CConstaterende datWesterveld
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Van Helomaweg 4 Wapserveen, motivering

Politieke avond Westerveld 21 april 2026, gemeente WesterveldBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling TAM-omgevingsplan Van Helomaweg 4 Wapserveen (spreekrecht)27.710 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22t Van Helomaweg 4 Wapserveen

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22t Van Helomaweg 4 Wapserveen

Inhoudsopgave

Motivering

2

3

Inhoudsopgave (concept)

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22t Van Helomaweg 4 Wapserveen

Motivering

Motivering (concept)

3

\

Ruimtelijke motivering Wapserveen, Van Helomaweg 4

Status: Concept

Augustus 2025

Wapserveen, Van Helomaweg 4 Concept

Ruimtelijke motivering (TAM-omgevingsplan) Van Helomaweg 4, Wapserveen

Plannaam: Plantype: Bij TAM:

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22t Van Helomaweg 4 Wapserveen Ruimtelijke motivering ten behoeve van een wijziging van het omgevingsplan NL.IMRO.1701.509TAMVHelomaweg4-0001

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

1

Wapserveen, Van Helomaweg 4 Concept

Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 1.1 1.2 1.3 1.4

INLEIDING .............................................................4

AANLEIDING .............................................................................................................. 4 LIGGING VAN HET PLANGEBIED ......................................................................................... 4 HET OMGEVINGSPLAN ................................................................................................... 4 LEESWIJZER .............................................................................................................. 5

HOOFDSTUK 2

BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE................................6

HOOFDSTUK 3

PLANBESCHRIJVING ..................................................8

3.1 3.2

HET VOORNEMEN ........................................................................................................ 8 INFRASTRUCTUUR EN OPENBARE RUIMTE ............................................................................ 10

HOOFDSTUK 4 4.1 4.2 4.3

ALGEMEEN .............................................................................................................. 12 LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING ....................................................................... 12 LANDSCHAPPELIJKE WAARDEN ........................................................................................ 13

HOOFDSTUK 5 5.1 5.2 5.3

LANDSCHAPPELIJKE EN STEDENBOUWKUNDIGE WAARDEN 12

BELEIDSKADERS .................................................... 14

RIJKSBELEID ........................................................................................................... 14 PROVINCIAAL BELEID .................................................................................................. 16 GEMEENTELIJK BELEID ................................................................................................ 18

HOOFDSTUK 6

OMGEVINGSVEILIGHEID .......................................... 21

HOOFDSTUK 7

BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN ....................... 23

7.1 7.2 7.3 7.4

VIGEREND BELEID ..................................................................................................... 23 WATERASPECTEN ...................................................................................................... 24 WATERTOETSPROCES EN WATERHUISHOUDING PLANGEBIED ...................................................... 24 CONCLUSIE ............................................................................................................. 24

HOOFDSTUK 8 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5 8.6

GELUID DOOR ACTIVITEITEN ......................................................................................... 25 BODEMKWALITEIT ..................................................................................................... 26 LUCHTKWALITEIT ...................................................................................................... 27 GEUR ................................................................................................................... 28 TRILLINGSHINDER ..................................................................................................... 29 GEZONDHEID .......................................................................................................... 29

HOOFDSTUK 9 9.1 9.2 9.3

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE .......................... 33

WETTELIJK KADER .................................................................................................. 33 ARCHEOLOGIE ...................................................................................................... 33 CULTUURHISTORIE ................................................................................................. 33 BESCHERMING VAN HET CULTUURHISTORISCH LANDSCHAP .................................................... 34 CONCLUSIE .......................................................................................................... 34

HOOFDSTUK 11 11.1 11.2 11.3

BESCHERMING VAN DE NATUUR .................................31

GEBIEDSBESCHERMING ............................................................................................... 31 SOORTENBESCHERMING .............................................................................................. 32 CONCLUSIE ............................................................................................................. 32

HOOFDSTUK 10 10.1 10.2 10.3 10.4 10.5

BESCHERMING GEZONDHEID EN HET MILIEU.................. 25

M.E.R.- BEOORDELING ............................................ 35

ALGEMEEN........................................................................................................... 35 SITUATIE PLANGEBIED ............................................................................................. 35 CONCLUSIE .......................................................................................................... 35

HOOFDSTUK 12

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ............................. 36 BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

2

Wapserveen, Van Helomaweg 4 Concept 12.1 12.2 12.3

ALGEMEEN........................................................................................................... 36 KOSTENVERHAAL ................................................................................................... 36 SITUATIE PLANGEBIED ............................................................................................. 36

HOOFDSTUK 13 13.1 13.2 13.3

PARTICIPATIE ....................................................................................................... 37 AFSTEMMING OVERLEGPARTNERS ................................................................................. 37 ZIENSWIJZEN ....................................................................................................... 37

HOOFDSTUK 14 14.1 14.2 14.3

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID ...................... 37

JURIDISCHE VERANTWOORDING ................................ 38

INLEIDING ........................................................................................................... 38 OPZET VAN DE REGELS ............................................................................................. 38 VERANTWOORDING VAN DE REGELS .............................................................................. 39

BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE MOTIVERING ........................................... 40 BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4 BIJLAGE 5

RUIMTELIJK KWALITEITSPLAN ............................................................................... 40 WATERTOETSRESULTAAT .................................................................................... 41 AERIUS-BEREKENING ...................................................................................... 42 QUICKSCAN FLORA EN FAUNA ............................................................................... 43 PARTICIPATIEVERSLAG ....................................................................................... 44

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

3

Wapserveen, Van Helomaweg 4 Concept

HOOFDSTUK 1

1.1

INLEIDING

Aanleiding

Aan de Van Helomaweg 4 in Wapserveen is een veehouderij gevestigd. Initiatiefnemer heeft zijn melkveebedrijf aangemeld voor de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderij (LBV-regeling). Hij heeft inmiddels een beschikking van het RVO ontvangen en heeft besloten om deze te ondertekenen. Het plan is om de agrarische gebouwen, waar momenteel dieren worden gehouden, te slopen. Uitzondering hierop is het achterhuis van de bestaande woonboerderij, die blijft behouden. Gezien de leeftijd van de initiatiefnemer wil hij de bedrijfsactiviteiten voortzetten in de vorm van een akkerbouwbedrijf. Er is tevens de intentie om een nieuwe loods te bouwen voor deze akkerbouwactiviteiten. Daarnaast is het voornemen om het achterhuis van de woonboerderij leeg te ruimen en in gebruik te nemen ten behoeve van opslag van materialen of machines. Ten slot wordt het nieuwe perceel landschappelijk ingepast. Ten behoeve van de LBV-regeling moet het omgevingsplan worden gewijzigd, in die zin dat het houden van dieren op deze locatie wordt uitgesloten. Om voorliggend initiatief mogelijk te maken is een wijziging van het omgevingsplan nodig. De gemeente Westerveld heeft middels een principebesluit (12 juni 2025) besloten om onder voorwaarden medewerking te verlenen aan deze ontwikkeling.

Hiervoor dient te worden aangetoond dat het voornemen in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet.

1.2

Ligging van het plangebied

Het projectgebied ligt aan de van Helomaweg 4 in Wapserveen in het buitengebied van de gemeente Westerveld. Het projectgebied staat kadastraal bekend als gemeente Havelte, sectie N, nummer 471. In afbeelding 1.1 is de ligging van het projectgebied weergegeven.

Afbeelding 1.1

1.3

Ligging projectgebied (Bron: Plattekaart.nl)

Het omgevingsplan

Ter plaatse van het projectgebied is sprake van het omgevingsplan van rechtswege zoals deze in werking is getreden op 1 januari 2024. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat ter plaatse uit de volgende documenten: •

Omgevingsplan gemeente Westerveld;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

4

Wapserveen, Van Helomaweg 4 Concept • •

Kleinschalige hernieuwbare energie; Buitengebied Westerveld.

Voor de duiding van het planologisch regime van het projectgebied is met name het bestemmingsplan ‘buitengebied Havelte – agrarische gronden.’ van belang. Het omgevingsplan bevat in de huidige situatie namelijk uitsluitend de regels van de bruidsschat. Op basis van het bestemmingsplan ‘buitengebied Havelte – agrarische gronden’ is het projectgebied voorzien van de enkelbestemming ‘Agrarisch -1’ met functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - agrarische bedrijfskavel grondgebonden bedrijf’ en ‘specifieke vorm van waarde – Wapserveen’. De voor ‘Agrarisch – 1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van een grond gebonden agrarisch bedrijf Per gebied, ter plaatse van een agrarische bedrijfskavel, mogen binnen een aaneengesloten bouwblok van ten hoogste 1,5 hectare uitsluitend gebouwen en overkappingen ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf worden gebouwd. Tot slot gelden er nog de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Landschap 1’. Deze dubbelbestemmingen zijn bestemd voor het behoud van de archeologische en landschappelijke waarden. 1.3.2

Opheffen strijdigheid

Een voorwaarde van de LBV-regeling is dat de mogelijkheden voor het houden van vee op de agrarische bedrijfsfunctie worden gestaakt en planologisch wegbestemd. Een ruimtelijk planologische procedure is noodzakelijk om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAMomgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. Juridisch maakt het TAMomgevingsplan deel uit van het omgevingsplan van de gemeente. Technisch is het dat niet, waardoor aanvullende (voorrangs)regels noodzakelijk zijn. Hier wordt in hoofdstuk 14 nader op ingegaan.

1.4

Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 allereerst ingegaan op de huidige situatie. Hoofdstuk 3 en 4 gaan achtereenvolgens in op de gewenste situatie van het plangebied de bescherming van de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden in en rondom het plangebied. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid beschreven. Hoofdstuk 6 gaat in op de omgevingsveiligheid, waarna in hoofdstuk 7 de bescherming van de waterbelangen wordt behandeld. Hoofstuk 8 en 9 gaan respectievelijk in op de bescherming van de gezondheid, het milieu en de natuur. Hoofdstuk 10 behandelt de archeologische en cultuurhistorische waarden. In hoofdstuk 11 komt de m.e.r.-beoordeling aan bod. Hoofdstuk 12 en 13 behandelen ten slotte de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het voornemen. Ten slotte wordt in hoofdstuk 14 ingegaan op de juridische planverantwoording.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

5

Wapserveen, Van Helomaweg 4 Concept

HOOFDSTUK 2

BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE

De ruimtelijke en functionele structuur van de omgeving bestaat voornamelijk uit agrarische cultuurgronden, verspreid gelegen (agrarische) bedrijfspercelen en woonpercelen. De belangrijkste ruimtelijke structuurdrager is de Westeinde en de van Helomaweg. Het projectgebied wordt aan de noord- en oostzijde begrensd door respectievelijk de Westeinde en van Helomaweg. Aan de zuidzijde zijn agrarische cultuurgronden aanwezig en aan de westzijde woonpercelen. Het perceel aan de Van Helomaweg 4 in Wapserveen betreft een agrarisch bedrijf met als hoofdactiviteit melkveehouderij. Het erf is ingericht met meerdere agrarische opstallen, waaronder een ligboxenstal, een melkstal, een werktuigenloods en voorzieningen voor ruwvoederopslag, zoals kuilvoerplaten en een mestopslag. Het erf is deels verhard ten behoeve van het gebruik met landbouwmachines en vee. Op het perceel bevindt zich tevens een karakteristieke bedrijfswoning, die onderdeel uitmaakt van het agrarisch bedrijf. De woning ligt aan de voorzijde van het erf en is bereikbaar via een oprit vanaf de Van Helomaweg. Het omliggende landschap bestaat grotendeels uit agrarische cultuurgronden, met verspreid liggende agrarische bedrijven en enkele woonpercelen. De directe omgeving kent een open, landelijk karakter met weidse zichten en kleinschalige landschapselementen.

In afbeelding 2.1 is een luchtfoto van de huidige situatie van het projectgebied en de directe omgeving weergegeven, waarbij het projectgebied in het rood is omlijnd. Afbeelding 2.2 toont een straatbeeldfoto die is genomen vanaf de van Helomaweg.

Afbeelding 2.1

Luchtfoto huidige situatie projectgebied (Bron: PDOK, bewerkt)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

6

Wapserveen, Van Helomaweg 4 Concept

Afbeelding 2.2

Straatbeeld huidige situatie projectgebied (Bron: Google Streetview, september 2023)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

7

Wapserveen, Van Helomaweg 4 Concept

HOOFDSTUK 3

3.1

PLANBESCHRIJVING

Het voornemen

De voorgenomen ontwikkeling houdt in dat het melkveebedrijf aan de van Helomaweg 4 in Wapserveen wordt beëindigd. Er zijn twee landelijke beëindigingsregelingen beschikbaar: de LBVplus en de LBV. Beide regelingen vergoeden het waardeverlies van de opstallen. Bij de LBV-plus worden ook de sloopkosten vergoed, waardoor de sloop van opstallen in principe niet kan worden meegenomen in de kwaliteitsbalans. Bij de LBV-regeling is dit anders, omdat deze regeling geen vergoeding voor sloopkosten biedt. De toepassing van deze regeling vereist maatwerk. De sloop van andere opstallen die niet onder de sloopverplichting van de LBV-regelingen vallen, en waarvoor dus geen vergoeding voor waardeverlies en sloopkosten bestaat, kan altijd onderdeel zijn van de kwaliteitsbalans. De initiatiefnemer maakt gebruik van de LBV-regeling en willen na de beëindiging van het melkveebedrijf een akkerbouwbedrijf voortzetten op de locatie. De gronden die in eigendom zijn, zullen hiervoor worden gebruikt. Daarnaast is het voornemen om een nieuwe loods te bouwen ten behoeve van het akkerbouwbedrijf. Verder is het plan om de bestaande woonboerderij te herstellen en het achterhuis in gebruik te nemen als opslaglocatie. De huidige sleufsilo’s zullen behouden blijven en dienen voor opslag ten behoeve van het akkerbouwbedrijf.

De overige bedrijfsgebouwen waar dieren worden gehouden, met uitzondering van het achterhuis en de kapschuur, zullen worden gesloopt.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

8

Wapserveen, Van Helomaweg 4 Concept

Afbeelding 3.1

Landschappelijk inpassingsplan

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

9

Wapserveen, Van Helomaweg 4 Concept Het uitgangspunt is dat het nieuwe bedrijfsperceel op een manier wordt ingepast die past binnen het kenmerkende landschap. Voor de ontwikkeling van het erf aan de Helomaweg 4 is gekozen voor een opzet die recht doet aan het karakteristieke wegdorpenlandschap en de bestaande morfologie van het erf. De historische structuur blijft leidend: de bestaande woonboerderij, een karakteristiek en beeldbepalend gebouw, vormt het centrale element van het erf. De bestaande kapschuur, gepositioneerd ten westen van de boerderij, blijft behouden. De nieuwe agrarische loods (ca. 750 m²) wordt zuidelijk van de kapschuur gesitueerd, met circa 15 tot 20 meter afstand tot het hoofdgebouw. Zo wordt de historische openheid rondom de boerderij gerespecteerd en ontstaat een losjes gegroepeerd, niet-streng rechtlijnig erfbeeld, passend bij de landschappelijke verkavelingsstructuur. De nokrichting van de nieuwe loods sluit aan op de bestaande verkaveling en ligt haaks op de straat, waarmee aansluiting wordt gezocht bij de oorspronkelijke oriëntatie van bebouwing in het gebied. Qua beplanting wordt het karakter van een traditioneel Drents erf versterkt. De voortuin van het voorhuis krijgt een verzorgde uitstraling met een gazon, omzoomd door een meidoorn- of beukenhaag.

Een hoogstamfruit boomgaard wordt aangelegd om een heldere scheiding tussen vooren achtererf te realiseren De bestaande waardevolle solitaire bomen blijven behouden op het voorerf. Het achtererf en de zone rondom de kapschuur en nieuwe loods worden landschappelijk ingepast met streekeigen soorten zoals inlandse eiken, hazelaars, krenten en veldesdoorns. Aan de zuid- en westzijde wordt een brede houtsingel (10–15 meter) aangelegd om de nieuwe loods visueel in het landschap op te laten gaan, waarbij open zichtlijnen naar het achterland behouden blijven. De verharding op het erf volgt een functionele, sobere benadering. De oprijlaan wordt uitgevoerd in halfverharding (bruin/grijs grind of gebakken klinkers) die aansluit op het landelijke karakter. Rond de loods en kapschuur wordt alleen waar noodzakelijk gewerkt met grijze betonplaten, waarbij het verhardingsoppervlak beperkt blijft. Materialen in natuurlijke tinten waarborgen een harmonieuze aansluiting bij het beeldkwaliteitsplan van de gemeente Westerveld. De materialisatie van de nieuwe loods is afgestemd op het landschap: donkere, rustige kleuren worden toegepast zoals zwart gepotdekseld hout of antracietkleurige damwandprofielplaten voor de gevels, en grijze golfplaten of een rieten dak voor de overkapping, zonder opvallende accenten zoals witte windveren of felle kleuren.

Tot slot is er aandacht voor het behoud van het open karakter van het landschap. Er worden sobere hekwerken toegepast, bijvoorbeeld een klein landhek verderop langs de oprijlaan, zodat de erfgrens niet te nadrukkelijk aanwezig is. Verlichting op het erf wordt functioneel en minimaal gehouden, gericht naar binnen. Met deze opzet ontstaat een toekomstbestendig erf dat zowel het cultuurhistorische karakter als de functionele eisen van het huidige agrarische gebruik respecteert en versterkt.

3.2

Infrastructuur en openbare ruimte

3.2.1

Algemeen

Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het plangebied. 3.2.2

Verkeer en parkeren

De voorgenomen wijziging betreft de omschakeling van een melkveehouderij naar een akkerbouwbedrijf in het kader van deelname aan de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties (LBV-regeling). Deze wijziging heeft geen invloed op de parkeersituatie ter plaatse. Er worden geen extra voorzieningen gerealiseerd die leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen of parkeerbehoefte. De aard van de bedrijfsactiviteiten verandert, maar de omvang van het gebruik en de personele bezetting blijft gelijkwaardig. Akkerbouw kent doorgaans een vergelijkbare of zelfs lagere verkeersgeneratie dan een melkveehouderij.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

10

Wapserveen, Van Helomaweg 4 Concept Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er geen aanvullende parkeerplaatsen noodzakelijk zijn en dat de bestaande parkeervoorzieningen volstaan. De parkeerdruk blijft ongewijzigd. 3.2.3

Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het plan voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

11

Wapserveen, Van Helomaweg 4 Concept

HOOFDSTUK 4

4.1

LANDSCHAPPELIJKE EN STEDENBOUWKUNDIGE WAARDEN

Algemeen

In het vorige hoofdstuk is de gewenste ontwikkeling beschreven. Dit hoofdstuk zal ingaan op hoe het plan rekening houdt met de ter plaatse aanwezige landschappelijke en stedenbouwkundige waarden. De waardering van de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. Deze kunnen daarom worden benut binnen het ontwerp van een ruimtelijke ontwikkeling. De landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit maken integraal onderdeel uit van de taak van overheden om in een omgevingsplan te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit zijn in afdeling 5.1.5 instructieregels opgesteld voor het beschermen van deze kwaliteiten. Deze gaan over de volgende onderwerpen: • • • • •

Kustbescherming; Waddenzee en Waddengebied; Cultureel erfgoed en werelderfgoed; Landelijke fiets- en wandelroutes; Ladder voor duurzame verstedelijking.

Het aspect ‘cultureel erfgoed en werelderfgoed’ zal in hoofdstuk 10 worden behandeld. In onderstaande paragraaf wordt ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking en de gebiedsspecifieke landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteiten.

4.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

4.2.1

Algemeen

De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. De Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de toetsing aan de ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen: • •

De behoefte aan de stedelijke ontwikkeling; Bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen het bestaande stedelijk gebied in de behoefte te voorzien zijn verkend.

Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘stedelijk gebied’ en een ‘stedelijke ontwikkeling’. Stedelijk gebied: Op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen; Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen.

Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

12

Wapserveen, Van Helomaweg 4 Concept 4.2.2

Toetsing van het voornemen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking

De voorgenomen ontwikkeling betreft de beëindiging van een melkveehouderij en de omschakeling naar een akkerbouwbedrijf, waarbij een agrarische loods van circa 750 m² wordt gerealiseerd op het bestaande erf. Hoewel formeel geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking hier informatief kort toegelicht. De loods is noodzakelijk voor de opslag van landbouwmaterieel en oogstproducten en maakt een doelmatige bedrijfsvoering mogelijk binnen het nieuwe akkerbouwbedrijf. De ontwikkeling vindt plaats op het bestaande agrarische bouwvlak en draagt niet bij aan extra ruimtebeslag of verstedelijking. Van regionale impact is geen sprake; de ontwikkeling is kleinschalig en passend binnen het agrarisch karakter van het gebied. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in lijn is met de uitgangspunten van de Ladder voor duurzame verstedelijking en leidt tot zorgvuldig gebruik van de bestaande ruimte.

4.3

Landschappelijke waarden

Het uitgangspunt is dat het nieuwe bedrijfsperceel op een manier wordt ingepast die past binnen het kenmerkende landschap. Voor de ontwikkeling van het erf aan de Helomaweg 4 is gekozen voor een opzet die recht doet aan het karakteristieke wegdorpenlandschap en de bestaande morfologie van het erf. De historische structuur blijft leidend: de bestaande woonboerderij, een karakteristiek en beeldbepalend gebouw, vormt het centrale element van het erf. De bestaande kapschuur, gepositioneerd ten westen van de boerderij, blijft behouden. De nieuwe agrarische loods (ca. 750 m²) wordt zuidelijk van de kapschuur gesitueerd, met circa 15 tot 20 meter afstand tot het hoofdgebouw. Zo wordt de historische openheid rondom de boerderij gerespecteerd en ontstaat een losjes gegroepeerd, niet-streng rechtlijnig erfbeeld, passend bij de landschappelijke verkavelingsstructuur. De nokrichting van de nieuwe loods sluit aan op de bestaande verkaveling en ligt haaks op de straat, waarmee aansluiting wordt gezocht bij de oorspronkelijke oriëntatie van bebouwing in het gebied. Qua beplanting wordt het karakter van een traditioneel Drents erf versterkt. De voortuin van het voorhuis krijgt een verzorgde uitstraling met een gazon, omzoomd door een meidoorn- of beukenhaag.

Een hoogstamfruit boomgaard wordt aangelegd om een heldere scheiding tussen vooren achtererf te realiseren De bestaande waardevolle solitaire bomen blijven behouden op het voorerf. Het achtererf en de zone rondom de kapschuur en nieuwe loods worden landschappelijk ingepast met streekeigen soorten zoals inlandse eiken, hazelaars, krenten en veldesdoorns. Aan de zuid- en westzijde wordt een brede houtsingel (10–15 meter) aangelegd om de nieuwe loods visueel in het landschap op te laten gaan, waarbij open zichtlijnen naar het achterland behouden blijven. De verharding op het erf volgt een functionele, sobere benadering. De oprijlaan wordt uitgevoerd in halfverharding (bruin/grijs grind of gebakken klinkers) die aansluit op het landelijke karakter. Rond de loods en kapschuur wordt alleen waar noodzakelijk gewerkt met grijze betonplaten, waarbij het verhardingsoppervlak beperkt blijft. Materialen in natuurlijke tinten waarborgen een harmonieuze aansluiting bij het beeldkwaliteitsplan van de gemeente Westerveld. De materialisatie van de nieuwe loods is afgestemd op het landschap: donkere, rustige kleuren worden toegepast zoals zwart gepotdekseld hout of antracietkleurige damwandprofielplaten voor de gevels, en grijze golfplaten of een rieten dak voor de overkapping, zonder opvallende accenten zoals witte windveren of felle kleuren.

Met deze opzet ontstaat een toekomstbestendig erf dat zowel het cultuurhistorische karakter als de functionele eisen van het huidige agrarische gebruik respecteert en versterkt. Het erfinrichtingsplan is weergegeven in afbeelding 3.1.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

13

Wapserveen, Van Helomaweg 4 Concept

HOOFDSTUK 5

BELEIDSKADERS

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.

5.1

Rijksbeleid

5.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

5.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 5.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.

Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.

Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

14

Wapserveen, Van Helomaweg 4 Concept 5.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. 5.1.2

Instructieregels Rijk (AMvB’s)

Het omgevingsplan bevat op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In afdeling 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen voor het stellen van regels in het omgevingsplan. Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat: o o o o o o

o

waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2); beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3); beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; het behouden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. In de onderbouwing moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden. 5.1.3

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het Rijksbeleid

In voorliggend geval betreft het een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er geen sprake is van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in de voorliggende ruimtelijke onderbouwing opgenomen ontwikkeling. In de volgende hoofdstukken wordt aangegeven hoe het plan rekening houdt met de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat. Hoofdstuk 3 en 4 zijn reeds ingegaan op de instructieregels zoals vervat in paragraaf 5.1.5, 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

15

Wapserveen, Van Helomaweg 4 Concept

5.2

Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste plannen zijn de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. 5.2.1

Omgevingsvisie Drenthe 2022

5.2.1.1 Algemeen De Omgevingsvisie is hét strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe. De visie formuleert de belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing van de provincie in het ruimtelijke domein. De Omgevingsvisie beschrijft de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe in de periode tot 2030, met in sommige gevallen een doorkijk naar de periode daarna. Als in de tekst wordt gesproken over ‘lange termijn’, betreft het de periode na 2030. De Omgevingsvisie heeft voor de provincie vooral een interne binding. Dit betekent dat de provincie bij de uitoefening van haar taken aan de Omgevingsvisie gebonden is. De missie van de provincie is het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe, passend bij de kernkwaliteiten. Deze missie is ingegeven door wat inwoners, medeoverheden en maatschappelijke partners belangrijk vinden voor de toekomst van Drenthe. De kernkwaliteiten zijn samen met partners en de inwoners van Drenthe benoemd, te weten landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, archeologie, rust en natuur. 5.2.1.2 Ruimtelijke kwaliteit De ruimtelijke kwaliteit van Drenthe is hoog en de ruimtelijke identiteit is herkenbaar en beleefbaar.

Het tot dusver gevoerde ruimtelijk beleid heeft ertoe geleid dat ontwikkelingen altijd in samenhang met de ondergrond en met besef van de cultuurhistorie hebben plaatsgevonden. Er is evenwicht en onderscheid tussen stad en platteland, tussen rust en dynamiek, tussen historie en het heden. Het Drentsche landschap is rijk aan herinneringen aan vroegere bewoning, kent karakteristieke bebouwingspatronen, heeft hoge natuurwaarden en is beleefbaar. In Drenthe kan nog steeds openheid, rust, ruimte en duisternis worden ervaren. Deze aspecten worden in de rest van het land steeds zeldzamer en wordt door de samenleving steeds meer gewaardeerd. Omdat niet alle kernkwaliteiten goed te duiden zijn in het fysiek-ruimtelijk domein, zijn ze vertaald naar indicatoren. Rust is vertaald naar stilte en duisternis. Ruimte staat voor de openheid van het landschap. De kernkwaliteit natuur is uitgewerkt in het kunnen beleven en benutten van de natuur die Drenthe rijk is en daarnaast het beschermen om de biodiversiteit in stand te houden en te versterken. Oorspronkelijkheid is concreet gemaakt in de kernkwaliteiten cultuurhistorische, archeologische en aardkundige waarden. Veiligheid staat voor sociale, externe en verkeersveiligheid.

De kernkwaliteiten noaberschap, menselijke maat en kleinschaligheid zijn lastig ruimtelijk te duiden, maar zijn meegenomen in de begrippen ‘leefbaarheid en ‘passend bij Drenthe’. De verschillende kernkwaliteiten zijn de basis van de kernkwaliteit landschap. Er is immers een duidelijke relatie tussen de ondergrond, de historische ontwikkeling, leefbaarheid, ‘passend bij Drenthe’ en het landschap. Daar komt bij dat de gaafheid en de diversiteit van het Drentse landschap overal beleefbaar is binnen Drenthe. Daarmee vormt de kernkwaliteit landschap de kapstok voor de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten landschap, natuur, cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden zijn middels kaartlagen inzichtelijk gemaakt. In subparagraaf 5.2.1.3 wordt het plan aan de kernkwaliteiten getoetst. Landschap Het plan laat zien dat zorgvuldig is nagedacht over de inpassing in het landschap. Voor de transformatie van het melkveebedrijf naar een akkerbouwbedrijf wordt er een nieuwe loods gerealiseerd. Deze wordt op basis van kenmerkende landschapselementen landschappelijk ingepast. Tevens is er aandacht voor de stedenbouwkundige uitstraling van het erf nagedacht door de positionering van de bebouwing. Daarmee wordt invulling gegeven aan het streven om cultuurhistorische continuïteit te behouden en het oorspronkelijke karakter van het erf te versterken.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

16

Wapserveen, Van Helomaweg 4 Concept Natuur Op het vlak van natuur sluit het plan goed aan bij het provinciale beleid. Er wordt ingezet op de versterking van ecologische en landschappelijke waarden door de aanleg van beplanting met streekeigen soorten zoals beukenhagen, lindebomen en solitaire eiken. Daarnaast worden nieuwe landschapselementen toegevoegd, zoals een houtwal en boomgaard, wat de biodiversiteit ten goede komt. De aanwezigheid van deze elementen bevordert niet alleen de natuurwaarde, maar ook de landschappelijke samenhang en structuur. Cultuurhistorie Vanuit cultuurhistorisch perspectief is bovendien van belang dat het erf aansluit op de traditionele verkaveling van het landschap. Het ontwerp borduurt voort op de bestaande ruimtelijke structuur, waarbij het hoofdgebouw, de bijgebouwen, boomgaard, erven en groenstructuren samen een samenhangend geheel vormen. Daarmee draagt het bij aan de beleefbaarheid van de Drentse ruimtelijke identiteit. Archeologie Het projectgebied bevindt zich in een gebied waar de kernkwaliteit Archeologie met ‘Beschermingsniveau 1: generiek Uitvoering’ van toepassing is.

Het beschermingsniveau Generiek richt zich op het algemene uitgangspunt dat alle behoudenswaardige archeologische vindplaatsen (waarden) die op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van Drenthe staan en de nieuw ontdekte behoudenswaardige vindplaatsen die daar niet meer op staan, niet ongezien kunnen verdwijnen. In paragraaf 10.2 wordt gemotiveerd dat er met voorliggend projectvoornemen geen archeologische waarden worden aangetast. Aardkundige Waarde Ten aanzien van de aardkundige waarden laat het plan zien dat het bestaande verkavelingspatroon, het maaiveldverloop en de historische ontginningsstructuur worden gerespecteerd. De locatie ligt in het karakteristieke ontginningslandschap van Zuidwest-Drenthe, behorend tot de randzone van het Drents Plateau, waar een geleidelijke overgang zichtbaar is van de hogere zandgronden naar het voormalige veengebied. De situering van erf en bebouwing sluit aan bij de kenmerkende langgerekte verkaveling en het open karakter van het achterliggende land. Op basis van bovenstaande toetsing wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Drenthe. 5.2.2

Omgevingsverordening

De Provinciale Omgevingsverordening Drenthe (POV) is een belangrijk instrument om het omgevingsbeleid, zoals dat is opgenomen in de Omgevingsvisie Drenthe, uit te voeren. Provinciale staten hebben de Omgevingsverordening Drenthe op 3 oktober 2018 vastgesteld. In februari 2024 is de Omgevingsverordening voor het laatst gewijzigd. In voorliggend geval is artikel 3.4 van toepassing op het projectgebied. Artikel 3.4 Kernkwaliteit Aardkundige Waarden 1. Kernkwaliteit Aardkundige Waarden bestaat uit Aardkundige waarden Beschermingsniveau Hoog en Aardkundige waarden Beschermingsniveau Middel. 2. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de gebieden Aardkundige waarden Beschermingsniveau Hoog: a. houdt rekening met de aanwezige kernkwaliteiten; b. stelt regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten. Toetsing aan artikel 3.4 Kernkwaliteit Aardkundige Waarden Het projectgebied is reeds in cultuur gebracht als agrarische grond en is momenteel in gebruik ten behoeve van een agrarisch bedrijfsperceel. Aardkundige waarden die iets vertellen over de natuurlijke vorm van het land zijn niet of nauwelijks waarneembaar. De voorgenomen ontwikkeling doet hier tevens geen afbreuk aan, aangezien het slechts een verschuiving van de agrarische activiteiten betreft. Het voornemen is niet in strijd met artikel 3.4 uit de omgevingsverordening.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

17

Wapserveen, Van Helomaweg 4 Concept Het plan is in lijn met het provinciale beleid. Er is geen aantasting van aardkundige waarden en de ontwikkeling draagt bij aan de verbetering van het landschap. Voor een verder uitwerking wordt verwezen naar paragraaf 5.3.1.3 en 5.3.2.3. 5.2.3

Conclusie toetsing aan het provinciale beleid

Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid.

5.3

Gemeentelijk beleid

Het gemeentebeleid is verwoord in tal van beleidsplannen het gebied van wonen, gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema’s gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsvisie en andere voor voorliggend initiatief relevante beleidsstukken. 5.3.1

Omgevingsvisie Westerveld

5.3.1.1 Algemeen Deze Omgevingsvisie bevat het toekomstbeeld van en voor de gemeente Westerveld. De omgevingsvisie is de integrale langetermijnvisie op de ontwikkeling van de gemeente en gaat over de hele fysieke leefomgeving. Voor 2040 heeft de gemeente vijf ambities: • • • • •

Een bereikbaar en veilig Westerveld; Een bedrijvig en gastvrij Westerveld; Een leefbaar en inclusief Westerveld; Een gezond en groen Westerveld; Een herkenbaar en toekomstgericht Westerveld.

Samen met de gemeente brede keuzes vormen deze vijf ambities de basis voor de Visiekaart. Op basis van de ligging van het plangebied op de Visiekaart zijn met name de keuzes en ambities behorend bij deelgebied ‘Essen en oude veldontginningen’ en ‘overige kernen’ van toepassing. 5.3.1.2 Uitwerking deelgebiedsvisie: ‘Essen en oude Veldontginningen’ Dit deelgebied bestaat uit de oude gronden, voornamelijk zijn dit essen, veldontginningen en (delen van) veenrandontginningen. Het karakter van het gebied is wisselend. Van grote open agrarische landschappen naar kleinschalig esdorpenlandschap en wegdorpen. Passend bij het wisselende karakter is ook de variatie aan gebruik van dit gebied. Naast akkerbouw en grasland bestaan in dit gebied ook de functies natuur en recreatie. Enkele delen van dit deelgebied maken onderdeel uit van het door de provincie Drenthe aangewezen Natuur Netwerk Nederland. Gebied specifieke keuzes Combinatie van functies Schaalvergroting van (agrarische) bedrijven is in dit gebied moeilijk te realiseren. Dit als gevolg van de kleinschalige eigendomssituatie, de aanwezigheid van waardevolle essen, de nabijheid van andere (milieugevoelige) functies en de nabijheid van natuurgebieden. Daar waar kansen liggen, willen we deze echter faciliteren.

Ontwikkeling van agrarische bedrijven zal naar verwachting met name plaatsvinden door functieverandering of functieverbreding, bijvoorbeeld met de verkoop van lokale producten. Ook daarvoor bieden we ruimte. Duurzame landbouw is hier zeker kansrijk, evenals kleinschalig en biologisch boeren. In het gebied liggen agrarische gronden die binnen de doelbegrenzing van het Natuur Netwerk Nederland vallen. De realisatie van het Natuur Netwerk Nederland vindt hier idealiter – voortbordurend op de landelijke ontwikkelingen - plaats door extensivering van de landbouw in vormen als agrarisch natuurbeheer en biologische landbouw. Boerderijen waar dit niet lukt, krijgen een andere passende functie, bijvoorbeeld wonen of kleinschalige verblijfsrecreatie. Beleefbaarheid BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

18

Wapserveen, Van Helomaweg 4 Concept Tot slot, omdat dit deelgebied grenst aan bijna alle dorpen, wordt het belangrijk gevonden om dit deelgebied vanuit de dorpen zo toegankelijk en uitnodigend mogelijk te maken - waar dat nog niet het geval is. Dit sluit aan bij de gemeentebrede ambitie om bewegen te stimuleren. Daarnaast vinden we het kleinschalige en authentieke landschap belangrijk om te behouden, zeker als er allerlei ontwikkelingen in het gebied zijn. Bebouwing moet altijd passen bij de omgeving. Bij nieuwe ontwikkelingen vinden we dit belangrijk: • • • •

Het ondersteunen van functieverandering of functieverbreding van agrarisch bedrijven waar dit nieuwe kansen oplevert en de waarden over eind blijven. In dit gebied is ruimte voor een innovatieve en dynamische recreatieve sector. Ontwikkelingen, onder andere ten aanzien van opwek van duurzame energie, mogen geen afbreuk doen aan de beleefbaarheid en herkenbaarheid van het authentieke, kleinschalige landschap. Vanwege de variatie in het gebied bieden we hierin maatwerk. Gebiedsontwikkeling nabij dorpen wordt bij voorkeur gecombineerd met een functie die uitnodigt om te bewegen.

5.3.1.3 Uitwerking deelgebiedsvisie: ‘Overige kernen: dynamische dorpen’ De gemeente Westerveld kent een groot aantal dorpen en buurtschappen. Ieder dorp is uniek, kent zijn eigen geschiedenis en heeft daardoor een eigen identiteit ontwikkeld. Grofweg zien we – naast de voorzieningendorpen Diever, Havelte, Dwingeloo en Vledder – twee typen dorpen in onze gemeente. Dit zijn woondorpen en dynamische dorpen. Wapse wordt getypeerd als een dynamisch dorp Dynamische dorpen liggen qua omvang tussen de woondorpen en de voorzieningendorpen in. Naast de woonfunctie zijn er nog een paar voorzieningen aanwezig zoals een (door de gemeente ondersteund) dorpshuis of een basisschool. Of ze hebben een strategische ligging ten opzichte van bepaalde dynamische locaties. Voor voorzieningen zoals hoger onderwijs of grotere winkels moeten de inwoners het dorp uit. Koers voor de overige dorpen

•

Omdat ieder dorp uniek is, vind de gemeente maatwerk erg belangrijk. Dit betekent dat de gemeente samen met de dorpen kijkt waar de behoeften liggen en hoe de gemeente daarin ruimte kan bieden via regelgeving of kunnen faciliteren. Een aantal dorpen heeft (in eigen beheer) een Dorpsvisie opgesteld. Die Dorpsvisies kunnen dienen als leidraad.

•

Het 'dorpse en groene karakter' van de dorpen is een belangrijke pijler van de woonkwaliteit. Het behouden van de ruimtelijke kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een belangrijk uitgangspunt.

•

Voor het goed functioneren van een dorp is het belangrijk dat er voldoende ruimte voor ontmoeting is. De gemeente wil zich ervoor inzetten om deze voorziening voor de dorpen te behouden.

•

De gemeente wil de aantrekkelijkheid van de dorpen vergroten door ruime(re) mogelijkheden te bieden voor werken aan huis.

•

In alle dorpen is ruimte voor (beperkte) woningbouw. Wat betreft woningbouw in de overige dorpen kiest de gemeente hoofdzakelijk voor een vraag gestuurde aanpak. Eigen initiatief wordt toegejuicht, bijvoorbeeld om het eigen huis aan veranderende woonwensen of familiesamenstelling aan te passen. Ook experimenteel en exclusief wonen is mogelijk, zoals in de vorm van collectief particulier opdrachtgeverschap. Hierbij kijkt de gemeente wat bij de waarden voor het betreffende dorp past.

•

Naast deze visie formuleert de gemeente een visie op de voorzieningen in onze dorpen, die te beschouwen is als een nadere uitwerking van de Omgevingsvisie wat betreft de ambitie ‘Een leefbaar en inclusief Westerveld’.

•

Initiatieven vanuit de dorpen die als doel hebben de sociale betrokkenheid en de leefbaarheid te verbeteren worden gestimuleerd. Ook initiatieven op het gebied van collectieve verduurzaming worden door de gemeente gestimuleerd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

19

Wapserveen, Van Helomaweg 4 Concept 5.3.1.3 Toetsing aan de ‘Omgevingsvisie Westerveld’ Als gevolg van deelname aan de LBV-regeling bestaat het voornemen om het bestaande melkveebedrijf om te zetten naar een akkerbouwbedrijf. De keuze om het agrarisch melkveebedrijf om te zetten naar een akkerbouwbedrijf wordt ondersteund door de Omgevingsvisie van de gemeente Westerveld. De gemeente Westerveld streeft naar een duurzame en toekomstbestendige landbouwsector. Hoewel de gemeente geen directe wettelijke taken heeft op dit gebied, ondersteunt zij initiatieven die bijdragen aan deze transitie. De omschakeling van melkveehouderij naar akkerbouw sluit aan bij deze doelstelling, aangezien akkerbouw doorgaans leidt tot lagere emissies van stikstof en ammoniak, en daarmee bijdraagt aan een duurzamere agrarische praktijk. De agrarische sector is een belangrijke economische pijler voor de gemeente Westerveld. Het behoud van agrarische bedrijvigheid draagt bij aan de leefbaarheid en vitaliteit van het platteland. Door de functiewijziging blijft het perceel in agrarisch gebruik, hetgeen in lijn is met het streven van de gemeente om de agrarische identiteit van het gebied te behouden. De gemeente hecht waarde aan het versterken van de biodiversiteit en het zorgvuldig inpassen van agrarische activiteiten in het landschap.

Bij de omschakeling naar akkerbouw zal aandacht worden besteed aan het behoud en de versterking van landschapselementen, zoals houtwallen en slootkanten, die bijdragen aan de ecologische waarde van het gebied. De gemeente Westerveld heeft een rijke cultuurhistorie en zet zich in voor het behoud van erfgoed. De karakteristieke boerderij op het perceel aan de Van Helomaweg 4 maakt deel uit van dit erfgoed. Bij de functiewijziging zal rekening worden gehouden met het behoud van de cultuurhistorische waarde van de bebouwing en het erf. De voorgenomen functiewijziging van melkveehouderij naar akkerbouw op het perceel aan de Van Helomaweg 4 in Wapserveen is in overeenstemming met de beleidsdoelstellingen van de gemeente Westerveld, zoals verwoord in de Omgevingsvisie en aanverwante documenten. De omschakeling draagt bij aan een duurzame agrarische sector, behoud van de agrarische identiteit en leefbaarheid van het platteland, versterking van biodiversiteit en landschappelijke waarden, en het behoud van cultuurhistorisch erfgoed. 5.3.2

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsambities zoals verwoord in het hiervoor behandelde gemeentelijke beleid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

20

Wapserveen, Van Helomaweg 4 Concept

HOOFDSTUK 6 6.1

OMGEVINGSVEILIGHEID

Algemeen

Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. 6.2

Situatie in en bij het plangebied

Aan de hand van de kaart ‘Externe Veiligheid’ van de Atlas van de Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. In afbeelding 6.1 is een uitsnede van bovengenoemde kaart met betrekking tot het projectgebied (rode ster) en de directe omgeving weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

21

Wapserveen, Van Helomaweg 4 Concept

Afbeelding 6.1

Projectgebied op de externe veiligheidskaart (bron: Atlasleefomgeving.nl)

Er zijn geen risicobronnen in de directe omgeving van het projectgebied aanwezig. De dichtstbijzijnde risicobron is een opslagtank met gas. Tevens voorziet het voornemen niet in de realisatie van een risicobron. 6.3

Conclusie

Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

22

Wapserveen, Van Helomaweg 4 Concept

HOOFDSTUK 7

BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN

Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.

7.1

Vigerend beleid

7.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 7.1.2

Rijksbeleid

Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 7.1.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westerveld&id=8036d8b9-4af7-4e5f-a689-678546294d3f