CConstaterende datWesterveld
Koppel je AI →
Document · PDF

TOE Bijlage 12 Vormvrije m.e.r. notitie Valderse III (31-10-2023)

Politieke avond Westerveld 18 juni 2024, gemeente WesterveldBij agendapunt: Raadsvoorstel gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Valderse III Dwingeloo6.080 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

“Valderse III”

Oktober 2023

Status: Definitief

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Valderse III

AANMELDNOTITIE VORMVRIJE M.E.R.-BEOORDELING “VALDERSE III”

Naam: Datum: Versie:

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling “Valderse III” Oktober 2023 Definitief

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

1

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Valderse III

INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING .................................................................................... 3 HOOFDSTUK 2 KENMERKEN VAN HET VOORNEMEN ................................................... 5 HOOFDSTUK 3 BESCHRIJVING VAN DE MILIEUEFFECTEN .............................................. 8 HOOFDSTUK 4 CONCLUSIE ................................................................................ 18

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

2

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Valderse III

HOOFDSTUK 1

INLEIDING

Aan de oostrand van de kern Dwingeloo, ten oosten van de woningbouw aan de Valderseweg en De Kampen en ten zuiden van het bedrijventerrein De Valderse, liggen agrarische gronden. Het voornemen is om dit gebied ontwikkelen tot woningbouwlocatie met maximaal 100 grondgebonden woningen om in een deel van de toekomstige woningbehoefte van Dwingeloo te kunnen voorzien. De gemeente Westerveld heeft ingestemd met de verdere uitwerking van deze ontwikkeling. Gelet op de ligging en omdat het de derde uitbreiding aan de oostzijde van Dwingeloo betreft is voor het gebied de naam ‘Valderse III’ gekozen. Vanuit het ruimtelijke spoor (bestemmingsplanprocedure) is een vormvrije toets aan het Besluit Milieueffectrapportage noodzakelijk. In dit document worden de milieueffecten van deze ontwikkeling beschouwd. Eerst wordt een nadere toelichting op de M.e.r.-beoordeling gegeven.

M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in de integrale ruimtelijke afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. • Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (plan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het plan genoemd is in kolom 3 (plannen). • Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (plan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het plan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.

Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. In voorliggend geval gaat het om directe eindbestemmingen en is sprake van een besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. Voorliggende ontwikkeling is niet als activiteit opgenomen in de C-lijst van het Besluit MER. In de D-lijst de volgende activiteit opgenomen: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’.

Het realiseren van de 100 ter plaatse van het projectgebied is als een stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken, waardoor toetsing aan de drempelwaarden dient plaats te vinden. De drempelwaarden zijn ten aanzien van de hiervoor genoemde activiteit als volgt: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

3

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Valderse III

In voorliggend geval is geen sprake van het realiseren van meer dan 2.000 woningen. Van een directe m.e.r.plicht is dan ook geen sprake. Desalniettemin dient, gelet op de aard en omvang van het project, wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Voorliggende aanmeldnotitie voorziet hierin.

Inhoud en doel van de vormvrije m.e.r.-beoordeling Inhoudelijk gaat de vormvrije m.e.r.-beoordeling in op de mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van het initiatief. Deze belangrijke nadelige gevolgen worden beoordeeld aan de hand van de selectiecriteria opgesomd in Bijlage III van de EEG-richtlijn Milieueffectbeoordeling, die drie hoofdthema’s noemt: • • •

De kenmerken van de activiteit; De plaats van de activiteit (ligging en samenhang met andere activiteiten (cumulatie)); De kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben.

Het doel van de notitie is om op objectieve wijze informatie over mogelijke, relevante milieugevolgen van het project te verzamelen en te presenteren. Betrokken partijen Bij het project is J.C. van Kooten als initiatiefnemer betrokken. Daarnaast is de gemeente Westerveld betrokken en is de gemeenteraad het bevoegd gezag in de bestemmingsplanprocedure. Verder worden de provincie Drenthe, het waterschap Drents Overijsselse Delta, De Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe en eventueel andere vooroverlegpartners gedurende het proces bij het project betrokken en zal de het bestemmingsplan inclusief deze aanmeldnotitie in het kader van het wettelijk vooroverleg (artikel 3.1.1. Bro) naar deze partijen worden toegezonden. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het voornemen beschreven. Daarbij komen aanleiding, achtergronden en uitgangspunten aan bod. Hoofdstuk 3 gaat in op de mogelijke milieueffecten van het project. In hoofdstuk 4 wordt bij wijze van samenvatting de beoordeling gedaan van de omstandigheden van het voornemen. Hierin wordt tevens de conclusie van de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

4

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Valderse III

HOOFDSTUK 2

KENMERKEN VAN HET VOORNEMEN

Dit hoofdstuk gaat in op de voorgenomen ontwikkeling, de projectlocatie en eventuele (samenhangende) ontwikkelingen in de omgeving waarmee rekening dient te worden gehouden. Voorgenomen ontwikkeling De concrete ontwikkeling betreft de ontwikkeling van de agrarische gronden ten oosten van de kern Dwingeloo naar een woningbouwlocatie voor circa 100 woningen met een gevarieerd programma. De wijk krijgt een open en groene structuur met zichtlijnen richting het buitengebied, waarbij de bebouwingsdichtheid in de richting van het buitengebied eveneens afneemt. Langs de oostelijke rand worden daarom boerenerf woningen gerealiseerd die de relatie met het landschap versterken. In de noordoosthoek van het gebied worden zogenaamde buitenplaatsappartementen gerealiseerd in de vorm van een buitenplaats. Tussen de woongebieden wordt opgaande beplanting gerealiseerd en centraal in het gebied van noord naar zuid wordt een wadi aangelegd. Dit enerzijds om te voorzien de benodigde waterberging in het gebied. Daarnaast zorgt deze wadi voor groen in de wijk en biedt een plaats voor biodiversiteit. In de noordoosthoek van het plangebied wordt eveneens waterberging voorzien. Het betreft een reeds aangelegde watervoorziening die tevens zorgt voor een natuurlijke scheiding tussen de woonwijk en het ten noorden gelegen bedrijventerrein..

Bouwprogramma Uit het WoON 2018 onderzoek en leefbaarheidsonderzoek van Dorpsbelangen Dwingeloo komt de vraag naar een gevarieerd woningbouwprogramma naar voren. Het principe vraaggestuurd bouwen wordt toegepast, waarbij binnen woonvlekken een maximum aantal woningen gebouwd kan worden. Op basis van de uitkomsten van het WoON 2018 worden bij de ontwikkeling de volgende uitgangspunten toegepast: Huurwoningen

10 tot 15%

Rijwoningen koop

15 tot 20%

Twee-onder-één-kap koop

10 tot 15%

Vrijstaand koop

20 tot 25%

Senioren grondgebonden koop

15 tot 20%

Microwonen koop

Maximaal 15%

Op basis van deze uitgangspunten is een doorvertaling gemaakt naar een indicatief programma in het stedenbouwkundig plan. Dit programma bestaat uit: • • • • • • •

20 beneden bovenwoningen 15 buitenplaats appartementen 1 woning met werkplaats 9 tot 12 boerenerf woningen 23 rijwoningen voor starters 14 twee onder een kapwoningen 15 vrijstaande woningen

Voor de woningen zijn op dit moment nog geen exacte prijscategorieën bekend. Deze hangen af van ontwikkelingen op de woningmarkt en zullen marktconform voor Dwingeloo zijn.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

5

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Valderse III

Zoals reeds aangegeven wordt het nieuwe woongebied vraaggestuurd ontwikkeld binnen de flexibele kaders die het bestemmingsplan biedt. Hierbij wordt wel gefaseerd gewerkt in die zin dat steeds stukjes van het gebied worden gerealiseerd en vervolgens woonrijp gemaakt. De volgorde van de ontwikkeling is op dit moment nog niet bekend en zal afhangen van de actuele vraag naar woningen. In afbeelding 1 is de verkaveling van de ontwikkeling weergegeven.

Afbeelding 1

Verkavelingsstudie Valderse III (Bron: Mikis Maathuis)

Locatiekenmerken Het plangebied ligt, zoals hierboven reeds aangeven aan de oostzijde van de kern Dwingeloo en grens aan de noordzijde aan het bedrijventerrein De Valderse. De ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Vriezenveen en de directe omgeving wordt weergegeven in afbeelding 2.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

6

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Valderse III

Afbeelding 2:

Ligging van het plangebied (Bron: PDOK, bewerking BJZ)

Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en productie van afvalstoffen De ontwikkeling van de voorziene activiteiten legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. Tijdens het bouw- en woonrijp maken is grondverzet nodig. Tijdens de gebruiksfase zullen elektriciteit en water nodig zijn. De woningen zullen gasloos gebouwd worden, conform de Wet Voortgang Energietransitie. De productie van afvalstoffen betreffen voor de beoogde woningen uitsluitend de huishoudelijke afvalstoffen. Deze worden zoveel mogelijk gescheiden om nuttige afvalstoffen op eenvoudige wijze te kunnen inzamelen en vervolgens verwerken/recyclen. Er is geen sprake van de productie van gevaarlijk afval. De afvalstoffen zullen conform de daarvoor van toepassing zijnde regelementen worden afgevoerd. Verontreiniging en hinder In de aanlegfase kan sprake zijn van tijdelijke verkeers- en geluidhinder van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden op locatie. Het gaat dan om geluid en stof vanuit de bouwplaats en bouwverkeer van en naar het projectgebied. Vanwege de ligging, de omvang van de ontwikkeling en de geschatte tijdsduur, is er geen noodzaak om verkeer tijdelijk om te leiden, met de daarbij behorende effecten. Na afronding van de bouwwerkzaamheden zal de genoemde tijdelijke hinder volledig vervallen. Het aspect tijdelijke hinder leidt niet tot mogelijk belangrijke milieugevolgen.

In de gebruiksfase zullen ten gevolge van de woonfunctie geen nadelige effecten op het milieu en de omgeving plaatsvinden. Zoals in hoofdstuk 3 wordt geconstateerd is er geen sprake van een onevenredige aantasting van beschermende natuurgebieden en/of het woon- en leefklimaat ter plaatse. Verder is via de AERIUS-berekening de stikstofdepositie in de aanleg- en gebruiksfase onderzocht. Uit de berekening volgt in beide fasen geen depositiewaarde hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Risico op ongevallen, specifiek met gevaarlijke stoffen of technologieën De beoogde ontwikkeling zorgt niet voor een toename van risico’s voor de omgeving. Er worden geen gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

7

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Valderse III

HOOFDSTUK 3

BESCHRIJVING VAN DE MILIEUEFFECTEN

Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling zijn de mogelijk negatieve milieueffecten van het voornemen relevant. Zoals in het vorige hoofdstuk is aangegeven, gaat het om een woningbouwproject voor maximaal 100 woningen. Relevante milieuaspecten zijn verkeer, geluid, luchtkwaliteit, water, bodem en ecologie waaronder ook specifiek de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. In dit hoofdstuk worden de te verwachten (tijdelijke) effecten per aspect beschreven. Verder wordt ingegaan op tijdelijke hinder als gevolg van de ontwikkeling. Voor een aantal van deze aspecten zijn onderzoeken uitgevoerd. De conclusies van deze onderzoeken zijn samengevat in onderstaande alinea’s.

Verkeer Voor de verkeersgeneratie zijn berekeningen gemaakt op basis van de CROW-publicatie ‘toekomstbestendig parkeren’ (december 2018). In de CROW-publicatie wordt uitgegaan van een minimum en maximum generatie. Dit is de bandbreedte. In dit geval wordt van het gemiddelde uitgegaan. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •

Stedelijkheidsgraad: ‘niet stedelijk’; Gebiedszone: ‘rest bebouwde kom’.

In navolgende tabel is net als voor parkeren de gemiddelde verkeersgeneratie per woningtype weergegeven op basis van de verkavelingsstudie (max 100 woningen) en is aan de hand hiervan de verkeersgeneratie in de nieuwe situatie berekend. Gekeken wordt naar de toe- of afname van verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie. Omdat het plangebied op dit moment voor agrarische doeleinden in gebruik is, is er geen sprake van een bestaande verkeersgeneratie. Er is uitsluitend sprake van een toename. In onderstaande tabel is de verkeersgeneratie van de nieuwe situatie in beeld gebracht. Woningtype Aantal Gemiddelde Totale verkeersgeneratie verkeersgeneratie per woning Koop, vrijstaand (waaronder boerenerf 28 8,2 229,6 woningen en woning met werkplaats) Koop, twee-onder-één-kap 14 7,8 109,2 Koop/huur, tussen- of hoekwoning

23

7,4

170,2

Koop, appartement midden (beneden boven woningen en buitenplaats appartementen) Totaal

35

6

210

100

719

Het totaal aantal verkeersbewegingen per weekdagetmaal in de nieuwe situatie bedraagt op basis van de bandbreedtes en kengetallen circa 719 voertuigbewegingen per weekdagetmaal. Opgemerkt wordt dat door BVA verkeersadviseurs een onderzoek 1 is gedaan naar de ontsluiting van het plangebied (zie onderaan deze paragraaf). Hierbij is gerekend met een kleine 100 woningen binnen het plangebied. Hierbij is ook gekeken naar de verkeersgeneratie op een gemiddelde weekdag. Om te komen tot de verkeersgeneratie voor een gemiddelde werkdag dient deze waarde met een factor 1,11 te worden vermenigvuldigd. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de wijk op een werkdag circa 775 motorvoertuigbewegingen zal genereren. BVA merkt daarbij op dat de verkeersgeneratie voor de starters- en jongerenwoningen gelijk is gesteld aan de rijwoningen. Dit is naar verwachting een te negatieve voorstelling van zaken, op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat de gepresenteerde waarden hoger liggen dan in de praktijk verwacht mag worden.

1

Onderzoek Verkeerskundige effecten woningbouw Valderse III Dwingeloo, BVA, maart 2023

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

8

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Valderse III

Daarnaast lijken de kengetallen sowieso aan de hoge kant als een vergelijking wordt gemaakt met de resultaten uit de tellingen. Uit de tellingen blijkt dat de intensiteit op deze weg circa 40 motorvoertuigbewegingen bedraagt. Dit komt neer op een verkeersproductie van circa de helft van het gehanteerde kengetal uit tabel 3. Het is dan ook de verwachting dat de intensiteiten (aanzienlijk) lager zullen uitvallen dan de berekende 775 voertuigbewegingen. Ontsluiting Zoals in afbeelding 1 is te zien wordt het plangebied ontsloten via een nieuwe weg die van noord naar zuid door het plangebied slingert. Aan de westzijde worden twee aansluitingen gerealiseerd op Kibbelstuk. Het betreft één ontsluiting voor autoverkeer en één ontsluiting voor wandelaars en fietsers. Aan de noordzijde is een ontsluiting voor wandelaars en fietsers op de Nijverheidsweg en ten zuiden op de Kampen. Binnen het plangebied worden de woningen rechtstreeks of via zijwegen ontsloten op de hoofdontsluitingsweg. Omdat het extra verkeer op de bestaande wegen wordt ontsloten is door BVA verkeersadviezen onderzocht wat de verkeerskundige effecten hiervan zijn op deze omliggende wegen. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2 bij deze toelichting.

Hierna wordt ingegaan op de onderzoeksresultaten Onderzoeksresultaten verkeersonderzoek De realisatie van de wijk Valderse III leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen van maximaal 775 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een gemiddelde werkdag. Om verschillende redenen mag worden aangenomen dat de hoeveelheid verkeersbewegingen in de praktijk lager zal uitvallen. Enerzijds omdat voor de starters- en jongerenwoningen een te hoge verkeersgeneratie is aangehouden. Anderzijds omdat de huidige praktijk (verkeerstellingen) uitwijst dat de gehanteerde kengetallen hoger liggen dan de verkeersgeneratie uit de bestaande (vergelijkbare) wijken. Desondanks houdt BVA in deze notitie rekening met het aller slechtste scenario. Op basis van een veronderstelde oriëntatie van het verkeer is een prognose gemaakt van de belasting van de bestaande omliggende wegen. Ontsluiting voor autoverkeer vindt hoofdzakelijk plaats in westelijke richting. Qua hoeveelheid verkeer zijn de aantallen zeer zeker nog acceptabel voor een woonstraat. Ook met de toevoeging van het verkeer van en naar de nieuwe wijk zal de intensiteit op het Kibbelstuk de 500 motorvoertuigbewegingen per etmaal niet overschrijden, maar het betreft wel een aanzienlijke toename van verkeer. Desondanks worden met deze aantallen verkeersbewegingen geen afwikkelings- en veiligheidsproblemen verwacht op het Kibbelstuk.

Ter illustratie: als wordt uitgegaan van een aandeel van 10% van de etmaalintensiteit in het spitsuur, dan betreft het dus maximaal 50 motorvoertuigen in het drukste uur. Dat is minder dan één voertuig per minuut. De noordelijke ontsluiting verloopt via de Nijverheidsweg. Het betreft een route via het industrieterrein en er worden geen wegen door de woonwijken extra belast. Kanttekening hierbij is dat het interne verkeer, bijvoorbeeld richting het centrumgebied, uiteindelijk wel weer bestaande wegen binnen de kern zal gaan belasten. Er is dan echter sprake van zodanige verdunning van verkeer dat het effect hiervan op deze wegen verwaarloosbaar is. Gezien de vormgeving en ligging van de Nijverheidsweg kan deze weg de extra verkeersdruk eenvoudig aan. Wel betreft het een verkeerskundig wat onlogische ontsluiting, vanwege het feit dat de woonwijk via een industrieterrein wordt ontsloten. Geconcludeerd kan worden dat de realisatie van de wijk weliswaar effect heeft op de omliggende wegen, maar dat deze effecten verkeerskundig alleszins acceptabel zijn. Verkeerskundig gezien zijn er evenwel een aantal opmerkingen te plaatsen. Ten eerste de al genoemde onlogische ontsluitingsstructuur via het bedrijventerrein. Overwogen zou kunnen worden deze ontsluiting niet te realiseren. Dit betekent echter een verder toenemende druk op het Kibbelstuk en de Levimaat.

Ook dat is, ondanks dat de intensiteiten de maximaal aanvaardbare waarden voor woonstraten niet overschrijden, niet gewenst. Ook kan worden overwogen de aansluiting Kibbelstuk niet open te stellen voor autoverkeer. Nadeel hiervan is dat de intensiteit op De Kampen enigszins gaat toenemen en dat een onlogische ontsluiting via het bedrijventerrein rest als enige ontsluitingsroute. In dat geval zou kunnen worden overwogen de mogelijkheden te onderzoeken om rechtsreeks op de ‘rotonde’ op het bedrijventerrein aan te sluiten. Ook dan vindt de ontsluiting nog steeds via het bedrijventerrein plaats, maar ligt de aansluiting logischer (minder BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

9

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Valderse III

perifeer) voor verkeer dat Dwingeloo wil verlaten. De meest optimale situatie lijkt het realiseren van een nieuwe oostelijk gelegen aansluiting aan de noordzijde op de N855. Deze verbinding kan met uitsluitend de realisatie van Valderse III naar verwachting niet worden verantwoord op basis van de hoeveelheid verkeer die van een dergelijke nieuwe verbinding gebruik gaat maken. Deze oplossing moet dan ook vooral worden bezien in het licht van een mogelijk verdere uitbreiding van de kern Dwingeloo aan de oostzijde. Met de hiervoor aangegeven kanttekeningen lijkt de gekozen ontsluitingsstructuur voor dit moment de meest optimale oplossing. Voor de langere termijn is het wenselijk bij verdere ontwikkelingen aan de oostzijde van de kern een nieuwe aansluiting op de N855 in ieder geval niet onmogelijk te maken. Effect: Het effect van de ontwikkeling op het vlak van ‘verkeer’ wordt inschat op licht negatief.

Geluid (weg- en railverkeerslawaai en industrielawaai) Er worden geen nieuwe geluidsbelastende objecten gerealiseerd. De met de ontwikkeling gepaard gaande leefgeluiden zijn inherent aan de woonfunctie en zorgen niet voor een onevenredige geluidbelasting. Aan de noordzijde van het plangebied, tegen het bedrijventerrein aan, zijn mogelijkheden voor ambachtelijk wonen. Ambachtelijke bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 2 zoals opgenomen in Bijlage 1 van de regels (Staat van bedrijfsactiviteiten – functiemenging) zijn hier toegestaan. Dergelijke lichte bedrijfsactiviteiten voegen zich goed op deze plek aan de rand van de nieuwe woonwijk op de grens met het bedrijventerrein. Effect: Het effect van de ontwikkeling op het vlak van ‘geluid’ wordt inschat op neutraal.

Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Besluit niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

10

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Valderse III

50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Beoordeling Het voornemen voorziet in de ontwikkeling van het plangebied naar woningbouw. Op basis van het programma-advies zoals beschreven in paragraaf 3.1 is aan de hand van de CROW-uitgave ‘Toekomstbestendig parkeren’ (publicatie 381) in paragraaf 3.3 de verwachte verkeersgeneratie globaal in beeld gebracht. Het project brengt op basis van het beoogde programma in totaliteit een verkeersgeneratie van naar boven tussen de 719 (op basis van programma verkavelingsstudie en CROW normen) en 775 (worst-case scenario uit verkeersonderzoek BVA) verkeersbewegingen per weekdagetmaal met zich mee. Hierbij wordt opgemerkt dat het gaat om een netto toename, in de huidige situatie is het gebied bestemd als agrarische cultuurgrond zonder relevante verkeersgeneratie. Via een NIBM-tool berekening is onderzocht of de ontwikkeling wel of niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In deze berekening is als worst-case de volledige verkeersgeneratie in de maximale situatie als netto toename meegenomen, het aandeel vrachtverkeer is gelet op de aard van de ontwikkeling (woningbouw) op 0% gezet. In onderstaande tabel is dit weergegeven.

Hieruit blijkt dat de ontwikkeling in niet betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Afbeelding 3

Berekening NIBM (Bron: Ministerie Infrastructuur en Milieu)

Uit de berekening blijkt dat voorliggend plan 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Vervolgonderzoek naar effecten op de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Effect: Het effect van de ontwikkeling op het vlak van ‘luchtkwaliteit’ wordt inschat op neutraal.

Water Met het plan worden 100 woningen met bijbehorende verharding gerealiseerd. Naar aanleiding van een digitale watertoets is door het waterschap aangeven dat een normale procedure aan de orde is. Aan de hand van de van het waterschap ontvangen uitgangspuntennotitie is de waterhuishouding in het gebied in kaart gebracht in een watertoets.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

11

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Valderse III

Bestaande waterhuishouding plangebied Het plangebied ligt in het stroomgebied De Oude Vaart. Rond het plangebied liggen zowel primaire A watergangen als secundaire B watergangen die in het beheer van het waterschap zijn. Het plangebied valt binnen twee peilgebieden. De oostzijde (twee clusters vrijstaande woningen) valt binnen een peilgebied met een maximumpeil van NAP + 6,5 m. Het overige gedeelte van het plangebied valt binnen een ander peilgebied en heeft een maximumpeil van NAP + 7,4 m. Dit peil is de instelhoogte van het kunstwerk. Lokaal kunnen er verschillen optreden in het peil afhankelijk van de afstand tot de instelhoogte. Via onderstaand kaartbeeld wordt de bestaande waterhuishouding weergegeven.

Afbeelding 4

• • • •

Weergave bestaande waterhuishouding (Bron: Waterschap Drents Overijsselse Delta)

De hoogte van het maaiveld ligt gemiddeld op ongeveer NAP + 8,36 m. De bodem (deklaag) bestaat voornamelijk uit zandgronden. De maximale grondwaterstand ligt op 20 – 40 cm onder het maaiveld. Bij extreme neerslag wordt geen wateroverlast in of nabij het plangebied verwacht (bron: Klimaatatlas WDODelta).

Conclusies watertoets Naar aanleiding van deze uitgangspunten notitie is overleg gevoerd tussen initiatiefnemer, de gemeente en het waterschap en is een watertoetsdocument gemaakt door Aqualinq Riolering en Waterbeheer 2. Hierna wordt kort ingegaan op de belangrijkste conclusies:

2

•

Om het risico op grondwateroverlast te beperken dient de ontwateringsdiepte voldoende te zijn. De ontwateringsdiepte is de afstand tussen de gemiddeld hoogtegrondwaterstand en het straatpeil, het maaiveld en/of vloerpeil. Met de peilen uit figuur 3-1 van de rapportage voldoet het plangebied aan de gestelde ontwateringseisen.

•

Na het vaststellen van het bestemmingsplan wordt het ontwerp van de wadi’s het HWA-stelsel en de verdere hemelwaterstructuur nader uitgewerkt in een waterhuishoudkundig plan en vervolgens afgestemd met gemeente en waterschap, waarna de watervergunningen worden aangevraagd.

Watertoets Valderse , Aqualinq, Oktober 2023

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

12

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Valderse III

•

Uitgangspunt voor het plan is het zoveel mogelijk natuurlijk af laten vloeien van het regenwater. Het hemelwater van de verhardingen wordt bovengronds afgevoerd naar de wadi’s. In de “blauwe structuren” dit betreft geschakelde wadi’s, zal het hemelwater van de verhardingen volledig worden opgevangen, waarna het hemelwater via (natuurlijke) bodeminfiltratie wegvloeit.

•

In het plangebied wordt een verhard oppervlak gerealiseerd van circa 17.708 m2. De benodigde waterberging bedraagt ca. 1.416 m³. Uitgaande van een wadistructuur met een bergende schijf van 30 cm kan hierin 517 m2 geborgen worden. De resterende berging wordt gerealiseerd in de reeds aanwezige bergingsvijver 950 m2. Dit is uitgangspunt voor de waterhuishoudkundige uitwerking.

Effect: Het effect van de ontwikkeling op het vlak van ‘water’ wordt gelet op het bovenstaande en het feit dat er nog een waterhuishoudkundigplan en rioleringsplan wordt opgesteld inschat op neutraal.

Ecologie Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en het Nederlands Natuurnetwerk. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Volgens het wettelijk kader ten aanzien van gebiedsbescherming zoals vastgelegd in de Wet natuurbescherming zal Nederland aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Hiernaast is het Natuurnetwerk Nederland (NNN) de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In afbeelding 4 en 5 is de afstand van het plangebied tot Natura 2000 en het NNN in beeld gebracht.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

13

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Valderse III

Afbeelding 4: Ligging projectgebied t.o.v. Natura 2000 (Bron: AERIUS.nl)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

14

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Valderse III

Afbeelding 5: Ligging projectgebied t.o.v. NNN (Bron: Natuurbank Overijssel)

Het projectgebied behoort niet tot het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangeduid als NNN liggen op grote afstand ten zuiden van de kern Dwingeloo. Het NNN kent geen schaduwwerking. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de onderlinge afstand tot de NNN is geen sprake van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. Het plangebied ligt op een afstand van circa 1,5 kilometer van Natura 2000-gebied ‘Dwingelderveld’. Ten noorden van het plangebied, op circa 3,5 kilometer, ligt het Natura 2000-gebied ‘Drents-Friese Wold & Leggelderveld’ Van directe effecten (bijv. geluid of lichthinder) is dan ook geen sprake. Om de stikstofdepositie op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied te beoordelen heeft BJZ.nu een stikstofberekening gemaakt met behulp van de AERIUS-calculator3. Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de aanlegfase blijkt dat in de aanlegfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Wanneer de (tijdelijke) depositie als gevolg van de aanlegfase tegenover de depositie als gevolg van de aanwezige activiteit wordt gezet (intern salderen) is per saldo geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr.

Er is daarentegen per saldo sprake van een afname van de stikstofdepositie, waardoor als gevolg van de aanlegfase geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000gebieden. Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de aanlegfase blijkt dat in de aanlegfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr.

3

AERIUS Berekening Dwingeloo, Valderse III, BJZ.nu, oktober 2023

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

15

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Valderse III

Wanneer de (tijdelijke) depositie als gevolg van de aanlegfase tegenover de depositie als gevolg van de aanwezige activiteit wordt gezet (intern salderen) is per saldo geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarentegen per saldo sprake van een afname van de stikstofdepositie, waardoor als gevolg van de aanlegfase geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000gebieden. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van het voornemen per saldo geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Daarentegen is in beide fasen sprake van een permanente afname van de stikstofdepositie, hetgeen een positief effect heeft ten aanzien van de Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Soortbescherming In voorliggend geval is door Buro Bakker een Quickscan Ecologie4 uitgevoerd. Het betreft een update van de in reeds in 2007 en 2014 uitgevoerde ecologisch onderzoeken ten behoeve woningbouw in het plangebied. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 7 bij deze toelichting. Hieronder worden de onderzoeksresultaten weergegeven.

Onderzoeksresultaten Op basis van de quickscan zijn met betrekking tot de aanwezigheid van beschermde flora en fauna de volgende conclusies te trekken: • In en rond het plangebied zijn geen nesten met een jaarrond beschermde status aanwezig; • In en rond het plangebied is een geschikte broedbiotoop voor algemene broedvogels zoals kievit en merel aanwezig; • In het plangebied zijn geen geschikte locaties voor verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. • Een mogelijke vliegroute voor vleermuizen grenst aan het plangebied, aan de Lheeweg; • Het plangebied is ongeschikt voor verblijfplaatsen van steen- en boommarters; • In het plangebied zijn in de wateren mogelijk poel-, hei- en meerkikkers aanwezig; • In en rond het plangebied komen verder nationaal beschermde soorten voor, namelijk de egel en enkele muizensoorten. De egel en de muizensoorten zijn opgenomen in bijlage 5 van de provinciale verordening, zodat voor deze soorten een vrijstelling geldt. De algemene zorgplicht is wel van kracht. Benodigde vervolgstappen •

•

4

Voor de kikkersoorten is bij werkzaamheden aan de poel en/of sloten een nader onderzoek nodig. Dit onderzoek bestaat uit: o Heikikker: 3 inventarisatie ronden in de periode eind februari tot begin april. Hierbij wordt ook gezocht naar eiklompen. In april - mei kunnen larven geïnventariseerd worden. o Poel- en meerkikker: 2 ronden in de periode mei tot juli met minimale tussenpozen van 10 dagen. In deze periode kan de kooractiviteit in kaart gebracht worden. Ook kan in de periode mei - september volwassen individuen worden gevangen zodat de soort gedetermineerd kan worden. o Om negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden op de aanwezige broedvogels te voorkomen, dient te worden gewerkt buiten het broedseizoen (buiten de periode half maart t/m half juli). o Belichting moet voorkomen worden op de Lheeweg vanwege de mogelijke vliegroute van vleermuizen. Het advies is om overdag de werkzaamheden uit te voeren en ‘nachts geen verlichting te laten schijnen op de Lheeweg. Voor nationaal beschermde soorten geldt de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat schade aan wilde planten en dieren zoveel, als redelijkerwijs mogelijk is, wordt voorkomen. Dit kan door het rooien van de struiken in één richting uit te voeren, zodat eventuele grondgebonden zoogdieren zelfstandig het gebied kunnen verlaten.

Update quickscan Oostrand Dwingeloo, Buro Bakker, juni 2020

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

16

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Valderse III

Effect: Het effect van de ontwikkeling op het vlak van ‘ecologie’ wordt, mits nader onderzoek naar de kikkersoorten plaatsvind en eventueel daaruit volgende mitigerende maatregelen worden getroffen, inschat op neutraal.

Cumulatie Cumulatie van effecten treedt op wanneer werkzaamheden in direct omliggende gebieden vergelijkbare effecten veroorzaken met de hierboven beschreven effecten en in dezelfde periode worden uitgevoerd. Er zijn geen ontwikkelingen in direct omliggende gebieden bekend waarbij sprake is van vergelijkbare effecten die in dezelfde periode uitgevoerd zullen worden. Cumulatie is daarom niet aan de orde.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

17

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Valderse III

HOOFDSTUK 4

CONCLUSIE

Dit hoofdstuk dient als samenvatting van de conclusies van de hoofdstukken 2 en 3. In dit hoofdstuk wordt de voorgenomen activiteit aan onderstaande criteria getoetst en een eindafweging gemaakt. 1. De kenmerken van de activiteit; 2. De plaats van de activiteit; 3. De samenhang met andere activiteiten (cumulatie); 4. De kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben. Kenmerken van de activiteit Het voornemen betreft het realiseren van 100 woningen. Het gaat uitsluitend om een woonfunctie. Bij de kenmerken van de activiteit dient in het bijzonder in overweging te worden genoemd: • De omvang van het project; • hinder. Omvang De ontwikkeling is gelet op de schaal van het project zeer gering van omvang. Het voornemen past in het streven naar het toevoegen van woningen bij de kern Dwingeloo. Geconcludeerd wordt dat dit project ver beneden de drempelwaarden van de m.e.r.- plicht blijft. Hinder Tijdens de uitvoering van het voornemen kunnen flora en fauna hinder ondervinden. Uit het ecologische onderzoek (quickscan) en de stikstofberekening is echter gebleken dat de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soort- of gebiedsbescherming leiden. Plaats van de activiteit Het projectgebied ligt geheel binnen grondgebied van de gemeente Westerveld op onbebouwde gronden die momenteel agrarisch in gebruik zijn.

De voorgenomen activiteit is niet gelegen in beschermd gebied in het kader van waterhuishouding of natuur. Samenhang met andere activiteiten ter plaatse Er vinden in de directe omgeving van het projectgebied geen andere (grootschalige) ontwikkelingen plaats met vergelijkbare milieueffecten waarmee rekening dient te worden gehouden. Kenmerken van de belangrijke nadelige milieugevolgen Voor de beoordeling van eventuele belangrijke nadelige milieugevolgen van de voorgenomen activiteit moet, daar waar opportuun, rekenschap worden gegeven aan de volgende zaken: • • • •

Het bereik van het effect (geografische zone en de grootte van de getroffen bevolking); Het grensoverschrijdende karakter van het effect; De waarschijnlijkheid van het effect; De duur, frequentie en de onomkeerbaarheid van het effect.

Uit hoofdstuk 3 is gebleken dat de ontwikkeling op de relevante milieuaspecten verkeer, geluid, luchtkwaliteit, water en stikstof geen belangrijke structurele nadelige en onomkeerbare milieugevolgen met zich meebrengt. Voor ecologie is dit wellicht wel het geval, afhankelijk van de nog uit te voeren nadere onderzoeken. De ontwikkeling gaat wel gepaard met tijdelijke hinder als gevolg van bouwwerkzaamheden, maar deze zullen na afronding volledig vervallen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

18

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Valderse III

Maatregelen ter vermindering van potentiële effecten (samenvattend) Milieueffecten van de ontwikkeling van het projectgebied kunnen niet geheel worden voorkomen. De mate waarin de milieueffecten optreden kan wel gemitigeerd worden. De milieueffecten zijn zodanig ingeschat dat met uitzondering van het aspect ecologie mitigerende maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Conclusie vormvrije m.e.r.-beoordeling De vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

19

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westerveld&id=87e412f2-79bb-4a73-9463-2d8013216162