Toelichting Vlasbergen Uffelte (19-02-26)
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte
Status: Vastgesteld
Februari 2026
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte” Vastgesteld
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte
Plannaam: IMRO-nummer: Plantype: Status: Datum:
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte NL.IMRO.1701.567TAMVlasbergen1-0002 TAM-omgevingsplan Vastgesteld Februari 2026
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
2
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte” Vastgesteld
Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
INLEIDING ................................................... 5
AANLEIDING .............................................................................................................. 5 LIGGING VAN HET PLANGEBIED ......................................................................................... 5 DE BIJ HET PLAN BEHORENDE STUKKEN ............................................................................... 5 HET OMGEVINGSPLAN ................................................................................................... 6 LEESWIJZER .............................................................................................................. 7
HOOFDSTUK 2
HUIDIGE SITUATIE ......................................... 8
HOOFDSTUK 3
PLANBESCHRIJVING ....................................... 9
3.1 3.2 3.3
DE ONTWIKKELING ...................................................................................................... 9 VERKEER EN PARKEREN ............................................................................................... 11 BEELDKWALITEIT ...................................................................................................... 12
HOOFDSTUK 4 4.1 4.2 4.3 4.4
RIJKSBELEID ........................................................................................................... 13 PROVINCIAAL BELEID .................................................................................................. 16 BELEID WATERBELANGEN ............................................................................................. 18 GEMEENTELIJK BELEID ................................................................................................ 19
HOOFDSTUK 5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11
BELEIDSKADER ........................................... 13
ASPECTEN VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING ........ 22
GELUID DOOR ACTIVITEITEN ......................................................................................... 22 BODEMKWALITEIT ..................................................................................................... 24 LUCHTKWALITEIT ...................................................................................................... 25 OMGEVINGSVEILIGHEID ............................................................................................... 26 ECOLOGIE .............................................................................................................. 28 ARCHEOLOGIE & CULTUURHISTORIE ................................................................................. 30 WATERASPECTEN ...................................................................................................... 32 GEZONDHEID .......................................................................................................... 36 DUURZAAMHEID ....................................................................................................... 37 MILIEUEFFECTRAPPORTAGE ........................................................................................ 38 GEUR ................................................................................................................ 38
HOOFDSTUK 6 JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING40 6.1 6.2 6.3
INLEIDING .............................................................................................................. 40 OPZET VAN DE REGELS ................................................................................................ 40 VERANTWOORDING VAN DE REGELS ................................................................................. 42
HOOFDSTUK 7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID .................... 44 7.1 7.2 7.3
ALGEMEEN .............................................................................................................. 44 KOSTENVERHAAL ...................................................................................................... 44 SITUATIE PLANGEBIED ................................................................................................ 44
HOOFDSTUK 8 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID ............. 45 8.1 8.2 8.3
PARTICIPATIE .......................................................................................................... 45 AFSTEMMING OVERLEGPARTNERS .................................................................................... 45 ZIENSWIJZEN .......................................................................................................... 45
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING ............................................. 46 BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4 BIJLAGE 5 BIJLAGE 6
BEELDKWALITEITSPLAN ...................................................................................... 46 AKOESTISCH ONDERZOEK WEGVERKEERSLAWAAI ......................................................... 47 HISTORISCH BODEMONDERZOEK ........................................................................... 48 STIKSTOFONDERZOEK ....................................................................................... 49 QUICKSCAN FLORA EN FAUNA ............................................................................... 50 ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK .............................................................................. 51
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
3
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte” Vastgesteld BIJLAGE 7 BIJLAGE 8 BIJLAGE 9 BIJLAGE 10 BIJLAGE 11
WATERTOETS – NORMALE PROCEDURE ..................................................................... 52 MER-BEOORDELING ......................................................................................... 53 PARTICIPATIEVERSLAG ....................................................................................... 54 BEZONNINGSTUDIE .......................................................................................... 55 ZIENSWIJZENNOTA ........................................................................................... 56
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
4
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte” Vastgesteld
HOOFDSTUK 1
1.1
INLEIDING
Aanleiding
Voorliggend TAM-omgevingsplan heeft betrekking op de gronden ten noorden en oosten van het woonperceel aan de Vlasbergen 1 in Uffelte (hierna: plangebied). Het voornemen is om binnen het plangebied grondgebonden woningen te realiseren. Concreet gaat het om maximaal 22 grondgebonden woningen, bestaande uit een mix van vrijstaande woningen (2), twee-onder-één-kapwoningen (6) en rijwoningen (14). Het voornemen is niet in overeenstemming met het geldend omgevingsplan. Om het voornemen te realiseren, is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in de gewenste juridisch-planologische kader en toont aan dat het voornemen in overeenstemming is met ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.
1.2
Ligging van het plangebied
Het plangebied bevindt zich aan de Vlasbergen binnen de bebouwde kom van Uffelte. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied in Uffelte en ten opzichte van de directe omgeving weer.
Afbeelding 1.1
1.3
Ligging plangebied (bron: plattekaart.nl)
De bij het plan behorende stukken
Het TAM-omgevingsplan “TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte” bestaat uit de volgende stukken: • •
verbeelding (tek. nr. NL.IMRO.1701. 567TAMVlasbergen1-0002) en een renvooi; regels (met bijbehorende bijlagen).
Op de verbeelding zijn de functies en gebiedsaanwijzingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld met een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van de wijziging van het omgevingsplan en de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van de wijziging.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
5
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte” Vastgesteld
1.4
Het omgevingsplan
1.4.1
Geldend omgevingsplan
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Westerveld. Ter plaatse van het plangebied is sprake van het tijdelijke omgevingsplan zoals deze in werking is getreden op 1 januari 2024. Daarbij heeft de laatste wijziging plaatsgevonden op 17 juli 2024. Het tijdelijke omgevingsplan bestaat uit de volgende documenten: • • •
Bestemmingsplan Uffelte (vastgesteld 26 mei 2009); Kleinschalige hernieuwbare energie (vastgesteld 20 december 2022); Omgevingsplan gemeente Westerveld (in werking vanaf 17-07-2024)
Voor de duiding van het planologische regime van het plangebied is met name het bestemmingsplan “Uffelte” van belang. Het omgevingsplan bevat in de huidige situatie namelijk uitsluitend de regels van de bruidsschat. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding behorend bij het bestemmingsplan opgenomen. Het plangebied is hierin indicatief weergegeven met rode lijn.
Afbeelding 1.2
1.4.2
Verbeelding behorende bij bestemmingsplan “Uffelte” (Bron: gemeente Westerveld)
Beschrijving bestemmingen
Agrarische doeleinden De voor ‘Agrarische doeleinden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het weiden van vee en/of het verbouwen van gewassen. Ter plaatse mogen uitsluitend andere-bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.
Woondoeleinden De voor ‘Woondoeleinden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis verbonden beroep, een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit of bed & breakfast met daarbijbehorende gebouwen, andere-bouwwerken, tuinen en erven. Hoofdgebouwen (woningen) dienen binnen een bouwvlak te worden gebouwd. Ter hoogte van het plangebied is binnen de bestemming ‘Woondoeleinden’ geen bouwvlak opgenomen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
6
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte” Vastgesteld Tuin De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuin behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen, met daarbij behorende bouwwerken, erven en parkeervoorzieningen. Archeologisch waardevol gebied De voor ‘Archeologisch waardevol gebied’ aangewezen gronden zijn naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen (basisbestemmingen) tevens bestemd voor het behoud en de bescherming van de voorkomende archeologische waarden.
Gebied wijzigingsbevoegdheid (Wijzigingsbevoegdheid I) Omdat per 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking is getreden, kunnen burgemeester en wethouders geen wijzigingsplan meer vaststellen. Het is daarom niet noodzakelijk uitgebreid stil te staan bij deze wijzigingsbevoegdheid. De wijzigingsbevoegdheid voorzag in de mogelijkheid om de bestemming ‘Agrarische doeleinden’ te wijzigen ten behoeve van woningbouw. 1.4.3
Volledige beschrijving strijdigheden met geldend bestemmingsplan
Op basis van het geldende omgevingsplan is realisatie van voorgenomen ontwikkeling niet toegestaan. Dit vanwege het ontbreken van passende bouw- en gebruiksregels. Voorliggend TAMomgevingsplan voorziet in de gewenste juridische planologische kaders om het voornemen te kunnen realiseren. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAMomgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. Juridisch maakt het TAMomgevingsplan deel uit van het omgevingsplan van de gemeente. Technisch is het dat niet, waardoor aanvullende (voorrangs)regels noodzakelijk zijn. Hier wordt in hoofdstuk 6 nader op ingegaan.
1.5
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de gewenste situatie, de planbeschrijving. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie Drenthe en de gemeente Westerveld beschreven. In hoofdstuk 5 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten in de fysieke leefomgeving de revue. In hoofdstuk 6 wordt de ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Tot slot wordt in hoofdstuk 8 vooroverleg, inspraak en zienswijzen besproken.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
7
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte” Vastgesteld
HOOFDSTUK 2
HUIDIGE SITUATIE
Het plangebied ligt in het noordoostelijke deel van de bebouwde kom van Uffelte. Ten oosten van het plangebied bevindt zich de Rijksweg N371 met hiernaast de Drentse Hoofdvaart. Aan de overige zijden is hoofdzakelijk sprake van woonpercelen als onderdeel van de kern Uffelte. Het plangebied zelf betreft een grotendeels onbebouwd agrarisch perceel dat behoort tot het woonperceel aan de Vlasbergen 1. Binnen het plangebied bevindt zich één bijgebouw behorend bij het woonperceel. Dit bijgebouw zal als onderdeel van de ontwikkeling worden gesloopt. De onbebouwde gronden worden gebruikt voor het hobbymatig beweiden van enkele paarden. Afbeelding 2.1 geeft de huidige ligging en invulling van het plangebied weer.
Afbeelding 2.1
Luchtfoto huidige situatie plangebied (Bron: PDOK.nl)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
8
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte” Vastgesteld
HOOFDSTUK 3
PLANBESCHRIJVING
In hoofdstuk 2 is ingegaan op de huidige situatie in het plangebied. In dit hoofdstuk wordt op de ontwikkeling zelf ingegaan.
3.1
De ontwikkeling
3.1.1
Programma en woningtypologie
Zoals in paragraaf 1.1 reeds is aangegeven, is het voornemen om binnen het plangebied maximaal 22 grondgebonden woningen met bijbehorende bijgebouwen, tuinen, erven en infrastructurele en parkeervoorzieningen te realiseren. Het gaat hierbij om een mix van vrijstaande woningen (2), tweeonder-één-kapwoningen (6) en rijwoningen (14). Het gaat in alle gevallen om koopwoningen. De rijwoningen zijn beoogd in het betaalbare segment. Door de mix van de verschillende type woningen kan een brede doelgroep worden bediend. Hierbij kan gedacht worden aan gezinnen, starters, senioren en kleinere huishoudens (1 of 2 persoons). In afbeelding 3.1 is de beoogde situatie ter plaatse van het plangebied weergegeven. Verder zijn in afbeelding 3.2 en 3.3 (vogelvlucht) impressies opgenomen.
Afbeelding 3.1
Beoogde situatie plangebied (Bron: De Bruin Architecten)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
9
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte” Vastgesteld
Afbeelding 3.2
Vogelvlucht impressie (Bron: De Bruin Architecten)
Afbeelding 3.3
Straatbeeld impressie (Bron: De Bruin Architecten
3.1.2
Stedenbouwkundige opzet en ruimtelijke inpassing
Zoals weergegeven in afbeelding 3.1 wordt de beoogde woonbuurt ontsloten op de Vlasbergen. Een deel van het parkeren wordt gerealiseerd op het eigen erf. Daarnaast worden twee parkeerhavens gerealiseerd. Alle woningen bestaan uit één of twee bouwlagen met een kap. Dit sluit goed aan op de bebouwing in de omgeving. Aan de oostzijde van het plangebied is momenteel een groenstrook met bomen aanwezig. Deze blijft behouden. Hierdoor blijft de groene uitstraling zoveel als mogelijk behouden. Tot slot is binnen het plangebied ruimte voor groen, wadi’s en een speelplaats.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
10
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte” Vastgesteld 3.1.3
Bezonning
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een bezonningsstudie uitgevoerd. De bezonningstudie is opgenomen in bijlage 10 van deze plantoelichting, hierna wordt ingegaan op de belangrijkste bevindingen. In de studie is de schaduwwerking van het bouwplan inzichtelijk gemaakt op representatieve peildata gedurende het jaar (21 maart, 21 juni, 23 september en 22 december) op meerdere tijdstippen per dag. Uit de studie blijkt dat de schaduwwerking zich hoofdzakelijk binnen het plangebied voordoet en gedurende de dag verschuift. Gelet op de situering en bouwhoogte van de woningen is geen sprake van een onevenredige aantasting van de bezonningssituatie van omliggende percelen.
3.2
Verkeer en parkeren
3.2.1
Algemeen
De gemeente heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan 2020-2030 (GVVP). Ten aanzien van de parkeernormen wordt daarin vermeld dat bij nieuwe ontwikkelingen de parkeerkencijfers uit de CROW publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren - van parkeerkencijfers naar parkeernormen) als parkeernorm worden gehanteerd. In augustus 2024 heeft de CROW de parkeernormen geactualiseerd in de publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024 Basis voor parkeernormering’. In afwijking van het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan 2020-2030 is uitgegaan van de meest recente parkeernormen. Ook voor de verkeersgeneratie heeft het CROW in de publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024 Basis voor parkeernormering’ kencijfers opgenomen. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. 3.2.2
Uitgangspunten
Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone, parkeernorm en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •
Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk (Bron: CBS Statline); Stedelijke zone: rest bebouwde kom.
In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. In voorliggend geval is van het maximum uitgegaan. Hierbij is tevens een bezoekersaandeel toegevoegd van 0,2 parkeerplaats per woning. Op basis van de CROW-uitgave gelden voor de te realiseren woningen in het plangebied de volgende gemiddelde parkeernormen en normen voor de verkeersgeneratie. Hierbij is uitgegaan van een maximale invulling van het plangebied. Functie/activiteit Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, twee-onderéénkap Koop, huis, tussen / hoek 3.2.3
Parkeernorm per woning 2,6 2,5
Verkeersgeneratie per woning 8,6 8,2
2,0
7,8
Parkeerbehoefte
Het uitgangspunt voor parkeren is dat er binnen het plangebied voldoende ruimte beschikbaar moet zijn om aan de parkeerbehoeften te voldoen. In de volgende tabel is de parkeerbehoefte weergegeven. Hierbij wordt opgemerkt dat voor de rijwoningen is uitgegaan van een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen per woning (incl. aandeel bezoekers) in plaats van 2,4 parkeerplaatsen per woning. De geplande rijwoningen zijn gericht op een specifieke doelgroep binnen het betaalbare segment. De standaard parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per woning is gebaseerd op gemiddelde bezitcijfers die minder representatief zijn voor deze specifieke doelgroep. Het is daarom te BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
11
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte” Vastgesteld verantwoorden om een uit te gaan van een lagere parkeernorm. Door de parkeernorm te verlagen is meer ruimte beschikbaar voor groenvoorzieningen, openbare ruimte en andere voorzieningen die bijdragen aan de leefkwaliteit van het plangebied. Indien in de toekomst toch behoefte blijkt te zijn aan extra parkeerplaatsen, dan kan overwogen worden om langs de toegangsweg extra parkeerplaatsen te realiseren. Vooralsnog wordt dit niet noodzakelijk geacht. Woningtype Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, tweeonder-éénkap Koop, huis, tussen / hoek
Norm 2,6 2,5
Aantal 2 6
Parkeerbehoefte 5,2 15,0
2,0
14
28,0
Totale parkeerbehoefte
49 (afgerond)
De totale maximale parkeerbehoefte bedraagt afgerond 49 parkeerplaatsen. Binnen het plangebied is ruimte voor ten minste 49 parkeerplaatsen. Hiermee wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen binnen het plangebied. Hieruit volgt dat het 'parkeren' geen belemmering vormt voor de voorgestelde ontwikkeling binnen dit plan. 3.2.4
Verkeersgeneratie en ontsluiting
De beoogde woonbuurt wordt middels een aan te leggen ontsluitingsweg ontsloten op zowel de Vlasbergen als de Goorn. In de volgende tabel is de toekomstige verkeergeneratie weergegeven. Woningtype Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, tweeonder-éénkap Koop, huis, tussen / hoek
Norm 8,6 8,2
Aantal 2 6
Verkeersbewegingen 17,2 49,2
7,8
14
109,2
Totaal aantal verkeersbewegingen
176 (afgerond)
Als gevolg van voorgenomen ontwikkeling is sprake van een toename van afgerond 176 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. De Vlasbergen, de Goorn en omliggende infrastructuur zijn in voldoende mate ingericht om de toekomstige verkeersbewegingen eenvoudig en veilig af te kunnen wikkelen. De ontwikkeling leidt dan ook niet tot verkeersproblemen. Bekend is dat er klachten bestaan over het smalle profiel van de Vlasbergen. Met het oog op een veilige verkeersafwikkeling is daarom met de ontwikkelende partij afgesproken dat de Vlasbergen over de gehele lengte tussen de N371 en de Lindenlaan met circa 1,10 meter wordt verbreed. Door deze verbreding ontstaat een wegprofiel dat voldoende ruimte biedt om autoverkeer in twee richtingen af te wikkelen. Hiermee wordt de verkeersveiligheid verbeterd en wordt voorzien in een passende ontsluiting van de ontwikkeling. 3.2.5
Conclusie
Vanuit het aspect verkeer en parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.3
Beeldkwaliteit
Om de toekomstige bouwplannen in dit plan op de gewenste beeldkwaliteit te kunnen toetsen is er een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het volledige beeldkwaliteitsplan is opgenomen in bijlage 1 van deze motivering. Het beeldkwaliteitsplan legt de stedenbouwkundige en architectonische kwaliteitsuitgangspunten vast. Het geldt samen met het omgevingsplan als toetsingskader voor de ruimtelijke uitwerkingen die voor de locatie zijn opgesteld. Dit toetsingskader wordt gehanteerd door de gemeente Westerveld en de welstandscommissie bij de beoordeling van bouwplannen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
12
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte” Vastgesteld
HOOFDSTUK 4
BELEIDSKADER
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal-, waterschaps- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.
4.1
Rijksbeleid
4.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
4.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 4.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.
Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.
Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
13
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte” Vastgesteld 4.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. 4.1.2
Instructieregels Rijks (Amvb’s)
Het omgevingsplan bevat op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In afdeling 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen voor het stellen van regels in het omgevingsplan. Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat: o o o o o o
o
waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2) beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3) beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Zie stap 11f van hoofdstuk 3. In de onderbouwing moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden. Hierna is een uitwerking gegeven inzake de Ladder voor duurzame verstedelijking, omdat deze in de praktijk veel voorkomt. Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De Ladder voor duurzame verstedelijking is geïntroduceerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR: voorganger van de NOVI). Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen en vervolgens beleidsneutraal overgezet naar het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit geldt ook voor de reeds opgebouwde jurisprudentie.
Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’, ‘stedelijke ontwikkeling’ en nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
14
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte” Vastgesteld bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. Uit Afdelingsjurisprudentie blijkt dat de vraag wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in grote mate casuïstisch wordt beantwoord. Zo heeft de Afdeling uitgemaakt dat de bouw van 11 woningen niet als stedelijke ontwikkeling wordt gezien.
De raad is van oordeel dat gelet op het aantal woningen het plan niet voorziet in een woningbouwlocatie of andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 5.129g Bkl. Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). 4.1.3
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het Rijksbeleid
4.1.3.1 Toetsing van het initiatief aan de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In dit geval is sprake van een relatief kleinschalige woningbouwontwikkeling. Het rijksbeleid laat zich, met uitzondering van de ladder voor duurzame verstedelijking, niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. Er zijn geen nationale belangen in het geding en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI of de instructieregels. 4.1.3.2 Toetsing van het initiatief aan instructieregels Rijks (Amvb’s) In deze toelichting wordt ingegaan op de in paragraaf 4.1.2 genoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. 4.1.3.3 Toetsing van het initiatief aan de Ladder voor duurzame verstedelijking Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen'. Er zijn inmiddels meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over deze begripsdefinitie. Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Er is geen ondergrens bepaald voor wat een ‘stedelijke ontwikkeling’ is.
Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang (toename van bebouwing of ruimtegebruik) van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Uit afdelingsjurisprudentie blijkt dat voor het realiseren van woningen geldt, dat woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen worden gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling en dus ladderplichtig. Hieronder worden deze uitspraken weergegeven: • •
11 woningen geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 ECLI:NL:RVS:2015:2921) 12 woningen wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS ECLI:NL:RVS:2015:953).
september
2015;
25
2015;
maart
De voorgenomen ontwikkeling gaat uit van het toevoegen van 22 woningen. Een toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook noodzakelijk. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Voordat de behoefte in beeld kan worden gebracht, moet ten eerste duidelijk zijn wat het ruimtelijk verzorgingsgebied voor de ontwikkeling betreft. De behoefte moet worden bepaald binnen het BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
15
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte” Vastgesteld ruimtelijk verzorgingsgebied van de woningbouwontwikkeling. De aard en de omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Voorliggend plan voorziet in het realiseren van 22 woningen in Uffelte. De nieuwbouwplannen in de provincie Drenthe worden onder andere op regionaal en provinciaal niveau met elkaar afgestemd. Deze afstemming bestaat onder meer uit het verdelen van de door de provincie toegestane woningaantallen, waarbij op basis van de woningbehoefteraming de plannen verdeeld worden over de tot de regio behorende gemeenten, en hun onderliggende kernen. De kwalitatieve vertaalslag naar type woningen, prijsklassen, doelgroepen etc. wordt op lokaal niveau gemaakt en ook de realisatie is een gemeentelijke activiteit. Feitelijk is er dus sprake van een lokaal woningbouwprogramma waarvan regionaal is afgestemd dat de totale productie binnen de door de provincie gestelde bandbreedte blijft. Het ruimtelijk verzorgingsgebied kan gelet op het feit dat in voorliggend geval vooral voor de lokale behoefte wordt gebouwd worden beperkt tot de gemeente Westerveld en de direct omliggende gemeenten/kernen.
Beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling De gemeente en corporaties in de gemeente Westerveld willen een goed beeld van het functioneren van de woningmarkt. De turbulentie op de woningmarkt is hoog. Nieuwe woningzoekenden melden zich. Verhuizingen over gemeentegrenzen heen nemen toe. Als hier geen rekening mee wordt gehouden, ontstaat groeiende concurrentie op de woningmarkt met nadelige gevolgen voor groepen woningzoekers: starters, mensen met een laag of middeninkomen, mensen met spoed op zoek naar een huis, etc. De veranderende situatie op de woningmarkt vraagt aandacht en inzet van gemeenten en corporaties. Op 6 september 2022 heeft de raad van de gemeente Westerveld een addendum op de Woonvisie vastgesteld. De tijd en de woningbouwopgaven hebben de bestaande Woonvisie 2019-2025 ingehaald. Deze actualisatie in de vorm van het addendum dient als kader voor het uitvoeringsprogramma woningbouw voor de komende vier jaar. Gemeente Westerveld heeft de ambitie om 1.000 nieuwe woningen voor 2030 te realiseren. Hierbij gaat het tevens om de herbestemming van (deels) leegstaande panden. Voor Havelte en omliggende dorpen (waaronder Uffelte) geldt een bouwopgave van minimaal 160 en maximaal 200 woningen. Bij voorkeur gaat het hier om grondgebonden woningen. De gewenste woningtypen betreffen 50% betaalbaar en 50% duur.
Met voorgenomen ontwikkeling worden diverse woningtype mogelijk gemaakt. Toetsing aan de behoefte Kwantitatief is er nog ruimte voor de toevoeging van woningen in Uffelte. Kwalitatief wordt ingespeeld op meerdere relevante doelgroepen door het gedifferentieerde woonaanbod binnen dit project. Er wordt dan ook geconcludeerd dat er een concrete behoefte is aan het voornemen. Ligt de ontwikkeling binnen of buiten bestaand stedelijk gebied? De ruimtevraag moet bij voorkeur worden opgevangen in het bestaand stedelijk gebied. Op basis van gebied specifieke situaties dient bepaald te worden wat wordt ervaren als stedelijk gebied. In het Bkl is een definitie opgenomen voor het stedelijk gebied. De definitie luidt: ‘Op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen. In voorliggend geval betreft het plangebied een binnenstedelijke locatie in de kern Uffelte.
Met de voorgenomen herontwikkeling wordt de ruimtevraag naar woningen binnen het bestaande stedelijk gebied opgevangen en is er sprake van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. De ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking. Het project is hiermee in overeenstemming met het rijksbeleid.
4.2
Provinciaal beleid
Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste betreffen de Omgevingsvisie Drenthe 2022 en de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe (versie 2023).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
16
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte” Vastgesteld 4.2.1
Omgevingsvisie Drenthe 2022
4.2.1.1 Algemeen Met de Omgevingsvisie Drenthe 2022 geeft de provincie invulling aan de verplichte strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving op grond van de Omgevingswet. De Omgevingsvisie gaat in op de samenhang tussen landbouw, natuur, water, wonen, werklocaties, verkeer en vervoer, landschap en cultureel-, aardkundig- en archeologisch erfgoed. De visie beschrijft de provinciale belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing, beschrijft het beleid en schetst de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van Drenthe richting 2030. De Omgevingsvisie 2022 is een geactualiseerde versie van de Omgevingsvisie 2018. De maatschappij verandert snel, en het provinciale beleid verandert mee. Al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving dat sinds 2018 nieuw of gewijzigd is vastgesteld, is doorgevoerd in de Omgevingsvisie 2022. 4.2.1.2 Ruimtelijke kwaliteit en robuuste systemen De provincie Drenthe verwoordt haar missie als volgt: ‘Het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe, passend bij deze kernkwaliteiten.’ Onder de Drentse kernkwaliteiten worden landschap, cultuurhistorische waarden, archeologische waarden, aardkundig erfgoed, natuur, stilte en duisternis verstaan.
De missie draagt uit dat de provincie Drenthe bij nieuwe ontwikkelingen bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de provincie. Onder ‘bruisend Drenthe’ verstaat de provincie Drenthe een provincie waar het goed wonen en werken is en waar voor jong en oud veel te beleven valt. Een provincie waar ondernemerschap, cultuur en sport floreren. Deze missie wordt vervolgens verwoordt in de visie ‘Ontwikkeling van robuuste systemen mét ruimtelijke kwaliteit.’ De provincie Drenthe ordent de ruimte van de provincie in vier functies: natuur, landbouw, water en sociaaleconomisch. Voor deze functies streeft de provincie naar robuustheid. Dat betekent dat een functie zo stevig is, dat het weinig gevoelig is voor verstoringen. Hiervoor zijn de volgende robuuste systemen aangewezen: • • • •
Het robuust sociaaleconomisch systeem: heeft betrekking op wonen, werklocaties, infrastructuur en een gezond economisch klimaat; Het robuust landbouwsysteem: heeft betrekking op de ontwikkeling van een toekomstgerichte landbouw; Het robuust natuursysteem: heeft betrekking op de natuurgebieden en de verbindingen die de ruggengraat vormen voor de natuur; Het robuust watersysteem: betreft de samenhang van beken en kanalen die zorgdragen voor een optimaal waterbeheer.
4.2.1.3 Uitwerking robuuste systemen Gelet op vorenstaande is voor onderhavig voornemen voornamelijk het robuust sociaaleconomisch systeem en robuust natuursysteem relevant. Onderstaand is dit nader uitgewerkt. Robuust sociaaleconomisch systeem Ten aanzien van het voornemen is met name het thema wonen relevant. Wonen De woningnood in Nederland wordt ook gevoeld in Drenthe. De regio Oost-Drenthe is door het Rijk aangewezen als één van de regio’s waar de bevolkingskrimp in Nederland het sterkt is, maar deze laat zich vooralsnog niet vertalen in huishoudenskrimp. Dit komt omdat huishoudens steeds kleiner worden, waardoor de krimp opgevangen wordt door de vraag naar de woningen. De autonome woningbouwopgave in Drenthe krijgt tot 2020 te maken met een daling van het aantal huishoudens, maar hier tegenover staat dat vanuit Groningen en Zwolle sprake is van een regionaal overkokende woningvraag die landt in de Drentse gemeenten. Per saldo betekent dit een woningbehoefte van ca. 10.000 tot 20.000 extra woningen tot en met 2030. De provincie zet in om toekomstbestendige woningen voor jong en oud. Dat betekent duurzaam, betaalbaar en passend bij de woonwens. Toetsing van het initiatief aan het sociaaleconomisch systeem
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
17
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte” Vastgesteld Dit project voorziet in de realisatie van 22 woningen met een gedifferentieerd aanbod. Hiermee wordt zowel kwantitatief als kwalitatief bijgedragen aan de provinciale woningbouwbehoefte. 4.2.1.4 Toetsing van het initiatief aan Omgevingsvisie Drenthe Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de ‘Omgevingsvisie Drenthe 2022’. 4.2.2
Omgevingsverordening Drenthe
De provinciale omgevingsverordening is een instrument om het omgevingsbeleid uit de provinciale omgevingsvisie uit te kunnen voeren. In de verordening staan de regels die bij deze plannen en ideeën gelden. Gemeenten en waterschappen moeten aan de regels uit deze verordening voldoen bij het opstellen van hun ruimtelijke plannen. In voorliggend geval is met Omgevingsverordening relevant.
name
artikel
3.16
(woningbouw)
uit
de
Provinciale
Artikel 3.16: Woningbouw Een omgevingsplan dat in Landelijk Gebied aansluitend op Bestaand Stedelijk Gebied voorziet in nieuwe woningbouw, toont de behoefte aan op basis van de gemeentelijke woonvisie. De gemeentelijke woonvisie ten aanzien van de woningvoorraad: a. b. c. d. e.
draagt bij aan balans tussen vraag en aanbod in de gehele Drentse woningvoorraad op de lange termijn en is hiertoe afgestemd binnen de woningmarktregio's; benoemt ten minste de kwaliteit, kwantiteit, doelgroepen, duurzaamheid en kernenstructuur; schetst de opgaven in de bestaande woningvoorraad; geeft aan op welke wijze balans op lange termijn wordt gerealiseerd, en geeft een lange termijnbeeld.
Toetsing van het initiatief aan Artikel 3.16 De voorgenomen ontwikkeling gaat uit van het toevoegen van 22 woningen op een inbreidingslocatie in bestaand stedelijk gebied. Formeel is voorgenoemd artikel daarom niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling. Volledigheidshalve wordt vermeld dat in paragraaf 4.3 wordt aangetoond dat deze woningbouwontwikkeling past binnen de gemeentelijke en lokale woonbehoefte, zoals beschreven in de gemeentelijke woonvisie van de gemeente Westerveld. Artikel 3.16 van de provinciale omgevingsverordening staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg. 4.2.3
Toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid.
4.3
Beleid waterbelangen
4.3.1
Vigerend beleid
4.3.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
18
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte” Vastgesteld 4.3.1.2 Rijksbeleid Het Nationaal Waterprogramma (NWP) 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 20162021 en het Beheer en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2016-2021. Het NWP komt voort uit de Waterwet en met het oog op de Omgevingswet zijn deze twee plannen samengevoegd tot één programma. In het NWP staan de internationale verplichtingen voortkomend uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR) en de Kaderrichtlijn Maritieme Strategie (KRM). Het Nationaal Waterprogramma geeft op hoofdlijnen het beleid aan van het Rijk in de periode 2022 – 2027. Door klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, het verlies aan biodiversiteit en ruimtedruk worden de wateropgaven steeds groter en complexer. De opgaven zijn complex door deze in samenhang met de opgaven voor energietransitie, de woningbouw, de transitie van het landelijk gebied en de verouderde infrastructuur aan te pakken. Bij de ruimtelijke inrichting van Nederland zijn daarvoor water en bodem leidend. Het vraagt daarvoor in te zetten op klimaat- en landbouwtransitie en herstel voor natuur. 4.3.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Drenthe wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten.
De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 4.3.1.4 Waterschap Drents Overijsselse Delta Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Drents Overijsselse Delta heeft in november 2021 het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' vastgesteld. Het programma bevat de uitwerking van de ambities in onze Watervisie “Meer dan water” en geeft voor de periode 2022 tot en met 2027 aan wat de maatregelen zijn om het watersysteem, de waterketen en de waterkeringen op orde te brengen en de maatschappelijke doelen van het waterschap te realiseren. Een waardevolle aanvulling op de Watervisie is de doorvertaling van de doelen en maatregelen van het waterschap in gebiedsuitwerkingen. 4.3.2
Toetsing van initiatief aan beleid waterschap Drents Overijsselse Delta
Voor de toetsing aan het initiatief aan het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta wordt verwezen naar paragraaf 5.7. Hier wordt verder ingegaan op de toetsing aan het beleid van het waterschap.
4.4
Gemeentelijk beleid
Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van beleidsplannen op het gebied van wonen, gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema’s gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsvisie en andere voor voorliggend initiatief relevante beleidsstukken. 4.4.1
Omgevingsvisie Westerveld
4.4.1.1 Algemeen Deze Omgevingsvisie bevat het toekomstbeeld van en voor de gemeente Westerveld. De omgevingsvisie is de integrale langetermijnvisie op de ontwikkeling van de gemeente en gaat over de hele fysieke leefomgeving. Voor 2040 heeft de gemeente vijf ambities: • • •
Een bereikbaar en veilig Westerveld; Een bedrijvig en gastvrij Westerveld; Een leefbaar en inclusief Westerveld; BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
19
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte” Vastgesteld • •
Een gezond en groen Westerveld; Een herkenbaar en toekomstgericht Westerveld.
Samen met de gemeente brede keuzes vormen deze vijf ambities de basis voor de Visiekaart. Op basis van de ligging van het plangebied op de Visiekaart zijn met name de keuzes en ambities behorend bij deelgebied ‘Oude veldontginningen’ van toepassing. 4.4.1.2 Uitwerking deelgebiedsvisie Het plangebied ligt in het gebiedskompas/deelgebied ‘overige dorpen’. De gemeente Westerveld kent een groot aantal dorpen en buurtschappen. Ieder dorp is uniek, kent zijn eigen geschiedenis en heeft daardoor een eigen identiteit ontwikkeld. De dorpen kunnen worden opgesplitst in twee typen dorpen te weten ‘woondorpen’ en ‘dynamische dorpen’. Uffelte valt onder het type ‘dynamische dorpen’. Dynamische dorpen liggen qua omvang tussen de woondorpen en de voorzieningendorpen in. Naast de woonfunctie zijn er nog een paar voorzieningen aanwezig zoals bijvoorbeeld een dorpshuis of een basisschool. Koers Omdat elk dorp uniek is, is maatwerk erg belangrijk. In alle dorpen is ruimte voor (beperkte) woningbouw. Wat betreft woningbouw in de overige dorpen wordt gekozen voor een vraag gestuurde aanpak. Eigen initiatieven worden toegejuicht. Hierbij geldt wel in alle gevallen dat het 'dorpse en groene karakter' van onze dorpen een belangrijke pijler van onze woonkwaliteit is. Het behouden van de ruimtelijke kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een belangrijk uitgangspunt.
4.4.1.3 Toetsing aan de ‘Omgevingsvisie Westerveld’ Dit plan gaat uit van de realisatie van 22 woningen in het dorp Uffelte. Hierbij is sprake van een gedifferentieerd aanbod in woningtypen om zodoende optimaal te kunnen voorzien in de lokale behoefte, binnen de kaders van een haalbare planontwikkeling. Naast de basisvoorzieningen (woningen, ontsluiting, parkeren etc.) voorziet het plan in voldoende ruimte voor nieuwe groeninpassing. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling aansluit bij de visie en ambities zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Westerveld. 4.4.2
Woonvisie 2019 – 2025 en Addendum op de Woonvisie
4.4.2.1 Algemeen In de woonvisie zijn de gemeentelijke ambities om het woonklimaat te behouden en te versterken vastgelegd. De woonvisie is een visie voor de lange termijn waarbij als stip op de horizon 2025. De gemeente Westerveld heeft aan de hand van vijf hoofdthema’s haar wens vertaald: 1. 2. 3. 4. 5.
Profileren als woongemeente; Beschikbaarheid en betaalbaarheid sociale huur; Bestaande voorraad en verduurzaming; Wonen met zorg; Woningmarktopgave (nieuwbouw, transformatie).
Binnen dit project zijn met name de thema’s ‘profileren als woongemeente’, ‘beschikbaarheid en betaalbaarheid sociale huur’ en ‘woningmarktopgave (nieuwbouw, transformatie)’ aan de orde. In een onderzoek naar de leefstijlen van huishoudens in de gemeente Westerveld komen drie groepen sterk naar voren: ‘landelijk leven’, ‘vrijheid en ruimte’ en ‘welverdiend genieten’. Bereikbaarheid en leefbaarheid in de dorpen zijn belangrijk om te profileren als woongemeente. De gemeente wenst vraag en aanbod goed op elkaar af te stemmen. Ook focust de gemeente zich op kwalitatieve woningvraag. 4.4.2.2 Addendum op de woonvisie Op 6 september 2022 heeft de raad van de gemeente Westerveld een addendum op de Woonvisie vastgesteld. De tijd en de woningbouwopgaven hebben de bestaande Woonvisie 2019-2025 ingehaald. Deze actualisatie in de vorm van het addendum dient als kader voor het
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
20
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte” Vastgesteld uitvoeringsprogramma woningbouw voor de komende vier jaar. Gemeente Westerveld heeft de ambitie om 1.000 nieuwe woningen voor 2030 te realiseren. Hierbij gaat het tevens om de herbestemming van (deels) leegstaande panden. De basisopgave voor gemeente Westerveld is een minimale bouwopgave van 450 tot 500 woningen voor diverse doelgroepen. Uit de huidige plancapaciteit en toekomstige plannen blijkt dat verwacht wordt dat er tot 2030 een aantal van 100 of 200 woningen gerealiseerd worden op basis van particuliere plannen voor ruimte voor ruimte, woningsplitsing, transformatie van bedrijfslocaties en CPO’s. 4.4.2.3 Toetsing aan de Woonvisie 2019-2025 en Addendum op de Woonvisie Met voorliggend plan worden 22 woningen, waaronder 14 betaalbare koopwoningen, toegevoegd in het dorp Uffelte. Het plan voorziet in de behoefte voor wonen in bestaand stedelijk gebied van de gemeente Westerveld. Met dit plan wordt uitvoering gegeven aan de wens om gemeente Westerveld te profileren als woongemeente en is daarmee in lijn met de Woonvisie 2019-2025 en het Addendum op de Woonvisie. 4.4.3
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het voornemen in lijn is met het gemeentelijk beleid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
21
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte” Vastgesteld
HOOFDSTUK 5
ASPECTEN VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld. De volgende aspecten komen aan bod: • • • • • • • • • •
Geluid door activiteiten Bodemkwaliteit Luchtkwaliteit Externe veiligheid Geur Archeologie & cultuurhistorie Water Gezondheid Duurzaamheid Milieueffectrapportage
5.1
Geluid door activiteiten
5.1.1
Algemeen
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • • •
activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).
Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
“TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vlasbergen Uffelte” Vastgesteld 5.1.2
Situatie plangebied
De voorgenomen ontwikkeling gaat uit van het toevoegen van 22 woningen. Hiermee is sprake van de realisatie van nieuwe geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. 5.1.2.1 Wegverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen de volgende afstanden: • • •
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 m.
Rondom het plangebied zijn meerdere wegen aanwezig, waaronder de N371. Daarom is het in kader van voorgenomen ontwikkeling een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 2 van deze plantoelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste bevindingen en resultaten. Het plangebied ligt binnen het geluidaandachtsgebied van de volgende wegen: • • • • •
Rijksweg N371 Vlasbergen Egginkstraat De Goorn Lindelaan
De geluidbelasting als gevolg van de gemeentelijke wegen bedraagt hoogstens 41 dB. Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl. De geluidbelasting als gevolg van de Rijksweg (N371) bedraagt hoogstens 59 dB. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de standaardwaarde van 50 dB uit het Bkl. Wel wordt voldaan aan de grenswaarde van 60 dB uit het Bkl. De bron- en overdrachtsmaatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te voldoen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, verkeerskundige of financiële aard. Ten tijde van de vergunningverlening dient een bouwakoestisch onderzoek uitgevoerd te worden waarin wordt aangetoond dat voldaan wordt aan de vereiste gevelwering van 26 dB. Om dit bouwakoestisch onderzoek te kunnen vragen, is in dit TAM-IMRO-plan een geluidvoorschriftengebied opgenomen waarbinnen specifieke beoordelingsregels gelden. De omvang van dit geluidvoorschriftengebied komt overeen met de gecumuleerde 50 dB contour uit het akoestisch onderzoek. Met het inachtneming van voorstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. 5.1.2.2 Railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor spoorwegen de volgende afstanden: • •