CConstaterende datWesterveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting ontwerpbestemmingsplan Vledderveen

Politieke avond Westerveld 26 oktober 2021, gemeente WesterveldBij agendapunt: Voorstel bestemmingsplan partiële herziening woningbouw Vledderveen 202112.873 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Ten aanzien van het aspect stikstof wordt geadviseerd om met behulp van het rekenmiddel AERIUS Calculator (versie 2019A) te berekenen of sprake is van (tijdelijke) stikstofdepositie op Natura 2000gebied(en). Dit onderzoek heeft plaatsgevonden. De uitkomsten van dit onderzoek zijn als volgt. Stikstofdepositie In het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel Natura 2000, dient vooraf zekerheid te zijn verkregen dat er geen sprake is van negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Daarom is beoordeeld of als gevolg van het plan sprake is van (toename van) stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De resultaten van het uitgevoerde onderzoek zijn in het rapport dat als bijlage 3 van deze toelichting is opgenomen, weergegeven. In het onderzoek is onderscheid gemaakt tussen de aanlegfase en de gebruiksfase van het project. Het beoogde plan voor nieuwbouw heeft, op basis van de gehanteerde uitgangspunten, zowel in de aanlegals gebruiksfase, stikstofdepositie boven de 0,00 mol/ha/jr. Significant negatieve effecten op het Natura 2000-gebied Drents Friese Wold & Leggelderveld als gevolg van stikstofdepositie kunnen zodoende niet op voorhand worden uitgesloten. Om die reden dient een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming aangevraagd te worden. In het kader van die aanvraag zijn nieuwe berekeningen gemaakt, een zogenaamde passende beoordeling.

Deze aanvullende berekeningen zijn als bijlage 3a opgenomen. Het bestemmingsplan mag slechts worden vastgesteld als uit een passende beoordeling (al dan niet na het nemen van mitigerende maatregelen) de zekerheid is verkregen dat geen significant negatieve gevolgen zijn te verwachten voor de instandhoudingsdoelen van het betrokken Natura 2000gebied, omdat geen toename van stikstofdepositie zal worden veroorzaakt ofwel bij een toename aan stikstofdepositie kan worden beoordeeld dat deze geen belemmering is voor de instandhoudingsdoelstellingen. Bij de provincie is een aanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd voor depositieruimte. Gedeputeerde Staten van Drenthe hebben besloten op basis van bijgevoegde motivering (bijlage 3b), de AERIUS-berekeningen en de SSRS-claim bevestiging, een Wnb-vergunning voor het 26

onderdeel Natura 2000 te verlenen en depositieruimte als bedoeld in artikel 2.5 Regeling natuurbescherming (Rnb) toe te delen voor voorliggende woningbouwlocatie. De bovengenoemde Wnb-vergunning is op 11 mei 2021 definitief verleend. Conclusie Het plan is vanuit de aspecten soortenbescherming en gebiedsbescherming uitvoerbaar.

5.4 Bodem Beleidskader Bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan en/of bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Voor een bestemming zoals wonen, gelden andere normen dan voor bijvoorbeeld de bestemming bedrijven. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Analyse In het kader van onderliggend plan heeft verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden. Het onderzoeksrapport is als bijlage 4 opgenomen. Doel van het onderzoek is een indruk te verkrijgen omtrent de eventuele aanwezigheid van verontreinigingen in de grond en in het grondwater van het onderzoeksterrein. Dit gebeurt teneinde te bepalen of ervan uit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen bestaan voor het toekomstige gebruik van de locatie (wonen). Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in het grondwater van één van de geplaatste peilbuizen een overschrijding van de streefwaarde aan koper is aangetoond.

Het gemeten verhoogde gehalte wordt beschouwd als een van nature verhoogde waarde. Verder zijn in de grond en het grondwater geen parameters in verhoogde mate aangetroffen. De onderzoekshypothese, zijnde een onverdachte locatie, is hiermee derhalve bevestigd. Gezien de aard en de concentraties van de aangetoonde parameters in relatie tot de bestemming van het terrein, wordt geconcludeerd dat verhoogde risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu op basis van de aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit, niet te verwachten zijn. De resultaten van het onderzoek vormen dan ook geen aanleiding tot nader onderzoek en zijn geen milieuhygiënische belemmering in relatie tot de woonbestemming van het terrein. Conclusie Het plan is op basis van het aspect bodemkwaliteit uitvoerbaar.

27

5.5 Geluid Beleidskader Geluidsoverlast kan worden veroorzaakt door industrielawaai, railverkeerslawaai, wegverkeerslawaai en luchtverkeerslawaai. De Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet kennen grenswaarden voor geluid. Bepaalde geluidgevoelige objecten mogen alleen worden toegelaten als zij geen ontoelaatbare geluidsbelasting ondervinden. Daartoe moeten op grond van artikel 3.3.1 Besluit ruimtelijke ordening zones in het bestemmingsplan worden opgenomen rond geluidbronnen. Het bestemmingsplan moet de ligging en de afmetingen van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen gelegen binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder aangeven. Als een bepaalde bestemming en/of een bepaalde geluidsbron niet in de Wet geluidhinder of Luchtvaartwet is geregeld, moet in het kader van de goede ruimtelijke ordening toch een akoestische afweging gemaakt worden. De Wet geluidhinder geeft mogelijkheden om een hogere waarde vast te stellen voor wegverkeer, railverkeer en industrielawaai. Analyse In de directe omgeving van het plangebied bevinden zicht geen bedrijven of spoorwegen die enige akoestische impact op het plangebied hebben. Ook invloed vanuit de luchtvaart is uit te sluiten. Onderzoek naar deze aspecten is dan ook niet noodzakelijk. Ten aanzien van wegverkeerslawaai geldt het volgende.

Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Vledderveen. Ter plaatse van het voorziene bouwplan geldt een 30 km/uur-regime. Conform de Wet geluidhinder hebben deze wegen geen geluidzone. Wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur veroorzaken meestal geen geluidbelastingen boven de voorkeurswaarde. Dat kan wel voorkomen bij een klinkerweg of een weg met relatief veel verkeer. Daar is in onderliggend plangebied geen sprake van. Derhalve is voldoende aannemelijk dat de voorkeursgrenswaarde van het plan niet wordt overschreden. Conclusie Het plan is op basis van het aspect akoestiek uitvoerbaar.

5.6 Water Beleidskader Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 20162021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten

28

aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Drenthe wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. Waterschap Drents Overijsselse Delta Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners.

Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft het waterbeheerplan 2016-2021 opgesteld. Hierin aangegeven hoe uitvoering wordt gegeven de wettelijke waterschaptaken als zorgen: -

Een goede bescherming tegen hoog water; Een goed functionerend regionaal watersysteem; Het zuiveren van afvalwater.

Waterparagraaf Zoals hiervoor uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Analyse Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van Waterschap Drents Overijsselse Delta. In het kader van onderliggend initiatief heeft een digitale watertoets plaatsgevonden (zie bijlage 5). Op basis van de digitale watertoets concludeert het waterschap dat er belangen van het waterschap worden geraakt. Daarom heeft overleg plaatsgevonden met het waterschap over de wijze waarop binnen het plan omgegaan wordt met het aspect water.

Het waterschap heeft een uitgangspuntennotitie opgesteld, zie bijlage 5a. 29

Het plan ligt in het stroomgebied Vledder en Wapserveensche Aa. Rond het plangebied liggen geen watergangen die in het beheer van het waterschap zijn. Wel ligt er een persleiding door het plangebied. Het peilgebied heeft een maximumpeil van NAP + 3,55 m. Dit peil is de instelhoogte van het kunstwerk. De uitgangspunten die in de Uitgangspuntennotitie worden benoemd zijn als volgt verwerkt in het plan. Watersysteem Uitgangspunt is aan- en afvoer van voldoende water, het waarborg van de waterkwaliteit en ruimte voor water. Het plan voorziet niet in het dempen of verleggen van bestaande waterwegen. Wel in het graven van een watergang. Hiervoor wordt een watervergunning aangevraagd. Wateroverlast Voor kleine plannen geldt als regel dat 10% van het verharde oppervlak wordt ingezet voor berging ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater. In het plan wordt een verhard oppervlak van circa 4000 m² gerealiseerd. Dit houdt in dat een waterbergend oppervlak van circa 400m² wordt aangelegd waarin maximaal 30 cm peilstijging is toegestaan. Hieraan is invulling gegeven door het aanleggen van wadi’s binnen het plangebied waarmee het water wordt opgevangen en geïnfiltreerd. Waterkwaliteit Het watersysteem wordt zo ontworpen dat het geen risico’s voor de volksgezondheid creëert en voldoende schoon is voor mensen, planten en dieren.

Hemelwater wordt waar mogelijk bovengronds naar bergingen in de vorm van een wadi afgevoerd, waar nodig via een stelsel en via berging naar afvoersloot. Het gaat daarbij om schoon water afkomstig van daken en/of erven. Er wordt nieuw oppervlaktewater aangelegd waarbij rekening wordt gehouden met doorspoeling. Het betreft geen stilstaand water. Er worden bij de bouw van de woningen in het plangebied geen uitloogbare materialen gebruikt die tot een verontreiniging van het oppervlaktewater kunnen leiden. Riolering De gemeente heeft een zorgplicht voor doelmatige verwerking en afvoer van hemelwater, afvalwater en grondwater. In het plan wordt rekening gehouden met het gemeentelijke rioleringsbeleid. Afvalwater en hemelwater worden op de perceelgrens gescheiden aangeboden. Er is voldoende rioleringscapaciteit. Tevens wordt hemelwater geborgen in wadi’s. Externe werking In het nieuw te ontwikkelen gebied worden de waterstanden binnen het in te richten gebied tijdens of na het bouwrijp maken niet structureel verlaagd. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud is erop gericht om de waterhuishouding op orde te houden. Het betreft zowel waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterbeleving. De inrichting van het gebied dient zodanig te zijn, dat het beheer en onderhoud van het watersysteem op efficiënte en effectieve wijze mogelijk is. Het plan voorziet in nieuw aan te leggen water.

Over de technische uitwerking hiervan en de verantwoordelijkheid

30

voor beheer en onderhoud worden afspraken gemaakt tussen de gemeente en het waterschap in lijn met de uitgangspunten zoals opgenomen in de uitgangspuntennotitie. Conclusie Met voorliggend plan worden waterstaatkundige belangen geraakt, voornamelijk doordat sprake is van een toename van het verhard oppervlak en het realiseren van oppervlaktewater. Het hemelwater wordt echter via wadi’s geïnfiltreerd in de bodem, waardoor geen sprake is van overlast ten gevolge van hemelwater. Hierover heeft afstemming met het waterschap plaatsgevonden naar aanleiding van een uitgebracht wateradvies (bijlage 5a van deze toelichting).

5.7 Bedrijven en milieuzonering Kader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Wanneer het plangebied en omgeving getypeerd kunnen worden als 'gemengd gebied' bedragen de hindercontouren minder. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied als: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven.’ Analyse Het plan voorziet in maximaal 21 woningen waarmee een milieugevoelige functie mogelijk wordt gemaakt.

Het plangebied is gelegen aan de rand van het dorp aan de Jodenweg, een ontsluitingsweg van het dorp. Het plangebied wordt aan de zuidzijde begrensd door agrarisch gebied (weilanden). Hier bevinden zich agrarische bedrijven die vanuit het oogpunt van milieu invloed op het plan hebben. Aan de oost- en westzijde van het plangebied bevinden zich woningen. Woningen hebben vanuit milieukundige oogpunt geen invloed op andere woningen. Aan de noordzijde van het plangebied bevinden zich (binnen een maatschappelijke bestemming) een sportveld (met verlichting) en een buurthuis. De afstand van de voorziene woningen en het buurthuis bedraagt ruim 50 meter. Op basis van de Handreiking Bedrijven en Milieuzonering wordt het buurthuis niet in de activiteiten beperkt door de komst van de woningen en ondervinden de woningen geen onevenredige overlast van het dorpshuis. De afstand tussen de voorziene woningen en het sportveld bedraagt circa 20 meter. Volgens de Handreiking Bedrijven en milieuzonering dient de afstand van een sportveldcomplex (met verlichting) op basis van het aspect akoestiek, 50 meter te bedragen. In onderliggende situatie is er geen sprake van een sportveldcomplex. Het gaat slechts over één veld waar binnen een maatschappelijke bestemming sportactiviteiten uitgevoerd worden. Het eventuele akoestische effect is redelijkerwijs minder dan ten gevolge van een sportcomplex.

Daarnaast is het veld slechts aan één zijde verlicht en is er sprake van 31

enige functiemenging in het gebied. Voorgaande maakt dat de afstand van circa 20 meter tussen de voorziene woningen en het sportveld, geen afbreuk doet aan een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Op basis van bovenstaande kan redelijkerwijs geconcludeerd worden dat het plan op basis van het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ uitvoerbaar is.

5.8 Externe veiligheid Kader Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: -

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: -

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Analyse In het kader van onderliggend plan is de risicokaart geraadpleegd. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven, instellingen of transportleidingen die kunnen zorgen voor een veiligheidsrisico. Conclusie Het plan is op basis van het aspect externe veiligheid uitvoerbaar.

32

5.9 Luchtkwaliteit Beleidskader Met betrekking tot de luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. In deze wet en de daarop gebaseerde regelingen - Besluit NIBM (luchtkwaliteitseisen) en Regeling NIBM (luchtkwaliteitseisen) - is getalsmatig vastgelegd dat bepaalde projecten 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor stikstof (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: -

er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL; een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Analyse Het plan betreft het realiseren van maximaal 21 woningen. Het betreft hier een plan categorie 3A.2 overeenkomstig bijlage 3a van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (milieukwaliteitseisen). Per ontsluitingsweg worden minder dan 1.500 woningen en/of minder dan 100.000 m2 bvo kantoor gerealiseerd. Volgens bijlage 3B van de Regeling draagt het plan hierdoor ‘niet in betekenende mate’ bij. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof PM10/PM2,5. Conclusie Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het project is op basis van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.

33

5.10 Verkeer en parkeren Beleidskader In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van parkeren. Om de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie te bepalen, wordt doorgaans de CROW-publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ gehanteerd. Voor onderliggend plan wordt eveneens teruggegrepen op de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan ‘Kleine kernen 2009’. Hierin zijn concrete parkeernormen benoemd. Analyse Verkeersgeneratie Het plan voorziet in de realisatie van maximaal 21 woningen. Volgens de CROW-publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ geldt voor vrijstaande koopwoningen in weinig stedelijk gebied in de rest van de bebouwde kom, een verkeersgeneratie van 8,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Voor twee-onder-één-kapwoningen geldt een norm van 7,8 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Voor rijwoningen is dat 7,4 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Het bestemmingsplan laat enige vrijheid over de woningtypologie. De exacte verkeersgeneratie is derhalve niet te bepalen. Wel kan het scenario worden gehanteerd met de meeste verkeersbewegingen. In dat geval, als er van uit wordt gegaan dat er 17 vrijstaande woningen en vier twee-onder-éénkapwoningen worden gerealiseerd, ontstaat een verkeersgeneratie van 172 (140 + 32) motorvoertuigen per dag.

Deze motorvoertuigen ontsluiten op de Jodenweg. Gezien de inrichting en de intensiteit waarop deze weg nu wordt gebruikt, kan de Jodenweg deze capaciteit ruimschoots verwerken. Parkeren In het geldende bestemmingsplan wordt in de uitwerkingsregels uitgegaan van parkeernormen uit 2009. Aangezien deze normen gedateerd zijn én er sprake is van een nieuw bestemmingsplan en geen uitwerkingsplan, worden de normen gebaseerd op de kengetallen van de CROW (publicatie 317 “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie”, oktober 2012). Dat leidt tot de volgende analyse en opgave: Voor de voorgenomen ontwikkeling kan worden uitgegaan van de volgende uitgangspunten: -

Stedelijkheidsgraad: niet stedelijk Stedelijke zone: rest bebouwde kom

Het programma voorziet in de volgende aantallen parkeerplaatsen op eigen terrein: - 6 vrijstaande woningen; parkeernorm minimaal 2 parkeerplaatsen per woning = 12 - 10 twee-onder-één-kap woningen; parkeernorm minimaal 2 parkeerplaatsen per woning = 20 - 3 rijwoningen; parkeernorm is 0 parkeerplaatsen per woning = 0 - 2 hoekwoningen; parkeernorm is 1 parkeerplaatsen per woning = 2 Voorgaande resulteert in een parkeeropgave van 34 parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen worden allen op het eigen terrein gerealiseerd. Aanvullend worden er 20 parkeerplaatsen in het openbaar gebied aangelegd. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor onderliggend initiatief.

34

5.11 Mer-beoordeling Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 1. De initiatiefnemer stelt een aanmeldingsnotitie op. 2. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. 3. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Vormvrije m.e.r-beoordeling Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r.

Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: -

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

De oppervlakte van de voorgenomen activiteit blijft onder de drempelwaarden van 100 hectare en het bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m². De voorgenomen activiteit voorziet niet in het bouwen van 2.000 of meer woningen. De kenmerken van het project worden in toelichting hoofdstuk 3 beschreven. Aangezien de ontwikkeling zich beperkt tot het realiseren van bouwwerken, zijn de effecten van het plan op de omgeving beperkt. Er treden effecten op kwetsbare gebieden op (stikstofuitstoot) maar daar heeft de provincie ontwikkelruimte voor beschikbaar gesteld door een NB-wet vergunning te verlenen. Van cumulatie met andere projecten is geen sprake. Het gaat om op een opzichzelfstaande ontwikkeling. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten in beeld gebracht in dit hoofdstuk. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit milieueffectrapportage. Conclusie De voorgenomen activiteit blijft onder de genoemde drempelwaarden voor stedelijke ontwikkelingsprojecten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Er zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en daarom hoeft geen milieueffectrapport te worden opgesteld.

35

5.12 Conclusie In voorgaande paragrafen is het voorziene bouwplan getoetst aan ruimtelijke en milieukundige aspecten. Op basis van de analyse van ruimtelijke en milieukundige aspecten is aangetoond dat het voorziene bestemmingsplan uitvoerbaar is.

36

6. Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 6.1 Algemeen Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een ruimtelijk plan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Om te komen tot een stedenbouwkundige invulling van het plangebied hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden tussen de gemeente, Plaatselijk Belang en een groep belangstellenden (september en november 2018 en februari 2019). Hierbij zijn ‘woonwensen’ kenbaar gemaakt. Dit is uitgewerkt in verschillende stedenbouwkundige scenario’s. De verschillende scenario’s hebben geleid tot een globale stedenbouwkundige schets die gepresenteerd is aan het dorp (april 2019). De input die hier is opgehaald is de verschillende taakvelden binnen de gemeente besproken en verwerkt in een aangepast stedenbouwkundig plan. Op 27 juni 2019 is dit plan gedeeld met het dorp. Hiermee is de basis gelegd voor de vertaling naar onderliggend bestemmingsplan.

6.3 Economische uitvoerbaarheid Het plangebied waar onderliggend bestemmingsplan betrekking op heeft eigendom van de gemeente Westerveld. Ten behoeve van de ontwikkeling van de locatie heeft de gemeente Westerveld een grondexploitatie opgesteld waarin alle kosten en opbrengsten die verband houden met de ontwikkeling zijn opgenomen. Uit deze grondexploitatie blijkt dat het plan economisch uitvoerbaar is.

37

7. Toelichting op de regels 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de milieuen omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het bestemmingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit bestemmingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde bestemmingen zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting vormt de verantwoording voor de gemaakte keuzen voor de inrichting van het plangebied en de toekenning van de bestemmingen. Dit bestemmingsplan is opgesteld aan de hand van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen SVBP2012, zoals vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken: -

Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.

7.2 Opzet regels In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) is verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

7.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat regels die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit de begrippen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2).

7.2.2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die voorkomen in het plangebied. Voor ieder gebied op de verbeelding is de bestemming aangegeven. Deze bestemmingen zijn in de regels onderverdeeld in onder meer: -

bestemmingsomschrijving bouw- en gebruiksregels afwijken van bouw en gebruiksregels

38

-

wijzigingsbevoegdheid

In paragraaf 7.3 worden de verschillende bestemmingen toegelicht.

7.2.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels bestaan uit de Anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en overige regels.

7.2.4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotregels. Hierin wordt de officiële benaming van dit bestemmingsplan weergegeven.

7.3 Nadere toelichting op de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing opgericht mag worden. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar mogelijk worden gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de in dit bestemmingsplan voorkomende regels behandeld. Artikel 3. Bos Deze bestemming is toegekend aan het zuidelijk plandeel met als functie hier opgaand groen te creëren en te onderhouden. Artikel 4. Groen De gronden gelegen tussen de woonbestemmingen zijn bestemd als Groen en laten plaatselijk waterberging toe. Artikel 5. Verkeer De voor Verkeer aangewezen gronden zijn opgenomen ten behoeve van de ontsluiting en parkeervoorzieningen van het plangebied. Artikel 6. Wonen De gronden met de bestemming Wonen maken de beoogde woningen met bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogelijk. Artikel 7.

Waarde – Archeologie De voor ‘Waarde – Archeologie aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de voorkomende archeologische waarden.

39

Bijlagen

40

Bijlage 1. Beeldkwaliteitsplan

41

Bijlage 2. QuickScan Wet natuurbescherming

42

Bijlage 3. AERIUS-berekeningen

43

Bijlage 3a. Aanvullende berekeningen i.h.k.v. NB-wet vergunning

44

Bijlage 3b. Ontwerpbesluit vergunning Wnb

45

Bijlage 3c. Wnb vergunning

46

Bijlage 4. Verkennend bodemonderzoek

47

Bijlage 5. Watertoets

48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westerveld&id=93aa3a06-e5f8-4369-b549-1e7a363014ce