Veleweg 5, Darp Bijlagen Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Veleweg 5, Darp
Bijlagen ruimtelijke onderbouwing
Veleweg 5, Darp
Veleweg 5, Darp
Inhoudsopgave
Bijlagen ruimtelijke onderbouwing
5
Bijlage 1
Beknopte natuurtoets
7
Bijlage 2
Rapport AERIUS-berekening
25
Bijlage 3
Watertoets
47
Bijlage 4
Uitgangspuntennotitie WDODelta
55
3
Veleweg 5, Darp
4
Veleweg 5, Darp
Bijlagen ruimtelijke onderbouwing
5
Veleweg 5, Darp
6
Veleweg 5, Darp
Bijlage 1 Beknopte natuurtoets
7
N atu u rt o et s V e le w e g 5 , Da rp
N atu u rt o et s V e le w e g 5 , Da rp
14 maart 2023 Projectnummer P001498
Inhoudsopgave 1
2
Inleiding
4
1.1
Kader
4
1.2
Projectgebied en voornemen
4
Soortenbescherming
7
2.1
Wet- en regelgeving
7
2.2
Inventarisatie
7
2.2.1
Planten
7
2.2.2
Vogels
7
2.2.3
Vleermuizen
8
2.2.4
Grondgebonden zoogdieren
8
2.2.5
Amfibieën
8
2.2.6
Reptielen
8
2.2.7
Libellen en dagvlinders
9
2.2.8
Overige soorten
9
2.3
3
4
5
Toetsing
9
2.3.1
Planten
9
2.3.2
Vogels
9
2.3.3
Grondgebonden zoogdieren
9
2.3.4
Vleermuizen
10
2.3.5
Amfibieën
10
2.3.6
Overige soorten
10
Gebiedsbescherming
11
3.1
Wet- en regelgeving
11
3.1.1
Wet natuurbescherming
11
3.1.2
Natuur Netwerk Nederland
11
3.2
Inventarisatie
11
3.3
Toetsing
11
3.3.1
Wet natuurbescherming
11
3.3.2
Provinciaal natuurbeleid
12
Beschermde houtopstanden
13
4.1
Wet- en regelgeving
13
4.2
Inventarisatie en toetsing
13
Conclusie
14
5.1
Soortenbescherming
14
5.1.1
14
5.2
Zorgplichtmaatregelen
Gebiedsbescherming
Beknopte natuurtoets Veleweg 5, Darp - 14 maart 2023
14
Beknopte natuurtoets Veleweg 5, Darp - 14 maart 2023
1
Inleiding 1.1
Kader
De initiatiefnemer is voornemens om een loods te bouwen aan te Veleweg 5 te Darp. Hiervoor wordt een ruimtelijke procedure doorlopen. Om het plan aan de natuurwet- en regelgeving te toetsen, is een beknopte natuurtoets uitgevoerd. Het doel van deze natuurtoets is om na te gaan of het plan vanuit ecologisch oogpunt uitvoerbaar is. Uit de natuurtoets kan ook blijken dat aanvullend onder1
zoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Naast het raadplegen van bronnen is het projectgebied ten behoeve van de natuurtoets op 28 februari 2023 bezocht door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren: bewolkt, droog, circa 8˚C en een zwakke wind.
1.2
Projectgebied en voornemen
Het projectgebied ligt aan de Veleweg ten oosten van Darp (figuur 1). Om het projectgebied heen ligt bos. Op het erf staan diverse gebouwen. Op deze locatie stonden eerder chalets, die tijdens het veldbezoek al waren verwijderd. Tijdens het veldbezoek bestond het projectgebied uit kale grond, gazon en een zandbak voor kinderen. In het projectgebied is geen permanent oppervlakte water, opgaande beplanting of bebouwing aanwezig. De plannen bestaan uit het bouwen van een loods naast een bestaande loods van damwand platen.
1
De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van (Europese) natuurgebieden.
Beknopte natuurtoets Veleweg 5, Darp - 14 maart 2023
4
Figuur 1. Locatie van het projectgebied (rood omlijnd). Bron luchtfoto: www.ruimtelijkeplannen.nl. De op de luchtfoto nog zichtbare bebouwing binnen het projectgebied is niet meer aanwezig.
Beknopte natuurtoets Veleweg 5, Darp - 14 maart 2023
5
Foto’s 1 - 2. Impressie van het projectgebied op 28 februari 2023.
Beknopte natuurtoets Veleweg 5, Darp - 14 maart 2023
6
2
Soortenbescherming 2.1
Wet- en regelgeving
Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: -
alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb artikel 3.1-3.4);
-
dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb artikel 3.5-3.9);
-
nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb artikel 3.10-3.11).
Van deze laatstgenoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde ‘lijst met vrijstellingen’ opstellen (Wnb artikel 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb bij ruimtelijke ontwikkelingen.
2.2
Inventarisatie
Uit het raadplegen van gegevens van de laatste vijf jaar in de Nationale Databank Flora en Fauna
2
(NDFF) op 14 maart 2023 blijkt dat in de directe omgeving (0 – 1 km) van het projectgebied diverse beschermde diersoorten bekend zijn. In dit geval gaat het specifiek om vogels met jaarrond beschermde nesten, zoogdieren, amfibieën , reptielen, een dagvlindersoort en libellen. Hierna worden per soortgroep alle relevante soorten besproken. 2.2.1 Planten Het projectgebied betreft een zandbak met daaromheen kort gemaaide algemene grassoorten en mos. Gezien de terreingesteldheid en voedselrijkdom zijn beschermde plantensoorten niet in het projectgebied te verwachten. 2.2.2 Vogels Uit de omgeving van het projectgebied zijn verschillende vogelsoorten bekend met jaarrond beschermde nesten, zoals buizerd en huismus. Vanwege de afwezigheid van opgaande beplanting en bebouwing kunnen nesten van vogels die broeden in bomen of bebouwing worden uitgesloten. Wel kan het projectgebied onderdeel vormen van het foerageergebied van huismus die in de omgeving kunnen voorkomen en die in relatief open gebieden en rond bebouwing kunnen foerageren. Op de rest van het erf kunnen
projectgebied kunnen diverse algemene vogels broeden, zoals
spreeuw en heggenmus. Nesten van deze verwachten algemene soorten zijn alleen tijdens de broedperiode beschermd.
2
De NDFF is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd.
Beknopte natuurtoets Veleweg 5, Darp - 14 maart 2023
7
2.2.3 Vleermuizen Uit de omgeving van het projectgebied zijn geen vleermuissoorten bekend (NDFF). Vanwege de afwezigheid van opgaande beplanting en bebouwing in het plangebied kan de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen in het projectgebied uitgesloten worden. De nabijgelegen schuur is niet geschikt als verblijf Wel kan het projectgebied onderdeel vormen van het foerageergebied van soorten als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis, die in de omgeving kunnen voorkomen en die in relatief open gebieden en rond bebouwing kunnen foerageren. In het projectgebied zijn geen doorgaande structuren van opgaande beplanting of watergangen aanwezig. De aanwezigheid van een essentiële vliegroute van vleermuizen kan worden uitgesloten. 2.2.4 Grondgebonden zoogdieren VRIJGESTELDE SOORTEN Het projectgebied vormt door het ontbreken van dekking hooguit marginaal geschikt leefgebied voor enkele algemene grondgebonden zoogdiersoorten. Op het erf kunnen wel soorten als huisspitsmuis voorkomen. Voor deze soorten geldt in de provincie Drenthe een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wnb bij ruimtelijke ontwikkelingen. NIET VRIJGESTELDE SOORTEN Uit de omgeving zijn de niet–vrijgestelde grondgebonden zoogdiersoorten das, eekhoorn en steenmarter bekend (NDFF). Deze soorten zijn door het ontbreken van geschikt biotoop niet te verwachten in het projectgebied.
2.2.5 Amfibieën VRIJGESTELDE SOORTEN Het projectgebied is door het ontbreken van permanent oppervlaktewater en dekking ongeschikt als biotoop voor algemene amfibieënsoorten, zoals kleine watersalamander en bruine kikker (NDFF). Voor deze soorten geldt daarnaast in de provincie Drenthe een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wnb bij ruimtelijke ontwikkelingen. NIET VRIJGESTELDE SOORTEN Uit de omgeving is de niet-vrijgestelde poelkikker bekend (NDFF). Het projectgebied biedt deze soort, door het ontbreken van permanent oppervlaktewater en bijbehorend landbiotoop, geen geschikt leefgebied. 2.2.6 Reptielen Uit de omgeving zijn de niet-vrijgestelde soorten hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang bekend (NDFF). Het projectgebied biedt deze soorten, door het ontbreken van dekking en structuurrijke vegetatie, geen geschikt leefgebied.
Beknopte natuurtoets Veleweg 5, Darp - 14 maart 2023
8
2.2.7 Libellen en dagvlinders In de omgeving zijn de libellensoorten gevlekte witsnuitlibel, Kempense heidelibel en Noordse winterjuffer en de dagvlindersoort grote vos aangetroffen (NDFF). Het projectgebied biedt deze soortgroepen geen geschikt leefgebied. De libellensoorten zijn aangewezen op water- en moerasbiotopen en de dagvlinder grote vos is aangewezen op opgaande beplanting. Hierdoor kan de aanwezigheid van deze beschermde soorten worden uitgesloten. Ook andere beschermde ongewervelden zijn niet te verwachten vanwege het ontbreken van geschikt biotoop en/of waarnemingen uit de omgeving (NDFF). 2.2.8 Overige soorten De aanwezigheid van overige beschermde soorten kan door de afwezigheid van waarnemingen (NDFF) en geschikt biotoop uitgesloten worden
2.3
Toetsing
2.3.1 Planten Negatieve effecten op beschermde plantensoorten kunnen worden uitgesloten. 2.3.2 Vogels JAARROND BESCHERMDE NESTPLAATSEN Als gevolg van de bouw van de schuur in het gebied gaan geen jaarrond beschermde nesten verloren. FOERAGEERGEBIED Bij uitvoering van het plan verandert het projectgebied als foerageergebied voor huismus, maar het projectgebied zal naar verwachting niet geheel ongeschikt worden. Bovendien is in de directe omgeving van het projectgebied in ruime mate alternatief en deels hoogwaardiger foerageergebied aanwezig. Negatieve effecten op deze vogel door verlies van foerageergebied treden niet op. OVERIGE SOORTEN Voor de overige vogelsoorten geldt dat het vernietigen of verstoren van in gebruik zijnde nesten bij wet verboden is. Dit kan voorkomen worden door bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen. Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet; van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. De meeste vogels broeden tussen half maart en half juli, maar ook in de periode half februari tot eind september kunnen broedgevallen voorkomen. 2.3.3 Grondgebonden zoogdieren Als gevolg van de ontwikkelingen kunnen enkele verblijfplaatsen van algemene grondgebonden zoogdiersoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood.
De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Drenthe. Voor deze soorten
Beknopte natuurtoets Veleweg 5, Darp - 14 maart 2023
9
hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb.
2.3.4 Vleermuizen VERBLIJFPLAATSEN Als gevolg van de werkzaamheden gaan geen vleermuisverblijfplaatsen verloren. FOERAGEERGEBIED/VLIEGROUTE Het projectgebied zal naar verwachting na uitvoering van het plan niet ongeschikt worden voor de te verwachten vleermuissoorten die graag boven graslanden en rond bebouwing foerageren. Bovendien is in de directe omgeving van het projectgebied in ruime mate alternatief foerageergebied aanwezig. Negatieve effecten op vleermuizen door verlies van foerageergebied of onderbreking van een vliegroute treden niet op. 2.3.5 Amfibieën Negatieve effecten op kunnen worden uitgesloten. Algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Drenthe. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb. 2.3.6 Overige soorten Negatieve effecten op beschermde soorten uit de soortgroepen reptielen, vissen en ongewervelden kunnen worden uitgesloten.
Beknopte natuurtoets Veleweg 5, Darp - 14 maart 2023
10
3
Gebiedsbescherming 3.1
Wet- en regelgeving
Voor onderhavig projectgebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening. 3.1.1 Wet natuurbescherming In de Wnb is de bescherming van Natura 2000-gebieden geregeld. Plannen en projecten met mogelijk significant negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. 3.1.2 Natuur Netwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. Dit netwerk moet voldoende robuust zijn voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN en de bijbehorende natuurverbindingen is voor de provincie Drenthe uitgewerkt in de NNN kaart 2022 (6 september 2022)
3.2
Inventarisatie
De gronden van het projectgebied vormen geen onderdeel van een door de Wnb beschermd gebied. Het projectgebied ligt op circa 1,5 km ten zuidwesten van Natura 2000-gebied ‘Holteringerveld’. Op circa 145 m afstand ten zuiden van het projectgebied ligt een NNN-gebied.
3.3
Toetsing
3.3.1 Wet natuurbescherming Het projectgebied ligt op ruime afstand van het Natura 2000-gebied ‘Holtingerveld’ Hierdoor zijn in potentie alleen effecten door externe werking mogelijk. Het projectgebied is gescheiden van het Natura 2000-gebied door bebouwing, wegen en agrarisch gebied. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van het plan, kan een toename van verstoring door geluid, verlichting of optische verstoring worden uitgesloten. Tijdens de aanleg- en gebruiksfase kan sprake zijn van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Daarom is een AERIUS-berekening nodig om inzichtelijk te maken of al dan niet sprake is van stikstofdepositie boven 0.00 mol N/ha/ja in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten binnen Natura 2000-gebieden.
Beknopte natuurtoets Veleweg 5, Darp - 14 maart 2023
11
3.3.2 Provinciaal natuurbeleid Het projectgebied grenst niet aan NNN en met de uitvoering van de plannen gaat ook geen NNN verloren, waardoor negatieve effecten hierop kunnen worden uitgesloten.
Beknopte natuurtoets Veleweg 5, Darp - 14 maart 2023
12
4
Beschermde houtopstanden 4.1
Wet- en regelgeving 2
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 1.000 m en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom.
4.2
Inventarisatie en toetsing
In het projectgebied zijn geen beschermde houtopstanden aanwezig.
Beknopte natuurtoets Veleweg 5, Darp - 14 maart 2023
13
5
Conclusie Voor dit plan is op een veldbezoek uitgevoerd en daarnaast zijn verspreidingsgegevens van beschermde soorten in en om het projectgebied uit de NDFF geraadpleegd. Op basis van het veldbezoek op 28 februari 2023 en de verspreidingsgegevens kunnen nog geen definitieve conclusies worden getrokken over effecten op beschermde soorten en/of beschermde gebieden.
5.1
Soortenbescherming
Uit de toetsing komt naar voren dat als gevolg van de plannen negatieve effecten op beschermde soorten uitgesloten kan worden. Voor beschermde soorten is geen ontheffing van de Wnb nodig, mits bij uitvoering van de werkzaamheden rekening wordt gehouden met het broedseizoen en de algemene zorgplicht van de Wnb in acht wordt genomen.
5.1.1 Zorgplichtmaatregelen Negatieve effecten op broedende vogels worden bij voorkeur voorkomen door bij de werkzaamheden rekening buiten het broedseizoen te werken, dus buiten de periode (half februari) half maart tot half juli (eind september). Het is ook mogelijk om voor het broedseizoen te starten met de werkzaamheden en continu door te werken. Dan is het waarschijnlijk dat vogels niet in het projectgebied gaan broeden vanwege de continue verstoring. Is de wens om de werkzaamheden in het broedseizoen te starten, dan is het nodig om het projectgebied voorafgaand aan de start te laten inventariseren op broedgevallen door een broedvogeldeskundige. Zijn er op dat moment vogels aan het broeden, dan kunnen de werkzaamheden pas starten als de jongen zijn uitgevlogen. Circa één week voorafgaand aan graafwerkzaamheden kan het gras worden kort gemaaid. Op die manier hebben algemene amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten, waarvoor de algemene zorgplicht geldt, voldoende tijd om zich te verplaatsen naar een locatie buiten de invloedsfeer van de aanlegwerkzaamheden.
5.2
Gebiedsbescherming
Negatieve effecten ten aanzien van in het kader van de Wnb beschermde stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden kunnen nog niet worden uitgesloten. Een AERIUS-berekening moet uitwijzen of de stikstofdepositie al dan niet boven de 0.00 mol N/ha/ja uitkomt. Het plan leidt niet tot aantasting van beschermde houtopstanden. Het plan is tot slot niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid.
Beknopte natuurtoets Veleweg 5, Darp - 14 maart 2023
14
Colofon Rapport BügelHajema Adviseurs Fotografie BügelHajema Adviseurs Projectnummer P001498
BügelHajema Adviseurs bv Bureau voor Ruimtelijke Ordening en Milieu BNSP Vaart nz 48-50 9401GN Assen T 0592 316 206 F 0592 314 035 E info@bugelhajema.nl W www.bugelhajema.nl Vestigingen te Assen, Leeuwarden en Amersfoort
Veleweg 5, Darp
Bijlage 2 Rapport AERIUS-berekening
25
Berekening stikstofdepositie Veleweg 5 Darp
DEFINITIEF
Berekening stikstofdepositie Veleweg 5 Darp
DEFINITIEF
Inhoud Rapport en bijlage
3 januari 2024 Projectnummer P001795
Inhoudsopgave 1
Inleiding
3
2
Wettelijk kader
4
3
Ligging projectgebied
5
4
Invoergegevens AERIUS
6
4.1
Aanleg- en gebruiksfase
6
4.1.1
Emissie mobiele werktuigen op de locatie (bron 1)
6
4.1.2
Werkverkeer (bron 2)
7
4.1.3
Verkeersgeneratie opslagruimte (bron 2)
7
4.1.4
Totale emissie aanleg- en gebruiksfase
8
5
Model
9
6
Rekenresultaten en conclusie
10
Bijlage
3 januari 2024
1
Inleiding In het kader van de ruimtelijke onderbouwing Veleweg 5, Darp is de depositie van stikstof ten gevolge van de realisatie van een nieuwe opslagruimte voor machines en materiaal ten behoeve van het grondwerk- en bestratingsbedrijf aan de Veleweg 5 in Darp in de gemeente Westerveld berekend. Het project maakt de realisatie van een opslagruimte mogelijk op een locatie in het niet-stedelijk woonmilieu. De omvang van het project is op de onderstaande afbeelding weergegeven. De depositie van stikstof in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de emissie van NOx en NH3 van deze ontwikkeling, alsmede van het verkeer van en naar de locatie is berekend met het programmapakket AERIUS (3 januari 2024). Dit rapport vormt een toelichting op de bijgevoegde berekening.
Afbeelding 1 – Luchtfoto projectgebied
Leeswijzer In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op het wettelijk kader van de Wet natuurbescherming bij vergunningaanvragen of bestemmingsplanprocedures. Vervolgens komt in hoofdstuk 3 de ligging van het projectgebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden aan bod. Hoofdstuk 4 is gewijd aan de invoergegevens van het programmapakket AERIUS en hoofdstuk 5 geeft het model weer. In het laatste hoofdstuk worden de rekenresultaten en conclusies besproken.
3 januari 2024
3
2
Wettelijk kader De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bossen en specifieke dier- en plantsoorten. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is verankerd in het onderdeel gebiedsbescherming. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000gebied. In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden gelegen. In 130 van deze gebieden komen stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten voor. Dit betekent dat een verdere toename van stikstofdepositie tot een negatief effect kan leiden. Derhalve dient bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling onderzocht te worden of er stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Dit geldt voor een activiteit waar een omgevingsvergunning voor noodzakelijk is, maar ook voor een bestemmingsplan dat nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. Voor een bestemmingsplan is het namelijk noodzakelijk om de uitvoerbaarheid van het plan aan te tonen. Hiernaast geldt op grond van artikel 2.7 Wnb in samenhang met artikel 2.8 Wnb een onderzoeksplicht voor bestemmingsplannen.
Een te hoge stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden, waardoor de kans bestaat dat het bestemmingsplan onder dezelfde omstandigheden niet kan worden vastgesteld. Kwetsbaarheid van stikstof gevoelige natuurgebieden Niet alle Natura 2000-gebieden met voor stikstof gevoelige habitats of leefgebieden voor soorten zijn even kwetsbaar voor een toename van de stikstofdepositie. Wanneer het gebieden betreft waar zich habitats of leefgebieden van soorten bevinden waarvan de kritische depositiewaarde lager is dan de achtergrondwaarde voor stikstof, dan is sprake van een overgevoelig gebied. In die gebieden moet de toename van zelfs een minimale stikstofdepositie al als significant negatief worden beschouwd. In die gebieden kan een toename van de stikstofdepositie met meer dan 0,00 mol N/ha/jaar dan ook niet worden toegestaan. In gebieden waar de kritische depositiewaarde hoger is dan de achtergrondwaarde, is weliswaar sprake van een negatief effect bij een toename van de stikstofdepositie, maar deze wordt pas significant negatief wanneer de toename zo groot is dat de kritische depositiewaarde wordt overschreden. In dergelijke gebieden is dus meer ruimte voor een toename van de stikstofdepositie.
3 januari 2024
4
3
Ligging projectgebied Zoals in de inleiding is aangegeven, is het projectgebied gelegen aan de Veleweg 5 in Darp. Op de onderstaande afbeelding is de ligging van het projectgebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden weergegeven.
Afbeelding 2 – Ligging projectgebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden
De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn: -
Holtingerveld, gelegen op een afstand van circa 1,5 km;
-
De Wieden, gelegen op een afstand van circa 6,3 km;
-
Dwingelderveld, gelegen op een afstand van circa 9,1 km;
-
Weerribben, gelegen op een afstand van circa 12,8 km.
3 januari 2024
5
4
Invoergegevens AERIUS Met behulp van AERIUS kan de depositie als gevolg van de emissies van NO x en NH3 op Natura 2000gebied worden berekend. Om de berekening te kunnen maken, moeten stikstofbronnen worden ingevoerd die bij het project of plan zullen worden gebruikt. In AERIUS zijn voor diverse bronnen standaard emissiekengetallen opgenomen op basis waarvan de emissies van NOx en NH3 kunnen worden bepaald. Het gaat dan om bronnen die worden gebruikt tijdens de sloop-, aanleg- en/of bouwfase en bronnen die later tijdens het gebruik van het project of plan worden ingezet. Het gaat om bijvoorbeeld (mobiele) werktuigen, maar ook om het verkeer op, van en naar het terrein. Hoe bronnen moeten worden bepaald, is uitgewerkt in het handboek “Werken met AERIUS Calculator”. Conform dit handboek dient bijvoorbeeld de verkeersgeneratie te worden beschouwd. Niet alleen het handboek speelt daarbij een rol. Ook gerechtelijke uitspraken zijn van belang. Zo blijkt uit jurisprudentie dat de gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdend verkeer niet meer aan de ruimtelijke ontwikkeling worden toegerekend wanneer dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval wanneer het aan- en afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet, dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt.
De berekening heeft dienovereenkomstig plaatsgevonden. Door de opdrachtgever is aangegeven dat het gebouw gasloos wordt uitgevoerd. Dit betekent dat geen rekening behoeft te worden gehouden met een emissie van NOx ten behoeve van de verwarming. Dit zal geborgd moeten worden in de ruimtelijke procedure. Ten behoeve van de werkzaamheden en de verkeersgeneratie van de opslagruimte/stalling zijn de volgende invoergegevens in AERIUS gebruikt (afbeeldingen 3).
4.1
Aanleg- en gebruiksfase
4.1.1 Emissie mobiele werktuigen op de locatie (bron 1) In de navolgende tabel zijn de invoergegevens van de mobiele werktuigen op de bouwlocatie weergegeven. Voor de berekening is uitgegaan van gemiddelden, gebaseerd op het bronbestand van BügelHajema Adviseurs1. Met betrekking tot het verbruik van het aantal liters brandstof en het percentage AdBlue is aangesloten bij het onderzoek van TNO (AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen, TNO 2021 R12305). Op basis van dit onderzoek is voor stage IV mobiele werktuigen uitgegaan van 6% AdBlue ten opzichte van het aantal liters verbruikte brandstof.
1 Voor de invoergegevens van mobiele werktuigen op de locatie is gebruik gemaakt van aannames afkomstig uit een door
BügelHajema Adviseurs bijgehouden bronbestand. Dit bronbestand bevat gemiddelde cijfers over de inzet van mobiele werktuigen op de locatie en zijn verkregen door jarenlange ervaring met stikstofberekeningen.
3 januari 2024
6
Tabel 1. Emissie mobiele werktuigen bouwlocatie Functie
Aantal
Werktuig
Bebouwing
375 m2 graafmachine 375 m2 kraan 375 m2 betonstorter 375 m2 verreiker Totale emissie in kg NOx /jaar
kW
Stage
200 200 200 60
Stage IV Stage IV Stage IV Stage IV
Eenheid
10 10 5 5
u/ u/ u/ u/
100 m2 100 m2 100 m2 100 m2
Draaiuren
Verbruik liters /uur
Totaal Verbruik liters
Emissie NOx
38 uur 38 uur 19 uur 19 uur
19,81 19,81 19,81 6,32
753 753 376 120
4,3 4,3 1,9 0,8 11,4
kg kg kg kg kg
De totale emissie van mobiele werktuigen bedraagt 11,4 kg NOx/jr en 0,5 kg NH3/jr. 4.1.2 Werkverkeer (bron 2) Wat betreft het werkverkeer is rekening gehouden met de volgende ritten per jaar. Voor de berekening is uitgegaan van gemiddelden, gebaseerd op het bronbestand. Tabel 2. Ritproductie werkverkeer Functie
Aantal
Verkeer
Eenheid
Aantal
Bebouwing
375 m2
Licht verkeer
100/100 m2
375
375 m2
Middelzwaar verkeer
20/100 m2
75
375 m2
Zwaar verkeer
4/100 m2
15
Bij de indeling van verkeer in licht, middelzwaar en zwaar (vracht)verkeer is uitgegaan van de voertuigcategorieën van InfoMil (tabel 3). De verkeersgeneratie van het werkverkeer is ingetekend tot de toegangsweg waar het verkeer naar verwachting opgaat in het heersende verkeersbeeld. Tabel 3. Bepaling voertuigcategorieën (InfoMil) Categorie Alledaagse omschrijving Lichte motorvoertuigen
- alle personenauto’s - de meeste bestelauto’s - vrachtwagens met 4 wielen
Middelzware motorvoertuigen
- alle autobussen - vrachtwagens met 2 assen en 4 achterwielen
Zware motorvoertuigen
- vrachtwagens met 3 of meer assen - vrachtwagens met aanhanger - trekkers met oplegger
De totale emissie van het werkverkeer bedraagt 0,2 kg NOx/jr. 4.1.3 Verkeersgeneratie opslagruimte (bron 2) In het model is het verkeer van en naar het gebouw opgenomen, waarbij gebruik is gemaakt van CROWpublicatie 381, december 2018. Daarbij is gebruikgemaakt van de kencijfers voor een bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief
(loods,
opslag,
transportbedrijf)
in
de
rest
bebouwde
kom
(5,7 ritten per 100 m2 inclusief vrachtverkeer). Dit houdt in dat rekening moet worden gehouden met naar boven afgerond 22 ritten per etmaal. Bij de indeling van verkeer in licht, middelzwaar en zwaar (vracht)verkeer is uitgegaan van de voertuigcategorieën van InfoMil (tabel 3). De verkeersgeneratie is ingetekend tot de toegangsweg waar het verkeer naar verwachting opgaat in het heersende verkeersbeeld.
3 januari 2024
7
De totale emissie van de verkeersgeneratie van de opslagruimte in de gebruiksfase bedraagt in dat geval 1,2 kg NOx/jr. 4.1.4 Totale emissie aanleg- en gebruiksfase De totale emissie van het project in de aanleg- en gebruiksfase bedraagt 12,8 kg NOx/jr en 0,5 kg NH3/jr.
3 januari 2024
8
5
Model De emissie en depositie van het project zijn bepaald met behulp van het AERIUS pakket (3 januari 2024). In de berekening is uitgegaan van het rekenjaar 2024. Indien het project later zal worden uitgevoerd, kan deze berekening als worstcase worden beschouwd. In latere rekenjaren zal de emissiefactor van onder andere verkeersbewegingen namelijk afnemen. Navolgend is van het model een afbeelding opgenomen.
Afbeelding 3 - AERIUS-model aanleg- en gebruiksfase
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2023.1_20231207_46ea8e9191 Database versie 2023.1_46ea8e9191_calculator_nl_stable
3 januari 2024
9
6
Rekenresultaten en conclusie De berekening met AERIUS genereert een rekenresultaat en een pdf-bestand waarin wordt geconstateerd dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een projectbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Dit pdf-bestand is als bijlage toegevoegd.
Afbeelding 4 – Rekenresultaat aanleg- en gebruiksfase
Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wnb beschermde Natura 2000-gebieden. Een vergunning van de Wnb is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig.
3 januari 2024
10
Bijlage
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Grondwerk & bestrating Tammeleng Veleweg 5, 7973 JV Darp Ruimtelijke onderbouwing Veleweg 5 Darp Realisatie en gebruik opslagloods 375 m2
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
S6eFNpmv1M9W 03 januari 2024, 11:03 Wnb-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
Aanleg en gebruik - Beoogd Aanleg en gebruik - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
S6eFNpmv1M9W (03 januari 2024)
2024 -
0,5 kg/j
12,8 kg/j
2/7
Projectberekening
Aanleg en gebruik (Beoogd), rekenjaar 2024 Emissiebronnen 1 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | Bouw opslagruimte/stalling Verkeersnetwerk
S6eFNpmv1M9W (03 januari 2024)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
0,5 kg/j 49,4 g/j
11,4 kg/j 1,4 kg/j
3/7
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). S6eFNpmv1M9W (03 januari 2024)
4/7
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Aanleg en gebruik" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal
S6eFNpmv1M9W (03 januari 2024)
-
Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)
-
-
-
Met afname (ha Grootste afname gekarteerd) (mol N/ha/jr)
-
-
5/7
Projectberekening
Aanleg en gebruik, Rekenjaar 2024 1
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning
Naam Locatie Oppervlakte Naam
Bouw opslagruimte/stalling X:210449,61 Y:532217,04 0,03 ha Stageklasse
Graafmachine 200 Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, kw diesel, SCR: ja Kraan 200 kw
NOₓ NH₃
Brandstofverbruik
753 l/j 753 l/j
Betonstorter 200 kw
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
376 l/j
Verreiker 60 kw
Stage-IV, 2014-2018, 56-75 kW, diesel, SCR: ja
120 l/j
Max. snelheid
45 l/j
NOₓ
38 u/j
45 l/j
NOₓ
19 u/j
23 l/j
NOₓ NH₃
Werkverkeer X:210554,19 Y:532421,53 557,33 m Binnen bebouwde kom (doorstromend) Beide richtingen 1 Normaal 0m
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
38 u/j
Stof Emissie
NH₃
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Draaiuren AdBlue verbruik
NH₃
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
2
11,4 kg/j 0,5 kg/j
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
19 u/j
7 l/j
NOₓ NH₃
4,3 kg/j 0,2 kg/j 4,3 kg/j 0,2 kg/j 1,9 kg/j 90,2 g/j 0,8 kg/j 28,8 g/j
Links Rechts NOₓ 1,4 kg/j Type scherm - - NO₂ 0,2 kg/j Hoogte - - NH₃ 49,4 g/j Afstand tot de weg - -
Aantal voertuigbewegingen
375,0 /jaar 75,0 /jaar 15,0 /jaar 0,0 /jaar 22,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal
In file
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. S6eFNpmv1M9W (03 januari 2024)
6/7
Projectberekening
Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2023.1_20231207_46ea8e9191 Database versie 2023.1_46ea8e9191_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/
S6eFNpmv1M9W (03 januari 2024)
7/7
Colofon
BügelHajema Adviseurs bv Bureau voor Ruimtelijke Ordening en Milieu BNSP Vaart NZ 48-50 9401 GN Assen T 0592-31 62 06 E info@bugelhajema.nl W www.bugelhajema.nl Vestigingen te Assen, Leeuwarden en Amersfoort
Veleweg 5, Darp
Bijlage 3 Watertoets
47
Aanvraagformulier
Normale procedure in Waterschap Drents Overijsselse Delta Algemene informatie Aanvraag gestart Aanvraag ingediend Aanvraagnummer Bevoegd gezag E-mailadres Naam aanvraag
21-03-2024 11:20 21-03-2024 11:25 00023534 Waterschap Drents Overijsselse Delta t.molenaar@bugelhajema.nl Normale procedure
Op basis van onderstaande locatie
21-03-2024 11:25
1
Aanvraagformulier
Vragen en antwoorden uit de aanvraag Wat is uw naam?
T Molenaar
Wat is uw emailadres?
t.molenaar@bugelhajema.nl
Wat is uw telefoonnummer?
0652520400
Doet u een aanvraag namens uzelf?
Nee
Namens wie vraagt u een watertoets aan?
Marcel Tammeleng
Wat is het emailadres van de initiatiefnemer?
info@tammeleng.nl
Wat is het telefoonnummer van de initiatiefnemer?
06 3040 5587
Is er contact geweest met de gemeente?
Ja
Geef hier de naam van de contactpersoon van de gemeente.
Ernst van Dam
Wat is het emailadres van de contactpersoon?
e.vandam@gemeentewesterveld.nl
Wat is de naam van het plan?
Veleweg 5, Darp
Geef een korte omschrijving van het plan.
Nieuw bijgebouw aansluitend op bestaand bijgebouw met een oppervlakte van circa 375 m2 ten behoeve van opslag van materiaal van het bedrijf van de bewoner. Hierbij hoort ook het toevoegen van omliggende verharding om in de opslag te kunnen komen. Er ligt reeds een deel aan verharding. Hier wordt een deel aan toegevoegd.
Wat is de totale hoeveelheid verharding (bebouwing, bestrating en parkeerplaatsen) in het plangebied in m2 na realisatie?
1235
Wat is het adres van het plan?
Veleweg 5 te Darp
Wilt u een bijlage toevoegen van het plan?
Ja
Voeg een bijlage toe.
bestandsnaam: 2024 03 10 Tammeleng - ogv - ontwerp met materiaal en kleurgebruik- pdf.pdf
Wilt u nog een bijlage toevoegen?
Nee
21-03-2024 11:25
2
Aanvraagformulier
Op basis van de check is onderstaande nodig 1. normale procedure Voor uw plan moet u de normale procedure volgen.
Wat moet ik doen? "WIJ VERZOEKEN U OM IN TE LOGGEN OM DE PROCEDURE AF TE RONDEN. HIERDOOR IS UW PLAN OOK AANGEMELD BIJ HET WATERSCHAP!
Geachte heer / mevrouw,
U heeft een watertoets uitgevoerd op de website www.dewatertoets.nl. Op basis van deze digitale toets concluderen wij dat belangen van het waterschap worden geraakt. U volgt daarom de normale procedure. Binnen 4 weken na indiening neemt waterschap Drents Overijsselse Delta contact met u op en ontvangt u een uitgangspuntennotitie. Deze notitie ontvangt u op het door u opgegeven emailadres.
In de uitgangspuntennotitie vindt u meer informatie over de bestaande waterhuishouding en vindt u concrete uitgangspunten voor uw plan. Wij adviseren u deze uitgangspunten te verwerken in uw plan. Over het vervolg van het watertoetsproces vindt u in de uitgangspuntennotitie meer informatie.
Verklaring Dit document is een automatisch gegeneerd bestand op basis van de door u ingevulde gegevens. U bent akkoord gegaan met de door u ingevulde gegevens en u heeft verklaard alles naar waarheid te hebben ingevuld.
21-03-2024 11:25
3
Aanvraagformulier 2. Advies grondwaterbeschermingsgebied drinkwater Uw plangebied is (deels) gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.
Wat moet ik doen? (Onderstaande tekst graag specificeren voor uw plan. De provincie is bevoegd gezag voor het diepe grondwater. U kunt bij de provincie navragen of er aanvullende voorwaarden zijn voor uw plan.) Het plangebied of een gedeelte daarvan ligt in een grondwaterbeschermingsgebied of intrekgebied van een drinkwaterwinning. In deze gebieden is het beleid gericht op het verminderen van de risico’s op de verontreiniging van het grondwater.
21-03-2024 11:25
4
Aanvraagformulier 3. Advies verharding Er bevind zich meer dan 500m2 aan verharding in het plangebied
Wat moet ik doen? In het plan bevindt zich een grote (>500m2) hoeveelheid verharding. Dit kan effect hebben op de werking van het watersysteem in de omgeving van het plangebied. Wij gaan graag tijdig met u in overleg over de wijze waarop in het plangebied wordt omgegaan met hemelwater dat afstroomt van dit verharde oppervlak. Zo wordt wateroverlast nu en in de toekomst voorkomen dit geldt ook bij herstructurering. Compensatie moet de volgende trap volgen: vasthoudenbergen-afvoeren. In het plan is een verhard oppervlak van circa m2 aanweizig (bestaand+toekomstig). Dit houdt in dat een waterbergend oppervlak van m2 * 0.08m = m3 [kuub] wordt aangelegd/aanwezig moet zijn.
Wanneer u bijvoorbeeld een extra schuur op het terrein wilt realiseren wordt gevraagd de oppervlakte van de schuur en de oppervlakte van de overige verharding (bestrating, huis, parkeerplaats) te noemen voor deze totale oppervlakte wordt een bergingsopgave opgesteld. Bestaande berging (greppel, vijver, infiltartiekratten) binnen het plangebied kunnen een deel van de bergingsopgave vervullen.
21-03-2024 11:25
5
Veleweg 5, Darp
54
Veleweg 5, Darp
Bijlage 4 Uitgangspuntennotitie WDODelta
55
Watertoets Normale procedure Versie 2024
Inhoudsopgave 1. Watertoets
3
1.1. Doel en inhoud van het document
3
1.2. Vervolg van het document
3
2. Bestaande situatie
5
2.1. Watertoets Veleweg 5 en 5a Darp
5
2.2. Bestaande waterhuishouding
5
3. Uitgangspunten voor het plan
7
3.1. Uitgangspunten op inrichtingenniveau
7
3.2. Watersysteem
7
3.3. Overbelasting watersysteem
8
3.4. Waterkwaliteit
10
3.5. Riolering
11
3.6. Drinkwatervoorziening
12
3.7. Beheer en onderhoud
13
4. Vervolg watertoets
15
4.1. Informeel overleg over de uitgangspunten
15
4.2. Beoordeling en officieel wateradvies
15
4.3. Omgevingsvergunning
15
Watertoets - Normale procedure
pagina 2
1.
Watertoets
Water is een belangrijke drager van de ruimtelijke kwaliteit in de fysieke leefomgeving. Vanuit de omgevingswet dienen de overheden bij de beoordeling van de fysieke leefomgeving de ‘weging van het waterbelang’ mee te nemen. Voor het beoordelen van het waterbelang dient het bevoegd gezag afstemming te zoeken met het waterschap. Om hier invulling aan te kunnen geven vraagt het Waterschap Drents Overijsselse Delta bij aanvang van een initiatief voor een omgevingsplanactiviteit of een voorgenomen ontwerp (wijziging) van en omgevingsplan een watertoets in te dienen, zodat de weging van het waterbelang in een vroeg stadium kan worden meegenomen en kan worden uitgewerkt. Het beleid van Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta) is beschreven in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 en de Kadernotitie Stedelijk Water. Een goede vertaling van het beleid naar deze uitgangspuntennotitie is afhankelijk van de informatie die de initiatiefnemer van het plan heeft aangeleverd.
1.1. Doel en inhoud van het document Het doel van de uitgangspuntennotitie is om in de initiatieffase/ontwerpfase van een plan bruikbare informatie aan te leveren voor de waterhuishouding in en rond het plangebied. Deze uitgangspuntennotitie bevat: • De bestaande waterhuishouding van het plangebied (paragraaf 2.1); • Concrete uitgangspunten voor het plan waarmee u de waterhuishouding regelt (Hoofstuk 3); • Informatie over het vervolg van de watertoets en de uiteindelijke beoordeling van WDODelta in het kader van de watertoets (Hoofstuk 4).
1.2. Vervolg van het document Het is de bedoeling dat de u de uitgangspuntennotitie uitwerkt voordat de casus wordt besproken bij een omgevingstafel en deze bijvoegt bij de aanvraag van een (buitenplans) omgevingsplanactiviteit, wijziging van het omgevingsplan of projectbesluit.
Watertoets - Normale procedure
pagina 3
Beschikbare gegevens Sommige gegevens die u kunt gebruiken voor het plan, zijn digitaal beschikbaar. Hieronder vindt u een omschrijving van verschillende gegevens. Keur en Legger oppervlaktewater en waterkeringen Op de website van WDODelta vindt u een geoportaal met de Legger. De Legger bestaat uit kaarten en tabellen met de volgende gegevens: - de locatie van wateren en dijken; - de eisen (vorm en afmetingen) waaraan wateren en dijken moeten voldoen; - de ruimte die we rond de dijken reserveren voor toekomstige dijkversterkingen; - wie het onderhoud uitvoert (als de onderhoudsplichtige niet is opgenomen, dan geldt de Keur) In de Waterschapsverordening (voorheen Keur) staan regels: - over het voorkomen van schade aan onder andere dijken en oevers; - over het onderhoud van onder andere sloten, beken en rivieren; - over het gebruik van grondwater en water uit sloten. ArcGIS Online Diverse gegevens ontsluiten wij via het webportaal van ArcGIS Online. www.klimaateffectatlas.nl In de klimaateffectatlas ziet u de lokale situatie voor neerslag en hitte in het stedelijk gebied. Deze gegevens geven een goed inzicht in mogelijke risico’s bij hoosbuien of extreme hitte. De klimaateffectatlas kan helpen om bestaande risico’s, of risico’s die voortkomen uit de ruimtelijke ontwikkeling, te minimaliseren.
Daarnaast zijn in samenwerking met gemeenten en de provincie klimaatatlassen ontwikkeld die een breder beeld geven van de gevolgen van klimaatverandering: - Fluvius (Zuidwest-Drenthe en Noordwest-Overijssel) - RIVUS (West-Overijssel) Provincie Overijssel Provincie Overijssel heeft vanuit de ruimtelijke verordening een eigen set kaarten toegevoegd, die met name voor het helder definiëren van het toepassingsbereik van bepalingen onmisbaar zijn. Algemene Hoogtekaart Nederland Om een indicatief beeld van de hoogteligging van het plan te krijgen adviseren we om gebruik te maken van de Algemene Hoogtekaart Nederland. U kunt op deze site uw locatie aanwijzen om de exacte hoogte te bepalen. Bodem en grondwaterstanden provincie Overijssel Informatie over de bodem en grondwaterstanden is te vinden op de website van Provincie Overijssel. Bodem en grondwaterstanden provincie Drenthe Informatie over de bodem en grondwaterstanden is te vinden op de website van Provincie Drenthe.
Watertoets - Normale procedure
pagina 4
2.
Bestaande situatie
2.1. Watertoets Veleweg 5 en 5a Darp Het plan ligt aan de Veleweg 5 en 5a te Darp in de gemeente Westerveld. De initiatiefnemer heeft het plan als volgt omschreven: Het betreft de nieuwbouw van een bijgebouw aansluitend op bestaand bijgebouw met een oppervlakte van circa 375 m2 ten behoeve van opslag van materiaal van het bedrijf van de bewoner. Hierbij hoort ook het toevoegen van omliggende verharding.
2.2. Bestaande waterhuishouding Het plan ligt in het (deel)stroomgebied Drentsche Hoofdvaart. Voor het plan is het van belang of er rond het plangebied oppervlaktewaterlichamen1, ook wel watergangen genoemd, en/of een bergingsgebied2 aanwezig zijn. Bij watergangen wordt er onderscheidt gemaakt in A- en B-oppervlaktewaterlichamen (primaire of secundaire watergangen). Binnen het plangebied liggen geen A- en B -oppervlaktewaterlichaam [die WDODelta beheert. Het plan ligt niet in een bergingsgebied van het waterschap. Nabij het plangebied ligt wel een Aoppervlaktelichaam. Het peilgebied bevat één peilvak en heeft een maximumpeil van NAP 0,72 m. Dit peil is de instelhoogte bij een peilscheidend kunstwerk. Lokaal kunnen er verschillen optreden in het peil, afhankelijk van de afstand tot de instelhoogte.
Figuur 1 - Kaartbeeld bestaande waterhuishouding rond het plangebied. 1
Samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, en de bijbehorende bodem en oevers, alsmede flora en fauna. 2 Gebied waaraan op grond van de Omgevingswet een functie voor waterstaatkundige doeleinden is toegedeeld, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat dient ter verruiming van de bergingscapaciteit van een of meer watersystemen en dat ook als bergingsgebied op de legger is opgenomen
Watertoets - Normale procedure
pagina 5
-
-
De hoogte van het maaiveld ligt gemiddeld op ongeveer NAP 4,5 m. De bodem (deklaag) bestaat voornamelijk uit podzolgronden. Voor een analyse van diepere grondlagen kan gebruik worden gemaakt van Dinoloket. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) ligt op 20 cm onder het maaiveld. Let op: Door de aanwezigheid van slecht doorlatende (klei) lagen kunnen schijngrondwaterstanden tot dicht onder het maaiveld voorkomen. Bij extreme neerslag wordt beperkt wateroverlast nabij het plangebied verwacht (zie https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/).
Figuur 2 – kaartbeeld wateroverlast rond het plangebied (hevige bui: 70 mm/2 uur).
Watertoets - Normale procedure
pagina 6
3.
Uitgangspunten voor het plan
3.1. Uitgangspunten op inrichtingenniveau De uitgangspunten in dit hoofdstuk verwerkt de initiatiefnemer in het inrichtingsplan of ruimtelijke onderbouwing. Dat houdt in dat de initiatiefnemer aangeeft hoe hij of zij met de uitgangspunten omgaat en op welke manier deze vertaalt naar het plangebied. De initiatiefnemer kan in samenwerking met de gemeente bij ons advies vragen over waterhuishoudkundige maatregelen. Doorvertaling van de uitgangspunten naar maatregelen in het plan vindt plaats in samenwerking met het waterschap. In deze uitgangspuntennotitie worden de volgende thema’s behandeld: • Watersysteem • Overbelasting watersysteem • Waterkwaliteit • Riolering • Drinkwatervoorziening • Beheer en onderhoud Deze uitgangspunten werken we hieronder verder uit. Het is nodig om in de plannen de uitgangspunten uit te werken. In de vervolgfase beoordeelt WDODelta de onderbouwing.
3.2. Watersysteem Het watersysteem is het samenhangend geheel van één of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken. Het is van belang om de aan- en afvoer van voldoende water via het watersysteem te kunnen waarborgen. Daarnaast is het waarborgen van de kwaliteit en ruimte voor water van groot belang. Oppervlaktewaterlichamen (watergangen) Binnen het plangebied ligt een beperkingengebied3 van een A-watergang (met een beschermingszone) en/of B-watergang van WDODelta, zoals weergegeven in figuur 1. Het beperkingengebied bij een Awatergang bestaat uit de watergang (van insteek tot insteek) en de beschermingszone, zoals aangegeven in onderstaande afbeelding. Bij een B-watergang bevat het beperkingen gebied alleen de B-watergang.
Het is noodzakelijk dat de functie van deze watergang(en) altijd is gegarandeerd. Binnen beperkingsgebieden gelden regels om de functie van deze watergangen te borgen. De regels zijn opgenomen in de Waterschapsverordening. 3 Bij of krachtens de Waterschapsverordening aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of
object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object
Watertoets - Normale procedure
pagina 7
Voor activiteiten binnen het beperkingengebied van een watergang doet u, afhankelijk van de activiteit die u wil gaan doen, een melding of een aanvraag voor een omgevingsvergunning bij WDODelta. Meer informatie vindt u hier op onze website: vergunningen. Lozingsactiviteiten (waterkwaliteitsbeheer) is van toepassing op alle typen oppervlaktewaterlichamen (A-, B- en overige oppervlaktewaterlichamen) in het watersysteem. Criteria oppervlaktewaterlichamen: • A-oppervlaktewaterlichamen (>25 l/s afvoer gedurende gemiddeld 1 tot 2 dagen per jaar): Dit zijn watergangen waar wij verantwoordelijk zijn voor de inrichting en het beheer en onderhoud. • B-oppervlaktewaterlichamen (>10 l/s afvoer en <25 l/s gedurende gemiddeld 1 tot 2 dagen per jaar): Wij zijn verantwoordelijk voor de inrichting en het beheer, maar de aanliggende eigenaar van de watergang is verantwoordelijk voor het onderhoud (we noemen dat onderhoudsplichtig4). Op de Bwatergangen wordt door het waterschap toezicht gehouden (dit noemen wij schouw). • Overige oppervlaktewaterlichamen, ook wel C-watergangen genoemd (<10 l/s afvoer gedurende gemiddeld 1 tot 2 dagen per jaar): De aanliggende eigenaar is verantwoordelijk voor het onderhoud.
Er geldt geen onderhoudsverplichting en wij houden geen toezicht of het onderhoud goed wordt uitgevoerd, behalve als de C-watergang in beheer is van WDODelta en met de omgeving onderhoudsafspraken zijn gemaakt. Wijzigingen aan het watersysteem5 Dempen of graven wateren: Voor het graven of dempen van watergangen (ook die niet in beheer zijn bij WDODelta) zijn regels. Voor de activiteit kan een melding of vergunning nodig zijn op basis van de Waterschapsverordening. U kunt hierover met ons overleggen of wij kunnen u hierover adviseren. WDODelta neemt nieuwe A-watergangen in beheer en onderhoud, nadat is vastgesteld dat deze nieuwe watergangen voldoen aan de daarvoor geldende (bovenstaande) criteria. Het is aan de initiatiefnemer om aan te tonen dat de watergang voldoet aan deze criteria.
3.3. Overbelasting watersysteem Bij kortstondige buien van geringe of enige intensiteit mag u hemelwater dat niet lokaal kan worden verwerkt, afvoeren, zonder dat dit leidt tot wateroverlast benedenstrooms van het plangebied. Bij extreme kortstondige buien, verblijft water voor korte tijd op het maaiveld, zonder dat dit tot overlast leidt. De ontwikkelaar houdt rekening met de randvoorwaarden die zowel wij als de gemeente stelt aan het voorkomen van wateroverlast. U houdt rekening met de randvoorwaarden die gemeenten stellen aan: • Vasthouden-bergen-afvoeren; • Benutten, lokaal verwerken of vertraagd afvoer van hemelwater op percelen en in de openbare ruimte; • Gescheiden houden van hemelwater en rioolwater; • Capaciteitseisen voor de afvoer van hemelwater; • Eisen die aan woningen, andere kwetsbare functies en openbare ruimte worden gesteld ter voorkoming van wateroverlast.
4
Onderhoud is het totaal van activiteiten met als doel, het in "een aanvaardbare conditie" houden of terugbrengen van de watergang. Specifieke kenmerken van deze conditie worden afgestemd met het waterschap. 5 De specificatie van ons watersysteem is op te vragen bij onze beheer afdeling.
Watertoets - Normale procedure
pagina 8
Achterliggende gedachte hierbij is dat hemelwater niet meer afgevoerd mag worden op het riool en uitgangspunt moet zijn het watersysteem te ontlasten en gebiedseigen water daar vast te houden waar het valt. Compensatie nieuwbouw grote plannen en uitbreidingslocaties (stedelijk gebied & landelijk gebied > 500 m2) Voor grote(re) plannen en uitbreidingslocaties geldt als regel, dat voor het totale aanwezige verhard oppervlak binnen het plan een berging, ter compensatie voor de versnelde afvoer, van het afstromende hemelwater benodigd is. Compensatie volgt de volgende trap: vasthouden-bergen-afvoeren. In het plan is na uitbreiding een totaal verhard oppervlak van ongeveer 1.235 m2 gerealiseerd. Dit houdt in dat een waterbergend oppervlak van 1.235 m2 * 0.08m = 99 m3 [kuub] aanwezig moet zijn of moet worden aangelegd. Bij de uitwerking van het plan moet beschreven zijn hoe en waar waterberging aanwezig is of wordt gerealiseerd. Het onderstaande uitgangspunten gelden: • Open water heeft een toegestane stijging tot aan de debietbegrenzer (watergangen, vijvers, etc.). De berging beslaat het deel tussen gehanteerd max. waterpeil en insteek/overstorthoogte o Een groot deel van het open water draagt bij aan berging van bestaand gebied.
De projectontwikkelaar/gemeente toont aan dat er 80 mm berging per m2 beschikbaar is voor de nieuwe ontwikkeling(en), waarbij rekening is gehouden met de berging voor bestaand gebied. • Water in bergingsvoorzieningen, zoals wadi’s: Hierbij rekenen we de bergings-/infiltratiecapaciteiten in de bodem (inclusief grondverbetering) niet mee. De hoogte van de berging is berekend vanaf de bodem wadi tot aan slokop/noodoverlaat. o Aanvullend hierop: een berging onder de grond - in de vorm van kratten of Rockflow - telt wel mee met de berging, mits deze niet gevuld zijn door infiltratie door hoge grondwaterstanden (GHG moet niet hoger zijn dan onder de onderkant van de kratten of Rockflow). • Berging in de bestaande gemengde riolering valt hier niet onder. • Let op: dat het oppervlak van de bovengrondse berging (bijvoorbeeld wadi of bergingsvijver) zelf ook meetelt bij het ‘afstromend oppervlak’ voor bepalen mm berging. Toetsbui voor extreme neerslagsituatie Wij toetsen het watersysteem op basis van een hoeveelheid neerslag die eens in de 100 jaar wordt overschreden. We houden rekening met een bui van 111 mm in 48 uur. De toegestane afvoer in deze neerslagsituatie is 1,6 l/s/ha. Het is belangrijk dat bij deze buien geen regenwater in woningen komen en belangrijke ontsluitingswegen blijven vrij van water.
Onderstaande tabel toont aan dat STOWA statistieken op basis van deze uitgangspunten leiden tot een bergingsopgave van 80 mm. Neerslagstatistiek Klimaatscenario Afvoer (l/s/ha) T=100 (maatgevend) Maatgevende bui duur (uur) Totale neerslaghoeveelheid (mm) Afvoer via oppervlaktewater (mm) Berging dak/straat/etc. (mm) Benodigde berging (mm)
Statistiek volgens Stowa rapport 201510 Huidig klimaat +10% 1,6 48 111 28 (≈ 1,6 l/ha in 48 uur) 3 80
Tabel 1: Overzicht van hoeveelheden en benodigde berging
Watertoets - Normale procedure
pagina 9
Extreme neerslag (boven normatieve situatie) Verder adviseren wij een stress-test uit te voeren met een bui die boven de genoemde normen uitgaat. Deze hoosbui kan lokaal tot veel wateroverlast leiden. Het is belangrijk dat u de gevolgen hiervan in beeld brengt. Het gaat in deze situatie vooral om de afstroming van het hemelwater over het maaiveld. De initiatiefnemer kiest welke boven normatieve situatie hij of zij bekijkt. Te denken valt aan een range van 60 mm tot 150 mm in een uur. Dat zijn zeer grote hoeveelheden, maar deze kunnen zeker met de verandering van klimaat voorkomen. De gemeente kan ook ervaring hebben met extreme gebeurtenissen en van daaruit een referentiekader hebben. Grondwateroverlast en kwel • Grondwateroverlast bij bebouwing: In gebieden waar grondwateroverlast op kan treden, adviseren wij de volgende voorkeursvolgorde toe te passen: (1) kruipruimte loos bouwen of het (2) ophogen van het plangebied. • Om een goed inzicht te krijgen in het grondwatersysteem adviseren wij om in overleg met ons zo spoedig mogelijk te starten met een grondwateronderzoek. Dit kan in eerste instantie op basis van bestaande peilbuizen binnen of in de omgeving van het plangebied. Indien noodzakelijk kan de initiatiefnemer nieuwe peilbuizen plaatsen. Mogelijk hebben wij ook peilbuizen op de locatie staan.
• Aanleghoogte van bebouwing: Voor de aanleghoogte van gebouwen (onderkant vloer begane grond) adviseren wij een aanleghoogte van de vloer van minimaal 80 cm ten opzichte van de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kunt u volstaan met een geringere ontwateringsdiepte (verschil grondwaterstand en maaiveld). Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen, adviseren wij om een drempelhoogte van 30 cm boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager (beneden het maaiveld_ gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) is het noodzakelijk om aandacht te besteden aan het voorkomen van wateroverlast.
3.4. Waterkwaliteit Het watersysteem en de waterketen wordt zo ontworpen dat het geen risico’s voor de volksgezondheid veroorzaakt en zorgt dat het voldoende schoon is voor mensen, planten en dieren. Beleid en regelgeving Voor de borging van waterkwaliteit zijn maatregelen geldend. Voor bepaalde stoffen zijn Europese normen vastgesteld, bijvoorbeeld voor gevaarlijke stoffen zoals lood, cadmium, oplosmiddelen en bestrijdingsmiddelen. Afvoer hemelwater • Kwaliteit afvoer hemelwater: o Schoon hemelwater mag worden afgevoerd naar oppervlaktewater (dakoppervlakken). o Voor overige afvoer en verwerking van hemelwater (vanaf verharding) is het gewenst om dit via een bodempassage te lozen op het oppervlaktewater. o In alle situaties geldt een voorkeur voor bovengronds afvoeren (zichtbaar). Anders is het noodzakelijke voorzieningen te treffen om eventuele foutieve ondergrondse aansluitingen te kunnen vaststellen. Wij houden hemelwater vast en alvorens een vertraagde afvoer. Wij adviseren om in het ontwerp geen uitlogende bouwmaterialen te gebruiken en duurzaam gebruik te maken van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afstromende hemelwater te garanderen. • Verversing oppervlaktewater: Geïsoleerde vijverpartijen of watergangen vermijden. Het is nodig dat het watersysteem zo ontworpen wordt dat er aandacht is voor verversing en wateraanvoer.
Stilstaand water - zeker bij opwarming en droogte – is kwetsbaar (met als gevolg bijvoorbeeld vissterfte).
Watertoets - Normale procedure
pagina 10
•
Peilbeheersing: Wij kunnen sturen in de waterkwaliteit door bijvoorbeeld water in te laten of juist af te voeren. In gebieden waar sloten droogvallen en wij geen water kunnen aanvoeren, is dit niet mogelijk. We adviseren om bij droogvallende watergangen een minimale waterdiepte te geven van 100 cm om te voorkomen dat ze droogvallen.
Verontreinigingen Bij verontreinigd afvalwater, bijvoorbeeld verontreinigd hemelwater, geldt de volgende voorkeursvolgorde voor het lozen van afvalwater: 1. het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; 2. verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; 3. afvalwaterstromen gescheiden worden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; 4. huishoudelijk afvalwater en, voor zover doelmatig en kostenefficiënt, afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt worden ingezameld en naar een zuiveringtechnisch werk getransporteerd; 5. ander afvalwater dan bedoeld onder 4 zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, opnieuw wordt gebruikt; 6. ander afvalwater dan bedoeld onder 4 lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht en 7. ander afvalwater dan bedoeld onder 4 naar een zuiveringtechnisch werk wordt getransporteerd. De gemeente of provincie gaan over lozingen in het openbaar rioolstelstel en het waterschap over lozing in het oppervlaktewater6. Afhankelijk van het soort afvalwater, gelden er regels uit de Waterschapsverordening of het Besluit activiteiten leefomgeving. Er kan een meldplicht of een vergunningplicht gelden, neem voor meer informatie contact op met het waterschap, of zo nodig met uw gemeente of provincie.