecten zich voordoen. De depositieruimte wordt berekend met de versies van OPS en SRM2 die ook geïmplementeerd zijn in AERIUS Calculator versie 2020 Hierdoor wordt enerzijds nauwkeurig inzichtelijk gemaakt hoeveel en waar depositieruimte ontstaat door genomen maatregelen, en hoeveel en waar deze ruimte wordt toebedeeld voor een specifiek project.

De toename op de betrokken locatie van de stikstofdepositie als gevolg van het project wordt dus weggestreept tegen de in het SSRS opgenomen vermindering van de stikstofdepositie op dezelfde locatie als gevolg van de aan het SSRS gekoppelde maatregelen. In het nieuwe artikel 2.5 Rnb wordt in dit verband gesproken over ‘toedeling' van depositieruimte. Het SSRS is een gesloten systeem waarvoor specifieke maatregelen worden genomen voor het toestaan van specifieke projecten, waarbij er tevens 30% afroming plaatsvindt voor natuur. De bronmaatregelen zijn genoemd in artikel 2.4 Rnb, de projecten waarvoor een beroep kan worden gedaan op het systeem (woningbouw en infrastructuur) in het nieuwe artikel 2.2 Rnb. In artikel 2.3, tweede lid is bepaald dat een natuurvergunning kan worden verleend met gebruikmaking van in het register opgenomen depositieruimte. In artikel 2.6, eerste lid, is bepaald dat nooit meer

5

depositieruimte voor reservering of toedeling kan worden gebruikt dan op dat moment in het SSRS beschikbaar is: er kan geen ruimte worden 'geleend’ die er (nog) niet is.

Ingevolge artikel 2.5, vierde lid Rnb kan depositieruimte slechts worden toegedeeld voorzover deze eerder is gereserveerd. Deze systematiek, van het vooraf reserveren van depositieruimte, voorkomt dat depositieruimte die beschikbaar is op het moment van ontvangst van de aanvraag om de vergunning, niet meer beschikbaar is ten tijde van de vergunningverlening. In beginsel beslissen wij, op grond van artikel 2.8, eerste lid Rnb, over de reservering voor woningbouwprojecten in de volgorde van binnenkomst van de aanvragen voor een Natura 2000vergunning of een omgevingsvergunning. Op grond van artikel 2.9, lid 1 van onze beleidsregels Wet natuurbescherming provincie Drenthe reserveren wij alleen ruimte op grond van volledige aanvragen. Op deze systematiek van reserveren geldt gedurende de eerste zes weken na het inwerkingtreden van het SSRS voor specifieke categorieën woningbouwprojecten uitzonderingen. Op dit project is geen specifieke uitzondering van toepassing.

Wij hebben voor dit project op grond van artikel 2.8, eerste lid Rnb, op 26 maart 2021 depositieruimte ingeboekt. Dit is gebeurd ter vervanging van de voorgaande inboeken naar aanleiding van het ontwerpbesluit van 23 juni 2020. De inboekingen heeft plaatsgevonden nadat wij de ontvankelijkheid van deze aanvraag hebben beoordeeld en zes weken na openstelling van het SSRS in de Rnb. Ten slotte bepaalt de regeling dat wij alleen depositieruimte mogen reserveren voor een woningbouwproject als de woningen niet worden aangesloten op het aardgas (artikel 2.8, vierde lid). Zoals blijkt uit de aanvraag gaat het in deze om een project waarin aardgasvrije woningen worden gerealiseerd.

Ten aanzien van deze aanvraag hebben wij op 16 april 2021 op basis van onze nieuwe inboeking van 26 maart 2021 van BIJ12 een bevestiging van de SSRS-reservering ontvangen. Deze reservering vervangt de eerder reservering van 15 juli 2020 naar aanleiding van het ontwerpbesluit. Daarmee is op dat moment de gevraagde ruimte voor uitvoering van deze handeling definitief gereserveerd binnen het SSRS. Toelichting uitvoeringsvoorschrift Het is onwenselijk dat afgegeven vergunningen voor langere tijd niet-gerealiseerde capaciteit blijven bevatten. Om deze reden is voorschrift B opgenomen in de vergunning. Door het opnemen van een voorschrift in vergunningen, ontstaat een basis voor het intrekken van de vergunning (op grond van artikel 5.4, eerste lid van de Wet) door het niet naleven van de voorschriften. Voor omgevingsvergunningen geldt al langere tijd wettelijk het principe dat binnen een bepaalde termijn van die vergunningen gebruik moet worden gemaakt. In het verlengde hiervan is het ook voor Wnbvergunningen gerechtvaardigd een dergelijke realisatietermijn te stellen.

Wanneer er geen mogelijkheid is om na een gestelde termijn een natuurvergunning (deels) in te trekken, kunnen er op langere termijn onverwachte en ongewenste stijgingen van de stikstofdepositie optreden wanneer de vergunning alsnog (geheel) wordt benut óf kunnen andere activiteiten beperkt worden doordat steeds rekening wordt gehouden met deposities die niet daadwerkelijk optreden. Via dit voorschrift kunnen wij na de gestelde termijn ook depositieruimte intrekken die enkel nodig is in de oprichtingsfase. Na de bouwfase kunnen wij derhalve besluiten om de extra ruimte die nodig is in de bouwfase (en die niet meer gebruikt zal worden in de gebruiksfase) in te trekken. Hiervoor is dan een apart besluit nodig.

6

7. Passende beoordeling stikstof Bij de vergunningverlening voor dit project wordt voor het aspect stikstof een beroep gedaan op de in het SSRS voor dit project gereserveerde hoeveelheid stikstof voor de relevante Natura 2000gebieden. De AERIUS berekeningen waarmee aangetoond is dat er op geen enkel hexagoon van een relevant Natura 2000 gebied een toename is van stikstof, kan gezien worden als passende beoordeling voor het aspect stikstof. Dit is vergelijkbaar met een vergunning voor extern salderen. Voor het aspect stikstof kan zodoende teruggegrepen worden op de wetenschappelijke beoordeling van het SSRS. Een uitgebreide toelichting van de werking van het Stikstofregistratiesysteem is te vinden in het rapport: “Beschrijving stikstofregistratiesysteem” d.d. 16 maart 2020’. De negatieve effecten van de snelheidsmaatregel op de stikstofdepositie zijn ecologisch beoordeeld door Tauw in het rapport van 8 december 2020 “Nadere ecologische beoordeling stikstofeffecten snelheidsverlaging en warme sanering varkenshouderij”1 2. Uit voornoemde rapporten blijkt dat in alle hexagonen van relevante habitattypen in Drentse Natura 2000 gebieden (en dus ook de habitattypen waar dit project effect op heeft) de stikstofdepositie als gevolg van de snelheidsmaatregel omlaag gaat.

Het SSRS kan zodoende als bron (lees: de depositiewinst als gevolg van de snelheidsverlaging) worden ingezet met extern salderen voor het mogelijk maken van het project Vledderveen. Uit de navolgende AERIUS berekeningen en de uitkomst van het SSRS zal dit nader blijken.

De bij de vergunning behorende AERIUS-Calculator projecteffect berekening met kenmerk RXFEYdqmLsa2 is ingevoerd in het SSRS voor de gebruiksfase voor het rekenjaar 2030. Uit de SSRS toets blijkt dat de toename van depositie in de gebruiksfase van de gevraagde handeling op alle hexagonen in de relevante Natura 2000-gebieden wordt gedekt door de toedeling van depositieruimte vanuit het SSRS. De bij de vergunning behorende AERIUS-Calculator projecteffect berekening met kenmerk RagiW7K5HEyt is ingevoerd in het SSRS. Deze berekening van het rekenjaar 2021 laat de hoogste stikstofdepositie zien op alle habitattypen binnen Natura 2000 in de verschillende jaren van uitvoering van het gevraagde project. Uit de SSRS toets blijkt dat de toename van depositie van het aangevraagde project in deze fase op alle hexagonen in de relevante Natura 2000-gebieden gedekt door de toedeling van depositieruimte vanuit het SSRS.

Op 16 april 2021 hebben wij van Bijl 23 bevestigd gekregen dat de benodigde ruimte voor dit project is gereserveerd binnen het SSRS. De bevestiging maakt onderdeel uit van deze vergunning. Hiermee zijn significant negatieve effecten op de te beschermen habitattypen en leefgebieden van soorten in alle Natura 2000-gebieden voor het onderwerp stikstof als gevolg van dit project uitgesloten.

8. Overige effecten In de aanvulling van 12 juni 2020 met kenmerk 200832 is door middel van een ecologische voortoets ingegaan op ons verzoek van 28 april 2020 om verduidelijking van de te verwachten overige externe effecten te geven. De overige te verwachten effecten, anders dan stikstof, zijn verstoring en trilling. Uit de aanvullingen blijkt dat negatieve effecten hiervan op de instandhoudingsdoelstellingen van het Drents-Friese Wold en Leggelderveld vanwege de afstand van het plangebied tot het Natura 2000 gebied en de tussenliggende begroeiing, op voorhand uit te sluiten zijn.

1 https://www.bii12.nl/wp-content/uploads/2020/03/Tauw-Beschriivinq-stikstofreqistratiesysteem.pdf 2 https://www.bii12.nl/wp-content/uploads/2020/12/Nadere-ecoloqische-beoordelinq-stikstofeffectensnelheidsverlaqinq-en-warme-sanerinq-varkenshouderii-8-december-2020.pdf 3 Uitvoeringsorganisatie voor de twaalf provincies

7

9. Zienswijze Dit besluit is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Gedurende zes weken kon eenieder een zienswijze indienen op het ontwerpbesluit. Bij brief van 7 oktober 2020 is door Natuurbeschermingswacht Meppel en omstreken (hierna indiener) een pro-forma zienswijze ingediend. Gelet hierop hebben wij de indiener een termijn gegeven om de gronden in te dienen. Bij brief van 13 oktober 2020 zijn door indiener de gronden van de zienswijze ingediend. Hieronder vatten wij de zienswijze samen en voorzien deze van een reactie. Wij sluiten deze paragraaf af met een conclusie naar aanleiding van de zienswijze.

1.

Indiener stelt dat het SSRS en daarmee het toekennen van depositieruimte aan dit project in strijd is met de Habitatrichtlijn. Indiener stelt dat de verkeersmaatregelen vallen onder het begrip passende maatregelen zoals bedoeld in art. 6, lid 2 en niet onder beschermingsmaatregelen, zoals bedoeld in art. 6, lid 3 Habitatrichtlijn.

Reactie: Zoals blijkt uit de uitspraak van ECLI:NL:RVS:2020:2318 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State staat de algemene opgave om de te hoge stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden terug te brengen los van de besluitvorming over individuele plannen en projecten die tot stikstofdepositie leiden. De algemene opgave hangt samen met de uit de Habitatrichtlijn voortvloeiende verplichting tot behoud, herstel en het voorkomen van verslechtering van de Natura 2000-gebieden (artikel 6, eerste en tweede lid). Voor individuele plannen en projecten die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, geldt dat deze uitsluitend kunnen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan of het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. In die passende beoordeling mogen de verwachte voordelen van mitigerende maatregelen worden betrokken, mits die voordelen ten tijde van de passende beoordeling vaststaan. Hieruit kan niet worden afgeleid dat mitigerende maatregelen, zoals extern salderen met de effecten van de verkeersmaatregel, alleen in een passende beoordeling kunnen worden betrokken als die leiden tot of bijdragen aan de verbetering of het herstel van het Natura 2000-gebied.

Reductie van de depositie na toepassing van extern salderen is geen voorwaarde om extern salderen als mitigerende maatregel in een passende beoordeling te betrekken.

De Afdeling overweegt verder dat het gegeven dat een maatregel naar zijn aard ook geschikt is om ingezet te worden als instandhoudings- of passende maatregel, niet betekent dat die maatregel - en daarmee extern salderen - niet als mitigerende maatregel kan worden ingezet. Uit overweging 13-13.8 van de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 (PAS) volgt - kort gezegd - dat een maatregel die als instandhoudings- of passende maatregel kan worden ingezet ook als mitigerende maatregel in een passende beoordeling kan worden betrokken als gelet op de staat van instandhouding en de instandhoudingsdoelstelling het behoud van natuurwaarden is geborgd of in geval een verbeter- of hersteldoelstelling geldt, dat doel ook op andere wijze kan worden gerealiseerd. Bovendien dient de maatregel verbonden te zijn aan het plan of project.

Duidelijk is dat er andere maatregelen dan de snelheidsverlaging getroffen worden voor het behoud, de verbetering of het herstel van de natuurwaarden in de betrokken Natura 2000-gebieden. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft de Tweede Kamer bij brief van 24 april 2020 (kenmerk BPZ/20120075) geïnformeerd over de structurele aanpak van de stikstofproblematiek. Met het daarin opgenomen pakket aan natuur en stikstof reducerende maatregelen geeft het kabinet concreet invulling aan de continue verplichting om de landelijke staat van instandhouding te verbeteren totdat deze gunstig is. Op 24 maart jl is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering - na goedkeuring door de Eerste Kamer op 9 maart jl. - gepubliceerd in het Staatsblad. Als gevolg van

8

deze wet wordt er een resultaatsverplichting tot reductie van de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden in de Wet natuurbescherming opgenomen. Hierdoor is wettelijk verankerd en verplicht gesteld dat er een vermindering moet komen van de depositie van stikstof op voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden, Daarmee is derhalve verzekerd dat de verslechtering of verstoring met significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000gebieden, op andere wijze wordt ondervangen. Gelet op voorgaande is geborgd dat op termijn de instandhoudingsdoelstellingen worden gehaald zonder dat de snelheidsverlaging daarbij als passende maatregel is betrokken. De snelheidsmaatregel kan hierdoor als mitigerende maatregel in de passende beoordeling worden betrokken en is door dit besluit verbonden aan dit project.

2.

Indiener stelt dat op geen enkele wijze is aangetoond dat het stikstofregistratiesysteem voldoende inhoud heeft om het stikstofeffect van het project te compenseren. Een verantwoording van dit systeem, de ‘vulling’, de 'voorraad' en de 'afboeking’ zijn niet verantwoord. Het enkele briefje van een externe organisatie, Bijl 2, niet zijnde een bestuursorgaan, volstaat niet om een besluit op te baseren. Indiener stelt dat artikel 5.5a Wnb eisen stelt aan de registratie en toedeling van de stikstofdepositieruimte. In een vergunning dient dan ook te worden gemotiveerd of en in welke mate aan deze eisen is voldaan. Indiener stelt verder dat per hexagoon moet zijn aangetoond dat de depositie als gevolg van de berekende emissie, reeds is bespaard door de genomen maatregelen met aftrek van 30%. Hiervoor is volgens indiener onder meer noodzakelijk dat de (model) berekeningen die tot het 'vullen’ van het registratiesysteem hebben geleid worden overlegd.

Reactie: De hoeveelheid uit te geven depositieruimte uit het stikstofregistratiesysteem is openbaar te raadplegen via Georegister. Deze webservice bevat de initiële depositieruimte per hexagoon als gevolg van het effect van de verlaging van de maximumsnelheid op de autosnelwegen tussen 06:00 en 19:00 uur van 130 naar 100 km per uur en de actuele nog beschikbare depositieruimte per hexagoon. De dataset wordt dagelijks geactualiseerd op basis van reeds in AERIUS Register verwerkte vergunningaanvragen. Wij verwijzen u verder door naar: https://www.nationaalqeoreqister.nl/qeonetwork/srv/dut/cataloq.search#/metadata/be66cc2d-2ff04b80-aa6d-beedb06636d7.

De eisen die aan de registratie en toedeling zijn gesteld zijn uitgewerkt in de Regeling natuurbescherming De werking van deze regeling hebben wij in paragraaf 6 van deze beschikking nader uitgelegd.

3. Indiener stelt dat de stikstofruimte niet inzichtelijk is vergelijkbaar als bij extern salderen. Als dit plaatsvindt met bijvoorbeeld een stoppend veebedrijf is meteen ook duidelijk welke ‘stikstofwinst’ er wordt bereikt. Indiener stelt dat dit bij het SSRS ook zo hoort te zijn. Reactie: Zoals aangegeven bij onze reactie onder 2 hierboven is wel degelijk inzichtelijk welke depositieruimte in het SSRS aanwezig is. Verder blijkt uit de AERIUS-berekeningen die behoren bij dit besluit welke ruimte hiervan wordt afgeboekt ten behoeve van dit project.

9

4.

Indiener constateert dat de gemiddelde snelheid is afgenomen, maar ook dat zeker niet ieder voortuig zich aan de snelheidsbeperking houdt. In dit geval kan dit niet worden afgedaan als een handhavingszaak, omdat het handelt over feitelijke gegevens.

Reactie: Ten behoeve van de vulling van het stikstofregistratiesysteem is door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat een verkeersbesluit vastgesteld, op grond waarvan de maximumsnelheid op autosnelwegen onder beheer van het Rijk tussen 06:00-19:00 uur wordt verlaagd tot 100 km per uur. De huidige reguliere snelheidscontroles bieden genoeg garantie voor handhaving. Daarbij wordt wel de vinger aan de pols gehouden: als de jaarlijkse metingen van TNO (op basis van de daadwerkelijke snelheid van weggebruikers) met oog op de actualisatie van emissiecijfers daartoe aanleiding geven, zal de inzet van handhaving opnieuw bepaald worden. Nu is voldaan aan de randvoorwaarden zoals is beschreven in artikel 2.4, lid 3 sub c Regeling natuurbescherming en is de depositieruimte die als gevolg van de snelheidsbeperking ontstaat, opgenomen in het stikstofdepositieregister en beschikbaar voor het uitvoeren van de activiteiten.

5. Indiener stelt dat een passende beoordeling, zowel voor het project als voor SSRS ontbreekt. Deze behoort altijd deel uit te maken van de overwegingen. In paragraaf 7 van de toelichting van het besluit ontbreekt een passende beoordeling dan wel een verwijzing hiernaar. In de paragraaf 7 zijn de volgende zinnen opgenomen: "De AERIUS berekeningen waarmee aangetoond is dat er op geen enkel hexagoon van een relevant Natura 2000 gebied een toename is van stikstof, kan gezien worden als passende beoordeling voor het aspect stikstof. Dit is vergelijkbaar met een vergunning voor extern salderen." Indiener stelt de vraag of hier staat dat de AERIUS berekeningen inclusief toelichtingen, een passende beoordeling zijn? Indiener is van mening dat een AERIUS berekeningen niet voldoet aan de eisen die het HvJ heeft gesteld aan een passende beoordeling. Reactie: Gelet op het feit dat andere effecten dan stikstofeffecten voor dit project, gelet op de afstand ten opzichte van het dichtst nabij gelegen Natura 2000 gebied, zijn uitgesloten volstaan in dit geval de AERIUS berekeningen als passende beoordeling. De AERIUS berekeningen die ten grondslag liggen aan deze vergunning moeten beschouwd worden in combinatie met het ecologisch onderbouwde Stikstofregistratiesysteem en de daarin opgenomen depositieruimte.

Uit de toetsing van de voor dit project gemaakte (worst case) AERIUS berekeningen aan het SSRS is gebleken dat de verkeersmaatregel voldoende stikstofdepositie reductie heeft opgeleverd om de stikstofdepositie van dit project te mitigeren. Dit is een vorm van extern salderen. Zodoende leveren de AERIUS berekeningen de vereiste wetenschappelijke zekerheid dat er als gevolg van dit project geen significante effecten voordoen.

6.

Indiener stelt dat de documenten die onlosmakelijk verbonden zijn aan de vergunning geen onderdeel uitmaken van de vergunning en dus niet bindend zijn. Indiener stelt dat er impliciet voorschriften blijken te zijn (bijvoorbeeld niet aansluiten op het gasnet) en aannames voor kwaliteit en kwantiteit van werktuigen te zijn, doch voorschriften zijn niet opgenomen.

Reactie: Dit is niet juist. Op grond van voorschrift A van de natuurvergunning dient het voornemen te worden uitgevoerd zoals in deze beschikking en de bijbehorende stukken staat aangegeven. Nu de aanvraag onlosmakelijk deel uitmaakt van de vergunning (zie bijlage 1, paragraaf 1) dient het plan overeenkomst de aanvraag te worden uitgevoerd.

10

7.

Indiener stelt dat geen motivering is opgenomen ten aanzien van de toetsing aan artikel 1.10, lid 3 Wnb. Indiener is echter van mening dat artikel 1.10, lid 3 Wnb alleen betrekking heeft op het treffen van natuurbeschermingsmaatregelen en daar valt de afgifte van vergunningen niet onder.

Reactie: Aangezien de term “maatregelen” niet nader is gedefinieerd leggen wij deze term ruim uit en toetsen wij ook aanvragen voor natuurvergunningen aan artikel 1.10, lid 3 Wnb. Aangezien deze toets heeft opgeleverd dat er zich in dit geval geen omstandigheden voordoen waar wij rekening mee moeten houden hebben wij volstaan met een korte motivering.

Indiener is van mening dat de inhoud van het project nog onzeker is, maar dat dit kan worden opgevangen dooreen worst-case benadering. a) Gaarne ziet de indiener een verduidelijking van de aannamen in de gebruiksfase. We noemen als fictief voorbeeld dat is gerekend met één voertuig per huis. Wanneer zou blijken dat dit er na verloop van tijd twee zijn, worden de vergunningvoorschriften (die volgens indiener ontbreken) overtreden. 8.

Reactie: Naar aanleiding van de ingediende zienswijze heeft de initiatiefnemer Milieu adviesbureau Eco Reest een nadere onderbouwing en aangepaste geactualiseerde AERIUS berekeningen laten aanleveren. Deze onderbouwing is gegeven in een briefrapport van 23 maart 2021 met het onderwerp “Reactie en actualisatie berekeningen stikstofdepositie nieuwbouw t.p.v. Jodenweg te Vledderveen (Dr.)”. Hierna zullen wij dit document aanduiden als “briefrapport van 23 maart 2021”. Het briefrapport van 23 maart 2021 moet gezien worden als een aanvulling op de aanvraag en maakt onderdeel uit van de vergunning. Uit het briefrapport van 23 maart 2021 blijkt de volgende onderbouwing ten aanzien van de aannemen in de gebruiksfase. In reactie op deze zienswijze geldt het volgende.

De toekomstige verkeersgeneratie is gebaseerd op de meest actuele publicatie van het CROW. Deze gaat in op gemiddelde parkeerkencijfers en kencijfers verkeersgeneratie en worden samengesteld uit CBS gegevens, literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. Het aantal voertuigen per woning doet er daarbij niet toe. Het plan voorziet in maximaal 21 woningen in de typen vrijstaande woningen, twee-onder-éénkapwoningen en rijwoningen. De indeling is nog onduidelijk, de woonvelden zijn flexibel in te delen (vrije kavels). Om de worst case situatie in beeld te brengen, is -zonder onderscheid naar type woningen- gerekend met het maximale kengetal voor de verkeersgeneratie. Dit betreft 8,6 mvt/etm voor het type vrijstaande koophuis in het buitengebied (CROW, 2018). Dit resulteert voor voorliggend plan met maximaal 21 woningen in 180,6 mvt/etm. Dit aantal is meegenomen in de actualisatie van de AERIUS berekening ten aanzien van de gebruiksfase (zie paragraaf 3 in het briefrapport van 23 maart 2021). Daarnaast kan in aanvulling op de eerdere berekeningen onderscheid worden gemaakt tussen het aandeel lichte verkeersbewegingen en zware verkeersbewegingen. In de CROW publicatie is het volgende over vrachtverkeer opgenomen: “Vrachtverkeer naar en van woongebieden is doorgaans verwaarloosbaar, maar is wel in de cijfers verwerkt.

Als gemiddelde kan worden gehanteerd: 0,02 vrachtautobewegingen per woning per werkdagetmaal”. Omgerekend leiden 21 woningen tot 180,6 voertuigbewegingen per etmaal waarvan 180,2 door lichte voertuigen en 0,4 door middelzware voertuigen. Aangezien in AERIUS Calculator etmaalgetallen groter of gelijk aan 1 dienen te worden ingevoerd, is het aantal middelzware vrachtbewegingen naar een jaartotaal van 146 doorgerekend (0,4 mvt‘365 dagen). Deze aangepaste aantallen zijn meegenomen in de actualisatie van de

11

1

berekening (zie paragraaf 3 in het briefrapport van 23 maart 2021). Als gevolg van de aanpassing van de onderbouwing en de AERIUS berekening is het beoogde project nu volledig met de laatste inzichten in kaart gebracht. De zienswijze is daarom geen reden om de vergunning niet te verlenen. b) Uit het rapport van 31 januari 2020 blijkt dat de inhoud van het plan nog onduidelijk is. Er is voor de invoer gegevens gebruik gemaakt van een ander, onbekend, bouwproject die voor de inzet van werktuigen een emissie oplevert van 64,0 kg NOx/jr.

Reactie: Aangezien de exacte bouwwijze nog onbekend is, is de inzetlijst van een vergelijkbaar bouwproject voor realisatie van 21 woningen4 overgenomen. Daaruit volgt dat de mobiele werktuigen een emissie opleveren van 64,0 kg NOx/jr (Eco Reest BV, 2020a). De gebruikte emissiefactor en motorbelasting zijn destijds gebaseerd op een TNO-rapport. Deze cijfers vormden ook de basis voor de standaardwaarden in AERIUS Calculator en zoals ook eerder door ons aanvullend onderbouwd (briefrapport Eco Reest BV d.d. 12-6-2020). Met de versie van AERIUS Calculator -die op 15 oktober 2020 is gelanceerd- zijn echter diverse aspecten in het rekenmodel geactualiseerd. AERIUS Calculator 2020 vervangt AERIUS Calculator 2019A. In AERIUS 2020 zijn de nieuwste wetenschappelijke inzichten en actuele data verwerkt. Zo zijn ondermeer de emissiefactoren en percentage belasting voor mobiele werktuigen gewijzigd. De emissie afkomstig van de mobiele werktuigen betreft - met doorvoering van de aangepaste belasting en emissiefactoren - 225,1 kg NOx (zie tabel 2 in het briefrapport van 23 maart 2021).

De aangepaste emissie van 225,1 kg NOx (zie tabel 2 in het briefrapport van 23 maart 2021) is ruim benaderd en kan gezien worden als het worst case scenario. Andere bronnen hanteren namelijk vele malen lagere emissies voor nieuwbouw, tot zelfs 3 kg NOx per woning Zodoende ondervangt de aangepaste emissie van 225,1 kg NOx in voldoende mate de aanlegfase (bouwrijp maken en bouw woningen). De berekening voor de aanlegfase is geactualiseerd en doorgerekend in de nieuwste versie van AERIUS Calculator, waarbij de hogere emissie van 225,1 kg NOx is aangehouden. Hierbij is uitgegaan van een totale draaitijd, zonder onderscheid/aftrek voor stationaire draaiuren. Conform de instructie is de standaardwaarde van vier meter voor de uittreedhoogte en spreiding van aangehouden. Als gevolg van de aanpassing is het beoogde project nu volledig met de laatste inzichten in kaart gebracht. De zienswijze is daarom geen reden om de vergunning niet te verlenen.

c) Voorts zijn berekeningen uitgevoerd van verkeersbewegingen die samenhangen met de bouwfase. Het briefrapport van 12 juni 2020, kenmerk 200725, bevat voorstellen om met andere aannames de stikstofbelasting terug te brengen en resulteert niet in conclusies.

Reactie: De oorspronkelijke berekening ging uit 520 vrachtwagenbewegingen en 1.560 lichte verkeersbewegingen (briefrapport van EcoReest van 31-1-2020). Op basis van de kengetallen voor nieuwbouw (Cardinaals et al., 2019) is het aantal verkeersbewegingen voor voorliggend plan aangepast naar 285,6 (afgerond 286) zware verkeersbewegingen en 1197 lichte verkeersbewegingen. Dit levert een overschatting van de emissie op omdat transportbewegingen bij een groter plan (>5 woningen) efficiënter zullen zijn (Cardinaals et al., 2019). Deze aangepaste aantallen zijn zodoende gerechtvaardigd en dienen als input voor de geactualiseerde berekening (zie paragraaf 3 in het briefrapport van 23 maart 2021). Als gevolg van deze aanpassing is het beoogde project nu volledig met de laatste inzichten in kaart gebracht. De zienswijze is daarom geen reden om de vergunning niet te verlenen.

4 Uitvoeringsorganisatie voor de twaalf provincies

12

d) Het briefrapport van 12 juni 2020, kenmerk 200832, lijkt een finaal rapport. Hierin wordt gesproken over een worst case benadering van de aanlegfase met als resultaat 64 kg NOx als gevolg van werktuigen en 1311 lichte en 312,8 zware verkeersbewegingen.

Reactie: Zoals hierboven bij punt b en c beschreven is een aangepaste en geactualiseerde berekening uitgevoerd, waarbij is uitgegaan van een worst case benadering met een emissie van 225,1 kg NOx als gevolg van mobiele werktuigen en 1.197 lichte en 286 zware verkeersbewegingen. Het resultaat van de geactualiseerde berekening is in paragraaf 3 in het briefrapport van 23 maart 2021 beschreven. Als gevolg van deze aanpassing is het beoogde project nu volledig met de laatste inzichten in kaart gebracht. De zienswijze is daarom geen reden om de vergunning niet te verlenen.

e) Indiener stelt dat de aangegeven onzekerheden voor het project niet aantoonbaar in de berekening zijn verwerkt. De term worst-case heeft hier slechts betrekking op het niet inzetten van elektrische kranen, maar niet op een kwantificering die recht doet aan de onzekerheden. Reactie: In de punten a t/m i is aangegeven wat de (aangepaste) worst case scenario’s ten aanzien van de aanleg- en gebruiksfase zijn. De onzekerheden in het project zijn daarmee in voldoende mate ondervangen. Om de maximale situatie (worst case variant) in beeld te brengen, is een AERIUSberekening voor het rekenjaar 2021 uitgevoerd, waarbij de volledige aanlegfase (100% uitvoering in 2021) tezamen met de gebruiksfase is meegenomen. Hierbij is de aangepaste input zoals toegelicht bij punten a t/m i ingevoerd. Het rekenresultaat is in paragraaf 3 in het briefrapport van 23 maart 2021 beschreven. In werkelijkheid zal de uitvoering over meerdere jaren verspreid zijn, zodat de jaarlijkse stikstofemissie en -depositie in werkelijkheid lager ligt. Er wordt zodoende wel uitgegaan van een worst case scenario waardoor deze zienswijze daarom geen reden is om de vergunning niet te verlenen.

f)

Het aantal in te zetten machines en het aantal draaiuren zijn niet of onvoldoende verantwoord.

Reactie: Gesteld wordt in de zienswijze dat het aantal in te zetten werktuigen en het aantal draaiuren niet of onvoldoende zijn verantwoord. Het aantal in te zetten machines is echter niet relevant, de berekening is gestoeld op het verwachte aantal draaiuren en bijbehorende kenmerken (belasting, vermogen en emissiefactor). De emissie is op basis van de draaiuren-methode berekend Zoals hierboven bij punt b beschreven zijn de eerder gehanteerde emissiefactoren (TNO, 2009) verouderd en zijn deze aangepast op basis van de nieuwste waarden die AERIUS Calculator geeft. Ook de verwachte draaiuren zijn onder punt b voldoende onderbouwd en te herleiden Het aantal draaiuren achten we aannemelijk en wijken niet af van vergelijkbare bouwprojecten. De aangepaste en geactualiseerde berekening voor de aanlegfase (zie paragraaf 3 in het briefrapport van 23 maart 2021) geeft daarmee een voldoende ruim en actueel inzicht in het worst case scenario. Deze zienswijze is daarom geen reden om de vergunning niet te verlenen.

g) Indiener stelt verder dat het opvallend is dat alle verkeer vanuit Vledderveen plaats vindt in zuidwestelijke richting, alsof er in noordoostelijke richting geen wegen zijn. Ongetwijfeld zullen ook daar verkeersbewegingen gaan plaatsvinden.

13

Reactie: In de eerdere berekening voor de gebruiksfase is uitgegaan van een gelijke verdeling over drie routes; Wilhelminaoord, Noordwolde en Vledder. Reden voor deze routes is dat het verkeer dient te worden ingetekend tot het punt waar het is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan-en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Voor licht verkeer kan dit al bij het eerste kruispunt zijn, of reeds na 200 meter indien goed onderbouwd wordt dat het daar is opgegaan in het bestaande verkeer. Middel/zwaar vrachtverkeer wordt in de regel gemodelleerd tot de dichtstbijzijnde A-of N-weg. Daar is met zekerheid te zeggen dat het opgaat in het heersende verkeersbeeld.

Er zijn geen bronnen beschikbaar zoals verkeerstellingen of verkeerskundig rapporten die ingaan op de verwachte ontsluitingsroutes en specifieke percentages in/rond het plangebied. Zodoende is het verkeer afkomstig van het plangebied in de eerdere berekeningen verdeeld over drie mogelijke routes in de richting van de meest nabij gelegen ontsluitingsroutes (A-/N-weg en centrum dorp). Om een worst case scenario in beeld te brengen, is een aangepaste berekening gemaakt waarin op basis van expert judgement rekening is gehouden met een percentage van 5% voor verkeer in noordoostelijke richting (Boschoord/Doldersum). Hierbij is de lijnbron tot aan de kruising met de Werkhorstlaan ingetekend; vanaf hier kan het verkeer zich in meerdere richtingen verspreiden Rekening houdend met de aangepaste maximale verkeersaantallen, zoals beschreven onder punt a, is de verdeling en de aantallen verkeersbewegingen herzien zoals weergegeven in figuur 1 in het briefrapport van 23 maart 2021. Voor het middelzware verkeer is aangenomen dat deze de noordwestelijke route van en naar de N353 rijdt. Als gevolg van deze aanpassing is tegemoet gekomen aan de opmerking uit de zienswijze en is de AERIUS berekening hierop aangepast. Als gevolg van deze verbeterde motivering is er daarom geen reden om de vergunning niet te verlenen.

h) In de berekening zijn alleen verkeersbewegingen opgenomen en zijn alle overige stikstofbronnen die samenhangen met het gebruik van een woning genegeerd, bijv, houtstook, grasmaai machine, barbecues. Reactie: De nieuwbouw krijgt geen gasaansluiting, de woningen worden voorzien van een warmtepomp en zonnecollectoren. Er is zodoende geen sprake van stikstofemissie als gevolg van verwarming van de nieuwbouw. Voor toekomstige bewoning (wo. eventuele houtkachel, sfeerverwarming, bbq) is, in aanvulling op eerdere berekeningen, NOx emissie voor huishoudens opgevoerd. Het emissiekental voor grondgebonden gasloze woningen ten gevolge van andere oorzaken dan gebruik van een CVketel is gesteld op is 0,44 kg/jr per woning (Hoekstra, B. L. Verhees, A. Brouwer & R. Droge (2018)). Aangezien op dit moment onbekend is of/hoeveel woningen een rook-gasafvoer krijgen is dit - worst case - voor alle 21 woningen doorberekend. De totale emissie van 9,24 kg NOx/jr (21 woningen*0,44 kg NOx/jr) is als vlakbron ingetekend in de categorie ‘wonen en werken' als woningen met een uitstoothoogte van acht meter en spreiding van vier meter (BIJ12, 2021). Als gevolg van deze aanpassing is tegemoet gekomen aan de opmerking uit de zienswijze en is de AERIUS berekening hierop aangepast. Als gevolg van deze verbeterde motivering is er daarom geen reden om de vergunning niet te verlenen.

i)

Indiener stelt dat je modelmatig kunt berekenen (ook via een worst case) wat de stikstofemissie jaarlijks is. Als je een levensduur van bijvoorbeeld 50 jaar aanneemt voor een woningbouwproject, kan de vergunning alleen worden verleend wanneer reeds 50 maal de jaarlijkse uitstoot is bespaard.

14

Reactie: De berekeningen voor het nieuwbouwplan zijn op basis van de nieuwste versie van AERIUS Calculator (versie 2020) geactualiseerd. Daarin de zijn de voornoemde (worst case) aanpassingen, zoals genoemd in onder punt a t/m i verwerkt. In tabel 3 in het briefrapport van 23 maart 2021 is de input ten aanzien van de mobiele werktuigen, verkeer en bebouwing samengevat en is het rekenresultaat van de betreffende stikstofdepositie gegeven. De volgende AERIUS-berekeningen als wijziging van de aanvraag ingediend: Aanlegfase (2021) - kenmerk: RkXsrZBm1kJ9 (d.d. 26 maart 2021); Aanleg + gebruiksfase (2021) - kenmerk: RagiW7K5HEyt (d.d. 26 maart 2021); Gebruiksfase (2022) - kenmerk: RQZVDvY4ePaz (d.d. 26 maart 2021); Gebruiksfase (2030) - kenmerk: RXFEYdqmLsa2 (d.d. 26 maart 2021). Als gevolg van deze aanpassingen is tegemoet gekomen aan de opmerking uit de zienswijze. Als gevolg hiervan is er geen reden om de vergunning niet te verlenen. 9. Indiener stelt dat de vergunning verleend is aan de gemeente, maar indiener acht het onduidelijk wie een vergunning behoeft, de gemeente of particulieren die straks in de woningen gaan wonen (gebruiksfase). Indiener stelt dat de vergunning niet overdraagbaar is. Indiener stelt dat vergunningverlening niet mogelijk is nu het niet gaat om 1 gedefinieerd project maar om 23 losse projecten.

Reactie: Het is vaste rechtspraak dat een aanvraag om een Wnb-vergunning betrekking moet hebben op alle activiteiten die samen één project vormen. In dit geval zijn er mogelijk significante effecten in zowel de bouwfase als de gebruiksfase. Deze twee fases kwalificeren in dit geval als één project. Steun voor dit standpunt vinden wij in de Eemshaven jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2011 :BR5684). Uit rechtsoverweging 2.2.3 en 2.2.4 van die uitspraak blijkt hoe de Afdeling omgaat met het projectbegrip. In die casus werd duidelijk wanneer de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) spreekt van één project. Van belang is of er sprake is van een zodanige noodzakelijke samenhang tussen de verschillende onderdelen dat gesproken moet worden van 1 project. De aanleg van een laad- en losplaats aan de kade t.b.v. de havenuitbreiding bleken echter “werkzaamheden die het mogelijk maken om de centrale zoals deze is vergund, te bouwen en in werking te hebben”. Deze activiteiten moeten zodoende als 1 project worden beschouwd met de bouw en exploitatie van de centrale. Van belang daarbij is dat de centrale niet kan worden gebouwd en in werking kan worden gebracht als de uitbreiding van de laad en losplaats geen doorgang kan vinden.

Als wij deze jurisprudentie doortrekken naar deze aanvraag voor een woningbouwproject kunnen wij niet anders dan stellen dat de bouwfase en de gebruiksfase direct samen hangen Immers zonder de bouwfase (waaronder ook de aanleg van gezamenlijk nutsvoorzieningen e.d. wordt verstaan) kunnen de woningen niet in gebruik worden genomen. Het project wordt vergund aan de aanvrager, zijnde de partij die heeft aangegeven ter plaatse het project te willen realiseren. Indien het nodig is de tenaamstelling van de vergunning in te toekomst te wijzigen, dan is dit mogelijk.

10. Indiener stelt dat zich hier (in relatie tot de gebruiksfase) de vraag voordoet over welke termijn moet worden gerekend. De wet eist, volgens de indiener, dat de toename van depositie voor die termijn reeds 'voorhanden’ is.

Reactie: Zoals blijkt uit de ecologische onderbouwing van de vulling van het stikstofregistratiesysteem hebben de positieve effecten van de verkeersmaatregel zich al voorgedaan. De depositie voor dit project is zodoende al “voorhanden” en geregistreerd.

15

11. Indiener stelt dat vergunningverlening wel mogelijk is met extern saldering of op basis van de ADC toets. Reactie: Aangezien wij een aanvraag dienen te toetsen zoals deze wordt ingediend en deze niet is gebaseerd op de ADC toets achten wij deze opmerking niet relevant.

Conclusie n.a.v. zienswijze Zoals blijkt uit vorenstaande is aan de zienswijzen deels tegemoet gekomen. De emissie van het project is naar aanleiding van de zienswijze nog beter worst case in beeld gebracht. Wij hebben vervolgens de gewijzigde AERIUS berekeningen die voor het jaar 2021 en 2030 de worstcase situatie beschrijven in het SSRS opgevoerd. Er blijkt in het SSRS voldoende ruimte aanwezig te zijn ten behoeve van uitvoering en gebruik van het onderhavige project. De noodzakelijke ruimte is gereserveerd. De zienswijze geeft zodoende geen aanleiding om de gevraagde vergunning te weigeren. 9. Algehele conclusie Gelet de gereserveerde stikstofruimte binnen het SSRS voor dit project, de ingediende aanvraag met bijbehorende bijlagen en de motivering in deze toelichting komen wij tot de conclusie dat de aangevraagde vergunning kan worden verleend.

BEKENDMAKING

Onderwerp: Wet natuurbescherming voor het onderdeel gebiedsbescherming; verleende definitieve beschikking

Gedeputeerde Staten van Drenthe delen mee dat zij volgens artikel 2.7, lid 2, van de Wet natuurbescherming hebben besloten een definitieve beschikking te verlenen voor:

het oprichten en gebruiken van de woningbouwlocatie op het voormalige voetbalveld aan de Jodenweg in Vledderveen. U kunt de beschikking en de bijbehorende stukken vanaf 13 mei 2021 tot en met 24 juni 2021 digitaal inzien op de website http://www.provincie.drenthe.nl/actueel/bekendmakinqen.

Belanghebbenden kunnen tot en met 24 juni 2021 beroep instellen bij de rechtbank Noord-Nederland. Voor meer informatie verwijzen wij u naar de volgende link: https://www.provincie.drenthe.nl/bezwaarschrift.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westerveld&id=ad6c366a-f24d-45b3-a614-3d955af96db6