CConstaterende datWesterveld
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p Storkschoollocatie Dwingeloo_Motivering

Politieke avond Westerveld 21 april 2026, gemeente WesterveldBij agendapunt: Raadsvoorstel plan Storkschoollocatie (spreekrecht)13.388 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Conclusie

Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect bodem.

4.7

Ladder voor duurzame verstedelijking

4.7.1

Wettelijk kader

Op grond van artikel 5.129g van het Bkl wordt, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden met de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling. Onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Er wordt onderscheid gemaakt tussen ontwikkelingen in en buiten stedelijk gebied, dan wel buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast, zijn de volgende aspecten van belang: 1. 2. 3. 4. 5.

Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?

4.7.2

Onderzoek

1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Ook blijkt uit jurisprudentie dat niet iedere ontwikkeling als een nieuwe stedelijke ontwikkeling valt te kwalificeren. De grens is hierbij gelegd op 12 woningen. In dit plan worden 18 woningen gerealiseerd met bijbehorende voorzieningen. Er is daarmee sprake van een stedelijke ontwikkeling. 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. De grens is hierbij gelegd op een bruto-vloeroppervlakte van meer dan 500 m². Met dit plan zal het bouwvlak verkleind worden ten opzichte van het voorheen geldende planologische regime. Daarmee is er geen sprake van een nieuwe ontwikkeling. Feitelijk wordt er ook gebouwd binnen het dorp, er kan worden gesproken over een inbreiding. Er kan worden gesteld dat sprake is van een herontwikkeling van een bestaand stedelijk gebied. Uit zorgvuldigheid wordt de rest van de Laddertoets doorlopen. 3.

Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Het ruimtelijk verzorgingsgebied bestaat uit de kern Dwingeloo.

30

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p Storkschoollocatie Dwingeloo

4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Op basis van de woonvisie en bijbehorende addendum (zie paragraaf 3.4.2) is gebleken dat er behoefte is aan de hoeveelheid woningen en dan met name voor ouderen, waarbij de betaalbaarheid een rol speelt. In dit geval worden betaalbare sociale huurwoningen en levensloopbestendige woningen gerealiseerd. Dit is ook in lijn met de kwalitatieve behoefte van het dorp. 5. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? De ontwikkeling ligt in de bebouwde kom van het dorp Dwingeloo. 4.7.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het plan voldoet aan de Ladder van duurzame verstedelijking. Formeel is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het plan voorziet daarnaast in een behoefte. Deze behoefte wordt opgevangen in bestaand stedelijk gebied. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking.

4.8

Cultureel erfgoed en werelderfgoed

4.8.1

Wettelijk kader

In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap een aantal beginselen geformuleerd. Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. 4.8.2

Onderzoek archeologie

Naar aanleiding van de verwachte archeologische waarden in het plangebied is een archeologisch onderzoek uitgevoerd in juni 2025. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6. Hieruit blijkt dat nader onderzoek nodig is. Dit nader onderzoek omvat een proefsleuvenonderzoek. Vooraf dient hiertoe een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) te worden vastgesteld. Dit programma van Eisen is als Bijlage 7 toegevoegd. Het proefsleuvenonderzoek, conform het goedgekeurde PvE vindt plaats voordat, conform artikel 12.27a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit Bouwen wordt aangevraagd en verleend. Uit het proefsleuvenonderzoek (Bijlage 8) komt het volgende naar voren: Doel van het onderzoek was vaststellen of een archeologische vindplaats aanwezig is en of deze behoudenswaardig is. In het plangebied is onder de bouwvoor een verstoorde zandlaag aangetroffen, met daaronder een verrommeld esdek en tot slot een C-horizont. Alleen in proefsleuf 6 is nog een intact esdek met daaronder een ten dele intacte podzolbodem aanwezig. De archeologische sporen tekenen zich af in de top van de C-horizont. In het plangebied zijn voornamelijk recente verstoringen en (sub)recente sporen gevonden. Echter, in het zuiden en zuidwesten zijn twee paalgaten en vier greppels aangetroffen.

Aangezien geen vondsten zijn gedaan kunnen deze sporen niet gedateerd worden. Er zijn geen aanwijzingen dat deze sporen aansluiten bij het middeleeuwse nederzettingsterrein dat ten zuiden van het plangebied is aangetroffen. De bodem is op de meeste plekken verstoord tot in de C-horizont, waarbij voornamelijk recente verstoringen en (sub)recente sporen in het vlak zichtbaar waren. Alleen in het zuiden en zuidoosten van het plangebied zijn twee paalsporen en vier greppels aangetroffen, die vanwege het gebrek aan vondstmateriaal niet konden worden gedateerd. Daarnaast is het zuidwestelijke deel van het plangebied aanzienlijk verstoord door boomwortels. Alleen in het uiterste zuiden, ter hoogte van S15-17, is mogelijk nog een zeer klein oppervlakte met een intact sporenniveau en sporen aanwezig. Er zijn geen aanwijzingen dat deze sporen aansluiten bij het middeleeuwse nederzettingsterrein dat ten zuiden van het plangebied is

31

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p Storkschoollocatie Dwingeloo

aangetroffen. Gezien de mate van verstoring, het gebrek aan vondsten en beperkte aantal sporen is er geen sprake van een behoudenswaardige vindplaats in het plangebied. Geadviseerd wordt om het plangebied wat betreft archeologie vrij te geven voor de voorgenomen gebiedsontwikkeling. In alle gevallen blijft onverminderd van kracht dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan en/of archeologische grondsporen worden aangetroffen, hier direct melding van dient te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de gemeente Westerveld het plangebied vrijgegeven voor de waarden archeologie. 4.8.3

Conclusie

Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect cultureel erfgoed en werelderfgoed.

4.9

Ecologie

4.9.1

Wettelijk kader

De Wet natuurbescherming (Wnb) gaat op in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. 4.9.2

Onderzoek

Soortenbescherming Om de uitvoerbaarheid van het initiatief te toetsen voor het aspect ecologie, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd (een zogenaamde natuurtoets). Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Omgevingswet of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Het rapport van de inventarisatie is als Bijlage 9 bij deze motivering gevoegd. Hieronder zijn de conclusies uit het rapport weergegeven. Voor dit plan is een veldbezoek uitgevoerd op 11 juni 2025. Daarnaast zijn verspreidingsgegevens van beschermde soorten in en om het plangebied uit de NDFF geraadpleegd. Op basis van het veldbezoek en de verspreidingsgegevens kan worden geconcludeerd dat aanvullende stappen nodig zijn met betrekking tot soorten. Tevens moeten de zorgplichtmaatregelen in acht worden genomen.In het rapport is in tabel 1 een overzicht van de te nemen vervolgstappen opgenomen. Deze vervolgstappen worden verder toegelicht in de natuurtoets en staan kortheidshalve hieronder beschreven. Tabel 4.2. Overzicht vervolgstappen. Voor uitleg en specifieke soorten zie natuurtoets. Soorten

Vervolgstappen nodig?

Vaatplanten

Nee, wel rekening houden met rode lijstsoorten

Vogels

Nee, alleen rekening houden met het broedseizoen

Vleermuizen

Ja, nader onderzoek en lichtuitstraling voorkomen

Grondgebonden zoogdieren

Nee, alleen zorgplichtmaatregelen

Amfibieën

Nee, alleen zorgplichtmaatregelen

Overige soorten

Nee, alleen zorgplichtmaatregelen

Vogels Negatieve effecten op overige broedende vogels worden bij voorkeur voorkomen door buiten het broedseizoen te werken, dus buiten de periode (half februari) half maart tot half juli (eind september). Het

32

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p Storkschoollocatie Dwingeloo

is ook mogelijk vóór het broedseizoen te starten met de werkzaamheden en continu door te werken. Dan is het waarschijnlijk dat vogels niet in het plangebied gaan broeden vanwege de continue verstoring. Is de wens om de werkzaamheden in het broedseizoen te starten, dan is het nodig het plangebied voorafgaand aan de start te laten inventariseren op broedgevallen door een broedvogeldeskundige. Zijn er op dat moment vogels aan het broeden, dan kunnen de werkzaamheden pas starten als de jongen zijn uitgevlogen. Vleermuizen Als gevolg van de plannen gaat mogelijk een vleermuisverblijfplaats verloren. Om hier meer zekerheid over te verkrijgen is een nader onderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat het gat in de boomholte blijkt niet geschikt is als vleermuizenverblijf. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 10. Om verstoring van eventueel aanwezige vliegroutes van vleermuizen te voorkomen moet in de realisatieen gebruiksfase gebruik worden gemaakt van naar beneden gerichte lichtarmaturen die strooilicht op de bomenrijen rondom het plangebied voorkomen. Zorgplichtmaatregelen Voor andere beschermde soorten of rode lijstsoorten is geen omgevingsvergunning nodig, mits bij uitvoering van de werkzaamheden de zorgplichten van de Omgevingswet in acht wordt genomen.

Een aantal soorten van de rode lijst planten, vlinders (oranje zandoogje), overige insecten, mossen, korstmossen en schimmels kan niet worden uitgesloten. De zorgplicht kan worden uitgevoerd door maaisel en de te vergraven bodem inclusief zaadbank te behouden en opnieuw te gebruiken. Dit wordt bij voorkeur gedaan naast/rondom het aan te leggen waterretentiegebied in de zuidwesthoek van het plangebied. Gebiedsbescherming Negatieve effecten ten aanzien van in het kader van beschermde Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Het plan is niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid. Houtopstanden Het plan leidt tot niet aantasting van beschermde houtopstanden. Het indienen van een kapmelding bij de provincie Drenthe is niet nodig. Stikstof In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden gelegen. In 130 van deze gebieden komen stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten voor. Een verdere toename van stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden. Daarom dient bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling onderzocht te worden of er stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Een te hoge stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden, waardoor een omgevingsplan onder dezelfde omstandigheden niet kan worden gewijzigd.

Om vast te stellen of sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, is er een AERIUS-berekening uitgevoerd. Deze AERIUS-berekening en bijbehorende bijlages zijn als Bijlage 11, 12, 13, 14, 15, 16 en 17 bij deze motivering gevoegd. Uit de berekening blijkt dat er 0,00 mol/ha/jr stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Daarmee zijn nadelige gevolgen op Natura 2000-gebied vanwege stikstofdepositie uitgesloten. 4.9.3

Conclusie

Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect ecologie.

33

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p Storkschoollocatie Dwingeloo

4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1

Wettelijk kader

Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. Wegenverkeerswet). Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Ook de bekende richtlijnen vanuit het CROW blijven bestaan. De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan te worden getoetst. 4.10.2

Onderzoek

Parkeren In afstemming met de gemeente is in het stedenbouwkundig plan een parkeernorm van 2,2 per woning gehanteerd. Met de realisatie van 18 woningen komt dit uit op, naar boven afgerond, 40 parkeerplekken. Parkeervoorzieningen zijn verdeeld in parkeren op eigen terein en openbare parkeerplaatsen. In Bijlage 3 is weergegeven waar de parkeervoorzieningen komen. Daarnaast zijn in de omgeving reeds 100 parkeerplekken beschikbaar. Al met al geeft dit voldoende mogelijkheid om te parkeren, ook voor bezoekers, op grond van het Gemeentelijk verkeer- en vervoersplan 2020-2030. Verkeer Vanuit de CROW wordt voor een sociale huur hoek-/tussenwoning, schil centrum en matig stedelijk met een gemiddelde verkeersgeneratie van 4,5 vervoersbewegingen per etmaal per woning gerekend. Voor koop hoek-/tussenwoningen geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 7 vervoersbewegingen per etmaal per woning. Voor dit plan komt dit neer op: 8 sociale huurwoningen x 4,5 vervoersbewegingen = 36 lichte vervoersbewegingen per etmaal. 10 hoek-/tussenwoningen x 7 vervoersbewegingen = 70 lichte vervoersbewegingen per etmaal. Totaal komt dat voor 18 woningen uit op 106 lichte vervoersbewegingen per etmaal. De voorgenomen en bestaande wegenstructuur binnen en in de omgeving van het plangebied kan deze verkeersgeneratie aan. 4.10.3

Conclusie

Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect verkeer en parkeren.

4.11 Mer 4.11.1

Wettelijk kader

Een toets aan de regels over een milieueffectrapportage moet worden uitgevoerd als onderdeel van de motivering van een wijziging omgevingsplan. Op grond van bijlage V van het Omgevingsbesluit vindt een mer-beoordeling plaats bij een stedelijk ontwikkelingsproject. 4.11.2

Onderzoek

Het initiatief behoort in bijlage V in het Omgevingsbesluit tot nummer J11: 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'. Hiervoor geldt een mer-beoordelingsplicht. Voor het planvoornemen is daarom een notitie mer-beoordeling opgesteld. De notitie is als Bijlage 18 aan deze motivering toegevoegd. Uit de notitie blijkt dat het initiatief geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een mer-procedure noodzakelijk maakt.

34

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p Storkschoollocatie Dwingeloo

4.11.3

Conclusie

Er kan worden gesteld dat de regels over een milieueffectrapportage geen belemmering vormen voor de uitvoering van dit plan.

Hoofdstuk 5

Toelichting planregels TAM-plan

5.1

Wijziging omgevingsplan

5.1.1

Omgevingsplan van rechtswege

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. 5.1.2

Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD). De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan.

Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) voldaan. 5.1.3

Plangebied

De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie van dit TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p Storkschoollocatie Dwingeloo, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand [NL.IMRO.1701.573TAMStorkschool-0002] zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In paragraaf 1.2 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.

35

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p Storkschoollocatie Dwingeloo

5.1.4

Overzicht wijzigingen

Paragraaf 2.3 zette het juridische kader uiteen dat op grond van het omgevingsplan nu geldt voor de locatie. Er is toegelicht waarom het nieuwe initiatief strijdig is met het huidige kader. De planregels van het omgevingsplan van rechtswege worden met dit TAM-IMRO omgevingsplan gewijzigd. Hiermee vervallen de onderliggende bestemmingsplannen, voor zover deze vervangen wordt door het TAM-omgevingsplan. De regels in dit TAM-omgevingsplan komen hiervoor in de plaats.

5.2

Artikelsgewijze toelichting

Preambule De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen. HOOFDSTUK 1. INLEIDENDE REGELS Artikel 1 Toepassingsbereik In de toepassingsbereikbepaling wordt in het eerste lid bepaald dat de ruimtelijke plannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet van toepassing zijn op de locatie waarvoor het TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld. In het tweede lid wordt aangegeven dat het bestemmingsplan 'Kleinschalige hernieuwbare energie', vastgesteld op 20-12-2022 (wel) van toepassing blijft. In het derde lid is bepaald dat de regels uit de Bruidsschat niet van toepassing zijn, als deze regels in strijd zijn met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan. Indien de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan in strijd zijn met de Bruidsschat, gaat de Bruidsschat voor. In het vierde lid worden de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan gekoppeld aan de bijbehorende verbeelding. Artikel 2 Aanvraagvereisten Als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een BOPA wordt ingediend, moet de aanvrager informatie over de activiteit aanleveren bij het bevoegd gezag.

De aanvraagvereisten uit de Bruidsschat (paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan) zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van het TAM-plan. Daarnaast moet de aanvrager motiveren waarom hij/zij van oordeel is dat voldaan wordt aan de beoordelingsregels van de gevraagde omgevingsvergunning. Artikel 3 Algemene begripsbepalingen In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar de algemeen geldende begrippen. Artikel 4 Aanvullende begripsbepalingen In dit artikel zijn begrippen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan. Artikel 5 Meet- en rekenbepalingen Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.24 al meetbepalingen. In dit artikel zijn alleen meeten rekenbepalingen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan. HOOFDSTUK 2. FUNCTIES EN ACTIVITEITEN Artikel 6 Groen In dit artikel is de functie Groen opgenomen, waarbinnen onder andere groenvoorzieningen zijn toegestaan. Het bouwen van gebouwen is verboden. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn voorwaarden geformuleerd.

36

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p Storkschoollocatie Dwingeloo

Artikel 7 Verkeer In dit artikel is de functie Verkeer opgenomen, waarbinnen onder andere wegen, fiets- en voetpaden zijn toegestaan. Het aantal rijstroken mag niet meer bedragen dan 2 x 1. Het bouwen van gebouwen is verboden. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn voorwaarden geformuleerd. Artikel 8 Wonen In dit artikel is de functie Wonen opgenomen, waarbinnen woonhuizen zijn toegestaan. Voor het bouwen van hoofdgebouwen (de woningen), bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn voorwaarden geformuleerd. Zo worden de woningen binnen de bouwvlakken gebouwd. Het wonen is al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit toegestaan. Deze activiteit is opgenomen in Bijlage 1 Bedrijvenlijst kleinschalige bedrijven en de oppervlakte bedraagt niet meer dan 30% van de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen, of niet meer bedraagt dan 50 m2 . Ook is ondergeschikt kleinschalige duurzame energiewinning toegestaan. Dit is energie die gewonnen wordt uit kleinschalige perceelsgebonden bronnen, niet zijnde windturbines, waarbij weinig tot geen schadelijke milieueffecten optreden bij winning en omzetting en die in onuitputtelijke hoeveelheden beschikbaar is, zoals zon, wind, water, biomassa, aard- en omgevingswarmte. Het uitoefenen van een bed & breakfast is vergunningplichtig.

Deze vergunning wordt verleend onder een aantal voorwaarden. HOOFDSTUK 3. ALGEMENE REGELS Artikel 9 Anti-dubbeltelregel In de anti-dubbeltelregel is aangegeven dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede keer mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren. Artikel 10 Algemene regels bouwactiviteiten In de algemene regels voor bouwactiviteiten is geregeld dat ondergeschikte afwijkingen zijn toegestaan. Zo mogen bouwgrenzen worden overschreden door onder andere balkons, afdaken en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1 m. Artikel 11 Algemene regels voor functies en gebruiksactiviteiten Het algemene gebruiksverbod luidt dat het verboden is om locaties of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies en toegestane gebruiksactiviteiten. De specifieke gebruiksverboden formuleren een aantal verboden gebruiksactiviteiten. In het lid Toegestaan gebruik is geformuleerd wat niet als strijdig wordt aangemerkt, aldus wat wel is toegestaan.

Artikel 12 Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten De omgevingsvergunning wordt ook verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, in een aantal gevallen. Artikel 13 Regels met betrekking tot parkeren en laad- en losruimte In dit artikel wordt geregeld dat alleen een omgevingsvergunning wordt verleend indien aan de regels van het parkeren of het laden en lossen wordt voldaan. Hierbij wordt voor het parkeren verwezen naar de publicatie "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" van het CROW. HOOFDSTUK 4. OVERGANGSREGELS

37

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p Storkschoollocatie Dwingeloo

Artikel 14 Overgangsrecht In dit artikel zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken en functioneel gebruik.

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

In deze onderbouwing is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan, in het verlengde daarvan, aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Kostenverhaal Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte en/of een anterieure overeenkomst, co-financiering, subsidies, gemeentelijk krediet, de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn, dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit (Ob). Nadeelcompensatie In artikel 8.15 Ob worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten.

In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie. Toetsing Het betreft hier een gemeentelijk project. Alle kosten en opbrengsten worden verrekend in de gemeentelijke grondexploitatie.

Hoofdstuk 7 7.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie

In deze paragraaf wordt uiteengezet hoe participatie is gevoerd ten behoeve van dit plan. In het navolgende is beschreven hoe de participatie is verlopen. Er dient participatie te worden gevoerd volgens de Participatieverordening gemeente Westerveld 2022. In oktober 2017 hebben Dwingelers een notitie overhandigd aan het college, waarin woningbouw op het braakliggend terrein werd voorgesteld. Tijdens bestuurlijke beraadslagingen heeft de gemeenteraad zijn ambitie uitgesproken voor (senioren)woningen, waarbij zelfredzaamheid, noaberschap en samenwonen centraal staan. Het stedenbouwkundig ontwerp geeft hier invulling aan door het voorzien van tien hofwoningen en acht sociale bouwkavels. Op maandag 14 april 2025 heeft een inloopbijeenkomst plaatsgevonden in Grand Café De Brink in Dwingeloo. De inloopbijeenkomst is bezocht door circa 120 personen. Inwoners zijn via verschillende kanalen uitgenodigd; een persbericht in de Westervelder Wolder Courant d.d. 2 april 2025, een

38

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p Storkschoollocatie Dwingeloo

aankondiging op social media en een brief aan de direct omwonenden van het plangebied. In het volledige verslag zijn de uitkomsten beschreven. Naar aanleiding van deze inloopbijeenkomst zijn wijzigingen in het plan doorgevoerd. Een tweede informatieavond heeft plaatsgevonden op maandag 13 oktober 2025 in het gemeentehuis in Diever. Hiervoor waren de direct omwonenden via een brief uitgenodigd. Het algehele participatieverslag is bijgevoegd als Bijlage 19.

7.2

Bestuurlijk vooroverleg

Op basis van artikel 2.2 Omgevingswet houdt een bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden rekening met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen en stemt zo nodig met deze andere bestuursorganen af.

7.3

Zienswijzen op het ontwerp

Het ontwerp-wijzigingsbesluit heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen, van 27 november 2025 tot en met 7 januari 2026. Gedurende deze periode heeft iedereen de mogelijkheid gekregen om een zienswijze in te dienen. Er is één zienswijze ingediend. De zienswijze en de zienswijzennota is als Bijlage 20 en Bijlage 21 bijgevoegd.

7.4

Ambsthalve wijzigingen

Tussen het ontwerp en vaststelling heeft de gemeente Westerveld het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p Storkschoollocatie Dwingeloo op de volgende punten gewijzigd. Archeologie Uit de uitkomsten van het proefsleuvenonderzoek archeologie blijkt dat het plangebied geen waarden voor archeologie bevat. De verbeelding, motivering (Hoofdstuk 5 en 4.8) en regels zijn hierop gewijzigd. Verbeelding Een klein gedeelte woonfunctie is op de verbeelding gerectificeerd naar de feitelijke situatie.

Hoofdstuk 8 aan locaties

Conclusie evenwichtige toedeling van functies

Voor de wijziging van het omgevingsplan gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Dat betekent dat het omgevingsplan enkel mag worden gewijzigd als: er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl); als daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl. Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan er in ieder geval toe leiden dat voor het gehele grondgebied van de gemeente functies evenwichtig aan locaties zijn toegedeeld. Deze taak vormt een voortzetting van het criterium van een goede ruimtelijke ordening uit de Wro, maar dan in de bredere strekking van de fysieke leefomgeving. Het zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt in het omgevingsplan bereikt door activiteiten onderling evenwichtig over locaties te reguleren. Evenwichtig reguleren van activiteiten, impliceert een locatiegerichte benadering waarbij de schaarse ruimte binnen de fysieke leefomgeving op een zo goed mogelijke wijze wordt verdeeld, ingericht en benut. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet als resultante worden beschouwd van alle regels in het omgevingsplan. Met het planvoornemen worden nieuwe woningen mogelijk gemaakt. In de voorgaande hoofdstukken is getoetst aan relevant beleid en zijn verrichte onderzoeken beschreven.

Daarnaast is het planvoornemen getoetst aan de regels van het Bkl. Op alle onderdelen wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals opgenomen in het Bkl. Er is geen aanleiding om op onderdelen hiervan af te wijken. Met het planvoornemen

39

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p Storkschoollocatie Dwingeloo

is dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westerveld&id=11361a9a-b131-4f8b-b879-1fd240b36f0e